TAM IMRO Leggeloo 31B Dwingeloo - toelichting regels
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwing eloo vastgesteld
Inhoudsopgave
Toelichting
4
Bijlagen toelichting
55
Bijlage 1
Werkboek stedenbouwkundige invulling
56
Bijlage 2
Bodemonderzoek
72
Bijlage 3
Grondradaronderzoek
142
Bijlage 4
Stikstofberekening
157
Bijlage 5
Ecologisch onderzoek
186
Bijlage 6
Archeologisch bureau- en veldonderzoek
235
Bijlage 7
Archeologisch proefsleuvenonderzoek
278
Bijlage 8
Watertoets resultaat
325
Bijlage 9
Nota van zienswijzen
332
Regels
336
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3
Inleidende regels Begripsbepalingen Meet- en rekenbepalingen Toepassingsbereik
337 337 343 345
Hoofdstuk 2 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7
Functies en gebiedsaanwijzingen Bos Wonen Waarde - Archeologie 3 Waarde - Cultuurhistorie
346 346 347 351 353
Hoofdstuk 3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13
Algemene regels voor activiteiten Anti-dubbeltelregel Ruimtelijke bouwactiviteiten Planologische functie activiteiten Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Overige regels
354 354 355 356 357 358 359
Hoofdstuk 4 Artikel 14
Overgangsrecht Overgangsrecht
360 360
Bijlage bij de regels
363
Bijlage 1
Landschappelijk inpassingsplan
364
Bijlage 2
Archeologische beleidskaart RAAP-rapport 2021
380
Bijlage 3
Bedrijvenlijst kleinschalige bedrijven
382
Bijlage 4
Beeldkwaliteitsplan gemeente Westerveld
385
BJZ.nu Bestemmingsplannen
2
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwing eloo vastgesteld
BJZ.nu Bestemmingsplannen
3
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwing eloo vastgesteld
Toelichting
BJZ.nu Bestemmingsplannen
4
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo
September 2025
Vastgesteld
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld
TAM-omgevingsplan “TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo”
Plannaam: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo IMRO-nummer: NL.IMRO.1701.509TAMLeggeloo31B-0002 Plantype: TAM-omgevingsplan Status: Vastgesteld Datum: September 2025
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 INLEIDING ...................................................................................... 5 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
AANLEIDING ......................................................................................................................................... 5 LIGGING VAN HET PLANGEBIED .................................................................................................................. 5 DE BIJ HET PLAN BEHORENDE STUKKEN ........................................................................................................ 5 HET OMGEVINGSPLAN ............................................................................................................................. 6 LEESWIJZER .......................................................................................................................................... 7
HOOFDSTUK 2 HUIDIGE SITUATIE ............................................................................ 8 HOOFDSTUK 3 PLANBESCHRIJVING ........................................................................ 10 3.1 3.2
DE ONTWIKKELING ............................................................................................................................... 10 VERKEER EN PARKEREN .......................................................................................................................... 13
HOOFDSTUK 4 BELEIDSKADER .............................................................................. 14 4.1 4.2 4.3 4.4
RIJKSBELEID ........................................................................................................................................ 14 PROVINCIAAL BELEID ............................................................................................................................. 17 BELEID WATERSCHAP............................................................................................................................ 22 GEMEENTELIJK BELEID ........................................................................................................................... 23
HOOFDSTUK 5 ASPECTEN VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING ........................................... 27 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11
GELUID DOOR ACTIVITEITEN .................................................................................................................... 27 BODEMKWALITEIT ................................................................................................................................ 28 LUCHTKWALITEIT ................................................................................................................................. 30 OMGEVINGSVEILIGHEID ......................................................................................................................... 31 ECOLOGIE .......................................................................................................................................... 32 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE .......................................................................................................... 35 WATERASPECTEN ................................................................................................................................. 37 GEZONDHEID ...................................................................................................................................... 39 DUURZAAMHEID ..................................................................................................................................
40 BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE ......................................................................................................... 40 GEUR................................................................................................................................................ 41
HOOFDSTUK 6 JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING ............................... 43 6.1 6.2 6.3
INLEIDING .......................................................................................................................................... 43 OPZET VAN DE REGELS ........................................................................................................................... 43 VERANTWOORDING VAN DE REGELS .......................................................................................................... 45
HOOFDSTUK 7 UITVOERBAARHEID ........................................................................ 47 7.1 7.2
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ........................................................................................................... 47 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ..................................................................................................... 47
HOOFDSTUK 8 VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN ......................................... 48 8.1 8.2 8.3
VOOROVERLEG .................................................................................................................................... 48 INSPRAAK .......................................................................................................................................... 48 ZIENSWIJZEN ...................................................................................................................................... 48
BIJLAGEN BIJ DE MOTIVERING .................................................................................. 49 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3
WERKBOEK STEDENBOUWKUNDIGE INVULLING .................................................................................... 49 BODEMONDERZOEK ...................................................................................................................... 49 GRONDRADARONDERZOEK .............................................................................................................. 49
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld BIJLAGE 4 BIJLAGE 5 BIJLAGE 6 BIJLAGE 7 BIJLAGE 8 BIJLAGE 9
STIKSTOFONDERZOEK .................................................................................................................... 49 ECOLOGISCH ONDERZOEK ............................................................................................................... 49 ARCHEOLOGISCH BUREAU- EN VELDONDERZOEK ................................................................................... 49 ARCHEOLOGISCH PROEFSLEUVENONDERZOEK ...................................................................................... 49 WATERTOETSRESULTAAT ................................................................................................................ 49 NOTA VAN ZIENSWIJZEN ................................................................................................................. 49
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld
HOOFDSTUK 1 1.1
INLEIDING
Aanleiding
Voorliggend TAM-Omgevingsplan heeft betrekking op een maatschappelijk perceel aan de Leggeloo 31 te Dwingeloo. Het perceel (hierna: plangebied), ligt al enkele jaren braak. De gemeente Westerveld is voornemens het plangebied te herontwikkelen en een nieuwe woning met bijgebouw te realiseren. Het voornemen gaat gepaard met een landschappelijke inpassing. Het voornemen is strijdig met het geldende omgevingsplan. Om het voornemen te realiseren, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het gewenste juridischplanologische kader en toont aan dat het voornemen in overeenstemming is met ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.
1.2
Ligging van het plangebied
Het plangebied ligt ten noorden van de kern Dwingeloo, in het buurtschap Leggeloo. Op onderstaande afbeelding 1.1 wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van de kernen Dwingeloo, Leggeloo en directe omgeving weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.
Afbeelding 1.1
1.3
Ligging plangebied (bron: plattekaart.nl)
De bij het plan behorende stukken
Het TAM-omgevingsplan “TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” bestaat uit de volgende stukken: • •
verbeelding (tek. nr. NL.IMRO.1701.509TAMLeggeloo31B-0002) en een renvooi; regels (met bijbehorende bijlagen).
Op de verbeelding zijn de functies en gebiedsaanwijzingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld met een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van de wijziging van het omgevingsplan en de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van de wijziging.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld
1.4
Het omgevingsplan
1.4.1
Geldend omgevingsplan
Het perceel ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Westerveld. Ter plaatse van het plangebied is sprake van het tijdelijke omgevingsplan zoals deze in werking is getreden op 17 juli 2024. Het tijdelijke omgevingsplan bestaat uit de volgende documenten: • • •
Buitengebied (vastgesteld 5-07-2012); Kleinschalige hernieuwbare energie (vastgesteld 20-12-2022); Omgevingsplan gemeente Westerveld (in werking vanaf 17-07-2024)
Voor de duiding van het planologische regime van het plangebied is met name het bestemmingsplan “Buitengebied” van belang. Het omgevingsplan bevat in de huidige situatie namelijk uitsluitend de regels van de bruidsschat. De gerechtelijke uitspraken en reparatieplannen buitengebied Westerveld hebben geen verdere invloed op het plangebied. In de afbeeldingen zijn uitsneden van de verbeeldingen behorende bij het bestemmingsplan opgenomen. Het plangebied is hierin indicatief weergegeven met rode stippellijn.
Afbeelding 1.3
1.4.2
Verbeelding behorende bij bestemmingsplan “Buitengebied” (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Beschrijving bestemmingen
Op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied” zijn de gronden bestemd als ‘Maatschappelijk’. Tevens zijn de gronden bestemd als ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde - Cultuurhistorie’. Tevens ligt er de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied’. Hieronder wordt kort op de geldende bestemmingen en aanduidingen ingegaan. Maatschappelijk Gronden met deze bestemming zijn met name bestemd voor gebouwen en overkappingen voor maatschappelijke voorzieningen, waaronder wordt verstaan: educatieve, medische en sociaal-medische
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van opvang van mensen en dieren én voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening Waarde – Archeologie 3 De voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden, zijn behalve voor andere daar voorkomende functies mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. Voor deze gronden geldt een onderzoeksplicht bij grondingrepen met een oppervlakte van meer dan 1.000 m 2. Waarde – Cultuurhistorie De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologisch en cultuurhistorisch waardevolle essen. Milieuzone - waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied De voor 'milieuzone - waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor het beschermen van de drinkwaterwinning, de drinkwaterproductie, de drinkwaterdistributie en de grondwaterkwaliteit van een grondwaterbeschermingsgebied. 1.4.3
Volledige beschrijving strijdigheden met geldend bestemmingsplan
De voorgenomen herontwikkeling van het plangebied is niet in overeenstemming met de gebruiks- en bouwregels van de geldende bestemming ‘Maatschappelijk’ aangezien een reguliere woning niet past binnen deze functie. Daarbij wordt opgemerkt dat het voornemen gepaard gaat met een landschappelijke inpassing die moet passen binnen de regels van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde Cultuurhistorie’. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in de gewenste juridische planologische kaders om het voornemen te kunnen realiseren. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-omgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAMomgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente.
Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn. Hier wordt in hoofdstuk 6 nader op ingegaan.
1.5
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de gewenste situatie, de planbeschrijving. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Drenthe en de gemeente Westerveld beschreven. In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten in de fysieke leefomgeving de revue. In hoofdstuk 6 wordt de ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Tot slot wordt in hoofdstuk 8 vooroverleg, inspraak en zienswijzen besproken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld
HOOFDSTUK 2
HUIDIGE SITUATIE
Het plangebied ligt op de rand van de es van Leggeloo. De directe omgeving bestaat met name uit agrarische gronden en verspreid liggende woonpercelen en enkele agrarische bedrijfspercelen, behorend tot het buurtschap Leggeloo. Kenmerkend is de es aan de westzijde en de veel lager gelegen gronden aan de oostzijde. Het plangebied ligt precies op de grens van de es en de lager gelegen gronden aan de oostzijde. Het plangebied zelf betreft een braakliggend perceel, waar in het verleden een basisschool heeft gestaan. Het plangebied zelf betreft een grasland en is grotendeels voorzien van een groene omzoming. De weg Leggeloo ligt aan de westzijde, aan de noordzijde ligt een woonperceel, aan de overige zijden liggen agrarische percelen. In afbeeldingen 2.1 en 2.2 zijn respectievelijk een luchtfoto en straatbeelden opgenomen met daarin de huidige situatie van het plangebied en de directe omgeving.
Afbeelding 2.1
Luchtfoto ligging plangebied (Bron: PDOK.nl)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld
Afbeelding 2.2
Straatbeelden huidige situatie (Bron: Nohnik Architecture & Landscape)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld
HOOFDSTUK 3
PLANBESCHRIJVING
In hoofdstuk 2 is ingegaan op de huidige situatie in het plangebied. In dit hoofdstuk wordt op de ontwikkeling zelf ingegaan.
3.1
De ontwikkeling
3.1.1 Situering en bouwvlak voornemen Het voornemen is om ter plaatse een vrijstaande woning met bijgebouw en landschappelijke inpassing te realiseren. De woning zal worden gebouwd voor de lokale behoefte en qua inpassing aansluiten bij de landschappelijke kenmerken van de omgeving en qua footprint met de voormalige school. De voormalige school behoorde al tot het bestaande cluster ter plaatse. De sfeer van de nieuwe invulling dient aan te sluiten bij de karakteristieke uitstraling van Leggeloo en vormt samen met de aangrenzende kavels weer het cluster van bebouwing. Om dit te bewerkstelligen zijn de volgende zaken opgenomen: Situering 1. 2. 3.
Hoofdgebouw en eventuele bijgebouwen vormen samen een erf; Het gebouw dient dwars op de weg te komen te staan met de gootlijn ook dwars op de weg; Een eventueel bijgebouw dient achter de rooilijn van het hoofdgebouw gesitueerd te worden waarbij deze het liefste achter op de kavel geplaatst wordt.
Bouwvlak: 1. 1. 2. 3. 4.
De rooilijn moet minimaal 5 meter vanaf de Leggeloo komen te liggen en dient niet onder de boomkronen van de bestaande eiken te worden gebouwd; Er dient een groenstrook van minimaal 10 meter aangelegd te worden grenzend aan de noordoostelijk gelegen kavel (Leggeloo 31a); Boomkronen aan de zuidwestzijde gelden als maximale bouwgrens; Aan de zuidzijde dient tenminste 10m afstand gehouden te worden van de kavelgrens; Entree ten noorden of ten zuiden van de kavel: niet in het midden positioneren.
Inpassing bestaand groen: 1. 2. 3.
Zuidwestelijk opgaand groen en eiken behouden; Opgaand groen rond voormalig speelveld kan worden verwijderd om het zicht op het landschap te herstellen. Gezonde eiken rondom het veld behouden. Overige bomen kunnen worden verwijderd; Eiken aan de voorzijde van de kavel behouden. Wanneer er bomen gekapt moeten worden om een entreeweg te maken dienen deze gecompenseerd te worden op de kavel of rondom het speelveld.
In de volgende afbeelding zijn een plattegrond en enkele impressies van de gewenste situatie weergegeven. Het volledige stedenbouwkundig en landschapsplan (werkboek stedenbouwkundige invulling) is als bijlage 1 opgenomen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld
Afbeelding 3.1
Plattegrond gewenste situatie (Bron: Nohnik Architecture & Landscape)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld
Afbeelding 3.2
3.1.2
Vogelvluchtimpressie gewenste situatie (Bron: Gemeente Westerveld)
Landschappelijke inpassing
In bovenstaande paragrafen is de gewenste ontwikkeling beschreven. Deze paragraaf zal ingaan op hoe het plan rekening houdt met de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden. De waardering van de landschappelijke kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen daarom worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. De landschappelijke kwaliteit maken integraal onderdeel uit van de taak van overheden om in een omgevingsplan te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit zijn in afdeling 5.1.5 instructieregels opgesteld voor het beschermen van deze kwaliteiten. Deze gaan over de volgende onderwerpen: • • • • •
Kustbescherming; Waddenzee en Waddengebied; Cultureel erfgoed en werelderfgoed; Landelijke fiets- en wandelroutes; Ladder voor duurzame verstedelijking;
Het aspect ‘cultureel erfgoed en werelderfgoed’ zal in paragraaf 5.6.3 worden behandeld. Het zuidoostelijke deel van het plangebied blijft vrij van bebouwing. Uitgangspunt is dat de bestaande groene omzoming behouden blijft. Dit betekent een nagenoeg volledige groene omzoming, waarbij de noordelijke kavel aan de oostzijde geen groene omzoming krijgt. Met het voornemen blijft zodoende de karakteristieke bomenlaan aan de linkerzijde langs de Leggeloo grenzend aan het voormalige Es behouden. En wordt het uitzicht vanaf de es naar de lager gelegen gronden uitgedrukt. Ook blijft de noordelijke kavel een open gezicht houden en wordt het gesloten karakter van de zuidelijke kavel ‘het speelveld’ versterkt.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld
3.2
Verkeer en parkeren
3.2.1
Algemeen
De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan 2020-2030 (GVVP). Ten aanzien van de parkeernormen wordt daarin vermeld dat bij nieuwe ontwikkelingen de parkeerkencijfers uit de CROW-uitgave publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’ als parkeernorm worden gehanteerd. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. 3.2.2
Uitgangspunten
Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •
Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk (Bron: CBS Statline); Stedelijke zone: buitengebied.
In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval is in overleg met de gemeente van het gemiddelde uitgegaan. Op basis van de CROW-uitgave gelden voor de te realiseren woning in het plangebied de volgende gemiddelde parkeernormen en normen voor de verkeersgeneratie. Hierbij is uitgegaan van een maximale invulling van het plangebied. Tabel met uitgangspunten: Functie/activiteit Koop, huis, vrijstaand 3.2.3
Parkeernorm per woning 2,4
Verkeersgeneratie per woning 8,2
Parkeerbehoefte
Het uitgangspunt voor parkeren is dat er binnen het plangebied voldoende ruimte beschikbaar moet zijn om aan de parkeerbehoeften te voldoen. Voor de woonbestemming moeten er daarom 2,4 (afgerond naar 3) parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Vanwege de omvang van het plangebied kan deze parkeeropgave gemakkelijk op eigen terrein worden vervuld. 3.2.4
Verkeersgeneratie en ontsluiting
Het plangebied is bereikbaar voor autoverkeer via de Leggeloo. Deze weg heeft genoeg ruimte om het extra verkeer vanuit de woning op te vangen. Wel moet een nieuwe in- en uitrit gerealiseerd worden op de weg. Gezien het voornemen en de zichtbaarheid wordt gesteld dat er een overzichtelijke en verkeersveilige in- en uitrit gerealiseerd kan worden. De ontwikkeling leidt dan ook niet tot verkeersproblemen. 3.2.5
Conclusie
Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld
HOOFDSTUK 4
BELEIDSKADER
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal-, waterschaps- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
4.1
Rijksbeleid
4.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
4.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 4.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2.
Duurzaam economisch groeipotentieel
Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3.
Sterke en gezonde steden en regio’s
Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4.
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. 4.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1.
2.
3.
4.1.2
Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. Instructieregels Rijks (Amvb’s)
Artikel 8.0b, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a. b. c.
de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert.
Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat: o o o o o o
o
waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2) beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3) beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Zie stap 11f van hoofdstuk 3. In de onderbouwing moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
15
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld Hierna is een uitwerking gegeven inzake de Ladder voor duurzame verstedelijking, omdat deze in de praktijk veel voorkomt. Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De Ladder voor duurzame verstedelijking is geïntroduceerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR: voorganger van de NOVI). Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen en vervolgens beleidsneutraal overgezet naar het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit geldt ook voor de reeds opgebouwde jurisprudentie. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’, ‘stedelijke ontwikkeling’ en nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’. bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.
In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak ( ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Uit Afdelingsjurisprudentie blijkt dat de vraag wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in grote mate casuïstisch wordt beantwoord. Zo heeft de Afdeling uitgemaakt dat de bouw van 11 woningen niet als stedelijke ontwikkeling wordt gezien. De raad is van oordeel dat gelet op het aantal woningen het plan niet voorziet in een woningbouwlocatie of andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 5.129g Bkl Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).
4.1.3 Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het Rijksbeleid 4.1.3.1 Toetsing van het initiatief aan de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Voor wat betreft het omzetten van de functie maatschappelijk naar een woonfunctie met bijhorende groene inpassing wordt vermeld dat de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zich niet specifiek uitlaat over lokale ontwikkelingen, zoals de ontwikkeling in de onderliggende onderbouwing. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen Rijksbelangen zoals opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie. 4.1.3.2 Toetsing van het initiatief aan instructieregels Rijks (Amvb’s) In deze toelichting wordt ingegaan op de in paragraaf 4.1.2 genoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. 4.1.3.3 Toetsing van het initiatief aan de Ladder voor duurzame verstedelijking Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). Er zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze begripsdefinitie. Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Er is geen ondergrens bepaald voor wat
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
16
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld een ‘stedelijke ontwikkeling’ is. Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang (toename van bebouwing of ruimtegebruik) van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Uit afdelingsjurisprudentie blijkt dat voor het realiseren van woningen geldt, dat woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen worden gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling en dus ladderplichtig. Hieronder worden deze uitspraken weergegeven: • •
11 woningen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) 12 woningen wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953).
Het voorliggende initiatief beperkt zich echter tot de realisatie van één nieuwe vrijstaande woning met bijgebouw.. Daarom is geen verdere beoordeling aan de Ladder noodzakelijk.
4.2
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste betreffen de Omgevingsvisie Drenthe en de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe. 4.2.1
Omgevingsvisie Drenthe 2022
4.2.1.1 Algemeen Met de Omgevingsvisie Drenthe 2022 geeft de provincie invulling aan de verplichte strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving op grond van de Omgevingswet. De Omgevingsvisie gaat in op de samenhang tussen landbouw, natuur, water, wonen, werklocaties, verkeer en vervoer, landschap en cultureel-, aardkundig- en archeologisch erfgoed. De visie beschrijft de provinciale belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing, beschrijft het beleid en schetst de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van Drenthe richting 2030. 4.2.1.2 Ruimtelijke kwaliteit De inzet is de ruimtelijke kwaliteit van Drenthe te behouden en, waar mogelijk, te ontwikkelen. Daarvoor is het essentieel dat duidelijk is welke kwaliteiten de provincie van belang vindt, zodat initiatiefnemers van nieuwe ontwikkelingen daar rekening mee kunnen houden. De provincie ziet de waarde van de kernkwaliteiten als een inspirerend uitgangspunt voor een ontwikkeling en niet als een remmende factor. De provincie zet de kernkwaliteiten op de kaart en geeft aan waar initiatiefnemers rekening mee moeten houden. Zo worden voor de verschillende kernkwaliteiten kenmerken (zoals karakteristiekbeschrijvingen en typologieën) benoemd, randvoorwaarden gegeven en niveaus van sturing aangegeven.
Ook wordt beschreven hoe wordt gestuurd op zorgvuldig ruimtegebruik en de kwaliteit van milieu- en leefomgeving. In het planproces voor ontwikkelingen waarbij provinciale kernkwaliteiten in het geding zijn, speelt de provincie een nadrukkelijke rol: •
• •
Er wordt gestuurd op een zo vroeg mogelijke betrokkenheid; bij visievorming of in de ontwerpfase. In dit stadium wordt aangegeven wat de betekenis van ons kernkwaliteitenbeleid voor het betreffende plan is, en wordt meegedacht over de gewenste integrale samenhang van kernkwaliteiten en functies. Dit geldt voor initiatieven van gemeenten, waterschappen of derden, en uiteraard ook voor ruimtelijke ontwikkelingen die door de provincie zelf worden geïnitieerd. Er wordt bijgedragen aan het behouden en ontwikkelen van de kernkwaliteiten door inspirerende voorbeelden en informatie binnen en buiten Drenthe te verzamelen, te ontwikkelen en uit te dragen. Een voorbeeld hiervan is het boek ‘Drenthe maakt – het landschap als inspiratiebron'. Er wordt gestuurd op het vastleggen van kernkwaliteiten in de ruimtelijke plannen van gemeenten en in de beheersplannen van waterschappen en terrein beherende organisaties.
In een aantal gebieden in Drenthe komen veel verschillende kernkwaliteiten samen, zoals in de Drentsche Aa, Dwingelderveld, het Drents-Friese Wold, de Koloniën van Weldadigheid, de Hondsrug, Holtingerveld, de Onlanden en het Reestgebied. Voor deze gebieden geldt dat we inzetten op een integrale provinciale advisering, gericht op de samenhang van de verschillende kernkwaliteiten. Ook bij de inzet van provinciale
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
17
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld middelen, waaronder subsidies, zetten we in deze gebieden in op het behouden en ontwikkelen van de kernkwaliteiten. Het plangebied ligt in deelgebied 6: De velden in centraal Drenthe. Voor het plangebied gelden de volgende kernkwaliteiten genoemd in de Omgevingsvisie: • • • • • •
Landschap – ‘Wegpanorama’ en ‘Landschapstypen – Esdorpenlandschap’; Archeologie – ‘Beekdal’; Aardkundige erfgoed – ‘beschermingsniveau generiek’ en ‘beschermingsniveau middel’; Robuust landbouw – ‘Robuust landbouw’; Robuust natuursysteem – ‘Doelenkaart natuur en landschap’; Robuust watersysteem – ‘Grondwaterlichaam – Zand Rijn-Oost’ en ‘Beekdalen’.
In subparagraaf 4.2.1.5 wordt het plan aan het deelgebied en de kernkwaliteiten getoetst. In voorliggend geval is het wel van belang om nader in te gaan op het ‘Deelgebied 6: De velden in centraal Drenthe’ en het thema ‘Wonen’. Opgemerkt wordt dat de kernkwaliteiten in de omgevingsverordening geborgd zijn en daar getoetst worden. 4.2.1.3 Deelgebied 6: De velden in centraal Drenthe De structuur van dit gebied wordt gedomineerd door de twee grote bos- en heidegebieden van het Dwingelderveld en bij Hooghalen, door de beekdalen van de Elperstroom en de Westerborkerstroom met de daarbij gelegen esdorpen die al in de middeleeuwen zijn ontstaan. De twee bos- en heidegebieden zijn aangelegd met de karakteristieke padenstructuur van boswachterijen en stuifzandbossen. Ze bevatten ook vele sporen van de tijd ervoor en erna, zoals (pre-)historische routes en grenzen en jongere ingrepen uit en na de Tweede Wereldoorlog, zoals de radiotelescoop van Dwingeloo en de sporen van Kamp Westerbork. Bijzonder is de ligging van het (Nationaal Park) Dwingelderveld als oude gemeenschapsgrond te midden van een krans van esdorpen. De smalle en soms duidelijk begrensde beekdalen van de Elper- en Westerborkerstroom hebben een sterke ruimtelijke relatie met de ernaast gelegen dorpen.
Richtinggevend voor dit deelgebied is het herkenbaar houden van de samenhang van twee bos- en heidegebieden met de nabijgelegen esdorpen. De bos- en heidegebieden van het Dwingelderveld en van Hooghalen zijn een resultante van de ontginning van de woeste gronden rond de esdorpen. Ook het behouden van de samenhang van de esdorpen Elp, Orvelte, Westerbork en Zwiggelte met de naastgelegen beekdalen is bepalend voor de toekomst. Specifiek wil Drenthe sturen op: •
•
•
Het beleefbaar houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap rond het Dwingelderveld. Deze karakteristiek komt tot uitdrukking in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen de krans van esdorpen rond het Dwingelderveld en in een grote tijdsdiepte van het gebied, zoals dat blijkt uit grafmonumenten, celtic fields en een radiotelescoop; Het herkenbaar houden van de grote tijdsdiepte van de bossen rond Hooghalen. Deze tijdsdiepte is te ervaren in zichtbare en niet zichtbare elementen uit de prehistorie, blokvormige ontginningsstructuren en ingrepen uit de moderne tijd zoals de radiotelescopen en de structuren van de werkverschaffing en Kamp Westerbork; Het instandhouden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap bij Elp, Orvelte, Westerbork en Zwiggelte. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp, es en beekdal, met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen als houtwallen en esrandbosjes.
4.2.1.4 Thema ‘Wonen’ De woningnood in Nederland wordt ook gevoeld in Drenthe. De verschillen in bevolkingsontwikkeling tussen de stedelijke gebieden en het landelijk gebied worden groter, ondanks de stagnatie op de woningmarkt vanwege forse prijsstijgingen. Op basis van de huidige prognoses blijft de bevolking van Assen stabiel en profiteert de noordzijde van Drenthe van de groei van Groningen. De zuidelijke as laat in de prognoses een sterk verloop zien, van groei in de gemeente Meppel tot het doorzetten van de krimp die in de gemeente
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
18
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld Emmen in 2014 is ingezet. De regio Oost-Drenthe is door het Rijk aangewezen als één van de regio’s waar de bevolkingskrimp in Nederland het sterkst is, maar deze laat zich vooralsnog niet vertalen in huishoudenskrimp. Lokaal laten, ook in Oost-Drenthe, sterke dorpen nog steeds bescheiden groeicijfers zien. Dit komt omdat huishoudens steeds kleiner worden, waardoor de krimp opgevangen wordt door de vraag naar woningen. Daarnaast is de inkomende migratie uit het buitenland hoger dan verwacht. Een steeds kleiner aanbod van woningen en de effecten van corona lijken de verwachte ontwikkeling te vertragen. Vraag en aanbod passen niet altijd goed meer bij elkaar, wat leidt tot een vraag naar nieuwe woningen. Dit terwijl een deel van de bestaande woningvoorraad in kwaliteit afneemt en huishoudens niet kunnen doorstromen naar passende woningen. De autonome woningbouwopgave in Drenthe krijgt tot 2030 te maken met een daling van het aantal huishoudens, maar hier tegenover staat dat vanuit Groningen en Zwolle sprake is van een regionaal overkokende woningvraag die landt in de Drentse gemeenten. Per saldo betekent dit een woningbehoefte van ca. 10.000 tot 20.000 extra woningen tot en met 2030. Bestaand stedelijk gebied en buitengebied De provincie maakt onderscheid tussen bestaand stedelijk gebied en buitengebied.
Deze noodzaak komt voort uit het provinciaal belang bij een goede ruimtelijke ordening om, mede conform Rijksbeleid, nieuwe initiatieven bij voorkeur te faciliteren binnen de reeds bebouwde omgeving. Het stedelijk gebied omvat de buitenste contouren van dorpen en steden zoals op de kaart Bestaand stedelijk gebied is aangegeven. De provincie biedt ruimte voor het toevoegen van een incidentele woning buiten bestaand stedelijk gebied mits: • • • •
De bebouwing is gelegen in een bebouwingslint of een cluster van bebouwing; Er sprake is van een significante verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; Er sprake is van een landschappelijke inpassing, passend bij de gebiedskenmerken die zijn vastgelegd in een landschappelijk inpassingsplan; Het plan past binnen de gemeentelijke woonvisie en leidt niet tot leegstand elders.
Overeenkomstig de Ladder voor Duurzame Verstedelijking geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied een uitgebreide motiveringsplicht. Ook bij de ontwikkeling van recreatieparken in het buitengebied geldt een motiveringsplicht, overeenkomstig met de systematiek van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Bij de ontwikkeling van woonmilieus vormt een landschappelijk kader dat aansluit bij de kernkwaliteiten van het gebied het uitgangspunt. Het woonmilieu dient aangesloten te zijn op de bestaande kern. Het is een pré wanneer het woonmilieu kan worden ontwikkeld samen met het verbeteren van andere functies, zoals het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit, het verbeteren van voorzieningen, het bijdragen aan klimaat, water- en natuuropgaven en het versterken van de recreatie. Zo kunnen meerdere doelstellingen worden gerealiseerd, wat maatschappelijke meerwaarde oplevert. Wij geven daarbij de voorkeur aan het opknappen van bestaande locaties waar een kwaliteitsimpuls gewenst is (bijvoorbeeld een vervallen bedrijfsbestemming) of waar een impuls wordt gegeven aan het cultuurhistorische karakter. Toetsing In dit geval gaat het om een vervolgfunctie op een perceel met reeds een stedelijke bestemming. Voorheen heeft hier immers een school gestaan. De bebouwing maakte deel uit van het bestaande cluster.
De nieuwbouwwoning zal hierop inspelen en dezelfde footprint behouden als het voormalige schoolgebouw. . Daarnaast worden de kavels logisch ingericht en de woningen aansluitend op omliggende bebouwingsstructuren gebouwd. Het ligt daarmee in het bebouwd gebied van het buurtschap Leggeloo Het is een vorm van maatwerk om de leefbaarheid in het buurtschap Leggeloo te vergroten en de locatie opnieuw goed in te passen in de omgeving. In dit geval gaat het om de bouw van een woning voor de lokale behoefte. In paragraaf 4.3.2 wordt nader ingegaan op de gemeentelijke woonvisie en de behoefte aan deze woningen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
19
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld 4.2.1.5 Toetsing van het initiatief aan Omgevingsvisie Drenthe Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de ‘Omgevingsvisie Drenthe’. 4.2.2
Omgevingsverordening Drenthe
De provinciale omgevingsverordening is een instrument om het omgevingsbeleid uit de provinciale omgevingsvisie uit te kunnen voeren. In de verordening staan de regels die bij deze plannen en ideeën gelden. Gemeenten en waterschappen moeten aan de regels uit deze verordening voldoen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen. • • • • • •
Landschap – ‘Wegpanorama’ en ‘Landschapstypen – Esdorpenlandschap’; Archeologie – ‘Beekdal’; Aardkundige erfgoed – ‘beschermingsniveau generiek’ en ‘beschermingsniveau middel’; Robuust landbouw – ‘Robuust landbouw’; Robuust natuursysteem – ‘Doelenkaart natuur en landschap’; Robuust watersysteem – ‘Grondwaterlichaam – Zand Rijn-Oost’ en ‘Beekdalen’.
In voorliggend geval zijn artikel 3.1 (Kernkwaliteit Landschap), artikel 3.2 (Kernkwaliteit Cultuurhistorie), artikel 3.4 (Kernkwaliteit Aardkundige Waarden), artikel 3.16 (Woningbouw, onder 5) Artikel 3.1 Kernkwaliteit Landschap 1.
2. 3.
4.
Kernkwaliteit Landschap bestaat uit: a. Esdorpenlandschap; b. Esgehuchtenlandschap; c. Wegdorpenlandschap van de laagveenontginning; d. Wegdorpenlandschap van de veenrandontginning; e. Landschap van de Veenkoloniën; f. Landschap van de kolonien van Weldadigheid; g. Macrogradiënt; h. Wegpanorama; i. Harde grens stad en land. De landschappelijke kernkwaliteiten zijn voor elk gebied uitgewerkt in de Bijlage 1 Kernkwaliteiten Landschap. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een locatie gelegen in de Kernkwaliteit landschap: a. Houdt rekening met het behoud van de aanwezige kernkwaliteiten, en; b. bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een stads- of dorpsrand houdt rekening met de aanwezige landschappelijke waarden.
Toetsing van het initiatief aan Artikel 3.1 Kernkwaliteit Landschap Het plangebied is gelegen binnen het Esdorpenlandschap. Het esdorpenlandschap is een agrarisch cultuurlandschap ten voeten uit. Elk onderdeel van het landschap komt voort uit het agrarisch gebruik en is gerelateerd aan het functioneren van de lokale agrarische dorpsgemeenschap, met de boermarken als het oorspronkelijke gezag. De esdorpen vormen vanouds de ontginningsbasis van het landschap. Ze liggen veelal op landschappelijke overgangen van nat (beekdal) naar droog (es/heide/bos). Het beleid is in dit geval gericht op het behouden van de open ruimte en het versterken van esrandbeplanting. Daarnaast is het ook gericht op het onbebouwde karakter en het versterken van karakteristieke beekdal(rand)beplanting. Met voorgenomen ontwikkeling wordt meegewerkt aan de toekenning van een woonfunctie aan een voormalige maatschappelijk locatie. In voorliggend geval wordt middels een landschapsmaatregelen (zie bijlage 1) ingezet op de versterking van de landschappelijke kenmerken van het esdorpenlandschap. Dit wordt onder andere gedaan door het behoud van het bestaande groen langs de randen (esrandbeplanting), versterking daarvan en het behoud van doorzichten vanaf de es naar lager gelegen gronden. Het open karakter van het esbeeld blijft gehandhaafd.
Tevens blijft het karakter en uitstraling van de solitaire kapel behouden in het straatbeeld zoals aangegeven door de provincie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
20
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld Het plan is hiermee in overeenstemming met de kernkwaliteit ‘landschap’. Middels een ruimtelijk kwaliteitsplan en beeldkwaliteitsplan is dit (bijlage 1) in de regels van dit TAM-omgevingsplan juridisch geborgd. Artikel 3.2 Kernkwaliteit Cultuurhistorie 1.
De kernkwaliteiten zijn voor elk gebied uitgewerkt in de Bijlage 2 Kernkwaliteiten Cultuurhistorie. Het plangebied valt in het deelgebied ‘6A Velden en beekdalen van Centraal Drenthe’ met het sturingsniveau ‘betrekken bij’.
Richtinggevend voor dit deelgebied is het herkenbaar houden van de samenhang van twee bos- en heidegebieden met de nabijgelegen esdorpen. De bos- en heidegebieden van het Dwingelderveld en van Hooghalen zijn een resultante van de ontginning van de woeste gronden rond de esdorpen. Toetsing van het initiatief aan Artikel 3.2 Kernkwaliteit Cultuurhistorie Bij ontwikkelingen ligt de inzet bij het waarborgen van de cultuurhistorische samenhang voor de toekomst. Initiatiefnemers hebben de verantwoordelijkheid om de cultuurhistorische hoofdstructuur als inspiratiebron te benutten voor ontwikkelingen. In paragraaf 4.2.1.3 is reeds uitgebreid ingegaan op de ligging van het plangebied in de velden van Centraal Drenthe. Met de ontwikkeling wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden van het plangebied. Kenmerkend voor het esdorpenlandschap zijn houtwallen en esrandbosjes. Door uitvoer te geven aan het erfinrichtingsplan worden de bestaande groenstructuren behouden en waar nodig versterkt, wat een bijdrage levert aan het versterken van de landschappelijke structuur. De woningen worden landschappelijk ingepast, waarbij de herkenbaarheid van de es wordt versterkt. Tevens blijft het karakter en uitstraling van de solitaire kapel behouden in het straatbeeld zoals aangegeven door de provincie.
Middels een ruimtelijk kwaliteitsplan en beeldkwaliteitsplan is dit in de regels van dit TAM-omgevingsplan juridisch geborgd. Artikel 3.4 Kernkwaliteit Aardkundige Waarden 1. 2. 3.
4.
Kernkwaliteit Aardkundige Waarden bestaat uit Aardkundige waarden Beschermingsniveau Hoog en Aardkundige waarden Beschermingsniveau Middel. De kernkwaliteiten zijn voor elk gebied vastgelegd in de Bijlage 3 Kernkwaliteiten Aardkundige Waarden. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de gebieden Aardkundige waarden Beschermingsniveau Hoog: a. houdt rekening met de aanwezige kernkwaliteiten; b. stelt regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in het gebied Aardkundige waarden Beschermingsniveau Middel: a. betrekt de aanwezige kwaliteiten bij de toedeling van functies en activiteiten aan locaties; b. bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan.
Toetsing van het initiatief aan Artikel 3.4 Kernkwaliteit Aardkundige Waarden Met de ontwikkeling wordt rekening gehouden met de aardkundige waarden. Gesteld wordt dat negatieve gevolgen voor de aardkundige waarden niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Voor een nadere toetsing aan archeologie wordt verwezen naar paragraaf 5.6. Artikel 3.16 (Woningbouw onder 5) Een omgevingsplan kan voorzien in een woonfunctie voor gronden met bebouwing die zijn functie verloren heeft, mits: a) het bebouwing betreft die niet landschapsontsierend is; b) het omgevingsplan een verbetering van de landschappelijke kwaliteit verzekert; c) het omgevingsplan ten hoogste 6 woningen mogelijk maakt en niet gepaard gaat met externe bouwactiviteiten; en d) wordt voldaan aan artikel 3.15, lid 3, sub a, c en d van deze verordening. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
21
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld Toetsing van het initiatief aan Artikel 3.16 Woningbouw onder 5 Met de ontwikkeling wordt op gronden met een voormalige maatschappelijke functie voorzien van een vervolgfunctie, te weten wonen. Middels een ruimtelijk kwaliteitsplan en beeldkwaliteitsplan is de kwaliteitsverbetering van het plangebied in de regels van dit TAM-omgevingsplan juridisch geborgd. 4.2.3
Toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid.
4.3
Beleid Waterschap
4.3.1
Vigerend beleid
4.3.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 4.3.1.2 Rijksbeleid Het Nationaal Waterprogramma NWP komt voort uit de Waterwet en met het oog op de Omgevingswet zijn deze twee plannen samengevoegd tot één programma. In het NWP staan de internationale verplichtingen voortkomend uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) en de Kaderrichtlijn Maritieme Strategie (KRM). Het Nationaal Waterprogramma geeft op hoofdlijnen het beleid aan van het Rijk in de periode 2022 – 2027. Door klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, het verlies aan biodiversiteit en ruimtedruk worden de wateropgaven steeds groter en complexer.
De opgaven zijn complex door deze in samenhang met de opgaven voor energietransitie, de woningbouw, de transitie van het landelijk gebied en de verouderde infrastructuur aan te pakken. Bij de ruimtelijke inrichting van Nederland zijn daarvoor water en bodem leidend. Het vraagt daarvoor in te zetten op klimaat- en landbouwtransitie en herstel voor natuur. 4.3.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Drenthe wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 4.3.1.4 Waterschap Drents Overijsselse Delta Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft in november 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld.
Het programma bevat de uitwerking van de ambities in onze Watervisie “Meer dan water” en geeft voor de periode 2022 tot en met 2027 aan wat de maatregelen zijn om
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leggeloo 31B Dwingeloo” Vastgesteld het watersysteem, de waterketen en de waterkeringen op orde te brengen en de maatschappelijke doelen van het waterschap te realiseren. Een waardevolle aanvulling op de Watervisie is de doorvertaling van de doelen en maatregelen van het waterschap in gebiedsuitwerkingen. 4.3.2
Toetsing van initiatief aan beleid waterschap Drents Overijsselse Delta
Voor de toetsing aan het initiatief aan het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta wordt verwezen naar paragraaf 5.7. Hier wordt verder ingegaan op de toetsing aan het beleid van het waterschap.
4.4
Gemeentelijk beleid
Het gemeente beleid is verwoord in tal van beleidsplannen het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsvisie en andere voor voorliggend initiatief relevante beleidsstukken. 4.4.1
Omgevingsvisie Westerveld
4.4.1.1 Algemeen Deze Omgevingsvisie bevat het toekomstbeeld van en voor de gemeente Westerveld. De omgevingsvisie is de integrale langetermijnvisie op de ontwikkeling van de gemeente en gaat over de hele fysieke leefomgeving. Voor 2040 heeft de gemeente vijf ambities: • • • • •
Een bereikbaar en veilig Westerveld; Een bedrijvig en gastvrij Westerveld; Een leefbaar en inclusief Westerveld; Een gezond en groen Westerveld; Een herkenbaar en toekomstgericht Westerveld.