toelichting, bijlage 5, ontwerp bp Veendijk 47 Havelte
Tekst van het document
Sigma Bouw & Milieu Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen Tel. (0591) 65 91 28 www.sigma-bm.nl email info@sigma-bm.nl
juni ’22
Onderwerp:
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
Projectnummer:
21-M10165
Opdrachtgever:
De Stijll BV
Datum:
10 juni 2022
0
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
onderwerp
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
datum
10 juni 2022
projectnummer
21-M10165
in opdracht van
De Stijll BV Hoofdstraat 9A 7902 EA Hoogeveen
uitgevoerd door
Sigma Bouw & Milieu Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen tel: (0591) 659128
Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens de norm NEN-EN-ISO 9001:2015, het uitvoeren van milieukundige bodemonderzoeken en geotechnische onderzoeken Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Monsterneming Bouwstoffenbesluit SIKB 1000 protocol 1001: Monsterneming grond voor partijkeuringen”
Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek SIKB 2000 protocollen 2001, 2002 en 2018”
(het onderhavige onderzoek heeft uitsluitend betrekking op de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000, protocol 2001, 2002 en 2018)
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middels van druk, fotokopie, microfilm of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de opdrachtgever of Sigma Bouw & Milieu.
juni ’22
1
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
Inhoudsopgave 1
2
INLEIDING ....................................................................................................................................... 3 1.1
Algemeen................................................................................................................................. 3
1.2
Aanleiding van het bodemonderzoek ...................................................................................... 3
1.3
Doel van het onderzoek ........................................................................................................... 3
1.4
Referentiekader van het onderzoek ........................................................................................ 4
1.5
Opbouw van het rapport .......................................................................................................... 4
VOORONDERZOEK ........................................................................................................................ 5 2.1
3
4
Hypothese en onderzoeksstrategie ....................................................................................... 15
VELDONDERZOEK ....................................................................................................................... 18 3.1
Uitvoering van het veldonderzoek ......................................................................................... 18
3.2
Resultaten van het veldonderzoek ........................................................................................ 21
CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK .................................................................................... 24 4.1
Onderzoeksprogramma chemisch-analytisch onderzoek ..................................................... 24
4.2
Toetsingscriteria .................................................................................................................... 26
4.3
Analyseresultaten en interpretatie ......................................................................................... 29
4.3.1
Milieuhygiënische kwaliteit grond ...................................................................................... 29
4.3.2
Milieuhygiënische kwaliteit grondwater ............................................................................. 35
4.3.3
Indicatief onderzoek asbest in grond ................................................................................. 38
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .......................................................................................... 39
6
LITERTUURLIJST .......................................................................................................................... 47
7
COLOFON ...................................................................................................................................... 48
Bijlagen 1. Topografisch overzicht 1A.Historisch topografisch overzicht 2. Onderzoekslocatie met boorplan (1:1.000) 3. Beschrijvingen inspectiegaten/boringen/foto’s 4. Analysecertificaten 5. Onafhankelijkheidsverklaring
juni ’22
2
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
1
INLEIDING
1.1
Algemeen
In opdracht van De Stijll BV is in december 2021 door Sigma Bouw & Milieu een verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 uitgevoerd op een onbebouwde gedeelte van de locatie gelegen aan de Veendijk nr. 47 te Havelte (gemeente Westerveld). De plaats en situering van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1 en 2. In dit onderzoek worden allereerst de locatiegegevens, de historische gegevens ofwel het bodemgebruik in het verleden evenals de resultaten van eventuele voorgaande bodemonderzoeken besproken. Vervolgens wordt de bodemopbouw, geologie en geohydrologie besproken. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is een onderzoekshypothese opgesteld. Het verdere onderzoek is op basis van deze hypothese uitgevoerd. De onderzoeksresultaten worden geïnterpreteerd. Aan de hand van de interpretatie van de onderzoeksresultaten wordt een eindconclusie geformuleerd. kwaliteitsborging: Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens de norm NEN-EN-ISO 9001:2015. Het verkennend milieukundig bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen uit het besluit uitvoeringskwaliteit Bodembeheer (KWALIBO). Zo is de gehanteerde onderzoeksstrategie opgesteld volgens de normen NEN-5725 en NEN-5740 en zijn de veld- en laboratoriumwerkzaamheden uitgevoerd volgens geldende beoordelingsrichtlijnen en accreditatieschema’s.
De veldwerkzaamheden van Sigma Bouw & Milieu zijn verricht onder het procescertificaat BRL SIKB 2000 (Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek) waarvoor Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd en erkend door het ministerie van I&W. In het kader van het onderhavige onderzoek zijn de protocollen 2001 (plaatsen van handboringen en peilbuizen t.b.v. het nemen van grond- en grondwatermonsters), en 2002 (het nemen van grondwatermonsters) en 2018 (maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem) van toepassing. Sigma Bouw & Milieu verklaart bij deze volledig onafhankelijk te zijn in de uitvoering van het onderzoek en op geen enkele wijze gerelateerd te zijn aan de eigenaar van het te onderzoeken terrein.
1.2
Aanleiding van het bodemonderzoek
Aanleiding tot de uitvoering van dit verkennend milieukundig bodemonderzoek vormt de herontwikkeling van en geplande nieuwbouw op de onderzoekslocatie.
1.3
Doel van het onderzoek
Het verkennend bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 heeft tot doel inzicht te verkrijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en vast te stellen of er sprake is van bodemverontreiniging. Aan de hand van dit onderzoek wordt inzicht verkregen in hoeverre het bodemgebruik van de locatie heeft geleid tot verontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan een milieuhygiënische beoordeling worden gegeven ten aanzien van de beoogde c.q. de toekomstige gebruiksmogelijkheden van de locatie. Indien uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er sprake is van bodemverontreiniging zal worden beoordeeld of vervolgonderzoek noodzakelijk geacht wordt.
juni ’22
3
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
1.4
Referentiekader van het onderzoek
Teneinde de kwaliteit van de grond op de onderhavige locatie juist in te schatten is de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek gebaseerd op de onderzoeksstrategie voor verkennend bodemonderzoek, onderzoeksnorm NEN 5740+A1 (literatuur 1). 1.5
Opbouw van het rapport
In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde: vooronderzoek, (hoofdstuk 2) veldonderzoek, (hoofdstuk 3) chemisch-analytisch onderzoek, (hoofdstuk 4) conclusies en aanbevelingen, (hoofdstuk 5).
juni ’22
4
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
2
VOORONDERZOEK
Het vooronderzoek wordt voorafgaand aan het feitelijke onderzoek (veld- en chemisch-analytisch onderzoek) uitgevoerd. Het vooronderzoek omvat het verzamelen van informatie over het vroegere en huidige gebruik van de onderzoekslocatie en de omgeving, onder meer gericht op het vinden van mogelijke bronnen van bodembelasting. De uitwerking van het vooronderzoek is gebaseerd op de onderzoeksnorm NEN 5725, strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek (literatuur 9). In de NEN-5725 (2017) zijn zeven aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Voor elke afzonderlijke aanleiding tot vooronderzoek dienen verschillende onderzoeksvragen te worden beantwoord. De verplicht te onderzoeken aspecten zijn per aanleiding omschreven in tabel 1. tabel 1: onderzoeksaspecten milieuhygiënisch vooronderzoek Onderzoeksaspecten 1. Locatiegegevens
Aanleiding tot vooronderzoek
Eigendomssituatie
A 0
B 0
C
D
Bodemopbouw Antropogene lagen in de bodem Geohydrologie
3. Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit
Geval van ernstige bodemverontreiniging? Kwaliteit o.b.v. BKK O.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken
4. Gebruik en beïnvloeding van de locatie, verdachte situatie, activiteiten, ongewoon voorval
F
G
✓
Hoogteligging 2. Bodemopbouw en geohydrologie
E
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓ ✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓ ✓
0
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
0
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
0 ✓
✓
Voormalig Huidig Toekomstig Asbestverdacht?
✓
✓
✓
✓
✓
5. Terreinverkenning ✓ Verplicht onderzoeksaspect. Indien dit onderzoeksaspect niet van toepassing is, behoort dit in het rapport te worden vermeld en gemotiveerd 0 Optioneel
juni ’22
5
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
aanleiding vooronderzoek Het onderhavige bodemonderzoek betreft een verkennend bodemonderzoek in het kader van een herinrichting van de locatie en de geplande nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Het vooronderzoek is uitgevoerd op basis van aanleiding A, conform paragraaf 6.2.1 “opstellen hypothese bodemkwaliteit ten behoeve van een bodemonderzoek” uit de NEN-5725 (2017). geraadpleegde bronnen in het kader van het vooronderzoek Voor het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • informatie verstrekt door de opdrachtgever/eigenaar; • informatie van de gemeente Westerveld (via RUD-Drenthe, email d.d. 25-10-2021); • informatie van het Geoportaal Drenthe; • Bodemloket.nl; • www.Topotijdreis.nl; • Kadaster/BAG Viewer; • grondwaterkaart van Nederland; • AHN.nl; • Dinoloket.nl; • handelsbestand van de Kamer van Koophandel; • terreininspectie voorafgaand aan de veldwerkzaamheden . Het uitgevoerde vooronderzoek heeft betrekking tot de onderhavige onderzoekslocatie alsmede de aangrenzende percelen binnen een straal van 25 meter. De onderzoeksvragen voor het opstellen van de onderzoekshypothese en de gekozen onderzoeksstrategie zijn, voor zover relevant, in de onderstaande paragrafen nader uitgewerkt. locatiegegevens In tabel 2 is een overzicht van de basisinformatie/locatiegegevens weergegeven.
tabel 2: overzicht basisinformatie Adres Plaats Gemeente Topografisch overzicht Coördinaten Kadastrale aanduiding Eigendomssituatie Oppervlakte onderzoekslocatie (onbebouwde deel van het plangebied) Algemene omschrijving
Veendijk nr. 47 Havelte Westerveld Zie bijlage 1 X = 209,772 Y= 528,770 Gemeente Havelte, perceel sectie R nrs. 515, 517 en 543 (ged.) Niet nagegaan. Onbebouwde onderzochte deel ca. 11.090 m2
De onderzoekslocatie betreft een gedeelte van het onbebouwde deel van de locatie gelegen aan de Veendijk nr. 47 te Havelte (zie figuur 1). Op de locatie bevindt zich een voormalig veehouderijbedrijf (sinds enige tijd niet meer in bedrijf). Op de locatie bevinden zich een bestaande boerderij met aangebouwde stal, een kleinere losstaande stal, een losstaande garage/berging, een werktuigenberging en een mestsilo. De veestallen zijn voorzien van een betonverharding en deels voorzien van mestkelders. Ten westen van de bebouwing bevindt zich een met betonklinkers verharde oprit. Het erf ten westen en noorden van de stal is deels verhard met betonklinkers en beton. Een deel hiervan werd gebruikt voor kuilvoeropslag. Het deel ten oosten van de stal is als weide in gebruik. Het deel ten zuiden van de boerderij betreft tuin. Tot het onderzoeksgebied behoort een deel van een akker dat ten westen en noorden van het erf is gelegen. Tussen de percelen R 515 en 517 loopt een bestaande sloot.
juni ’22
6
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
De opdrachtgever is voornemens om de locatie te herontwikkelen. Het onderhavige onderzoek heeft alleen betrekking op het gebied zoals opgenomen in figuur 1 en bijlage 2.
figuur 1: onderzoekslocatie Bebouwing en bouwjaar (Kadaster BAG) Terreinverharding Ondergrondse infrastructuur Archeologische waarden Geplande herinrichting bijzonderheden: -
De boerderij en stallen dateren van 1935, de werktuigenschuur dateert van 1978, de mestsilo dateert van 1987 en de garage/berging dateert van 1990. De onderzoekslocatie is deels verhard met betonklinkers, betontegels en beton. In de stallen bevinden zich een betonvloer en deels mestkelders. Geen informatie, bij grondwerk dient een KLIC-melding gedaan te worden. De locatie heeft op basis van de archeologische waardenkaart (IKAW) de vermelding "lage trefkans". Herontwikkeling en nieuwbouw.
afbakening onderzoekslocatie Het onderhavige onderzoek, het geografisch besluitvormingsgebied, betreft het onderzochte deel van de locatie zoals weergegeven in bijlage 2.
juni ’22
7
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
bodemgebruik op basis van topografische kaarten In de onderstaande tabel 3 is de beschikbare informatie weergegeven over het historisch, huidig en toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en de directe omgeving. tabel 3: beschrijving bodemgebruik Omschrijving
Gebruik
Potentieel bodembedreigende activiteiten en situaties
Op basis van de topografische kaarten vanaf 1850 is op de onderzoekslocatie reeds bebouwing te herkennen. De bebouwing is in de loop der jaren verder uitgebreid/ gewijzigd. De onderzoekslocatie betreft een gedeelte van het onbebouwde deel van de locatie gelegen aan de Veendijk nr. 47 te Havelte (zie figuur 1).
Geen.
Onderzoekslocatie Historisch (op basis van topografische kaarten, Topotijdreis) Huidig
Geen.
Op de locatie bevindt zich een voormalig veehouderijbedrijf (sinds enige tijd niet meer in bedrijf). Op de locatie bevinden zich een bestaande boerderij met aangebouwde stal, een kleinere losstaande stal, een losstaande garage/berging, een werktuigenberging en een mestsilo. De veestallen zijn voorzien van een betonverharding en deels voorzien van mestkelders. Ten westen van de bebouwing bevindt zich een met betonklinkers verharde oprit. Het erf ten westen en noorden van de stal is deels verhard met betonklinkers en beton. Een deel hiervan werd gebruikt voor kuilvoeropslag. Het deel ten oosten van de stal is als weide in gebruik. Het deel ten zuiden van de boerderij betreft tuin. Tot het onderzoeksgebied behoort een deel van een akker dat ten westen en noorden van het erf is gelegen. Tussen de percelen R 515 en 517 loopt een bestaande sloot. Toekomstig De opdrachtgever is voornemens om de locatie te herontwikkelen. Het onderhavige onderzoek heeft alleen betrekking op het gebied zoals opgenomen in figuur 1 en bijlage 2. Directe omgeving (<25 m) Historisch (op basis van Op topografische kaarten vanaf 1850 is in de omgeving hier topografische kaarten, en daar bebouwing te herkennen. Topotijdreis) De bebouwing is in de loop der jaren verder uitgebreid/ gewijzigd.
Huidig en toekomstig In de directe omgeving van de onderzoekslocatie bevinden zich woningen, agrarische bedrijfven en agrarische percelen. Noord- en oostzijde: naastgelegen agrarische percelen. Zuidzijde: Veendijk en een tegenover gelegen boerderij. Westzijde: naastgelegen woning.
juni ’22
Geen.
Geen.
Het is op voorhand onbekend of activiteiten in de directe omgeving negatieve invloed hebben (gehad) op de bodemkwaliteit t.p.v. de onderhavige onderzoekslocatie.
8
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
bedrijfsmatige activiteiten, bodembedreigende activiteiten en calamiteiten In tabel 4 staat een overzicht weergegeven van de potentieel bodembedreigende activiteiten en calamiteiten op basis van de beschikbare informatie. tabel 4: overzicht potentieel bodembedreigende activiteiten en calamiteiten Gebruik
De onderzoekslocatie betreft een gedeelte van het onbebouwde deel van de locatie gelegen aan de Veendijk nr. 47 te Havelte (zie figuur 1). Op de locatie bevindt zich een voormalig veehouderijbedrijf (sinds enige tijd niet meer in bedrijf). Op de locatie bevinden zich een bestaande boerderij met aangebouwde stal, een kleinere losstaande stal, een losstaande garage/berging, een werktuigenberging en een mestsilo. De veestallen zijn voorzien van een betonverharding en deels voorzien van mestkelders. Ten westen van de bebouwing bevindt zich een met betonklinkers verharde oprit. Het erf ten westen en noorden van de stal is deels verhard met betonklinkers en beton. Een deel hiervan werd gebruikt voor kuilvoeropslag. Het deel ten oosten van de stal is als weide in gebruik. Het deel ten zuiden van de boerderij betreft tuin. Tot het onderzoeksgebied behoort een deel van een akker dat ten westen en noorden van het erf is gelegen. Tussen de percelen R 515 en 517 loopt een bestaande sloot. De opdrachtgever is voornemens om de locatie te herontwikkelen. Het onderhavige onderzoek heeft alleen betrekking op het gebied zoals opgenomen in bijlage 2. Op de onderzoekslocatie was in het verleden geruime tijd een melkveehouderijbedrijf gevestigd geweest. De activiteiten zijn enige tijd geleden beëindigd. Ten westen van de stal bevindt zich een bovengrondse dieselolietank.
De schuur ten noorden van de stal wordt voor een deel gebruikt als werktuigenberging. In een deel van dit gebouw worden enkele landbouwwerktuigen (zonder olie) gestald. Aan de oostzijde van de garage/berging bevindt zich de uitlaat van de melkmachine. Er is geen andere informatie beschikbaar omtrent evt. (voormalige) potentieel bodembedreigende activiteiten/calamiteiten (verbranding afval, opslag van gevaarlijke stoffen etc.) binnen het onderzochte deel van op de onderzoekslocatie
juni ’22
9
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
figuur 2: situering boerderij met erf Ten behoeve van het bodemonderzoek is het onderzoeksgebied opgedeeld in de volgende 5 deellocaties: A). Bovengrondse dieselolietank; B). Uitlaat melkmachine; C). Werktuigenberging (zie figuur 1, letter C); D). Onbebouwde deel van het erf (zie figuur 1, letter D); E). Akker (zie figuur 1, letter E).
figuur 3: globale ligging onderzoeksgebied Bouwvergunning
juni ’22
T.b.v. de bestaande gebouwen zijn bouwvergunningen verleend. o.a. 1999; vergroten ligboxenstal
10
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
Milieuvergunning
15-08-1975; Hinderwetvergunning voor een veehouderijbedrijf 01-07-1991; kennisgeving besluit Mestbassins Hinderwet 15-12-1995; kennisgeving besluit Melkveehouderijbedrijven Hinderwet 29-07-1999; melding ingevolge het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer. Er mogen melkkoeien en jongvee worden gehouden. Uit het milieulocatiebestand blijkt dat de locatie bekend staat als een TypeB inrichting, op grond van de indeling van het Activiteitenbesluit.
Handelsregister
Aanwezigheid brandstoftanks
De locatie wordt in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als volgt vermeld: ● Maatschap H. Smit en G. Smit-Delfsma: het houden van melkvee Ten westen van de stal bevindt zich een bovengrondse dieselolietank. De tank staat geplaatst in een lekbak. Het afgiftepunt zit op de tank. Op de tekening uit de milieuvergunning uit 1999 staat de tank ten noorden van de stal aangegeven. Volgens informatie van de eigenaar heeft de tank nooit op deze plaats gelegen. Om deze reden is de positie van deze tanklocatie in dit onderzoek niet onderzocht.
figuur 4: situering bovengrondse tank 1999 Er is geen andere informatie omtrent de eventuele aanwezigheid of voormalige aanwezigheid van boven- of ondergrondse brandstoftanks op de onderzoekslocatie. Er bestaat altijd de mogelijkheid dat boven- en ondergrondse brandstoftanks in het verleden geplaatst zijn zonder melding, de aanwezigheid van dergelijke tanks blijkt niet uit de verkregen informatie.
juni ’22
11
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
Aanwezigheid asbest
Volgens de asbestdakenkaart van de gemeente Westerveld zijn de daken van de gebouwen waarschijnlijk verdacht voor asbest (zie figuur 1). Het dak van de werktuigenberging is niet voorzien van een dakgoot en watert aan de noordzijde af op onverharde bodem. De overige daken zijn voorzien van een dakgoot of wateren zonder dakgoot af op verharde ondergrond.
figuur 5: asbestdakenkaart gemeente Westerveld
Ophogingen/dempingen/ stortingen
De aanwezigheid van asbesthoudend materiaal elders in de bestaande bebouwing is niet uit te sluiten (niet onderzocht). Er is geen informatie bekend omtrent de evt. aanwezigheid van asbest in de bodem t.p.v. het plangebied. Er bestaat altijd de mogelijkheid dat asbest (afval/puin) ed. is begraven. Op voorhand is hiervan geen informatie bekend. Op topografische kaarten is tot 2006 langs de oostgrens een sloot/watergang te herkennen. Deze sloot is tussen 1997 en 2006 gedempt. In het verdere verleden, tot medio jaren ’80 van de vorige eeuw, liep ten noorden van de boerderij een sloot/watergang in noordelijke richting. Tevens liep er een sloot/watergang langs de huidige oprit (ten westen van de boerderij). Deze sloot/watergang liep in noordelijke richting. Volgens informatie van de eigenaar zijn de sloten gedempt met gebiedseigen grond.
Niet gesprongen explosieven
juni ’22
Er is geen andere informatie omtrent evt. met bodemvreemd materiaal gedempte watergangen/ sloten t.p.v. de onderzoekslocatie (binnen het onderzochte terreindeel). Er is geen informatie omtrent evt. opgebrachte gebiedsvreemde grond (ophogingen), verhardingsmateriaal, puinmateriaal en/of afval op de onderzoekslocatie. Geen informatie, in Nederland zijn er niet gesprongen explosieven (NGE) uit de Tweede Wereldoorlog in de grond achtergebleven. De (potentiële) aanwezigheid van niet gesprongen explosieven kan een bedreiging inhouden bij grondroerende werkzaamheden en kan tot vertraging leiden bij planvorming en uitvoering van werkzaamheden. NGE's worden met name aangetroffen ter plaatse van 'strategische doelen' zoals binnensteden, verbindingswegen, spoorwegen, bruggen en havens. De gemeente is op basis van regelgeving verantwoordelijk voor het opsporen en ruimen va niet gesprongen explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Voor aanvullende informatie wordt verwezen naar de gemeente. 12
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
PFAS-verdachtheid
Calamiteiten Verdachte activiteiten < 25 m
Op of nabij de onderzoekslocatie bevinden zich geen locaties die de bodem verdacht maken voor PFAS en GenX verbindingen als gevolg van puntbronnen. De kans op verontreiniging met PFAS in de grond t.p.v. de onderzoekslocatie t.g.v. puntbronnen wordt gering geacht. De bovengrond, diepere geroerde bodemlagen en de waterbodem zijn op basis van het Tijdelijk Handelingskader PFAS in heel Nederland verdacht op het diffuus voorkomen van PFAS als gevolg van atmosferische depositie. Verwacht wordt dat de bodem van de onderzoekslocatie diffuus onverdacht is voor PFAS en onverdacht is op GenX. Hoewel PFAS diffuus verspreid in de bodem in Nederland voorkomt, en op veel plaatsen in gehalten boven de detectielimiet wordt aangetroffen, is op basis van het vooronderzoek geen informatie verkregen over de eventuele aanwezigheid van PFAS en GenX op de locatie. Ter plaatse zijn geen bronlocaties bekend. Bij evt. toekomstig grondverzet wordt geadviseerd alsnog onderzoek naar deze parameters uit te voeren. Voor zover bekend is er geen informatie over evt. calamiteiten die hebben plaatsgevonden waarbij de bodem verontreinigd kan zijn geraakt. Op de locatie Veendijk 22 wordt melding gemaakt van een bovengrondse dieselolietank. Het is op voorhand onbekend of activiteiten in de directe omgeving negatieve invloed hebben (gehad) op de bodemkwaliteit t.p.v. de onderhavige onderzoekslocatie.
voorgaande bodemonderzoeken In tabel 5 is een overzicht van voorgaande bodemonderzoeken en informatie van de bodemkwaliteitskaart weergegeven. tabel 5: overzicht voorgaande bodemonderzoeken en bodemkwaliteitskaart voorgaande bodemonderzoeken Onderzoekslocatie
► Niet bekend
Omgeving <25 m
► Veendijk 22; verkennend bodemonderzoek d.d. 18-08-1995, ref. Fugro, C-3883.110SHa\KDo conclusies: Er moet op de locatie een oriënterend onderzoek worden uitgevoerd naar de aard en ernst van de (mogelijke) verontreiniging.
Vermoeden van (een geval van ernstige) bodemverontreiniging op de locatie of een deel daarvan informatie bodemkwaliteitskaart
juni ’22
partijkeuring d.d. 27-04-2006, ref. Grondslag, 6605 ►Niet bekend.
►De locatie bevindt zich in de zone buitengebied.
13
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
bodemopbouw, geohydrologie en antropogene beïnvloeding De ondiepe geologie in het onderzoeksgebied is afgeleid van de Grondwaterkaart van Nederland (Dienst grondwaterverkenning TNO/DGGV) en ontleend aan het dinoloket (www.dinoloket.nl). De bovenste laag, de deklaag, heeft een hoogte van ca. 0-1 m+NAP. In tabel 6 staat de geohydrologische opbouw weergegeven. tabel 6: geohydrologische opbouw diepte m-mv 0-5 5-15
beschrijving
formatie
zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veenzandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen
Boxtel Kreftenheye
De stromingsrichting van het ondiepe grondwater van het eerste watervoerend is in het kader van dit onderzoek niet vastgesteld. Opgemerkt dient te worden dat de stromingsrichting van het grondwater beïnvloed kan worden door drainagepatroon, ligging van sloten, riolering, kabels, leidingen en funderingen.
(financieel-) juridische situatie In tabel 7 zijn de financieel- juridische aspecten weergegeven. tabel 7: financieel/juridische aspecten kadastrale gegevens opdrachtgever/ belanghebbende rechtspersonen
Gemeente Havelte, perceel sectie R nrs. 515, 517 en 543 (ged.) Niet nagegaan.
In het kader van onderhavig bodemonderzoek is behoudens de opgenomen kadastrale gegevens geen nadere financieel juridische informatie verzameld. Het uitvoeren van een daadwerkelijke juridische toets maakt geen deel uit van onderhavig bodemonderzoek.
juni ’22
14
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
2.1
Hypothese en onderzoeksstrategie
Volgens de onderzoeksnorm NEN 5740 dient, m.b.t. de aanwezigheid van eventuele bodemverontreiniging, vooraf een onderzoekshypothese te worden opgesteld. De hypothese kan worden opgesteld op basis van bekende (historische) gegevens, uit de betrokken informatie kan blijken dat de onderzoekslocatie, vooraf, als “verdacht” of “onverdacht” wordt aangemerkt. Op basis van de historische informatie uit het vooronderzoek blijkt dat op de locatie aan de Veendijk nr. 47 te Havelte geruime tijd een veehouderijbedrijf gevestigd is geweest. De activiteiten zijn enige tijd geleden beëindigd. Ten westen van de stal bevindt zich een bovengrondse dieselolietank. In de werktuigenberging ten noorden van de stal worden landbouwmachines gestald. Aan de oostzijde van de garage/berging bevindt zich de uitlaat van de melkmachine. Op topografische kaarten is tot 2006 langs de oostgrens een sloot/watergang te herkennen. Deze sloot is tussen 1997 en 2006 gedempt. In het verdere verleden, tot medio jaren ’80 van de vorige eeuw, liep ten noorden van de boerderij een sloot/watergang in noordelijke richting. Tevens liep er een sloot/watergang langs de huidige oprit (ten westen van de boerderij). Deze sloot/watergang liep in noordelijke richting. Voor zover bekend zijn de twee vm. watergangen/sloten op het erf gedempt met gebiedseigen grond.
Deze gedempte watergangen/sloten welke door het onderzoeksgebied lopen zijn in deze fase van het onderzoek in eerste instantie niet apart onderzocht. T.p.v. de gedempte sloten / watergangen binnen het plangebied zijn enkele boringen in een raai geplaatst, de grondmonsters hiervan zijn, voor zover zintuiglijk onverdacht, betrokken bij de samengestelde mengmonsters van het overige deel van de locatie. Er is geen andere informatie omtrent evt. (voormalige) (bedrijfs)matige activiteiten op de onderzoekslocatie (t.p.v. het onderzoeksgebied). Er is geen andere informatie over (voormalige) potentieel verdachte deellocaties (bronnen), (voormalige) bodembedreigende activiteiten of evt. (voormalige) potentieel bodembedreigende calamiteiten t.p.v. de onderzoekslocatie (t.p.v. het onderzoeksgebied). De terreindelen t.p.v. de bovengrondse dieselolietank, de uitlaat van de melkmachine en de werktuigenschuur zijn in dit onderzoek als potentieel verdachte deellocaties beschouwd en in dit onderzoek separaat onderzocht. Het onderzoek t.p.v. de bovengrondse dieselolietank en de uitlaat van de melkmachine is uitgevoerd op basis van de onderzoeksstrategie voor verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP), op basis van NEN 5740+A1, paragraaf 5.3, (literatuur 1). Het onderzoek t.p.v. de werktuigenschuur Het onderzoek t.p.v.
de werktuigenberging is uitgevoerd op basis van de onderzoeksstrategie, volgens NEN 5740+A1, paragraaf 5.6 strategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging (VED-HE-NL), verdachte bovengrond (literatuur 1). Gezien de kleinschaligheid van de opslag in deze ruime is in deze fase onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de ondergrond en het grondwater buiten beschouwing gelaten.
juni ’22
15
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
Gezien het algemeen bedrijfsmatige gebruik van het overige onbebouwde deel van erf in dit deel in eerste aanleg als milieuhygiënisch "verdacht" aangemerkt. Op basis van deze hypothese is het bodemonderzoek t.p.v. het onbebouwde deel van het erf uitgevoerd conform de bijbehorende onderzoeksstrategie, volgens NEN 5740+A1, paragraaf 5.6 strategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging (VED-HE-NL), verdachte bovengrond (literatuur 1). De ondergrond en het grondwater is in dit onderzoek onderzocht volgens de strategie voor een onverdachte locatie, (ONV-NL) paragraaf 5.1 van de NEN-5740. Het onderzoek t.p.v. de akker rondom de het erf is in eerste aanleg als milieuhygiënisch "onverdacht" aangemerkt. Op basis van deze hypothese is het bodemonderzoek t.p.v. dit deel van plangebied uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie, volgens NEN 5740+A1, strategie voor een onverdachte locatie, (ONV-NL) paragraaf 5.1 van de NEN-5740. Door het plangebied loopt een sloot. Ook rondom de onderzoekslocatie lopen sloten. De slootbodems (waterbodem) vallen buiten de scope van dit verkennend bodemonderzoek dat volgens NEN-5740 is uitgevoerd. In dit onderzoek is t.p.v. de bestaande sloten geen waterbodemonderzoek volgens NEN5720 en protocol 2003 uitgevoerd. In tabel 8 is de gehanteerde onderzoeksstrategie weergegeven.
tabel 8: gehanteerde onderzoeksstrategie mogelijke verontreiniging grond
grondwater
onderzoeksstrategie
bovengrondse dieselolietank (ca. 3 m2)
minerale olie, aromaten
minerale olie, aromaten
VEP
uitlaat melkmachine (ca. 1 m2) werktuigenberging (ca. 80 m2)
minerale olie, aromaten
niet onderzocht
VEP (maatwerk)
PAK’s, zware metalen, minerale olie
niet onderzocht
VED-HE-NL (bovengrond) (maatwerk)
onderzochte onbebouwde deel van het erf (ca. 6.750 m2)
PAK’s, zware metalen, minerale olie
-
agrarische grond rondom het erf (ca. 4.340 m2)
-
-
VED-HE-NL (bovengrond) ONV-NL (ondergrond en grondwater) ONV-NL
(deel)locatie NEN-5740+A1
Het dak van de werktuigenberging is niet voorzien van een dakgoot. Aan de noordzijde watert het dak deels af op onverharde bodem. De grond (druppelzone) onder de daklijn van het asbestverdachte dak (deel zonder dakgoot dat afwatert op onverharde bodem) is vanwege erosie van de dakplaten potentieel verdacht voor de aanwezigheid van asbest in grond. In deze fase van het onderzoek is de toplaag (0.0-0.1 m-mv) onder het asbestverdachte dak t.p.v. de noordzijde van de werktuigenberging, onderzocht op asbest in grond op basis van NEN-5707+C2.
juni ’22
16
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
Op basis van bekende informatie zijn geen andere gegevens bekend dat op de locatie sprake is van bodemverontreiniging met asbest. Op voorhand is geen concrete informatie bekend waaruit blijkt dat t.p.v. de onderzoekslocatie asbesthoudend materiaal in de bodem aanwezig is. Er is in dit onderzoek behoudens t.p.v. de druppelzone, vooralsnog geen onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in grond uitgevoerd. Het opgeboorde monstermateriaal op de onderzoekslocatie is in dit onderzoek visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal. Opgemerkt dient te worden dat asbestanalyses geen deel uitmaken van uitgevoerde analyses in het kader van de NEN-5740+A1. Onderhavig onderzoek betreft, behoudens ter plaatse van de druppelzone onder het asbestverdachte dak en de strook langs het spoor, geen asbest onderzoek in bodem volgens NEN-5707+C2 of NEN-5897+C2. Er bestaat echter altijd de mogelijkheid dat asbest (afval/puin) ed. in de bodem terecht gekomen is of is begraven. Alleen een verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 of onderzoek asbest in puin volgens NEN-5897+C2 kan een uitspraak doen over de evt. aanwezigheid van asbest in de bodem. Tevens dient opgemerkt te worden dat aanwezig puinmateriaal en/of (half)verhardingsmaterialen niet chemisch-analytisch zijn onderzocht.
juni ’22
17
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
3
VELDONDERZOEK
In dit hoofdstuk wordt het uitgevoerde veldwerkonderzoeksprogramma beschreven. Daarnaast worden de resultaten van het veldonderzoek weergegeven. 3.1
Uitvoering van het veldonderzoek
Het veldonderzoek is uitgevoerd onder procescertificaat BRL SIKB 2000 en conform de eisen uit de protocollen 2001, 2002 en 2018 (t.p.v. de druppelzone en strook langs het spoor). De bemonstering van grond t.b.v. PFAS onderzoek is uitgevoerd op basis van het protocol bemonstering PFAS-verbindingen in grond en grondwater (expertisecentrum PFAS, juli 2019). In tabel 9 zijn de uitvoeringaspecten opgenomen. tabel 9: uitvoeringsaspecten onderdeel:
uitgevoerd door:
datum:
bijzonderheden:
uitvoeren van boringen, het plaatsen van de peilbuizen en het nemen van grondmonsters (protocol 2001) het graven van inspectiegaten (protocol 2018) nemen van grondwatermonsters (protocol 2002) locatie-inspectie
dhr. A.D.M. van Wuykhuyse (erkend en geregistreerd) dhr. H. van Kuik (erkend en geregistreerd)
02-12-2021
geen bijzonderheden t.a.v. de uitvoering
dhr. A.D.M. van Wuykhuyse (erkend en geregistreerd)
21-12-2021
geen bijzonderheden t.a.v. de uitvoering
dhr. A.D.M. van Wuykhuyse (erkend en geregistreerd) dhr. H. van Kuik (erkend en geregistreerd)
02-12-2021
●het asbestverdachte dak van de werktuigenberging watert aan de noordzijde af op onverharde bodem. ●de bestrating t.p.v. de uitlaat van de melkmachine is vettig
Bedrijfs- en persoonerkenningen zijn weergegeven op de internetsite van Bodem+ (https://www.bodemplus.nl/aanvragen/erkenningen/zoekmenu). Een onafhankelijkheidsverklaring is opgenomen in bijlage 5. Alle geplaatste boringen zijn zodanig ruimtelijk verspreid over de onderzoekslocatie dat een zo representatief mogelijke indruk van de onderzoekslocatie wordt verkregen. De positionering van alle boringen is weergegeven in bijlage 2.
juni ’22
18
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
Het veldwerkprogramma staat weergegeven in tabel 10. tabel 10: veldwerkprogramma NEN-5740 Onderdeel
Aantal
Diepte (m-mv)
Nummers
bovengrondse tank Boringen
2
Ca. 0.5
17+18
Peilbuis
1
Ca. 3.4
16
1
Ca. 0.5
41
3
Ca. 0.5
42+43+44
1
Ca. 2.0
23
3
Ca. 0.5
20 t/m 22
2
Ca. 1.0
20A+20B
17
Ca. 2.0
24 t/m 40
1
Ca. 3.1
19
11
Ca. 0.5
5 t/m 14
5
Ca. 1.0
4A+4B+15+15A+15B
3
Ca. 2.0
2+3+4
1
Ca. 3.0
1
uitlaat melkmachine Boringen werktuigenberging Boringen
onbebouwde deel van het erf Boringen
Peilbuis akker
Boringen
Peilbuis
*=peilbuis is gecombineerd uitgevoerd
De geplaatste peilbuizen zijn opgebouwd uit 1 meter HDPE peilfilter omstort met filtergrind. Het filtergrind zorgt voor een goede instroming van het grondwater in het filter, daarnaast voorkomt het dat het filter dichtslibt. Het peilfilter bevindt zich 0.5 meter beneden het grondwaterniveau. Boven het peilfilter bevindt zich blinde HDPE opzetbuis, omstort met bentoniet (zwelklei). De zwelklei dient ervoor te zorgen dat toestroming vanuit de bovengrond wordt voorkomen. De peilbuizen zijn geplaatst conform de eisen uit het protocol 2001. monstername grond Het vrijkomende bodemmateriaal is zintuiglijk beoordeeld op bodemkundige eigenschappen, o.a. de korrelgrootteverdeling (textuur), kleur en eventueel aanwezige verontreinigingskenmerken. Na de zintuiglijke beoordeling is het bodemmateriaal in trajecten van 0.5 meter of per afwijkende bodemlaag bemonsterd. Grondmonsters t.b.v. analyse op vluchtige aromaten zijn m.b.v. een steekbus bemonsterd. Grondmonsters zijn genomen conform de eisen uit het protocol 2001. monstername grondwater Om een representatief grondwatermonster te verkrijgen zijn de peilbuizen, na plaatsing en voor monstername, grondig (3 maal de inhoud van het peilfilter) afgepompt. Voorafgaand aan de bemonstering is de grondwaterstand t.o.v. het maaiveld ingemeten. Grondwatermonsters zijn genomen conform de eisen uit het protocol 2002 en NEN-5744 (literatuur 11).
Tijdens de monstername van het grondwater is in het veld de zuurgraad (pH) en de elektrische geleidbaarheid (EGV) bepaald.
juni ’22
19
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
noordelijke druppelzone asbest verdacht dak van de werktuigenberging Teneinde na te gaan of de toplaag t.p.v. de noordelijke druppelzone onder het asbestverdachte dak van de werktuigenberging verontreinigd is met asbest(houdend)materiaal, is in dit onderzoek van de betreffende druppelzone een grondmengmonster van de toplaag (0.0-0.1 m-mv) onderzocht op het gehalte asbest. Het onderzoek asbest in de toplaag t.p.v druppelzone onder het asbestverdachte dak is uitgevoerd volgens de onderzoeksstrategie “verkennend onderzoek op een verdachte locatie (verdachte toplaag) met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld”, paragraaf 6.4.5. van de NEN 5707. In afwijking van de strategie uit paragraaf 6.4.5. is in dit onderzoek alleen de toplaag (0.0-0.1 m-mv) onderzocht i.p.v. de actuele contactzone tot 0.5 m-mv. In het kader van dit indicatieve onderzoek asbest in grond zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd: • visuele inspectie van de toplaag (alleen t.p.v. onderzochte terreindelen); • het graven van inspectiegaten van 30 * 30 cm tot ca.10 resp. 20 cm-mv. • het visueel inspecteren van de ontgraven grond op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. • het bemonsteren van evt. asbestverdachte materialen. • het analyseren van evt. asbestverdachte materialen conform de NEN 5898.
Opgemerkt wordt dat het uitgevoerde asbestonderzoek in grond alleen betrekking heeft op de toplaag (0.0-0.1 m-mv) t.p.v. noordelijke druppelzone van het asbestverdachte dak van de werktuigenberging (zie bijlage 2). Met nadruk wordt vermeldt dat op het overige deel van de locatie, in deze fase van het onderzoek, geen onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 of asbest in puin volgens NEN-5897+C2 is uitgevoerd. Er kan op basis van dit onderzoek geen uitspraak worden gedaan omtrent de aanwezigheid van asbest in de bodem/puin elders op het terrein. tabel 11: veldwerkprogramma indicatief onderzoek asbest in grond Onderdeel
Aantal
Diepte (m-mv)
Nummers
noordelijke druppelzone van de werktuigenberging inspectiegaten (0.3x0.3 m) 4 Ca. 0.1 G1 t/m G4
juni ’22
20
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
3.2
Resultaten van het veldonderzoek
bodemopbouw De boorprofielbeschrijvingen van alle verrichte boringen met bijbehorende zintuiglijke waarnemingen zijn grafisch uitgewerkt en opgenomen in bijlage 3. In tabel 12 is op basis van de waarnemingen de lokale bodemopbouw beschreven. tabel 12: lokale bodemopbouw bodemlaag m-mv 0.0-0.2 0.2-0.5 0.5-1.0 1.0-1.7 1.7-2.0 2.0-3.4
hoofdbestanddeel
toevoeging
kleur
zand zand zand zand zand zand
zwak siltig zwak siltig zwak siltig zwak siltig zwak siltig zwak siltig
bruin/grijs geel bruin/beige bruin/grijs geel/beige geel
veldmetingen grondwater De resultaten van de veldwaarnemingen van het grondwater zijn weergegeven in tabel 13. tabel 13: veldwaarnemingen grondwater Peilbuis
filtertraject m-mv
grondwaterstand m-mv
voorpompen liter
pH
1 16 19
2.0-3.0 2.4-3.4 2.1-3.1
1.39 1.63 1.49
5 5 5
5.4 5.9 6.1
EGV geleidingsvermogen µS/cm 570 620 490
troebelheid (NTU) 37 22 26
In de genomen grondwatermonsters is plaatselijk een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (≥10 NTU). De peilbuizen hebben voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Ook zijn de peilbuizen zorgvuldig en met een voldoende laag debiet afgepompt zodat de grondwaterstand in de peilbuis slechts gering is gedaald tijdens afpompen (< 50 cm). Daarom wordt aangenomen dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming, en dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak hebben (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Zwevende delen kunnen leiden tot verhoogde meetwaarden in het grondwater als gevolg van matrixstoringen bij de analyse en ab- en adsorptie organische verbindingen en zware metalen aan deze zwevende delen
juni ’22
21
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
zintuiglijke waarnemingen grond Het bij de boringen vrijkomende bodemmateriaal is zintuiglijk beoordeeld op eventuele afwijkingen. De zintuiglijke waarnemingen zijn omschreven en grafisch weergegeven in bijlage 3. De afwijkende waarnemingen staan in de onderstaande tabel 14 weergegeven. tabel 14: afwijkende waarnemingen boring
diepte m -mv.
zintuiglijke waarnemingen
18 30 41
0.35-0.5 0.15-0.35 0.0-0.5
resten baksteen gestaakt op handmatig niet te doorboren obstructie matige olie-waterreactie
In de boringen t.p.v./nabij de vermoedelijke situering van de gedempte sloten binnen het onderzoeksgebied zijn geen bodemvreemde bijmengingen of afwijkingen waargenomen. Op basis van de grondopbouw zijn geen duidelijke indicaties van een gedempte watergang/sloot waargenomen. Opgemerkt wordt dat de situering van de gedempte sloten/watergangen is bepaald aan de hand van oude topografische kaarten en in de praktijk kan afwijken. grondwater Het bemonsterde grondwater bevatte geen zintuiglijk waarneembare afwijkingen.
juni ’22
22
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
asbest Het asbestverdachte dak van de werktuigenberging watert aan de noordzijde af op onverharde bodem Tijdens de locatie-inspectie is aandacht geschonken aan de aanwezigheid van asbest op het maaiveld, hierbij is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Het opgeboorde monstermateriaal (grond) is zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal. In het opgeboorde monstermateriaal uit de bovengrond zijn plaatselijk baksteensporen waargenomen. In bijlage A van de NEN-5725 wordt gesteld dat vooral bij ongedefinieerd gemengd bouw‐ en sloopafval de kans groot is dat dit asbestcementplaatmateriaal bevat (stukjes golfplaat, vlakke plaat, daklei en buis). Ook in betonpuin, vooral funderingspuin, komt incidenteel asbestcement voor in de vorm van asbestcementbuizen, verloren bekisting en stelplaatjes. In de overige soorten puin (puin van asfalt, asfalt, bakstenen, dakpannen, cement, klinkers en/of straatstenen, trottoirbanden en historisch puin) zit in de regel geen asbesthoudend materiaal en de aanwezigheid daarvan maakt een locatie niet verdacht. Indien het (puin)granulaat duidelijk visueel herkenbaar is als eenduidig materiaal en voldoende kan worden onderbouwd dat dit materiaal niet vermengd kan zijn met asbesthoudend materiaal, is de (deel)locatie niet verdacht.
De plaatselijk waargenomen baksteenresten zijn in dit geval visueel beoordeeld als eenduidig materiaal, nl. baksteen. Op basis van het gestelde in bijlage A van de NEN-5725 kan gesteld worden dat de grond, vanwege de aanwezigheid van baksteensporen, niet direct verdacht is voor de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal. Op basis van zintuiglijke waarnemingen van het opgeboorde monstermateriaal is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen (indicatieve waarneming). Hierbij wordt opgemerkt dat in dit onderzoek handboringen zijn uitgevoerd met een 5 cm edelman boor de trefkans op het aantreffen van asbesthoudend materiaal (t.g.v. verdringing van materiaal) is kleiner dan bij het graven van inspectiegaten volgens NEN-5707+C2. Bij het graven van proefgaten of proefsleuven ontstaat een beter beeld van eventueel aanwezig bodemvreemd materiaal. Met nadruk wordt vermeld dat onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in de bodem/puin geen onderdeel uitmaakt van het onderhavige onderzoek dat volgens NEN-5740+A1 is uitgevoerd. Het onderhavige onderzoek kan daarom geen uitspraak doen over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem op de onderhavige locatie. Opgemerkt dient te worden dat geen asbestanalyses van grond en/of puin e.d. hebben plaatsgevonden. Asbestanalyses maken geen deel uit van verkennend bodemonderzoek in het kader van de NEN-5740+A1.
Tevens wordt opgemerkt dat de zintuiglijke beoordeling op asbest en de locatie-inspectie niet opgevat dient te worden als een onderzoek uitgevoerd op basis van NEN-5707+C2 (asbestonderzoek in grond) en/of NEN-5897+C2 (monsterneming en analyse van asbest in onbewerkt bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat). Alleen een asbestonderzoek volgens NEN-5707+C2 / NEN-5897+C2 geeft meer zekerheid over de aanwezigheid van asbest in de bodem resp. puin. De chemische samenstelling van eventueel aanwezig verhardingsmateriaal is niet in dit onderzoek onderzocht.
juni ’22
23
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
4
CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK
In dit hoofdstuk worden de uitvoering, het toetsingskader en de resultaten van de chemische analyses besproken. Vervolgens worden de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek geïnterpreteerd Het chemisch onderzoek van grond is uitgevoerd door het NEN-EN-ISO 17025 geaccrediteerde milieulaboratorium van Omegam. Alle analyses zijn geanalyseerd volgens het accreditatieschema AS3000 “laboratoriumanalyses voor milieuhygiënisch bodemonderzoek”, waarvoor Omegam is geaccrediteerd en erkend door het ministerie van I&W. De conservering van grond- en grondwatermonsters is uitgevoerd conform SIKB protocol 3001 “conserveringsmethoden en conserveringstermijnen voor milieumonsters”. 4.1
Onderzoeksprogramma chemisch-analytisch onderzoek
grond Teneinde in het kader van het verkennend bodemonderzoek een indruk te krijgen van de algemene kwaliteit van de grond zijn de grondmonsters, welke tijdens het veldonderzoek zijn genomen, in het laboratorium met elkaar gemengd tot grondmengmonsters. grondwater Uit de geplaatste peilbuizen is per peilbuis een grondwatermonster genomen en geanalyseerd. In onderstaande tabel 15 wordt de samenstelling van de grondmengmonsters, grondwatermonsters, de monsternamediepte en de uitgevoerde analyses weergegeven. tabel 15: analyseschema Monstercode
boringnummer(s)
diepte (m-mv)
zintuiglijke analysepakket waarnemingen
16+17+18
0.06-0.26
-
minerale olie /BTEXN+AS3000
16
2.4-3.4
-
NEN-grondwater(**)
0.0-0.5
matige oliewaterreactie
minerale olie /BTEXN+AS3000
0.0-0.5
-
NEN-grond(*)+AS3000
bovengrondse dieselolietank grond MM4 grondwater Pb16
uitlaat melkmachine grond MM5
41
werktuigenberging grond MM6
juni ’22
23+42+43
24
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
vervolg tabel 15: analyseschema Monstercode boringnummer(s)
diepte (m-mv)
zintuiglijke analysepakket waarnemingen
onbebouwde deel van het erf grond MM7
20+24+26+27
0.0-0.5
-
NEN-grond(*)+AS3000
MM8
25+29+31+36
0.0-0.5
-
NEN-grond(*)+AS3000
MM9
37 t/m 40
0.0-0.5
-
NEN-grond(*)+AS3000
MM10
19+22+32+33+35
0.0-0.5
-
NEN-grond(*)+AS3000
MM11
19 t/m 22
0.5-2.0
-
NEN-grond(*)+AS3000
MM12
19+21+22
0.9-2.0
-
NEN-grond(*)+AS3000
19
2.1-3.1
-
NEN-grondwater(**)
MM1
1+3+4+5+7 t/m 9
0.0-0.5
-
NEN-grond(*)+AS3000
MM2
2+4+6+10 t/m 15
0.0-0.5
-
NEN-grond(*)+AS3000
MM3
1+2+3
0.6-2.0
-
NEN-grond(*)+AS3000
1
2.0-3.0
-
NEN-grondwater(**)
0.0-0.1
-
grondwater Pb19 akker grond
grondwater Pb1
druppelzone asbestdak werktuigenberging D1 (druppelzone) G1 t/m G4 *=peilbuizen zijn gecombineerd uitgevoerd
asbest (grond)
verklaring van de gebruikte afkortingen en codes:(1) * NEN-grond = Standaard Pakket Grond omvat AS3000 voorbehandeling, 9 zware metalen, PAK (10-VROM), minerale olie (GC), PBC’s, droge stof, organische stof en lutum; **NEN-water = Standaard Pakket Grondwater omvat AS3000 voorbehandeling zware metalen, vluchtige aromaten (incl. naftaleen), chloorhoudende oplosmiddelen, chloorbenzenen, minerale olie, styreen en bromoform; Zware metalen = barium (Ba)/cadmium (Cd)/Cobalt(Co)/koper (Cu)/lood (Pb)/nikkel (Ni)/zink (Zn)/Molybdeen (Mo)/kwik(Hg); Vluchtige aromaten = Benzeen (B), Tolueen (T), Ethylbenzeen (E), Xylenen (X), Naftaleen (N) Styreen (S) (BTEXNS); PCB = Polychloorbifenylen; PAK = Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen; VOH = Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen. Bromoform = Tribroommethaan
juni ’22
25
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
4.2
Toetsingscriteria
Om de kwaliteit van de bodem en de mate van verontreiniging te kunnen beoordelen, zijn de analyseresultaten van grondmonsters getoetst aan de geldende toetsingswaarden; 1) de achtergrondwaarde (AW-2000) zoals opgenomen in bijlage B van “de Regeling Bodemkwaliteit” 2) de interventiewaarde zoals opgenomen in tabel 1 van “de Circulaire Bodemsanering”, De toetsing van de meetresultaten is uitgevoerd middels BoToVa, de Bodem Toets Validatie Service van de overheid voor grond, grondwater en waterbodem, waarbij de toetsmodules T12 en T13 zijn gehanteerd. BoTova gaat uit van het wettelijk kader dat per 1 juli 2013 van kracht is. In de BoToVa toetsing worden de meetwaarden gecorrigeerd/teruggerekend voor de “standaard bodem” (humus=10% en lutum=25%). Generiek toetsingskader Voor de beoordeling van de analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters wordt gebruik gemaakt van de achtergrondwaarden grond zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit, de streefwaarden grondwater en interventiewaarden grond en grondwater zoals opgenomen in de Circulaire bodemsanering. Achtergrondwaarde (AW-2000): De achtergrondwaarde (AW-2000) geeft de kwaliteit weer die 'van nature' voorkomt in de bodem van natuur- en landbouwgronden waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen.
De achtergrondwaarden zijn opgenomen in het Besluit Bodemkwaliteit en zijn gebaseerd op het onderzoek ‘Achtergrondwaarden 2000’. Hierin zijn gehalten vastgesteld van een groot aantal stoffen in bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland. De achtergrondwaarde (AW-2000) geeft het niveau aan waarbij sprake is van duurzame bodemkwaliteit. Bij overschrijding van de achtergrondwaarde is er sprake van bodemverontreiniging. Tussenwaarde/bodemindex-waarde >0.5: De gemiddelde waarde van de achtergrondwaarde en de interventiewaarde (S+I)/2, hierna te noemen 'tussenwaarde'(T), wordt gehanteerd om aan te geven dat bij overschrijding de kans aanwezig is dat er sprake is van een ernstige verontreiniging, ofwel dat nader onderzoek noodzakelijk is. De tussenwaarde heeft geen wettelijke status maar is een indicatieniveau voor het uitvoeren van aanvullend onderzoek. De tussenwaarde geeft het concentratieniveau aan waarboven onder bepaalde omstandigheden risico’s voor mens en milieu aan de orde kunnen zijn. De tussenwaarde is zodoende een indicatiewaarde voor nader onderzoek. Bij overschrijding van de T-waarde of bodemindex waarde (>0,5) dient aanvullend/nader bodemonderzoek in overweging genomen te worden. Een nader onderzoek wordt uitgevoerd indien er een vermoeden bestaat dat er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging.
Interventiewaarde: De interventiewaarde (I) geeft aan dat bij overschrijding van deze waarde de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant en dier ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Is er sprake van een ernstige bodemverontreiniging en wordt de interventiewaarde in meer dan 25 m3 grond of 100 m3 grondwater (bodemvolume) overschreden, dan kan er noodzaak zijn tot sanering. De saneringsurgentie wordt bepaald door blootstellingsrisico's van mens, dier en plant en de verspreidingsrisico's van de betreffende stoffen (actuele risico’s). De interventiewaarden zijn gebaseerd op de risico's voor de volksgezondheid en het milieu (onderzoek RIVM). Bij de beoordeling van bodemverontreiniging aan de hand van de genoemde toetsingswaarden spelen nog een aantal aspecten een rol. Rekening dient te worden gehouden met het feit dat de mobiliteit van stoffen in de bodem en daardoor de verspreiding van stoffen afhankelijk is van diverse bodemkenmerken. Daarnaast speelt de bestemming en het gebruik van de locatie in de huidige situatie alsmede de toekomstige situatie, een grote rol bij de beoordeling van de risico's voor het milieu.
juni ’22
26
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
asbest in grond en puin De resultaten van het onderzoek asbest in grond worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. Voor asbest in grond is een interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. vastgesteld. Aan deze waarde zijn de gewogen asbestconcentraties (mg/kg ds) getoetst. Gewogen betekent het gehalte serpentijnasbest (chrysotiel) vermeerderd met tienmaal het gehalte amfiboolasbest (amosiet, crocidoliet). Indien de gewogen asbestconcentratie in grond c.q. puin boven 100 mg/kg ds is vastgesteld, is sprake van met asbest verontreinigde grond c.q. puin. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. Indien asbest in de grond boven 100 mg/kg ds aanwezig is en deze verontreiniging vóór 1993 is ontstaan, is ongeacht de omvang van de verontreiniging sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest in grond.
Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities. Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Het resultaat van het verkennend onderzoek is een indicatieve uitspraak over de mogelijke verontreiniging van het toegepaste bouw- en sloopafval of recyclinggranulaat / bodem op basis van verzamelde stukken asbesthoudend materiaal en (meng)monsters. Aan de hand van het verkregen indicatieve gehalte aan asbest wordt nagegaan of nader onderzoek asbest al dan niet noodzakelijk is. Door de lagere onderzoeksintensiteit van het verkennend onderzoek kan in deze fase niet direct worden getoetst aan de grenswaarde. In het verkennend onderzoek wordt het gehalte getoetst aan de grenswaarde gecorrigeerd met een factor 2. Deze correctiefactor is een maat voor de betrouwbaarheid van het verkennend onderzoek in relatie tot het nader onderzoek.
Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Alleen als in het verkennend onderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerd materiaal in de gaten en aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als in het nader onderzoek is een directe toetsing aan de grenswaarde mogelijk. Als het asbestgehalte kleiner is dan de helft van de grenswaarde is het statistisch aannemelijk dat ook in een nader onderzoekstraject de grenswaarde niet zal worden overschreden. In deze gevallen geldt er geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de grenswaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogst bepaalde waarde binnen een(deel)locatie of (deel)partij is hiervoor bepalend.
juni ’22
27
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
Van de bodemlagen waarin zintuiglijk asbesthoudende materialen zijn aangetroffen in de fractie >20 mm is een berekening gemaakt van de asbestconcentratie. Hiertoe is gebruik gemaakt van de navolgende formule: Cmi=∑ (Mk x %k,I /100) / V x Ns x ds waarin: V (in dm3) : volume (V) van de sleuf of het gegraven gat. Mk (in mg) : massa van de verzamelde asbesthoudende materialen van het type "k" (bijvoorbeeld asbestplaatjes). %k,i : gemiddeld % van asbestsoort "i" (bijv. chrysotiel) in de verzamelde asbesthoudende materialen van type "k". Ns (in kg/dm3) : stortgewicht van de grond/puin. ds : percentage droge stof Bij de monstervoorbehandeling op locatie door middel van zeven wordt het materiaal echter gesplitst in de fractie <20 mm (fijn) en de fractie >20 mm (grof). De consequentie is dat het analysemonster alleen betrekking heeft op het fijne materiaal < 20 mm (mg asbest <20 mm / kg materiaal <20 mm), terwijl het gehalte betrekking moet hebben op het totale (fijne + grove) materiaal (mg asbest<20 mm / kg materiaal <20 mm + >20 mm). Bij de correctie wordt het gehalte in het analysemonster < 20 mm herberekend naar een gehalte over het totale materiaal (fractie < 20 mm + fractie > 20 mm). Zonder correctie wordt het gehalte overschat; deze overschatting loopt op naarmate er meer grof (bodemvreemd) materiaal in de grond aanwezig is.
Voor verhardingslagen geldt dat per deellocatie of per deelpartij alle indicatieve resultaten moeten worden getoetst aan de grenswaarde, volgens onderstaande criteria: * indien het gewogen gehalte aan asbest (hoogste gehalte) kleiner is dan de helft van de grenswaarde, dan is verder onderzoek niet noodzakelijk en is het statistisch aannemelijk dat de grenswaarde ook niet in een nader onderzoekstraject zal worden overschreden; * indien het gewogen gehalte aan asbest (hoogste gehalte) groter is dan de helft van de grenswaarde, dan is nader onderzoek noodzakelijk.
juni ’22
28
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Veendijk nr. 47 te Havelte
4.3
Analyseresultaten en interpretatie
In deze paragraaf zijn de resultaten van de chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters, gerelateerd aan toetsingswaarden, weergegeven in tabelvorm. Na elke tabel worden de onderzoeksresultaten besproken. In bijlage 4 zijn van alle uitgevoerde analyses de analysecertificaten van Omegam opgenomen. 4.3.1