TOE Havelte, partiele herziening Dorpsstraat 14-16 (09-04-2024)
Tekst van het document
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met de Provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Drenthe. Relevante provinciale belangen zijn in voorliggend plan voldoende geborgd.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Omgevingsvisie Westerveld
4.3.1.1 Algemeen De gemeenteraad heeft op 1 februari 2022 de omgevingsvisie van Westerveld vastgesteld. Hierin worden ambities uitgesproken voor het jaar 2040, waaronder het zijn van een sterke, economische, recreatieve en agrarische gemeente. De ambitie is een excellente woongemeente te zijn. Om verpaupering of crimineel gebruik van vrijkomende agrarische gebouwen en gronden te voorkomen wil de gemeente ruimhartig omgaan met plannen voor onder andere wonen en werken. De omgevingsvisie maakt gebruik van gebiedskompassen. Het plangebied ligt in ‘Havelte’. 4.3.1.2 Strategische visie en keuzes op het gebied van recreatie In de Omgevingsvisie worden de volgende relevante zaken benoemd inzake het thema recreatie: •
•
Wat betreft recreatie en toerisme streeft de gemeente naar een verdere verbetering van het toeristischrecreatieve palet. Daarbij geldt: ‘kwaliteit boven kwantiteit’, wat betekent dat initiatieven voor verbetering van bestaande recreatieterreinen zullen worden ondersteund. Ook de vestiging van kwalitatief hoogwaardige en onderscheidende nieuwe recreatieterreinen sluit de gemeente niet op voorhand uit. Het spreekt voor zich dat nieuwvestiging een zorgvuldige (ruimtelijke) afweging vraagt. Overigens blijft de gemeente bij dit alles van mening dat ondernemers ruimte moeten krijgen voor een gezonde bedrijfsvoering. Wat die ruimte exact is, hangt sterk af van de plek in combinatie met de aanvraag. Dit vraagt daarom een maatwerkaanpak. Vakantie en vrijetijdsbesteding in eigen land is populair. Daardoor is er meer behoefte aan kwaliteit en flexibiliteit in verblijfsrecreatie. De gemeente wil die ontwikkeling faciliteren en innovaties stimuleren.
4.3.1.3 Gebiedskompas ‘Havelte’ Havelte is een voorzieningendorp met, naast de functie wonen, een grote diversiteit aan voorzieningen. Op 1 januari 2021 telde het dorp 3.825 inwoners. Het oude dorp Havelte is ook vanwege de cultuurhistorie zeer waardevol en kent vier beschermde dorpsgezichten. Bepaalde delen van de kern Havelte zijn in 1969 aangewezen als beschermd dorpsgezicht. In de toelichting van de betrokken Ministeries wordt met name de verscheidenheid van het gebied geroemd en de aanwezigheid van de (net als in Dwingeloo) zeldzame binnenes of –weide. Ten noorden/noordwesten van Havelte bevinden zich twee hunebedden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 14-16’ Vastgesteld Zuidelijk/zuidwestelijk van het dorp Havelte vinden we het beschermde dorpsgezicht Eursinge, dat gedomineerd wordt door de aanwezigheid van de herenboerderij ‘Overcinge’. Het buurschap Eursinge behoort zowel vanuit het oogpunt van cultuurhistorie als uit het oogpunt van dorpsschoon tot een van de meest waardevolle dorpsgezichten in de provincie Drenthe. Koers voor Havelte • •
• • • • • •
De gemeente ziet in Havelte kansen in bedrijven die op zoek zijn naar een aantrekkelijke landschappelijke locatie. De vestiging van dergelijke bedrijven willen we faciliteren. De dorpsgemeenschap Havelte heeft een Dorpsvisie ontwikkeld. Uit die Dorpsvisie ‘Hart voor Havelte’ is het Ruimtelijk Actieplan Havelte voortgekomen. De komende tijd gaat de gemeente door met het uitvoeren van het Actieplan. De gemeente wil de (toeristische) verbinding tussen Havelte de Toegangspoort Holtingerveld verder versterken. Havelte kent een breed en actief verenigingsleven met diverse voorzieningen. De gemaakt maakt zich sterk om die voorzieningen voor het dorp te behouden. Evenementen (op het Piet Soerplein) dragen bij aan de (recreatieve) aantrekkelijkheid van Havelte. De gemeente biedt daarvoor meer ruimte. De gemeente maakt zich sterk voor meer ontmoetingsplekken in de openbare ruimte. De gemeente zet zich in voor het behoud van het bestaande winkelaanbod in Havelte. Vanuit toerisme en recreatie wil de gemeente de unieke recreatieve waarde van Havelte, namelijk de geschiedenis van de ijstijd en meer recent de Tweede Wereldoorlog, extra benutten.
4.3.1.4 Toetsing aan de Omgevingsvisie Westerveld Met de voorgenomen functiewijziging van de bestaande monumentale boerderij aan de Dorpsstraat 14 naar een reguliere woning met ruimte voor één recreatieappartement, wordt voorzien in een passende duurzame nieuwe functie van de monumentale boerderij. Hiermee wordt leegstand en mogelijke verval voorkomen en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse gewaarborgd. Anderzijds wordt met het recreatieappartement ingespeeld op het versterken van een aantrekkelijk vitaal aanbod van verblijfsrecreatie in de gemeente Westerveld. Ook de vergroting van het bestemmingsvlak behorend bij het hotel-restaurant aan de Dorpsstraat 16 zorgt voor een versterking van de recreatieve sector. Door de vergroting van het bestemmingsvlak kunnen ondersteunende functies voor het hotel-restaurant worden gerealiseerd (of behouden blijven; bijvoorbeeld het terras). De kwaliteit van het landschap wordt als gevolg van voorgenomen ontwikkeling niet aangetast. De aanwezige beplanting en bebouwing blijven behouden. Daarbij wordt middels een erfinrichtingsplan het plangebied op adequate en wijze ingepast in het landschap. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling aansluit bij de visie en ambities zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Westerveld. 4.3.2
Bestemmingsplan Havelte
4.3.2.1 Algemeen Het “Bestemmingsplan Havelte” is op 27 juni 2017 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Westerveld. Het bestemmingsplan omvat de planologisch-juridische regeling van het gebruik van gronden en opstallen die in de kern Havelte zijn gelegen. 4.3.2.2 Afwijkingsbevoegdheid recreatieappartementen In artikel 29.6.1. onder a van het “Bestemmingsplan Havelte” is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen op basis waarvan bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bestemmingsomschrijving behorende bij de bestemming ‘Wonen – Voormalige boerderijpanden’, in die zin dat de gronden en bouwwerken in combinatie met het wonen, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten, worden gebruikt voor
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 14-16’ Vastgesteld recreatieappartementen ten behoeve van recreatieve bewoning in het hoofdgebouw, inclusief de aan- en uitbouwen, en de karakteristieke bijgebouwen, mits: 1. 2. 3. 4.
de oppervlakte van het permanente woongedeelte van het hoofdgebouw niet minder mag bedragen dan 75 m2; parkeren op eigen erf plaatsvindt; er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; de gezamenlijke oppervlakte die bij een woonhuis wordt gebruikt ten behoeve van nevenfuncties ten hoogste 250 m2 bedraagt.
In het voorliggende bestemmingsplan wordt het perceel aan de Dorpsstraat 14 voorzien van de bestemming ‘Wonen – Voormalige boerderijpanden’. Aangezien het voornemen bestaat om in het hoofdgebouw één recreatieappartement te realiseren wordt getoetst aan de afwijkingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 29.6.1. onder a van het “Bestemmingsplan Havelte”. Opgemerkt wordt dat het recreatieappartement in het kader van het voorliggende bestemmingsplan bij recht worden toegestaan. 4.3.2.3 Toetsing aan de afwijkingsbevoegdheid “Bestemmingsplan Havelte” Hierna wordt het voornemen voor het realiseren van recreatieappartementen in het hoofdgebouw getoetst aan de bij de afwijkingsbevoegdheid behorende voorwaarden. 1.
2.
3.
4. 4.3.3
De boerderij heeft een oppervlakte van circa 415 m2. Naar verwachting wordt hier slechts circa 150 m2 aangewend ten behoeve van het beoogde recreatieappartement. De oppervlakte van het permanente woongedeelte zal ten minste 75 m2 bedragen. In artikel 5.1 onder 4 van de regels van het voorliggende bestemmingsplan wordt dit gewaarborgd; Zoals beschreven in paragraaf 3.2.2. zal het parkeren plaatsvinden aan de voorzijde van de boerderij. Hier is voldoende ruimte voor het realiseren van parkeerplaatsen ten behoeve van het recreatieappartement. In artikel 5.1 onder 4 van de regels van het voorliggende bestemmingsplan wordt dit gewaarborgd; Zoals zal blijken uit paragraaf 5.5 en 5.6 is er geen sprake van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven. De omliggende (agrarische) bedrijven worden niet in hun ontwikkelmogelijkheden beperkt; In artikel 7.1 onder 4 van de regels van het voorliggende bestemmingsplan is dit gewaarborgd. Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsambities zoals verwoord in het hiervoor behandelde gemeentelijk beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 14-16’ Vastgesteld
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieu- en omgevingsaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, Besluit milieueffectrapportage en water.
5.1
Geluid (Wet geluidhinder)
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken
Stedelijk gebied Buitenstedelijk gebied
1 of 2 rijstroken
200 m
250 m
3 of 4 rijstroken
350 m
400 m
5 of meer rijstroken 350 m
600 m
De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).
Het plangebied is gelegen in een gebied waar enkel 30 km/uur wegen aanwezig zijn. Volgens jurisprudentie blijkt een 30 km/uur weg echter in de beoordeling te moeten worden meegenomen, indien vooraf aangenomen had kunnen worden dat deze weg een geluidbelasting veroorzaakt die hoger ligt dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB). De betreffende wegen rondom het plangebied zijn verkeersluwe wegen die hoofdzakelijk zijn bedoeld voor bestemmingsverkeer, voornamelijk in de vorm van personenwagens. Van zwaar vrachtverkeer is niet of nauwelijks sprake. De wegen met een hoge(re) verkeersintensiteit en hoger snelheidsregime (> 30 km/u), zoals de N371 (afstand van circa 200 meter tot plangebied), zijn op voldoende afstand van het plangebied gelegen. Daarnaast is er sprake van afschermende werking door omliggende bebouwing. Een onderzoek naar wegverkeerslawaai kan dan ook achterwege worden gelaten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 14-16’ Vastgesteld Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat er in de nabijheid van het plangebied geen spoorlijn is gelegen. Industrielawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen gezoneerde industrieterreinen aanwezig. Daarom is het aspect industrielawaai buiten beschouwing gelaten. In paragraaf 5.5 wordt ingegaan op (individuele) milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied. 5.1.3
Conclusie
Het aspect geluid in het kader van de Wgh vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5725 en 5740. 5.2.2
Situatie plangebied
Dorpsstraat 14 De bestaande bebouwing blijft behouden. De functie van de boerderij, namelijk wonen, blijft behouden. Ten behoeve van het recreatieappartement wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Deze worden namelijk inpandig in de boerderij gerealiseerd. Gelet op het vorenstaande wordt het uitvoeren van het bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. Dorpsstraat 16 Gelet op het huidige en historische gebruik (tuin/weiland) wordt er vanuit gegaan dat er ter plaatse geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Gelet hierop wordt het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. 5.2.3
Conclusie
Het uitvoeren van een bodemonderzoek wordt in het kader van het voorliggende bestemmingsplan niet noodzakelijk geacht. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 14-16’ Vastgesteld • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat de functies binnen het plangebied (voor zover deze niet reeds aanwezig zijn) niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3
Conclusie
Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 14-16’ Vastgesteld transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (blauwe contour) en omgeving weergegeven.
Afbeelding 5.2
Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 14-16’ Vastgesteld In afbeelding 5.2 is te zien dat nabij het plangebied een transportroute aanwezig is waarover gevaarlijke stoffer worden getransporteerd. Het gaat hierbij op een deel van het transportroutedeel N371-N381 Hoogersmilde – A32 Havelte. Voor deze transportroute gelden de volgende plaatsgebonden risicoafstanden: • • • •
PR 10-5: 0 meter PR 10-6: 0 meter PR 10-7: 7 meter PR 10-8: 120 meter
Het plangebied ligt op circa 200 meter van de betreffende transportroute en ligt hiermee buiten de plaatsgebonden risicocontour. Ten aanzien van het groepsrisico wordt opgemerkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet voorziet in het toevoegen van nieuwe risicogevoelige functies. Een nadere verantwoording van het groepsrisico wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Opgemerkt wordt dat de bewoners en mensen die binnen het plangebied zullen verblijven, in beginsel zelfredzaam zijn. Het plangebied is daarnaast in verschillende richtingen te ontvluchten van de risicobron af. Uit de inventarisatie blijkt verder dat de locatie: • • • •
5.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie
Het plan is in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 14-16’ Vastgesteld 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied.
Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het gebied waarin het plangebied zich bevindt is aan te merken als een ‘rustige woonwijk’. In de omgeving van het plangebied komen weinig verschillende functies voor. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De woning betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is daarom ten aanzien van de woning geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat. Het inpandige recreatieappartement zou aangemerkt kunnen worden als een milieucategorie 1 functie, vergelijkbaar met de functie ‘hotels en pensions BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 14-16’ Vastgesteld met keuken’ zoals opgenomen in de VNG-brochure. Het gaat in dit geval echter om een zeer kleinschalige functie (slechts 1 recreatieappartement) waarbij de milieubelasting te vergelijken is met die van een woning. Ook het recreatieappartement zal geen afbreuk doen aan het woon- en leefklimaat. Het hotel-restaurant betreft een milieucategorie 1 inrichting. Uitgaande van een rustige woonwijk bedraagt de richtafstand 10 meter. In een straal van 10 meter rondom het hotel-restaurant zijn geen milieugevoelige functies aanwezig. Alleen ten aanzien van de beoogde woning aan de Dorpsstraat 14 wordt niet voldaan aan de richtafstand (afstand bedraagt circa 9 meter). Er kan echter een nuancering aangebracht worden. Functies in milieucategorie 1 of 2 zijn weinig milieubelastend en kunnen over het algemeen goed plaatsvinden nabij of direct aangrenzend aan woningen. Ten aanzien van het hotel-restaurant is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat. Ten aanzien van het terras die in het voorliggende bestemmingsplan juridisch-planologisch gezien wordt mogelijk gemaakt is in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen en conclusies.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 14-16’ Vastgesteld
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 14-16’ Vastgesteld
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 14-16’ Vastgesteld 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies (in de omgeving). In onderstaande tabel zijn de bedrijfsfuncties in de nabije omgeving van het plangebied opgenomen. Functie
Categorie 1
Richtafstand rustige woonwijk 10 meter
Daadwerkelijke afstand tot plangebied (circa) 15 meter
Bedrijf (opslag) Dorpsstraat 14a Maatschappelijk Dorpsstraat 10A
1
10 meter
30 meter
Aan de richtafstanden ten opzichte van omliggende bedrijfsfuncties wordt voldaan. Voor wat betreft de onderlinge afstand tussen de Dorpsstraat 14 en 16 wordt verwezen naar paragraaf 5.5.3.2. Geconcludeerd kan worden dat de functies binnen het plangebied geen hinder ondervinden van omliggende bedrijven/functies en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom geldt dat bestaande omliggende bedrijven niet extra beperkt worden als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan. 5.5.4
Conclusie
Met inachtneming van het realiseren van een geluidscherm tussen het terras en de woning Dorpsstraat 18, conform het in bijlage 2 opgenomen akoestisch onderzoek, vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.6
Geur
5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. Op grond van het bepaalde in artikel 1 van de Wgv is een geurgevoelig object als volgt gedefinieerd: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruik.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 14-16’ Vastgesteld 5.6.2
Situatie plangebied
Binnen het plangebied is sprake van aanwezigheid van geurgevoelige objecten (woning, hotel, recreatieappartement). De meest nabij gelegen veehouderij betreft de grondgebonden veehouderij aan de Rijksweg Noordzijde 7. Deze veehouderij ligt op ten minste 150 meter afstand van het plangebied. Overige veehouderijen liggen op grotere afstanden. Gelet op de (zeer) ruime afstand van de in de omgeving aanwezige veehouderijen tot het plangebied, wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de in de omgeving aanwezige veehouderijen als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling, niet belemmerd in de ontwikkelmogelijkheden. 5.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt op circa 800 meter afstand van een Natura 2000-gebied. Gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden, de aard en omvang van de ontwikkeling en de invulling van het tussenliggende gebied met infrastructuur en bebouwing (barrièrewerking), wordt gesteld dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe.
In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Binnen het plangebied is sprake van gronden zie zijn aangewezen als NNN. Echter voorziet het voorliggende bestemmingsplan, daar waar de gronden zijn aangewezen als NNN, niet in het toevoegen/toestaan van bouwmogelijkheden. Hier wordt uitsluitend de bestemming ‘Sport – Manege’ gewijzigd in ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ teneinde de planologische mogelijkheden voor een manege op te heffen. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 14-16’ Vastgesteld 5.7.3
Soortenbescherming
Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Het voornemen voorziet in beginsel niet in het slopen van bebouwing, het kappen/rooien van bomen en/of beplanting of het dempen van watergangen. De beoogde uitbreiding van het hotel-restaurant vindt plaats op gronden met een lage ecologische waarden. De betreffende gronden worden intensief onderhouden en zijn ongeschikt voor beschermde flora en fauna. Het is om voorgenoemde redenen niet te verwachten dat de ontwikkeling negatieve effecten zou kunnen hebben op flora- en fauna die de wet beoogd te beschermen. Overigens wordt benadrukt dat rekening wordt gehouden met de in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming opgenomen zorgplichtbepaling. 5.7.4
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Westerveld heeft archeologische verwachtingswaarden van haar archeologische beleidskaart door vertaald in dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. Zoals in hoofdstuk 1 reeds aan bod gekomen kennen de gronden binnen het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ (bestemmingsplan Havelte). Voor deze gronden geldt dat bodemingrepen dieper dan 0,3 m beneden maaiveld niet zijn toegestaan, tenzij: a. b. c. d.
het bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 70 m2 bedraagt; op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; op basis van archeologisch onderzooek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad; één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen; 3. een verplichting de bouw van een bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 14-16’ Vastgesteld e.
middels verleende vergunningen, rekeningen van uitgevoerd werk en dergelijke aangetoond wordt dat de bodem reeds eerder dieper geroerd is dan 0,3 m -Mv.
Het voorliggende bestemmingsplan gaat uit van de functiewijziging van bestaande bebouwing aan de Dorpsstraat 14. Daarnaast voorziet het voorliggende plan in mogelijkheden voor het realiseren van een kelder achter het hotel-restaurant aan de Dorpsstraat 16. Op het moment van schrijven is (nog) niet bekend hoe diep en over welk oppervlak de gronden precies zullen worden geroerd. In het kader van het voorliggende bestemmingsplan is geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. Ter bescherming van eventuele archeologisch waarden blijft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ van toepassing op het plangebied. Bij de aanvraag voor omgevingsvergunning voor het bouwen wordt bepaald of er al dan niet een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Binnen het plangebied is sprake van monumentale en karakteristieke bebouwing. Deze bebouwing blijft behouden en zal, waar nodig, worden opgeknapt. Er is geen sprake van aantasting van de karakteristieke en/of monumentale waarde van de bebouwing. Door de voorgenomen functiewijziging krijgt deze bebouwing juist een nieuwe passende en duurzame vervolgfunctie, waardoor leegstand en mogelijk verval van de bebouwing voorkomen kan worden. 5.8.3
Conclusie
Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen van de beoogde uitbreiding van het hotel-restaurant zal worden beoordeeld of er al dan niet archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Verder worden door de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling geen cultuurhistorische waarden aangetast. Deze worden juist versterkt doordat de karakteristieke en monumentale bebouwing een nieuwe passende duurzame functie krijgen en hierdoor leegstand en verdere verval voorkomen kan worden.
5.9
Besluit milieueffectrapportage
5.9.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
•
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 14-16’ Vastgesteld •
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.9.2
Situatie plangebied
5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet Natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 800 meter afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door middel van een bestemmingsplanherziening waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.rbeoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn.
Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 14-16’ Vastgesteld de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling betreft een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een ontwikkeling die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.9.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.(beoordelings)-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
5.10
Wateraspecten
5.10.1 Vigerend beleid 5.10.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.10.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.
De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.10.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Drenthe wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.10.1.4 Waterschap Drents Overijsselse Delta Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 14-16’ Vastgesteld partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft het waterbeheerplan 2016-2021 opgesteld. Hierin aangegeven hoe uitvoering wordt gegeven de wettelijke waterschaptaken als zorgen: • • •
Een goede bescherming tegen hoog water; Een goed functionerend regionaal watersysteem; Het zuiveren van afvalwater.
5.10.2 Waterparagraaf 5.10.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.10.2.2 Watertoetsproces Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van toepassing is. Het plan heeft een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen.
Het Waterschap Drents Overijsselse Delta geeft een positief wateradvies. Het watertoetsresultaat is bijgevoegd in bijlage 2. Afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioleringsstelsel. Het hemelwater wordt niet aangesloten op de gemeentelijke riolering, maar zal ter plaatse worden geïnfiltreerd. 5.10.3 Conclusie De wateraspecten vormen op voorhand geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 14-16’ Vastgesteld
HOOFDSTUK 6 6.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
6.2
Opzet van de regels
6.2.1 Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 6.2.2
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
•
6.2.3
Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 14-16’ Vastgesteld •
Bestemmingsomschrijving: Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies.
•
Bouwregels: In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing aan moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd.
•
Nadere eisen: In de regels is aangegeven dat burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen stellen aan plaats en afmetingen van de bebouwing ten behoeve van het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en de cultuurhistorische en/of architectonische waarde van de bebouwing en/of het erf.
•
Afwijken van de bouwregels (indien van toepassing): Op basis van deze regels hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels in het plan.
•
Specifieke gebruiksregels (indien van toepassing): In de specifieke gebruiksregels is bepaald welk gebruik van gronden en opstallen in elk geval strijdig is met of onder voorwaarden wordt toegestaan binnen deze bestemming.
•
Afwijken van de gebruiksregels (indien van toepassing): Deze afwijkingen geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om met omgevingsvergunning af te wijken van het plan.
•
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien van toepassing): In deze regels is aangegeven welke werken of werkzaamheden verboden zijn om uit te voeren zonder een omgevingsvergunning.
•
Wijzigingsbevoegdheid: Deze wijzigingsbevoegdheden geeft burgemeester en wethouder de bevoegdheid om het plan op bepaalde punten te wijzigen.
6.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
•
• •
•
Anti-dubbeltelregel (Artikel 9) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich bijvoorbeeld voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven inzake bestaande maten, ondergeschikte bouwdelen. Daarnaast komen de parkeer-, laad- en losbepalingen aan bod. Algemene gebruiksregels (Artikel 11) In dit artikel worden het strijdig en toegestaan gebruik in dit bestemmingsplan geregeld. Algemene afwijkingsregels (Artikel 12) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Overige regels (Artikel 13) In dit artikel is een regel opgenomen ten aanzien van de aanvullende werking van de welstandsnota.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 14-16’ Vastgesteld 6.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
6.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ (Artikel 3) Een deel van de in het “Bestemmingsplan Havelte” voor ‘Sport – Manege’ aangewezen gronden zijn in het voorliggende bestemmingsplan voorzien van de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’. De voor ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, het weiden van vee en de bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met dien verstande dat voorzieningen ten behoeve van de opslag van mest niet zijn toegestaan.
Binnen deze bestemming is het bouwen van gebouwen niet toegestaan. Uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan. ‘Groen’ (Artikel 4) Aan de noordzijde van het plangebied zijn de gronden deels voorzien van de bestemming ‘Groen’. De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor groenvoorzieningen, bos, boswallen en hoogopgaande beplanting. Ter plaatse van deze bestemming bestaat het voornemen om de reeds aanwezige groenwal te verruimen en te verdichten. Dit mede om een groene afscherming te realiseren tussen het plangebied en de daar ten noorden van gelegen woning. ‘Horeca’ (Artikel 5) Het perceel aan de Dorpsstraat 16 is overeenkomstig het “Bestemmingsplan Havelte” voorzien van de bestemming ‘Horeca’ met bouwvlak. Het bestemmingsvlak is qua oppervlakte vergroot teneinde meer mogelijkheden te bieden voor het realiseren van ondersteunende voorzieningen behorend bij het aanwezige hotel-restaurant (bijv. een buitenterras). De voor ‘Horeca’ aangewezen gronden zijn bestemd voor horeca(bedrijven) als genoemd in categorie I tot en met VI van de Lijst van horecabedrijven, zoals opgenomen in bijlage 2 van de regels. Overeenkomstig het “Bestemmingsplan Havelte” is per bestemmingsvlak niet meer dan één (bedrijfs)woning toegestaan. Voor terrassen zijn de volgende gebruiksbepalingen vastgelegd: 1. 2.
op een terras mag achtergrondmuziek ten gehore worden gebracht, mits wordt voldaan met de voorwaarden zoals opgenomen in bijlage 1 bij de regels; terrassen zijn niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'terras uitgesloten';