CConstaterende datWesterveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting ontwerpbestemmingsplan Planetron (28 juli 2022)

Politieke avond Westerveld 20 december 2022, gemeente WesterveldBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling bestemmingsplan 'Planetron, Drift 11b Dwingeloo (spreekrecht)16.133 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Welstandsnota gemeente Westerveld 2010

4.3.3.1 Algemeen De welstandsnota is niet alleen gemaakt om de regels van het gemeentelijke welstandsbeleid vast te leggen, maar ook om het beleid toe te lichten. De inhoud van de welstandsnota is dan ook niet alleen voor het bevoegd gezag en de welstandscommissie, maar vooral ook voor allen die belang hebben bij de kwaliteit van de bebouwde omgeving. De welstandsnota wil duidelijk maken welk welstandsniveau in de verschillende gebieden in de gemeente wordt gevoerd en welke criteria er gelden bij het beoordelen van aanvragen voor omgevingsvergunningen voor het bouwen of verbouwen van een bouwwerk. De Woningwet noemt een gemeentelijke welstandsnota een voorwaarde om bouwplannen op redelijke eisen van welstand te laten toetsen. De nota biedt het inhoudelijke kader voor het overleg met de betrokkenen en de uiteindelijke advisering. De bepalingen in de nota moeten zorgen voor efficiënte en transparante procedures. In de welstandscriteria kan in grote lijnen een driedeling worden aangebracht aan de hand van de aard en omvang van de ingrepen: • • •

Kleine, veel voorkomende veranderingen en aanpassingen; Kleine en middelgrote projecten; Grotere projecten.

4.3.3.2 Aandachtspunten en uitwerking per gebied In de welstandsnota zijn zes aandachtspunten geformuleerd voor het ontwerpen van gebouwen. De aandachtspunten vormen een algemeen beoordelingskader om in eerste instantie snel na te gaan of een bouwplan aan redelijke eisen van welstand voldoet. De volgende aandachtspunten zijn geformuleerd: 1. 2.

De verschijningsvorm van het bouwwerk heeft een relatie met het gebruik ervan en de wijze waarop het is gemaakt. Daarnaast heeft de vormgeving van het bouwwerk haar eigen samenhang en logica. Het bouwwerk levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de bebouwde omgeving. De eisen op dit punt worden hoger naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is, BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp 3. 4. 5. 6.

Eventuele verwijzingen en associaties naar culturele uitingen en architectuurstijlen worden zorgvuldig gebruikt, zodat er bruikbare ontwerpconcepten en vormen ontstaan. In de structuur van het bouwwerk zijn helderheid en complexiteit tegelijkertijd in een evenwichtige en in een spanningsvolle relatie aanwezig. In het bouwwerk is een samenhangend stelsel van maatverhoudingen toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. Het materiaal, de textuur en de kleur ondersteunen het karakter van het bouwwerk en ze verduidelijken de ruimtelijke samenhang met de omgeving (of de daar te verwachten ontwikkeling).

Per gebied zijn gebiedsgerichte criteria uitgewerkt. Deze uitwerking per gebied bevat steeds de volgende drie elementen: a. b. c.

Gebiedsbeschrijving; Beleid, waardebepaling en ontwikkeling; Welstandsniveau.

De gebiedsbeschrijving en de waardebepaling van het gebied zijn maatgevend voor de intensiteit, ofwel het ‘niveau’ van de welstandszorg. De vast te stellen welstandscriteria hangen hier nauw mee samen. De welstandscriteria moeten een inbreuk op de waardering van het gebied voorkomen. Positiever geformuleerd, moeten ze het instandhouden van de bestaande waarden bevorderen. De indeling in welstandsniveaus geeft de intentie van de gemeente weer met betrekking tot behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de te onderscheiden gebieden: •

•

Om karakteristieke kenmerken te kunnen beschermen en versterken kan een gebied als bijzonder welstandsgebied worden aangemerkt. Hieronder vallen in elk geval alle beschermde stads- en dorpsgezichten. Gebieden die niet als bijzonder welstandsgebied zijn aangemerkt, behoren tot het niveau regulier welstandsgebied.

De gemeente Westerveld heeft geen gebieden aangewezen die uitgesloten zijn/worden van welstandszorg. 4.3.3.4 Toetsing aan de welstandsnota In voorliggend geval geldende de welstandscriteria voor het buitengebied, in dit geval specifiek het esdorpenlandschap, In de verdere uitwerking van de bouwplannen zal rekening worden gehouden met de welstandcriteria 4.3.4

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsambities zoals verwoord in het hiervoor behandelde gemeentelijk beleid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieu- en omgevingsaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, Besluit milieueffectrapportage, water en duurzaamheid.

5.1

Geluid (Wet geluidhinder)

5.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval worden binnen het plangebied geen nieuwe geluidsgevoelige functie mogelijk gemaakt. De kantoorfuncties en recreatieve functie welke binnen de bebouwing zijn beoogd worden niet als geluidsgevoelig aangemerkt door de Wgh. Akoestisch onderzoek naar weg- en railverkeerslawaai of industrielawaai is niet noodzakelijk. 5.1.3

Conclusie

Het aspect geluid in het kader van de Wgh vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5725 en 5740. 5.2.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval wordt de bestaande bebouwing van het Planetron die reeds een maatschappelijke functie heeft verbouwd en uitgebreid en ingezet voor een breder scala aan functies. Het Planetron wordt omgevormd tot een ontmoetingsplek, kenniscentrum, werklocatie (kantoren) en cultureel- en activiteitencentrum met daaraan verwante horeca en detailhandel. Ook wordt voorzien in bijzondere overnachtingsmogelijkheden voor toeristen. De nieuwe functies binnen het plangebied zijn niet gevoeliger dan de reeds toegestane bestaande maatschappelijke functie van het plangebied. Verder bestaat er gelet op de historie van de locatie geen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp aanleiding om de bodemkwaliteit in twijfel te trekken, er hebben potentieel bodemverontreinigende activiteiten plaatsgevonden. 5.2.3

Conclusie

De bodemkwaliteit van het plangebied staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

Voorliggende herontwikkeling van het Planetron is, wanneer deze wordt vergeleken met bovengenoemde lijst met categorieën, aan te merken als een project dat ‘niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp Tot slot wordt geconcludeerd dat dit wijzigingsplan niet voorziet in een gevoelige bestemming als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (zwarte contour) en omgeving weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)

In voorliggend bevind zich in de omgeving van het plangebied één risicobron. Het betreft hier de chloorbleekloogopslag van Bosbad De Paasbergen ten zuiden van het Planetron. Het plangebied bevindt zich echter buiten het invloedsgebied van de risicobron waardoor een nadere verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk is. Uit de inventarisatie blijkt verder dat de locatie: • • • •

5.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie

Het plan is in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2

Gebiedstypen

Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Westerveld waar geen sprake is van functiemenging. Er wordt daarom uitgegaan van omgevingstype “rustige woonwijk/rustig buitengebied”. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp 5.3 6

1.000 m 1.500 m

5.5.3

Situatie plangebied

700 m 1.000 m

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De nieuwe activiteiten binnen het Planetron (ontmoetingsplek, kenniscentrum, werklocatie/kantoren, logies en cultureel- en activiteitencentrum met daaraan verwante horeca en detailhandel) kunnen worden vergeleken met een aantal functiesgroepen uit de VNG Handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’. In navolgende tabel is de richtafstand per functiegroep aangegeven en de werkelijke afstand tot omliggende gevoelige functies (woningen). Functiegroep

Grootste richtafstand

Werkelijke afstand tot gevoelige functie

Detailhandel

10 meter (geluid)

37 meter

Hotels en pensions met keuken, conferentieoorden en congrescentra

10 meter (geur en geluid)

37 meter

Kantoren

10 meter (geluid)

37 meter

Bibliotheken, musea, ateliers e.d.

10 meter (geluid

37 meter

Evenementenhal

30 meter (geluid)

Gelet op het bovenstaande is er geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies (in de omgeving). Binnen het plangebied wordt een tweetal milieugevoelige functies ontwikkeld. De kantoorfunctie en logiesfuncties zijn als geurgevoelig aan te merken. In voorliggend geval ligt het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf (Drift 12) op ruim 300 meter afstand (bestemmingsvlak tot bestemmingsvlak). Het betreft hier een paardenhouderij. Voor een dergelijke agrarische bedrijfsvoering (grondgebonden) geldt een grootste richtafstand van 50 meter voor geur. Hieraan wordt ruimschoots voldaan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp Geconcludeerd kan worden dat de functies binnen het plangebied geen hinder ondervinden van omliggende bedrijven en er sprake is van een aanvaardbaar leefklimaat. Andersom geldt dat bestaande omliggende bedrijven niet extra beperkt worden als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.6

Ecologie

5.6.1

Algemeen

Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. 5.6.2

Gebiedsbescherming

5.6.2.1 Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt op circa 100 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Dwingelderveld’. In onderstaande afbeelding wordt dit weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp

Afbeelding 5.2

Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: AERIUS.nl)

Vanwege de korte afstand zijn direct negatieve effecten in de vorm van geluid en lichthinder niet op voorhand uit te sluiten. Door Fopma NatuurAdvies is een quickscan en voortoets (bijlage 2 van deze toelichting) uitgevoerd voor de ontwikkeling waarin ook de effecten op Natura 2000-geboed zijn beschouwd. Het onderzoek bevestigd dat er geen effecten op de Natura 2000-gebieden te verwachten zijn. Naast directe effecten kunnen er indirecte effecten optreden in de vorm van stikstofdepositie. Vanwege de omvang van de ontwikkeling en de korte afstand tot Natura 2000-gebied is door BJZ.nu een stikstofberekening uitgevoerd met de AERIUS calculator. De onderzoeksrapportage is opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting. Hieronder wordt op rekenresultaten uit de gebruiksfase ingegaan en vervolgens de conclusie inzake de natuureffecten en wettelijke consequenties. Onderzoeksresultaten Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling in relatie met de referentiesituatie geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De onderdelen en resultaten van de AERIUS-berekening zijn in bijlage 1 van de rapportage bijgevoegd. Voor de afname van de depositie op de betreffende habitattypen wordt verwezen naar dezelfde bijlage.

Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.6.2.2 Nederlands Natuurnetwerk Het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In paragraaf 4.2.2.4 is hier reeds op ingegaan. Op die plek is reeds aangegeven dat het een bestaande locatie met een maatschappelijke bestemming betreft die reeds decennia in gebruik is door het Planetron. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp Omdat de voorgenomen herontwikkeling gepaard gaat met activiteiten en werkzaamheden die toezien op het bestaande erf en de bestaande bebouwing (waaronder een mogelijke uitbreiding) is er geen sprake van een bestemmingsplan dat bestemmingen of regels bevat die omzetting naar de natuurfunctie onomkeerbaar belemmeren en de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland significant aantasten. De locatie is reeds in gebruik voor de maatschappelijke functie die het Planetron in het verleden had. De herontwikkeling ziet toe op een verbreding van de activiteiten, zodat het Planetron weer een bijdrage gaat leveren de maatschappelijke en recreatieve sector en daarmee tevens de werkgelegenheid van Westerveld. Door Fopma NatuurAdvies is een quickscan en voortoets (bijlage 2 van deze toelichting) uitgevoerd voor de ontwikkeling waarin ook de effecten op het NNN zijn beschouwd. Hierin wordt bevestigd dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. 5.6.3

Soortenbescherming

Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Door Fopma NatuurAdvies is een quickscan en voortoets uitgevoerd voor de ontwikkeling. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting. Uit de quickscan blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn voor beschermde soorten. Er is dan ook geen ontheffing op grond van de Wet Natuurbescherming nodig. 5.6.4

Conclusie

Er worden geen negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten.

5.7

Archeologie & Cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied De gemeente Westerveld heeft de archeologische verwachtingswaarde van gronden doorvertaald in dubbelbestemmingen in haar bestemmingsplannen. Voor het plangebied geldt een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Voor deze gronden geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 0,30 m beneden maaiveld. Deze oppervlakte wordt niet overschreden. Een archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp 5.7.2

Cultuurhistorie

5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied Binnen het plangebied bevinden zich op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Westerveld geen cultuurhistorische elementen. Verder bevinden zich in het plangebied of in de directe omgeving geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. Voor het plangebied gelden tevens geen dubbelbestemmingen ter bescherming en behoud van cultuurhistorische of landschappelijke waarden. Wel gelden op grond van de provinciale omgevingsverordening de kernkwaliteiten cultuurhistorie en landschappelijke waarden. Het gaat hierbij om behoud en bescherming van de waarden van het Esdorpenlandschap. In voorliggend geval wordt de bestaande locatie van het Planetron herontwikkeld. Het erf wordt hiermee niet uitgebreid.

De nieuwe erfinrichting zal juist meer aansluiten bij het Dwingelderveld door gebruik van bijvoorbeeld heide, waardoor de locatie beter dan nu het geval is zal passen in het cultuurhistorisch waardevolle Esdorpenlandschap. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt. 5.7.3

Conclusie

Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Verder wordt door de ontwikkeling geen cultuurhistorische waarden aangetast.

5.8

Besluit milieueffectrapportage

5.8.1

Algemeen

In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: • •

•

Een bestemmingsplan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is; Een bestemmingsplan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordlingsplichtig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • •

5.8.2

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. Situatie plangebied

5.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet Natuurbescherming Het plangebied ligt op circa 100 meter afstand van Natura 2000-gebied. Uit de stikstofberekening (bijlage 1) is gebleken dat de ontwikkeling niet leidt tot een toename van stikstofdepositie. Van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied is geen sprake. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming is in verband met deze ontwikkeling dan ook niet noodzakelijk. Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen en vormt daarmee een besluit in het kader van het besluit me.r. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is er mogelijk sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject’. Het voornemen betreft de herontwikkeling van een maatschappelijke locatie in het buitengebied van de gemeente Westerveld. Het betreft hier een fysieke ontwikkeling. Zekerheidshalve wordt getoetst of er sprake is van een m.e.r-beoordelingsplicht.

Hiervan is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit aangezien deze pas geldt bij een aaneengesloten gebied van 100 hectare of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien hierbij de drempelwaarden uit de D-lijst voor deze activiteit wordt vergeleken met de omvang van de ontwikkeling herontwikkeling van de bestaande bebouwing en een uitbreiding van maximaal 500 m 2 wordt geconcludeerd dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele male kleinschaliger is. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk en bod gekomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp 5.8.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.(beoordelings)-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.9

Wateraspecten

5.9.1

Vigerend beleid

5.9.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.9.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.

De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.9.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Drenthe wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.9.1.4 Waterschap Drents Overijsselse Delta Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft het waterbeheerplan 2016-2021 opgesteld.

Hierin aangegeven hoe uitvoering wordt gegeven de wettelijke waterschaptaken als zorgen: • • •

Een goede bescherming tegen hoog water; Een goed functionerend regionaal watersysteem; Het zuiveren van afvalwater.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp 5.9.1.4 Gemeentelijk beleid De gemeente Westerveld beschikt over het Watertakenplan 2016 – 2021 en bijbehorende Grond- en Hemelwaternotitie. In het watertakenplan worden de gemeentelijke watertaken van Westerveld verder uitgewerkt. Het is tevens de invulling van de wettelijke zorgplicht en voldoet daarmee aan de eisen die aan een verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) worden gesteld. De term “verbreed” duidt op de gemeentelijke watertaken, zoals grondwaterbeheer, baggeren en stedelijke waterkwaliteit. Na invoering van de Wet Gemeentelijke Watertaken en de Waterwet zijn deze taken onder de rioolheffing gebracht. In de artikel 10.33 van de Wet milieubeheer zijn de zorgplichten van de gemeenten geregeld. In de Wet op de Gemeentelijke Watertaken is de ruimte voor gemeenten vergroot ten aanzien van de wijze waarop ze de zorgplichten invult. In het ‘Verbreed GRP Westerveld 2010 t/m 2014’ is hier al op een goede wijze invulling aangegeven. Het beleid blijft daarin ongewijzigd. In het kort worden de drie zorgplichten als volgt ingevuld: • • •

Zorgplicht voor inzameling en transport van stedelijk afvalwater Zorgplicht voor doelmatige inzameling en verwerking van hemelwater Zorgplicht voor voorkomen/beperken van schade door grondwateroverlast

In de beleidsnotitie Grond- en hemelwater gemeente Westerveld worden de keuzes ten aanzien van grond- en hemelwater geconcretiseerd en vastgelegd, zodat duidelijk is wat de gemeente redelijkerwijs van bewoners verwacht en wat bewoners redelijkerwijs van de gemeente mogen verwachten. 5.9.2

Waterparagraaf

5.9.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.9.2.2 Watertoetsproces Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van toepassing is. Verder vooroverleg met het waterschap is daarom niet noodzakelijk.

Aan de hand van de van het waterschap ontvangen standaard waterparagraaf wordt hierna beknopt ingegaan op de waterhuishouding binnen het plangebied. De het watertoetsresultaat en standaard waterparagraaf is bijgevoegd in bijlage 2. Invloed op de waterhuishouding Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseert het waterschap om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp Voorkeursbeleid hemelwater De afvoer van hemelwater wordt ter plaatse in de bodem teruggebracht via een poel.

5.9.3

Conclusie

Wateraspecten vormen op voorhand geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp

HOOFDSTUK 6 6.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

6.2

Opzet van de regels

6.2.1 Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 6.2.2

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

•

6.2.3

Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp •

Bestemmingsomschrijving: Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies.

•

Bouwregels: In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing aan moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd.

•

Afwijken van de bouwregels (indien van toepassing): Op basis van deze regels hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels in het plan.

•

Specifieke gebruiksregels (indien van toepassing): In de specifieke gebruiksregels is bepaald welk gebruik van gronden en opstallen in elk geval strijdig is met of onder voorwaarden wordt toegestaan binnen deze bestemming.

•

Afwijken van de gebruiksregels (indien van toepassing): Deze afwijkingen geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om met omgevingsvergunning af te wijken van het plan.

•

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien van toepassing): In deze regels is aangegeven welke werken of werkzaamheden verboden zijn om uit te voeren zonder een omgevingsvergunning.

6.2.4

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

Anti-dubbeltelregel (Artikel 5) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich bijvoorbeeld voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

•

Algemene bouwregels (Artikel 6) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven inzake, ondergeschikte bouwdelen.

•

Algemene gebruiksregels (Artikel 7) In dit artikel worden het strijdig en toegestaan gebruik in dit bestemmingsplan geregeld.

•

Algemene aanduidingsregels (Artikel 8) In dit artikel zijn de regels opgenomen die behoren bij de gebiedsaanduidingen ‘vrijwaringszone – laagvliegroute’ en ‘vrijwaringszone – radiotelescoop 2’

•

Algemene afwijkingsregels (Artikel 9 ) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Onder meer kunnen de bestemmingsgrenzen van de bestemming woongebied worden overschreden ten behoeve van een stedenbouwkundig gewenste invulling van de wijk.

•

Overige regels (Artikel 10) In dit artikel is een regel opgenomen ten aanzien van de aanvullende werking van de welstandsnota. Daarnaast komen de parkeer-, laad- en losbepalingen aan bod.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp 6.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

6.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

‘Cultuur en ontspanning – Leisurecentrum’ (Artikel 3) Het gehele plangebied heeft de bestemming ‘Cultuur en ontspanning – Leisurecentrum’ gekregen. Het betreft een maatwerkbestemming voor de diverse activiteiten die binnen het plangebied gaan plaatsvinden. In de bestemmingssystematiek is aangesloten bij de systematiek van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2012’ waarin de bestemming ‘Cultuur en ontspanning’ reeds is opgenomen in vier varianten. In dit geval is aangesloten bij de bestemming ‘Cultuur en ontspanning – informatiecentrum’. De gronden binnen de bestemming ‘Cultuur en ontspanning – Leisurecentrum’ zijn bestemd voor gebouwen en overkappingen ten behoeve van een ontmoetings- en kenniscentrum al dan niet in combinatie met daaraan verwante detailhandel. Daarnaast zijn, zelfstandige horeca (maximaal 850 m2), kantoren en verblijfsrecreatie toegestaan. De bouwregels zijn ruim en flexibel opgezet: • • • •

de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen en overkappingen zal niet meer bedragen dan 50% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak; de gevellengte van een gebouw zal ten hoogste 100 m bedragen; de bouwhoogte van gebouwen bedraagt maximaal 18 m. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt maximaal 12 m.

Waarde – Archeologie 3 (Artikel 4) De dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 3' is conform het geldend bestemmingsplan op het gehele plangebied opgenomen. Deze dubbelbestemming is naast de andere daar voorkomende bestemmingen opgenomen. In deze bestemming zijn bouwregels en een omgevingsvergunningstelsel opgenomen voor behoud, versterking en/of herstel van de aan deze gronden eigen zijnde archeologische waarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp

HOOFDSTUK 7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggend geval is een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Westerveld, waarin het kostenverhaal is geregeld. Hierin is tevens het risico van planschade opgenomen, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp

HOOFDSTUK 8 8.1

Vooroverleg

8.1.1

Het Rijk

VOOROVERLEG, OMGEVINGSDIALOOG EN ZIENSWIJZEN

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 8.1.2

Provincie Drenthe

De provincie Drenthe is geïnformeerd over het plan. De provincie heeft het herbestemmen van het Planetron positief ontvangen. Ten aanzien van de aspecten natuur en de archeologie is het volgende aangegeven: Natuur Vanuit Natuur(Natura 2000/natuurnetwerk) wordt voorzichtigheid gevraagd met uitbreiden van de plannen buiten de plangrens. Het is onacceptabel dat er aantasting van het bos plaats vindt door “struinpaden” buiten het bestemmingsvlak aan te leggen. Uitgaande van de afbeelding 3.1 op pagina 11 van het conceptbestemmingsplan (dec. 2021) lijken de functies recreatie/logies gedeeltelijk buiten het bestemmingsvlak maatschappelijk te worden gerealiseerd. Het oude eikenbosje mag niet worden aangetast. Op het bestemming Bos-1 mag het eikenbos niet worden uitgedund. Ook lijken er logiesfuncties in het bos te komen. Het Planetron ligt in een Natura 2000 gebied . Een verzwaring van de functie kan leiden tot negatieve effecten. De plannen zijn aangepast. Het ontwerpbestemmingsplan gaat uit van ontwikkelingen binnen het bestaande bestemmingsvlak ‘Maatschappelijk’. In het bos vinden geen ingrepen plaats. In paragraaf 5.6 is nader onderbouwd dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebied en NNN gebied.

Archeologie Vanuit archeologisch perspectief wordt benadrukt rekening te houden dat het plangebied nabij de es van Dwingeloo ligt. Ook heeft het plangebied vanwege de ligging op een dekzandrug een hoge/middelhoge archeologische verwachting. Dit is in het bestemmingsplan vertaald naar een dubbelbestemming archeologie waarde 3. Bodemingrepen beneden 1000 m2 zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek. De voorgenomen ingrepen lijken hier, zoals ook aangegeven in de toelichting onder te blijven. De dubbelbestemming blijft gehandhaafd waardoor bij mogelijke (grotere) toekomstige ingrepen mogelijk wel archeologisch onderzoek nodig is. Met het handhaven van de dubbelbestemming is de bescherming van archeologische waarde voldoende gewaarborgd. 8.1.3

Veiligheidsregio Drenthe

De Veiligheidsregio Drenthe is geïnformeerd over het plan. De veiligheidsregio heeft geen opmerkingen, omdat externe veiligheid geen rol speelt in het plan. 8.1.4

Natuur en Milieufederatie Drenthe

De Natuur en Milieufederatie Drenthe is geïnformeerd over het plan. Deze heeft aangeven geen opmerkingen te hebben op het conceptbestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp 8.1.5

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van toepassing is. Nader overleg met het waterschap is niet noodzakelijk.

8.2

Omgevingsdialoog, inspraak en zienswijzen

8.2.1

Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het voorliggende geval wordt geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd door het college van Burgemeester en Wethouders. 8.2.2

Zienswijzen

Deze paragraaf wordt ingevuld nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING Bijlage 1

AERIUS-berekening

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp

Bijlage 2

Quickscan flora en fauna (PM)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Bestemmingsplan Planetron, Drift 11b Dwingeloo Ontwerp

Bijlage 3

Watertoetsresultaat

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westerveld&id=14e59f34-2fc0-4752-b484-e5a8bf315465