Veleweg 5, Darp Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Veleweg 5, Darp
Ruimtelijke onderbouwing
Veleweg 5, Darp
Veleweg 5, Darp
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Situering locatie 1.3 Planologisch kader 1.4 Leeswijzer
7 7 7 8 9
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
11 11 12
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
15 15 16 20
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Archeologie 4.2 Cultuurhistorie 4.3 Bodem 4.4 Ecologie 4.5 Externe veiligheid 4.6 Geluid 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 M.E.R.-beoordeling 4.9 Milieuzonering 4.10 Verkeer en vervoer 4.11 Water
23 23 23 24 24 26 27 28 28 29 32 32
Hoofdstuk 5
Juridische vormgeving
39
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
41
Hoofdstuk 7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
43
3
Veleweg 5, Darp
4
Veleweg 5, Darp
Ruimtelijke onderbouwing
5
Veleweg 5, Darp
6
Veleweg 5, Darp
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Aan de Veleweg 5A te Darp is een grondwerk- en bestratingsbedrijf gevestigd. Dit bedrijf had voorheen een opslag voor het bedrijf aan de Van Helomaweg in Havelte. Deze mogelijkheid hield op te bestaan en dus is het noodzakelijk een nieuwe opslagruimte voor machines en materiaal ten behoeve van het bedrijf te vinden. Om in deze behoefte van opslag te voorzien wordt op het perceel Veleweg 5-5A een nieuwe schuur gebouwd. Dit past niet in het in 2017 vastgestelde bestemmingsplan 'Veleweg 5 Darp' en het bestemmingsplan “Buitengebied Havelte” (vastgesteld december 1985) . Bij realisatie van voorliggend plan wordt namelijk de maximum oppervlakte aan uitbreiding van bijgebouwen overschreden. Om van het bestemmingsplan af te wijken en een goede ruimtelijke ordening aan te tonen wordt deze ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Middels een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan (artikel 2.1, lid 1 sub c Wabo jo. artikel 2.12, lid 1 onder a, onder 3º Wabo) wordt medewerking verleend aan het voornemen. De gemeente heeft in een principebesluit aangegeven mee te willen werken aan de realisatie van de schuur en de behoefte van het bedrijf, onder voorwaarde dat het geheel opnieuw landschappelijk ingepast wordt.
1.2
Situering locatie
De locatie met perceelnummer 3887 is gelegen aan de Veleweg 5 en 5A te Darp, in het buitengebied van de gemeente Westerveld. De kern Darp bevindt zich op ongeveer 150 meter afstand ten westen van het projectgebied. De locatie ligt tegen de Euringer Es aan. Het projectgebied is gelegen aan de Veleweg, dat een (gemeentelijke) zandweg betreft. Deze weg scheidt het perceel en de Euringer Es. De ligging van het betreffende projectgebied is globaal in het rood weergegeven op navolgende afbeelding.
Afbeelding 1.1: ligging perceel (rood omlijnd) Veleweg 5, Darp
7
Veleweg 5, Darp
1.3
Planologisch kader
De locatie is deels gelegen in het bestemmingsplan 'Veleweg 5 Darp' (vastgesteld op 19 december 2017) Hierin heeft het nu de bestemming 'Wonen - Voormalige boerderijpanden'. Daarnaast bevat het projectgebied een bouwvlak, een dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3', een functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - twee woningen' en een gebiedsaanduiding 'milieuzone - waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied'. In het huidig planologisch kader mag de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een woonhuis zal ten hoogste 250 m² bedragen. Hierbij dient de goothoogte van een aan-, uit- of bijgebouw of overkapping ten hoogste 3,50 m te bedragen en dient de dakhelling van een aan-, uit- of bijgebouw of overkapping ten hoogste 60° te bedragen. Met dit initiatief wordt een bijgebouw mogelijk gemaakt met een oppervlakte van 375 m². Het bijgebouw krijgt een goothoogte van 4,20 meter en een nokhoogte van 6 meter. Voorliggend initiatief past dus niet binnen het huidige planologische kader. Daarnaast valt er een deel onder het bestemmingsplan “Buitengebied Havelte” (vastgesteld december 1985). Dit deel betreft echter alleen de uitrit en de verharding rondom de opslag. Dit deel heeft volgens de betreffende plankaart de bestemming 'agrarisch bouwblok'.
Binnen deze bestemming is het toegestaan gronden te gebruiken voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf met daarbij behorende bebouwing en erven. Hieronder is een uitsnede van het bestemmingsplan opgenomen voor zover het de nieuw aan te leggen bebouwing betreft.
Afbeelding 1.2: Uitsnede bestemmingsplan 'Veleweg 5, Darp' (vastgesteld op 19 december 2017) (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
8
Veleweg 5, Darp
Daarnaast omvat het projectgebied nog het bestemmingsplan 'Kleinschalige hernieuwbare energie' (20 december 2022). Hierin zijn dezelfde planologische mogelijkheden voor het perceel opgenomen.
1.4
Leeswijzer
In Hoofdstuk 2 is een beschrijving van de huidige situatie en de toekomstige situatie van het projectgebied opgenomen. Hoofdstuk 3 gaat in op het ter zake doende beleid op rijksniveau, provinciaal niveau en gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 4 beschrijft de ruimtelijk relevante omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 betreft de juridische vormgeving. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 6 en Hoofdstuk 7 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
9
Veleweg 5, Darp
10
Veleweg 5, Darp
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
De locatie bevindt zich aan de Veleweg 5 te Darp, in het buitengebied van de gemeente Westerveld. De ruimtelijke structuur wordt voornamelijk bepaald door de Havelterberg en de Eursingerbinnenes. Het projectgebied bevindt zich in het veldgrondenlandschap. De structuur van het gebied bestaat hoofdzakelijk uit woningen, natuur en agrarische cultuurgronden. Het projectgebied wordt begrensd door de Veleweg aan de oostzijde, en agrarische gronden aan de overige zijden. Aan de westzijde bevindt zich ook nog een aantal woningen. Op het erf zelf bevinden zich in de huidige situatie twee gebouwen. Er was tot vorig jaar sprake van twee woongebouwen, die met het bestemmingsplan 'Veleweg 5 Darp' mogelijk zijn gemaakt. Er stond al een woning en in 2020 is er een woongebouw bijgebouwd. In het voorjaar van 2023 is de oudere woning gesloopt. Nu is er dus weer sprake van één woongebouw op het perceel met bijgebouw. In het woongebouw bevindt zich een dubbele woning. Daarnaast was er een groter bijgebouw, een middelgroot bijgebouw, drie kleine bijgebouwen en een paardenbak aanwezig. In afbeelding 2.2 is te zien dat de bijgebouwen eveneens gesloopt zijn in het afgelopen jaar. Het overige deel van het erf is in gebruik als grasland. Luchtfoto’s en beelden van het projectgebied zijn hieronder opgenomen. Waarbij het meest recente beeld wordt weergegeven in afbeelding 2.2.
Afbeelding 2.1: Luchtfoto begin 2023 met projectgebied (rood omlijnd)
11
Veleweg 5, Darp
Afbeelding 2.2: Luchtfoto 2023 bebouwing projectgebied (rood omlijnd)
2.2
Toekomstige situatie
Door het wegvallen van de huidige opslag is een nieuwe stalling voor het grondwerk- en bestratingsbedrijf benodigd. Deze schuur wordt circa 17 meter breed en 22 meter lang en heeft zodoende een oppervlakte van circa 375 m². Het bijgebouw krijgt een goothoogte van 4,20 meter en een nokhoogte van 6 meter. De goothoogtes en daarmee de hoge deuren zijn gewenst vanwege het materieel dat in de schuur gestald zal gaan worden. De bouwhoogte geeft ruimte om in de schuur te kunnen manoeuvreren. Onder het gestalde materiaal valt ook een dubbelwandige mobiele tankwagen. Deze is ook te gebruiken op de plaats (elders) waar het werk wordt uitgevoerd. De schuur wordt aan de westkant tegen de reeds bestaande schuur aangebouwd. Andere bijgebouwen op het perceel zijn reeds gesloopt. Dit was ook een voorwaarde van de gemeente. Rondom de schuur wordt verharding aangebracht om de schuur te kunnen bereiken. Ten noorden van het projectgebied wordt een wadi aangelegd ten behoeve van de verplichte waterberging. Zie hiervoor verder 4.11. De aanwezigheid van deze ondiepe wadi behoudt de mogelijkheid voor agrarisch grondgebruik. Binnen het agrarische bouwvlak is geen vergunning vereist voor uit te voeren werkzaamheden. In onderstaande afbeeldingen is een schetsplan van een plattegrond en een aanzicht vanaf de woning richting de schuur weergegeven.
Dit schetsplan toont wat de landschappelijke opzet en inrichting van het projectgebied gaat worden.
12
Veleweg 5, Darp
Afbeelding 2.4: Uitsnede plattegrond bouwplan schuur en huidige bebouwing (bron: SBD)
Afbeelding 2.5: Uitsnede ontwerp achterzijde schuur en huidige bebouwing (bron: SBD)
13
Veleweg 5, Darp
14
Veleweg 5, Darp
Hoofdstuk 3
Beleidskader
In dit hoofdstuk wordt getoetst of het plan past binnen het vigerende planologisch kader en binnen het ruimtelijk beleid van de verschillende overheidslagen.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht geworden. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet. In zijn totaliteit kent de NOVI in totaal 21 nationale belangen en opgaven die het verder uitwerkt.
Die opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de NOVI zoekt het Rijk een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Om die reden worden binnen de NOVI prioriteiten gesteld. De NOVI stelt daarbij een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werkt het Rijk aan de vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. 2. 3.
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en. Afwentelen wordt voorkomen.
Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de afwegingsprincipes benut worden. Met de NOVI presenteert het Rijk een integrale, op samenwerking gerichte aanpak. De NOVI geeft een gebiedsgericht afwegingskader en sturende visie in een, gericht op het realiseren van een gezond, leefbaar, herkenbaar en economisch sterk Nederland. Conclusie Het initiatief is niet strijdig met de NOVI.
15
Veleweg 5, Darp
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn voor deze rijksbelangen bindende regels opgenomen die bij ruimtelijke plannen in acht dienen te worden gehouden. Voor dit initiatief zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten geformuleerd.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Drenthe
Provinciale Staten hebben op 2 juli 2014 ingestemd met de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2014. Deze visie is in 2018 nogmaals geactualiseerd en vastgesteld op 3 oktober 2018. De Omgevingsvisie Drenthe is een centraal visiedocument. De visie formuleert de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijke domein. In de visie zijn vier wettelijk voorgeschreven provinciale planvormen samengenomen: de provinciale structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); het provinciaal milieubeleidsplan op grond van de Wet milieubeheer (Wm); het regionaal waterplan op grond van de waterwetgeving; het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan op grond van de Planwet verkeer en vervoer. De Omgevingsvisie is hét kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe. De Omgevingsvisie beschrijft de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe voor de periode tot 2030, met in sommige gevallen een doorkijk naar de periode erna. Als in de tekst wordt gesproken over ‘lange termijn’, betreft het de periode na 2030. De Omgevingsvisie heeft voor de provincie vooral een interne binding. Dit betekent dat de provincie bij de uitoefening van haar taken aan de Omgevingsvisie gebonden is.
Missie De volgende missie is geformuleerd: "het ontwikkelen van een bruisend Drenthe, passend bij de kernkwaliteiten die de provincie rijk is." De kernkwaliteiten dragen bij aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe. Het provinciaal belang ligt in het behouden en waar mogelijk ontwikkelen van deze kernkwaliteiten. Deze missie is ingegeven door wat inwoners, medeoverheden en maatschappelijke partners belangrijk vinden voor de toekomst van Drenthe. De kernkwaliteiten zijn de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe. Samen met vertegenwoordigers van overheden, belangengroepen, marktpartijen en inwoners heeft de provincie de volgende kernkwaliteiten van Drenthe benoemd: rust, ruimte, natuur en landschap; oorspronkelijkheid (authenticiteit, Drents eigen); noaberschap; kleinschaligheid (Drentse schaal); menselijke maat; veiligheid. Het provinciaal belang ligt in het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteiten. In hoofdstuk 4 van de Omgevingsvisie is voor alle kernkwaliteiten een uitwerking naar meer concrete indicatoren gemaakt, namelijk landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur. Zorgvuldig Ruimtegebruik In Drenthe kunnen mensen nog ruimte beleven. Dat wil de provincie bewaken, ook wanneer er nieuwe ontwikkelingen zijn. Zorgvuldig ruimtegebruik is van provinciaal belang.
Milieu- en leefomgevingskwaliteit De provincie streeft naar een gezonde en veilige leefomgeving voor mens, plant en dier. Het beschermen van de kwaliteit van milieu en leefomgeving is veelal op Europees en nationaal niveau geregeld. Daarbij zijn diverse taken en verantwoordelijkheden bij de provincies neergelegd. Deze taken, gericht op het
16
Veleweg 5, Darp
beschermen van de kwaliteit van lucht, water en bodem en het verbeteren van de verkeersveiligheid, waterveiligheid en externe veiligheid, zijn daarmee van provinciaal belang. Kaarten en doelstellingen Op kaarten behorende bij de Omgevingsvisie Drenthe zijn de kernkwaliteiten nader weergegeven. Op een aantal kaarten (wanneer relevant) is het projectgebied als volgt aangeduid: Landschap De kwaliteit en de diversiteit van het Drentse landschap dragen sterk bij aan een aantrekkelijk milieu om in te wonen, te werken en te recreëren. Landschap is één van de zes kernkwaliteiten van Drenthe. De identiteit van het Drentse landschap wordt bepaald door de ontstaansgeschiedenis en de diversiteit aan landschapstypen. Het projectgebied is gelegen binnen het esdorpenlandschap. De essen zijn van provinciaal belang. Deze voor het esdorpenlandschap kenmerkende open ruimtes zijn veelal omgeven met esrandbeplanting. Het provinciaal beleid is gericht op het behoud van de open ruimte en het versterken van esrandbeplanting. Paragraaf 4.2 motiveert dat de karakteristiek van het esdorpenlandschap niet wordt aangetast door de ontwikkeling. Cultuurhistorie Het cultuurlandschap, met daarin het gebouwde erfgoed als ankerpunten, is sterk bepalend voor hoe men de leefomgeving ervaart. Het geeft er betekenis aan en is zo direct verbonden met ons beeld van de Drentse identiteit.
Daarom heeft de provincie de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS), die het provinciaal belang vastlegt, met daarin drie sturingsniveaus. Het beleid van de provincie Drenthe ten aanzien van cultuurhistorie is beschreven in de beleidsnota Cultuurhistorisch Kompas Drenthe. Het terrein is gelegen binnen het deelgebied 5C: 'Havelterberg'. De structuur van dit gebied wordt gedomineerd door: open beekdalen, met zicht naar de wegdorpen van de randveenontginningen; esdorpen met intern en extern een ruime opzet en herkenbaarheid van historische uitbreidingen die het landschap insteken; vele prehistorische sporen als representanten van een continue bewoningsgeschiedenis; de Havelterberg als kerngebied met een concentratie van bewoningssporen, van prehistorie tot en met de Tweede Wereldoorlog. Richtinggevend voor dit deelgebied is het beter beleefbaar maken van de lange geschiedenis van de Havelterberg door de vele historische sporen vanaf de prehistorie tot aan de Tweede Wereldoorlog te benadrukken. Het sturingsniveau 'respecteren' is van toepassing. De provincie wil de cultuurhistorische samenhang veilig stellen voor de toekomst. Bij ontwikkelingen ligt de inzet bij het waarborgen van de cultuurhistorische samenhang voor de toekomst. Initiatiefnemers hebben de verantwoordelijkheid om de cultuurhistorische hoofdstructuur als inspiratiebron te benutten voor ontwikkelingen.
Paragraaf 4.2 motiveert dat de cultuurhistorische waarden niet worden aangetast door de ontwikkeling. Aardkundige waarden Drenthe heeft een eigen karakter, een eigen (ruimtelijke) identiteit, die door inwoners en bezoekers hoog wordt gewaardeerd. Het aardkundige landschap van Drenthe is hiervoor in belangrijke mate bepalend. Aardkundige waarden die bijdragen aan het specifieke Drentse karakter wil de provincie behouden en, waar mogelijk, herstellen. Het provinciaal belang ligt in het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteit aardkundige waarden. De provincie wil inhoud geven aan ruimtelijke kwaliteit, om de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe te behouden en te versterken. Het doel is de archiefwaarde van de bodem te behouden en de landvormen, die karakteristiek zijn voor het Drentse landschap, te behouden en te versterken, als onderdeel van de kernkwaliteit oorspronkelijkheid. Het perceel heeft een hoog beschermingsniveau. In gebieden met een hoog beschermingsniveau heeft de
17
Veleweg 5, Darp
provincie de ambitie om de context en het referentiebeeld van de aardkundige eenheid te behouden of te herstellen. In deze gebieden worden alleen ontwikkelingen toegestaan als aardkundige kwaliteiten en kenmerken worden behouden. Het zorgvuldig en verantwoord omgaan met de aardkundige waarden vormt het vertrekpunt bij planvorming. De aardkundige waarden worden niet aangetast. Het terrein is een erf met twee woningen en verschillende bijgebouwen. Het terrein wordt landschappelijk ingepast, zoals in paragraaf 2.2 is besproken. Overige waarden Het perceel heeft tot slot nog een specifieke waarde ten aanzien van de milieukwaliteit, het watersysteem en robuuste systemen: multifunctionele gebieden . Deze thema's komen deels in Hoofdstuk 4 nader aan de orde. 3.2.2
Omgevingsverordening Drenthe
In de Provinciale Omgevingsverordening vertaalt de provincie Drenthe zijn Omgevingsvisie (deels) door naar concrete regels. Op 6 september 2022 is de geactualiseerde versie door Provinciale Staten vastgesteld. In de Omgevingsverordening is opgenomen (artikel 2.6) dat in een ruimtelijk plan uiteen wordt gezet dat met het desbetreffende plan wordt bijgedragen aan behoud en ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten. Voorliggend initiatief dient getoetst te worden aan het beleid voor bedrijvigheid dat is beschreven in artikel 2.18 Bedrijvigheid van de Provinciale Verordening. Hieronder wordt deze toets uiteengezet. Beleidsregels Op grond van artikel 2.18 lid 3 POV kunnen Gedeputeerde staten nadere regels stellen met betrekking tot de mogelijkheid dat een ruimtelijk plan voorziet in vestiging of significante uitbreiding van een solitair buiten bestaand stedelijk gebied gelegen regionaal georiënteerd bedrijf. Deze regels hebben geen betrekking op bedrijven binnen de sector recreatie en toerisme en overige functioneel aan het buitengebied verbonden bedrijvigheid. Bedoelde beleid is de 'Regeling Vestiging solitair bedrijf in buitengebied'. Deze regeling is bedoeld voor uitbreiding van regionaal georiënteerde bedrijven die belangrijk zijn voor de werkgelegenheid, maar die solitair gevestigd zijn in het buitengebied.
De regeling bepaalt dat een ruimtelijk plan alleen kan voorzien in vestiging of een significante uitbreiding van een bestaand solitair buiten bestaand stedelijk gebied gelegen regionaal georiënteerd bedrijf indien: a. b. c. d.
de desbetreffende bedrijvigheid op basis van een goede ruimtelijke ordening niet op een bedrijventerrein gevestigd kan worden of; er sprake is van een gegroeide ontwikkeling waarbij er geen juridische mogelijkheden zijn om een eind te maken aan de ontstane ruimtelijke situatie of; over de vestiging of uitbreiding van de bedrijvigheid in het verleden bestuurlijke uitspraken zijn gedaan of intenties zijn vastgelegd of; de vestiging of uitbreiding aansluitend is aan de grens van de kaart Bestaand Stedelijk Gebied en het ruimtelijk plan gepaard gaat met een landschappelijke inpassing die gericht is op een plus op de landschapskenmerken of ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.
Bedrijfsvoering Het betreffende bedrijf houdt zich bezig met het aanbrengen van bestratingen voor zowel de particuliere sector als de de infra-sector. Daarnaast werkt het voor de wegenbouw, rioolwerkzaamheden en het leggen van kabels en leidingen. Ook voert het bedrijf grondwerkzaamheden uit met de daarbij gebruikte machines. De eigenaar heeft in de afgelopen 18 jaar een heel netwerk met klanten opgebouwd in deze regio, daarom is de wens hier te blijven. Reactie op beleidsregels
18
Veleweg 5, Darp
Puntsgewijs wordt toegelicht waarom de initiatiefnemer van mening is dat de bedrijfsvoering aan de Veleweg 5a past binnen deze beleidsregels. Regionaal georiënteerd bedrijf. Op dit moment heeft het bedrijf 4 personeelsleden in vast dienstverband, daarnaast huurt het veel andere bedrijven in. De vaste personeelsleden komen uit Uffelte, Ruinerwold, Steenwijk en Hardenberg. De ingehuurde arbeid omvat circa 80% van de arbeid en wordt geleverd door bedrijven uit Havelte, Darp, Steenwijk, Creil en Farmsum. Het bedrijf levert werk aan particulieren en bedrijven in de provincies Drenthe, Overijssel en Groningen. Daarnaast werkt het bedrijf voor een aannemer uit Amsterdam. De inkopen worden gedaan bij bedrijven in Havelte, Ruinerwold, Steenwijk en Meppel. Er wordt niet veel ingekocht, omdat de hoofdaannemer of opdrachtgever in de meeste gevallen voor de materialen zorgt. Bedrijventerrein Voorheen had de initiatiefnemer de opslag van machines en materiaal voor het bedrijf bij zijn ouders thuis aan de Van Helomaweg in Havelte. Eind 2019 werd een van de ouders ziek en moest een andere plek gezocht worden voor de machines. Inmiddels is de boerderij verkocht en is de initiatiefnemer aan de Veleweg terecht gekomen. Vanaf eind 2019 zijn een aantal locaties bekeken in de buurt, voornamelijk op het industrieterrein van Havelte. Vanuit de gemeente waren er geen bedrijfskavels meer beschikbaar.
Een bedrijf had een bouwgrond voor een prijs van 115 euro per m² te koop. Dat terwijl de gemeente grondprijzen (2023) wil hanteren van € 55,- à € 75,- per m². De gevraagde hoge grondprijzen te samen met bouwkosten voor een loods waren destijds niet te betalen. Ook is gekeken naar huurobjecten in de omgeving Havelte -Darp, maar er was niets beschikbaar. Bestuurlijke uitspraken Initiatiefnemer is vanaf 2020 in overleg met de gemeente. Er is medewerking uitgesproken. Bestaand Stedelijk Gebied Het perceel Veleweg 5a ligt aan de rand van Darp. Darp is op de 'kaart Bestaand Stedelijk Gebied' rood ingekleurd. Zie onderstaande schermafbeelding van de 'kaart Bestaand Stedelijk Gebied'. Waar de pointer staat zal de loods worden gebouwd. Voor dit plan is een landschappelijk inrichtingsplan gemaakt.
Afbeelding 3.1 Schermafbeelding van kaart Bestaand Stedelijk Gebied (Bron: POV Drenthe)
19
Veleweg 5, Darp
Conclusie In bovenstaande paragraaf is beschreven dat het plan past binnen de Provinciale Omgevingsverordening. De verordening geeft verder geen specifieke bepalingen voor het perceel en de gewenste ontwikkeling.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Westerveld
De gemeente Westerveld heeft in februari 2022 haar Omgevingsvisie vastgesteld. De Omgevingsvisie bestaat uit een toekomstbeeld tot 2040 en vijf gemeentebrede ambities. In het toekomstbeeld geeft de gemeente aan: een vitale gemeente te willen zijn; een excellente woongemeente te willen zijn; een sterke economische, recreatieve en agrarische gemeente; een dynamische, innovatieve gemeente. Het toekomstbeeld is vertaald in vijf ambities: 1. 2. 3. 4. 5.
Een bereikbaar en veilig Westerveld: Een bedrijvig en gastvrij Westerveld; Een leefbaar en inclusief Westerveld; Een gezond en groen Westerveld; Een herkenbaar en toekomstgericht Westerveld.
De gemeentebrede ambities zijn geconcretiseerd in gebieden. In de Omgevingsvisie valt de Veleweg 5 en omgeving onder het deelgebied 'Oude veldontginningen'. De gemeente geeft in de Omgevingsvisie aan dat de hoofdkoers van het beleid voor dit gebied ongewijzigd blijft: landbouw, natuur en recreatie kunnen zich gelijkwaardig ontwikkelen. Bestaande functies en ontwikkeling daarvan staan op de eerste plaats. De hoofdkoers in het gebied 'Oude veldontginningen' 'richt zich daarom op meerdere ambities, namelijk: ‘bedrijvig en gastvrij’ vanwege de combinatie landbouw/toerisme; ‘bedrijvig en gastvrij’ vanwege de beleefbare natuur; ‘herkenbaar’ vanwege het authentieke karakter; ‘groen en gezond’ vanwege de nabijheid van dorpen; ‘bereikbaar en veilig’ vanwege de infrastructurele verbindingen tussen dorpen en voorzieningen die door dit gebied lopen. De conclusie luidt dat het initiatief, mede gelet op de positieve invloed op de bedrijvigheid in Westerveld, in lijn is met de Omgevingsvisie. 3.3.2
Kadernota buitengebied
In de Kadernota (vastgesteld 14 februari 2006) zijn de algemene uitgangspunten voor ontwikkelingen in het buitengebied van de gemeente Westerveld opgenomen. Het hoofddoel luidt: “De bestaande ruimtelijke kwaliteit van het gebied geldt als vertrekpunt, met het doel deze te bewaren en waar nodig en mogelijk te verbeteren en optimaal te benutten. De kwaliteit en het gebruik van de ruimte staan centraal." Het projectgebied is op de landschappenkaart in de kadernota gelegen in de esdorpenlandschap met als deelgebied veldgronden. De kernkwaliteiten van veldgronden hebben betrekking op: afwisseling in open en besloten delen; geen duidelijke richtingen; voornamelijk natuurfunctie; vennen;
20
Veleweg 5, Darp
plaatselijk bos; nauwelijks bebouwing. Belangrijk onderdeel van de nota is een ontwikkelingskaart aan de hand waarvan nieuwe ontwikkelingen worden getoetst. De drie ontwikkelingsgebieden geven de gewenste richting voor ontwikkelingen aan. De gebieden zijn op basis van het bestaande grondgebruik en het vastgelegde beleid in grote eenheden globaal begrensd en gelden als vertrekpunt. Het projectgebied is op de kaart aangeduid als 'Ontwikkeling landbouw, natuur en recreatie'. In het gebied ‘Ontwikkeling landbouw, natuur en recreatie’ kunnen landbouw, natuur en recreatie zich gelijkwaardig ontwikkelen. Hierbij geldt dat bestaande functies en de verdere ontwikkeling daarvan op de eerste plaats staan. Soms zal een bestaand bedrijf van functie veranderen of er een nieuwe functie bij krijgen. Ook kunnen er nieuwe combinaties van verschillende functies ontstaan. Veel nieuwe bedrijfsvestigingen zullen zich niet voordoen, al mag dat wel. Schaalvergroting is in dit gebied als gevolg van de kleinschalige eigendomssituatie en de natuur- en milieuwetgeving veelal moeilijk te realiseren. De beekdalen in het gebied zijn zoekgebied voor het zo nodig bergen van water. De realisatie van de nieuwe EHS vindt zo mogelijk op bedrijfseconomische grondslag plaats door het natuurbeheer onder te brengen in extensieve vormen van landbouw.
Boerderijen die niet benut kunnen worden als beheerboerderij krijgen zo mogelijk een nieuwe passende functie, bijvoorbeeld wonen, zorg, kleinschalige verblijfsrecreatie. Voor het realiseren van nieuwe natuurgebieden (op agrarische gronden) moet ook worden voldaan aan de randvoorwaarden ‘landschap en economie’. Dit kan bijvoorbeeld door aanleg voet- en fietspaden, parkeermogelijkheden aan de randen en te combineren met biologische landbouw of agrarisch natuurbeheer. Zoals paragraaf 4.2 concludeert, heeft het initiatief geen negatieve invloed op het landschap en zijn kernkwaliteiten. De schuur en het erf wordt landschappelijk ingepast. Daarom is het initiatief niet strijdig met de kadernota. 3.3.3
Beleidsnota lokale economie
De gemeente Westerveld heeft in december 2009 de 'Beleidsnota lokale economie: Met kwaliteit en authenticiteit boven het maaiveld uit' vastgesteld. De nota schetst de mogelijkheden die gelden voor de langere termijn. Een van de ambities van de gemeente: "Een gemeente waar het aantrekkelijk wonen en recreëren is". Doel is het signaleren van pareltjes in de lokale economie en ruimte te bieden deze ook verder te ontwikkelen. Anderzijds is ook een doel het stellen van grenzen aan ontwikkelingen die de kernkwaliteiten van de gemeente aantasten. Recreatie en toerisme is van oudsher belangrijke economische pijler, maar kampt met een teruglopend aantal overnachtingen, weinig attracties en matige horecafaciliteiten. Naar de toekomst toe is een versterking in deze sector noodzakelijk, als basis voor een vitale lokale economie. Belangrijke doelstellingen op dit vlak zijn: Een toename van de toeristisch recreatieve bestedingen, zowel door een toename van de bestedingen per persoon als door een groter aantal personen naar de gemeente te trekken.
Het verhogen van het kwaliteitsniveau van het aanbod in de gemeente Westerveld om zo duidelijker doelgroepen aan de gemeente te binden die passen bij het hoge kwaliteitsniveau van de omgeving Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen het doel van de beleidsnota (kwaliteit en vernieuwing) en een bijdrage levert aan de lokale economie, passend bij het hoge kwaliteitsniveau van de omgeving. Het initiatief is in lijn met de cultuurhistorische waarden.
21
Veleweg 5, Darp
3.3.4
Recreatie- en toerismebeleid
Op 22 augustus 2012 is het beleidsstuk 'Recreatie- en toerismebeleid in gemeente Westerveld' vastgesteld. Dit betreft een onderzoek van de rekenkamer Westerveld naar recreatie en toerisme/lokale economie in de gemeente. Gemeente Westerveld is een dunbevolkte plattelandsgemeente in de regio Zuidwest Drenthe. Recreatie en toerisme is van oudsher een belangrijke economische pijler voor de gemeente Westerveld. De gemeente kampt echter al een aantal jaren met een teruglopend aantal overnachtingen, weinig attracties en matige horecafaciliteiten. Voor de toekomst is daarom een versterking van deze sector noodzakelijk als basis voor een vitale lokale economie. In 2009 is er beleid en een uitvoeringsprogramma lokale economie vastgesteld, waar recreatie en toerisme als belangrijke pijler onderdeel van uitmaakt. Het initiatief sluit aan bij het beleidsstuk vanwege dezelfde reden zoals besproken is bij de Beleidsnota Lokale Economie.
22
Veleweg 5, Darp
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op de omgeving. Anderzijds kan ook de omgeving van invloed zijn op de uitvoerbaarheid van het voornemen. In dit hoofdstuk worden de omgevingsfactoren beschreven en wordt per omgevingsfactor beoordeeld wat de invloed op het plan kan zijn.
4.1
Archeologie
Wettelijk kader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend hierop zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast moet ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het projectgebied bevatten. Dit is uitgewerkt in paragraaf 4.2. Voor zover in een projectgebied sprake is van erfgoed, moet op grond van voorgaande dan ook worden aangegeven op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden rekening wordt gehouden. Onderzoek In het vigerende bestemmingsplan 'Veleweg 5 Darp' kent het projectgebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud van archeologische waarden.
Voor 'Waarde - Archeologie 3' geldt een oppervlaktegrens van 1.000 m2 . De dubbelbestemming geeft aan dat archeologisch onderzoek nodig is bij bouwwerken met een oppervlakte groter dan 1.000 m². De oppervlakte van het bouwwerk betreft circa 375 m², deze oppervlakte overschrijdt niet de 1.000 m². Archeologisch onderzoek is om deze reden niet nodig. Conclusie Vanuit het aspect archeologie is het planvoornemen uitvoerbaar.
4.2
Cultuurhistorie
Wettelijk kader Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden mee gewogen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen. De overige cultuurhistorische waarden moeten, naast de archeologische waarden, worden betrokken in het onderzoek. De gemeente Westerveld heeft de cultuurhistorische waarden van de gemeente laten vaststellen door een gespecialiseerd bureau. In het rapport ‘Tussen Havelterberg en Lheebroek: een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Westerveld’ (RAAP-RAPPORT 2493, 2012) worden de kenmerken van de landschapstypen van de gemeente Westerveld nader omschreven. Daarnaast is een groot aantal cultuurhistorisch waardevolle elementen in beeld gebracht, variërend van historische wegen en waterlopen tot strubbenbossen, monumentale gebouwen, structuren die verband houden met de Drentse Hoofdvaart, markegrenzen en sporen van de Tweede Wereldoorlog. Onderzoek Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Westerveld bevinden zich in het
23
Veleweg 5, Darp
projectgebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. De openheid van de es en de cultuurhistorische waardevolle groenstructuren worden niet aangetast als gevolg van het plan. Geconcludeerd wordt dat cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan. Conclusie Ten aanzien van het aspect cultuurhistorie treden er geen belemmeringen op.
4.3
Bodem
Wettelijk kader Het Besluit Bodemkwaliteit streeft naar duurzaam bodembeheer waarbij een balans gezocht wordt tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu enerzijds en het gebruiken van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen anderzijds. Het Besluit bevat regels voor kwaliteitsborging (Kwalibo), bouwstoffen, grond en baggerspecie. Bij het mogelijk maken van ruimtelijke initiatieven moet de vraag worden gesteld of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Onderzoek Het initiatief voorziet in de bouw van een schuur en buitenterrein ten behoeve van opslag voor het grondwerk- en bestratingsbedrijf en heeft daarmee geen betrekking op het realiseren van bebouwing, waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen (langer dan twee uur per dag) zullen verblijven. Daarom is een (verkennend) bodemonderzoek niet noodzakelijk. Bovendien is met de bestemmingsplanherziening ter plaatse onderzoek naar de bodem gedaan. Bodembeschermde voorzieningen zijn in deze vergunning niet aan de orde.
Binnen het huidige projectgebied vindt geen grondopslag plaats. De opslag van oliën en smeermiddelen voor de machines is beperkt, passend bij een kleinschalige bedrijvigheid. Er moet wel voorkomen worden dat materialen zoals oliën en smeermiddelen zich mengen met de onderliggende bodem. Deze oliën en smeermiddelen staan derhalve op een lekbak. Conclusie Ten aanzien van het aspect bodem treden er geen belemmeringen op en zijn er geen bodembeschermde voorzieningen nodig.
4.4
Ecologie
4.4.1
Wettelijk kader
Wet natuurbescherming Onderdeel van de Wet natuurbescherming is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4); dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9); nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11). Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb. Ook de bescherming van specifieke natuurgebieden is in de Wet natuurbescherming geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met
24
Veleweg 5, Darp
negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. Weide- en akkervogelleefgebied Vanuit het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid wordt buiten de NNN-gebieden bij ruimtelijke plannen specifiek ingezet op de bescherming van weide- en akkervogelleefgebied. Hiertoe zijn specifieke gebieden aangewezen. 4.4.2
Ecologische inventarisatie
Om de uitvoerbaarheid van dit plan te toetsen voor het aspect ecologie, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wnb of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. De inventarisatie is in februari 2023 uitgevoerd door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs B.V. Het rapport van de inventarisatie is als Bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. Hieronder worden de resultaten kort benoemd. 4.4.2.1 Soortenbescherming Uit de toetsing komt naar voren dat als gevolg van de plannen negatieve effecten op beschermde soorten uitgesloten kunnen worden. Voor beschermde soorten is geen ontheffing van de Wnb nodig, mits bij uitvoering van de werkzaamheden rekening wordt gehouden met het broedseizoen en de algemene zorgplicht van de Wnb in acht wordt genomen. Zorgplicht Negatieve effecten op broedende vogels worden bij voorkeur voorkomen door bij de werkzaamheden buiten het broedseizoen te werken, dus buiten de periode (half februari) half maart tot half juli (eind september). Het is ook mogelijk om voor het broedseizoen te starten met de werkzaamheden en continu door te werken. Dan is het waarschijnlijk dat vogels niet in het projectgebied gaan broeden vanwege de continue verstoring.
Is de wens om de werkzaamheden in het broedseizoen te starten, dan is het nodig om het projectgebied voorafgaand aan de start te laten inventariseren op broedgevallen door een broedvogeldeskundige. Zijn er op dat moment vogels aan het broeden, dan kunnen de werkzaamheden pas starten als de jongen zijn uitgevlogen. Circa één week voorafgaand aan graafwerkzaamheden kan het gras worden kort gemaaid. Op die manier hebben algemene amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten, waarvoor de algemene zorgplicht geldt, voldoende tijd om zich te verplaatsen naar een locatie buiten de invloedsfeer van de aanlegwerkzaamheden. 4.4.2.2 Gebiedsbescherming Negatieve effecten ten aanzien van in het kader van de Wnb beschermde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden kunnen nog niet worden uitgesloten. Een AERIUS-berekening moet uitwijzen of de stikstofdepositie al dan niet boven de 0.00 mol N/ha/ja uitkomt. Deze berekening is uitgevoerd en wordt in navolgende paragraaf toegelicht. Het plan leidt niet tot aantasting van beschermde houtopstanden. Het plan is tot slot niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid.
25
Veleweg 5, Darp
4.4.2.3 Stikstofdepositie Ten behoeve van het initiatief is een AERIUS-berekening uitgevoerd, deze is bijgevoegd in Bijlage 2. De berekening met AERIUS genereert een rekenresultaat en een pdf-bestand waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig. 4.4.3
Conclusie
In het kader van ecologie en stikstof wordt het plan uitvoerbaar geacht.
4.5
Externe veiligheid
Wettelijk kader Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. De wet- en regelgeving rond het thema externe veiligheid zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, waterwegen) en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te scheppen tussen de risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten), moeten vaak veiligheidsafstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
Onderzoek Volgens de risicokaart (risicokaart.nl) ligt het projectgebied niet in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, spoor-, water- en wegtransportroutes voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen. Er bevindt zich een aardgasleiding ten noorden van de locatie op ruim 310 meter. De rijksweg A32 is op ruim 2,1 kilometer gelegen en de provinciale weg N353 is op 1,35 kilometer gelegen. Kortom, alle risicovolle functies, transportroutes en leidingen zijn op voldoende afstand gelegen. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart opgenomen. Het projectgebied is globaal zwart omlijnd.
26
Veleweg 5, Darp
Afbeelding 4.1: Uitsnede risicokaart; projectgebied globaal zwart omlijnd (bron: ev-signaleringskaart.nl) Conclusie Ten aanzien van het aspect externe veiligheid treden er geen belemmeringen op. Het plan is op dit punt uitvoerbaar.
4.6
Geluid
Wettelijk kader Regels ten aanzien van geluidhinder zijn vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). Het doel van de Wet geluidhinder is tweeledig. Enerzijds de bescherming van het milieu en anderzijds de bescherming van de volksgezondheid. Bepalend is steeds de situering van geluidsbronnen ten opzichte van geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De Wgh gaat uit van zones langs wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Binnen dergelijke zones zijn nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen alleen toegestaan indien de geluidsbelasting op de buitengevel onder of hoogstens gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde. De Wgh is alleen van toepassing binnen de van rechtswege aanwezige zone van een weg. Volgens de Wet geluidhinder heeft elke weg een zone. Conform art. 74 lid 2 Wgh zijn wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt hiervan uitgezonderd, evenals wegen die deel uitmaken van een woonerf. Onderzoek Het initiatief voorziet niet in het oprichten van geluidgevoelige bebouwing in de zin van de Wgh. In de Wgh is een limitatieve lijst van objecten opgenomen die bescherming tegen geluidhinder krijgen, waaronder bijvoorbeeld woningen. Een schuur met buitenterrein en bijbehorende activiteiten valt niet onder de bescherming van de Wgh. Daarnaast kent een schuur geen zone op grond van de Wgh.
Wel kan de schuur tot milieuhinder leiden voor de omliggende woningen en overige functies. Dit is nader uitgewerkt bij het aspect milieuzonering (paragraaf 4.9).
27
Veleweg 5, Darp
Conclusie Ten aanzien van het aspect geluid treden er geen belemmeringen op.
4.7
Luchtkwaliteit
Wettelijk kader De Wet luchtkwaliteit is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling. Volgens de nieuwe regeling vormt luchtkwaliteit in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van een ruimtelijk project als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIMB) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m³ NO2 of PM10 ) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Plan Het initiatief heeft betrekking op de realisatie van een schuur van circa 375 m2 met buitenterrein ten behoeve van opslag voor het grond- en bestratringsbedrijf .
Onderzoek nibm-tool Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil de nibm-tool 2022 ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Op grond van de nibm-tool (versie 2022) is een project in 2022 pas in betekende mate bij een toename van het aantal verkeersbewegingen met circa 1.050 per dag (met 5 procent aandeel vrachtverkeer). Het initiatief heeft betrekking op de realisatie van een schuur van circa 375 m2 . Gezien de grootte van het bedrijf en de schuur mag worden geconcludeerd dat het aantal verkeersbewegingen onder de grens zal blijven. Het project leidt niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit met drie procent en kan als 'niet in betekenende mate' worden beschouwd. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Het initiatief kan worden beschouwd als een nibm-project.
4.8
M.E.R.-beoordeling
Wettelijk kader In de Wet milieubeheer en het bijbehorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is wettelijk geregeld voor welke projecten en besluiten een vorm van m.e.r.-verplichting geldt. Hierbij is onderscheid gemaakt in drie situaties. Ten eerste zijn activiteiten benoemd waarvoor het maken van een milieueffectrapportage verplicht is en waarvoor altijd een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (m.e.r.-plicht). In bijlage C van het Besluit m.e.r. is aangegeven voor welk type activiteiten een m.e.r.-plicht geldt. Ten tweede zijn activiteiten benoemd waarvoor het bevoegd gezag nader moet beoordelen of een m.e.r.-procedure wel of niet nodig is (m.e.r.-beoordelingsplicht). In bijlage D van het Besluit m.e.r. is aangegeven voor welk type activiteiten een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Hierbij zijn per type activiteiten drempelwaarden opgenomen.
28
Veleweg 5, Darp
Ten derde moet voor ontwikkelingen die onder de drempelwaarden blijven zoals genoemd in bijlage D van het Besluit m.e.r, wel beoordeeld worden of de geplande activiteiten geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben (vormvrije m.e.r.-beoordeling). Voor deze motivering/toets wordt een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling geschreven. Uit de aanmeldingsnotitie kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, in het andere geval moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure worden gevolgd. Op basis van de aanmeldingsnotitie neemt het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Voor activiteiten die niet zijn opgenomen in de bijlagen C en D van het Besluit m.e.r. geldt geen vorm van een m.e.r. verplichting. Onderzoek Het realiseren van een schuur ten dienste van opslag van materiaal voor een grondwerk- en bestratingsbedrijf is niet opgenomen in bijlagen C en D van het besluit m.e.r. Hiervoor geldt dus geen m.e.r. verplichting. Dat de activiteiten geen belangrijke nadelige milieueffecten hebben, wordt voldoende onderbouwd met dit Hoofdstuk 4. Conclusie De conclusie is dat geen vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft plaats te vinden.
4.9
Milieuzonering
Wettelijk kader Indien door middel van een project nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet men aantonen dat een goed leefmilieu mogelijk blijft. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mag men omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden aantasten door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Het aspect milieuzonering is dus tweeledig. Bedrijven worden ingedeeld in categorieën met behulp van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (2009)' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Deze publicatie biedt een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau en geeft informatie over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. Op basis van de milieukenmerken van de verschillende typen bedrijven en inrichtingen wordt een indicatie van de afstanden gegeven, die als gevolg van deze kenmerken moeten worden aangehouden tussen de diverse omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging.
In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. De informatie heeft geen betrekking op individuele bedrijven, maar op bedrijfstypen. Dit betekent dat een concrete situatie altijd in de context moet worden bekeken: binnen bepaalde bedrijfstypen kunnen zich grote verschillen voordoen; concrete milieu-informatie over een specifiek bedrijf heeft meer waarde dan algemene informatie; de afstanden hebben betrekking op de afstand tot een rustige woonwijk; bij andere gebiedsfuncties kunnen dus andere afstanden mogelijk zijn; afdoende milieuhygiënische maatregelen bij de bron, bij de overdracht of bij de ontvanger, kunnen een kortere afstand eventueel mogelijk maken. De onderstaande toetsing bevat een onderdeel dat aandacht besteedt aan bedrijven en functies in de omgeving die al dan niet hinder kunnen ondervinden van dit project alsook aan in hoeverre het project al dan niet hinder kan ondervinden als gevolg van bedrijven en functies in de omgeving. Onderzoek Bij het aspect bedrijven en milieuzonering gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke
29
Veleweg 5, Darp
ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De term gemengd gebied wordt in de VNG-brochure gebruikt om richtafstanden tussen een bedrijventerrein of bedrijfslocatie en een gebied met een variatie aan functies weer te geven. De VNG-brochure geeft de volgende definitie aan: “Een gebied met een matige tot sterke functiemenging". Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid valt onder gemengd gebied. Het sterk agrarische karakter van de omgeving van het projectgebied met zo nu en dan bebouwing, maakt dat het projectgebied als een gemengd gebied gezien kan worden. Hiermee wordt de richtafstand met één stap verkleind. Voor het bedrijf is geen specifieke typering van een bedrijf aangewezen in de VNG-lijst. Typeringen die het dichtstbij komen zijn 'bouwbedrijven algemeen: b.o. <= 2.000 m²' en 'aannemersbedrijven met werkplaats: b.o.< 1000 m²'. Bij het bouwbedrijf geldt een categorie 3.1 met een richtafstand van 50 meter, waarbij de maatgevende richtafstand geldt voor geluid.
Bij het aannemersbedrijf met werkplaats geldt een categorie 2 met een richtafstand van 30 meter, waarbij de maatgevende richtafstand eveneens geldt voor geluid. Ten behoeve van het aantonen van een goed woon- en leefklimaat wordt deze paragraaf uitgewerkt met de richtafstand van categorie 3.1. In een gemengd gebied geldt voor een categorie 3.1 een richtafstand van 30 meter. Uitwaartse zonering Op onderstaande kaart is te zien dat de woning aan de Veleweg 5/5a zich binnen de richtafstand van de schuur bevindt. Echter, gelet op de situering van de schuur, de ingang van de schuur en de verdere inrit naar de schuur toe, valt te verwachten dat de daadwerkelijke afstand tussen de activiteiten en de gevoelige functie wel gehaald wordt. De schuur is afgesloten aan de zijde van de woningen en daarmee ontstaat er beperkt geluid in de richting van de gevoelige functie. De afgesloten zijde is te zien in afbeelding 2.5 in paragraaf 2.2. Vanuit onderstaande kaart blijkt dat de afstand tussen de woningen en de geluidproducerende activteiten voldoende is, mede gelet op de bebouwing en de situering van de ingang. De woningen kunnen planologisch gezien niet verplaatsen, zonder dat het bouwvlak wordt verplaatst. De situatie bezien, kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een goed en aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plekke van de woningen aan de Veleweg 5/5a.
30
Veleweg 5, Darp
Afbeelding 4.2 zonering van 30 meter voor de bedrijfsactiviteiten vanaf schuur en vanaf inrit ten opzichte van woongebouw Veleweg 5/5a Inwaartse zonering Voor de inwaartse zonering geldt dat de schuur met bijbehorende bedrijvigheid net binnen de richtafstand van een gevoelige functie valt. Zie hiervoor onderstaande afbeelding. Echter, dit betreft de afgesloten achterzijde van de schuur. Zoals hierboven beschreven zullen de daadwerkelijke activiteiten zich buiten de 30-meterzone afspelen en zullen de activiteiten die hierbinnen plaatsvinden gedempt worden door de schuur. De situatie bezien, kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
31
Veleweg 5, Darp
Afbeelding 4.3 zonering van 30 meter voor de bedrijfsactiviteiten vanaf schuur en vanaf inrit ten opzichte van woongebouw Veleweg 5/5a Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.10 Verkeer en vervoer De gewenste ontwikkeling leidt mogelijk tot een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen, aangezien er sprake is van het toevoegen van een schuur. Volgens de publicatie 381 van het CROW kan voor de verkeersgeneratie van een schuur in het buitengebied minimaal 3,9 en maximaal 5,7 parkeerbewegingen per etmaal per 100 m² worden verwacht. Voor de schuur van circa 375 m² zou dit in de maximum situatie dus een verkeersgeneratie van (5,7*3,75) 22 voertuigbewegingen per etmaal opleveren (afgerond naar boven). Deze beperkte toename is dusdanig klein dat dit geen belemmeringen oplevert in het kader van doorstroming en verkeersveiligheid. Ontsluiting geschiedt via de bestaande in- en uitrit. De parkeerbehoefte kan eenvoudig op het terrein, dan wel in de schuur worden opgevangen.
4.11 Water Wettelijk kader Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet bij ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder verbouw- en nieuwbouwplannen, wordt getoetst welke consequenties deze plannen hebben voor de waterhuishouding en hoe in de plannen wordt omgegaan met aspecten van water. Waterschappen hebben op grond van de Waterwet een belangrijke taak met betrekking tot het waterbeheer. In een waterbeheerplan geven zij functies aan het water waarbij afstemming wordt gezocht met het ruimtelijk beleid. Als leidende principes voor een duurzaam waterbeheer geldt een tweetal ‘tritsen’: waterkwantiteit: vasthouden, bergen en afvoeren;
32
Veleweg 5, Darp
waterkwaliteit: schoonhouden, scheiden en zuiveren. Het projectgebied ligt binnen het beheersgebied van waterschap Drents Overijsselse Delta. Het beleid van Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta) is beschreven in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 en de Kadernotitie Stedelijk Water. Onderzoek Via de Digitale Watertoets is het waterschap Drents Overijsselse Delta van onderhavig initiatief op de hoogte gebracht. Op 21 maart 2024 is de Digitale Watertoets doorlopen. Het watertoetsdocument is als Bijlage 3 opgenomen. De aanmelding heeft ertoe geleid dat de normale procedure wordt doorlopen. Een uitgangspuntennotitie is als reactie op de ingevulde watertoets door het waterschap aangeleverd en er wordt geadviseerd dit te verwerken in het plan. De uitgangspuntennotitie is in Bijlage 4 opgenomen en wordt in de hieropvolgende paragraaf uitgewerkt. Onderstaande onderwerpen volgen uit de watertoets.
4.11.1
Uitgangspunten voor het plan
De aangeleverde uitgangspunten van het Waterschap Drents Overijsselse Delta moet door de initiatiefnemer in de ruimtelijke onderbouwing worden verwerkt. Dat houdt in dat de initiatiefnemer aangeeft hoe hij of zij met de uitgangspunten omgaat en op welke manier deze vertaalt naar het projectgebied. De verwerking hiervan vindt plaats in deze waterparagraaf.
4.11.1.1 Watersysteem Ten noorden van het projectgebied ligt een beperkingengebied van een A-watergang (met een beschermingszone) en/of B-watergang van WDODelta. Het beperkingengebied bij een A-watergang bestaat uit de watergang (van insteek tot insteek) en de beschermingszone. Bij een B-watergang bevat het beperkingengebied alleen de B-watergang. Het is noodzakelijk dat de functie van deze watergang(en) altijd is gegarandeerd. Binnen beperkingsgebieden gelden regels om de functie van deze watergangen te borgen. De regels zijn opgenomen in de Waterschapsverordening. Uitwerking Gezien het feit dat er geen activiteiten binnen het beperkingengebied van een watergang plaatsvinden, is het niet nodig een melding of een aanvraag voor een omgevingsvergunning bij WDODelta te doen. De functie van de watergang blijft met dit initiatief gegarandeerd. 4.11.1.2 Overbelasting watersysteem Bij kortstondige buien van geringe of enige intensiteit mag hemelwater dat niet lokaal kan worden verwerkt, worden afgevoerd, zonder dat dit leidt tot wateroverlast benedenstrooms van het projectgebied. Bij extreme kortstondige buien, verblijft water voor korte tijd op het maaiveld, zonder dat dit tot overlast leidt. De ontwikkelaar houdt rekening met de randvoorwaarden die zowel het waterschap als de gemeente stelt aan het voorkomen van wateroverlast.