CConstaterende datWesterveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Onderbouwing TAM-omgevingsplan Lange Drift 6 Wateren

Politieke avond Westerveld 21 april 2026, gemeente WesterveldBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling TAM-omgevingsplan Lange Drift 6 Wateren (spreekrecht)17.961 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Geluid door activiteiten

5.1.1 Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat).

Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); • geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); • geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

31

Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.1.2 Situatie plangebied Met het voornemen wordt de veehouderij omgezet in een akkerbouwbedrijf waarbij de bestaande bedrijfswoning blijft en voor het onderdeel geluid niets wijzigt. Daarnaast wordt binnen het bouwvlak een nieuwe woning toegevoegd. Hiermee is er sprake van de realisatie van een nieuw geluidgevoelig gebouw. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Wegverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen.

Daarom gelden op grond van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. De geluidsgevoelige functie binnen het plangebied, de nieuw te bouwen woning, ligt aan de Lange Drift. Tot aan de planlocatie is dit een verharde weg. Daarna loopt de weg door als zandweg waar geen doorgaand verkeer overheen gaat. Feitelijk komt het erop neer dat ter plaatse alleen sprake is van verkeer dat de Lange Drift 6 als bestemming heeft. De dichtstbijzijnde doorgaande weg is de Wateren. Dit is een weg bestaande uit twee rijstroken waar een maximumsnelheid geldt van meer dan 30 km/u. De afstand tot die weg is meer dan 300 meter. Geluidsoverlast als gevolg van verkeer is derhalve niet te verwachten. Een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is niet benodigd. Railverkeerslawaai en industrielawaai In de directe omgeving van het plangebied ligt geen spoorlijn. De dichtstbijzijnde spoorlijn ligt op circa 18 kilometer afstand.

Een onderzoek naar railverkeerslawaai wordt niet noodzakelijk geacht. Industrielawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen gezoneerde industrieterreinen aanwezig. Geconcludeerd wordt dat het aspect industrielawaai geen belemmering oplevert voor de gewenste ontwikkeling. Solitaire bedrijvigheid De nieuw te bouwen woning komt naast het bestaande bedrijf dat gewijzigd wordt van veehouderij naar akkerbouwbedrijf. Bij het akkerbouwbedrijf worden nog enkele dieren gehouden voor de hobby, niet zijnde landbouwhuisdieren (zoals bedoeld in de Lbv-regeling). Deze dieren zullen voornamelijk buiten lopen voor begrazing van de gronden rond de bedrijfsgebouwen. Voor de bescherming van de compensatiewoning tegen geluidsoverlast door het akkerbouwbedrijf wordt uitgegaan van een vaste richtafstand tussen de gevel van de

32

woning en de grens van het bouwvlak van het akkerbouwbedrijf van 30 meter. De afstand tussen de woning en het bouwvlak van het akkerbouwbedrijf is iets meer dan 30 meter.

afstand woning-bouwvlak bedrijf >30m

Figuur 12 afstand woning-bedrijf, knipsel Landschappelijk inpassingsplan

5.1.3 Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

33

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1 Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. • Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. • Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. • Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 5.2.2 Situatie plangebied Bij het bouwen van de compensatiewoning is er sprake van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De nieuwe woning komt op de plaats waar een mestsilo staat, die gesloopt gaat worden. Het slopen van deze silo is, naast het slopen van overige bedrijfsgebouwen, verplicht in het kader van de Lbv+-regeling. Op dit moment is de mestsilo nog aanwezig, waardoor er geen bodemonderzoek kan worden uitgevoerd.

Zodra er een omgevingsvergunning voor het bouwen van de woning wordt aangevraagd zal er sprake moeten zijn van een aantoonbare acceptabele bodemkwaliteit. Dit is vastgelegd in de regels behorende bij onderhavig plan. 5.2.3 Conclusie Vanuit het aspect bodem is er randvoorwaardelijk sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1 Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de

34

buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft.

Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Aandachtsgebieden (toevoegen indien van toepassing in de gemeente) Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

5.3.2 Situatie plangebied In de beoogde situatie verandert de veehouderij naar een akkerbouwbedrijf. Hierbij is sprake van het telen van gewassen in de buitenlucht waarvoor op grond van artikel 5.54 Bkl geldt dat dit ‘niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging’. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de standaardgevallen NIMB zoals omschreven in artikel 5.54 Bkl kan worden gesteld dat het project ‘niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging’. 5.3.3 Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4

Omgevingsveiligheid

5.4.1 Algemeen Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de

35

activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. 5.4.2 Situatie in en bij het plangebied Aan de hand van het Register Externe Veiligheidsrisico’s van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat is gekeken welke externe veiligheidsrisico’s in de omgeving van de planlocatie aanwezig zijn. Op de bijbehorende kaart, raadpleegbaar via atlasleefomgeving.nl, is te zien dat ten noorden van het plangebied een locatie is waar een opslagtank voor vloeistof aanwezig is (400 meter). Zie figuur 12.

Het plangebied, aangeduid met de blauwe stip, ligt buiten de risicocontour. Binnen het plangebied zijn geen buisleidingen of andere risicobronnen aanwezig.

36

Figuur 13 Risico's externe veiligheid rondom plangebied (bron: atlasleefomgeving.nl)

5.4.3 Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.5

Geur

5.5.1 Algemeen Het Bkl geeft instructieregels voor geurgevoelige gebouwen. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs en zorg. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De gemeente Westerveld heeft een Verordening geurhinder en veehouderij waarin vaste afstanden vermeld staan die in acht genomen moeten worden tussen een geurgevoelig object en een veehouderij. Artikel 2 van deze verordening stelt het volgende. Geurgevoelige objecten in het buitengebied: In het gebied Ontwikkeling landbouw, natuur en recreatie volgens kaart “De drie ontwikkelingsgebieden” van de Kadernota, vastgesteld 14 februari 2006

•

een vaste afstand van 25 meter voorzover dit betrekking heeft op bedrijven met het maximaal 200 stuks melkvee met maximaal 140 stuks jongvee of 50 paarden én waarbij sprake is van uitbreiding van een bestaande stal;

37

•

een vaste afstand van 40 meter voorzover dit betrekking heeft op bedrijven met meer dan 200 stuks melkvee met maximaal 140 stuks jongvee of 50 paarden én waarbij sprake is van uitbreiding van een bestaande stal;

•

een vaste afstand van 40 meter voorzover dit betrekking heeft op bedrijven met maximaal 200 stuks melkvee met maximaal 140 stuks jongvee of 50 paarden én waarbij sprake is van nieuwbouw bij een bestaand bedrijf.

In het gebied Ontwikkeling Landbouw en recreatie volgens kaart “De drie ontwikkelingsgebieden” van de Kadernota, vastgesteld 14 februari 2006

•

een vaste afstand van 25 meter voorzover dit betrekking heeft op bedrijven met het maximaal 200 stuks melkvee met maximaal 140 stuks jongvee of 50 paarden én waarbij sprake is van uitbreiding van een bestaande stal of nieuwbouw bij een bestaand bedrijf;

•

een vaste afstand van 40 meter voorzover dit betrekking heeft op bedrijven met meer dan 200 stuks melkvee met maximaal 140 stuks jongvee of 50 paarden én waarbij sprake is van uitbreiding van een bestaande stal of nieuwbouw bij een bestaand bedrijf.

Geurgevoelige objecten behorende tot voormalige veehouderijen:

• •

een vaste afstand van 25 meter indien het geurgevoelig object gelegen is in het buitengebied; een vaste afstand van 50 meter indien het geurgevoelig object gelegen is in de bebouwde kom.

Geurgevoelige objecten behorende tot veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor vaste afstanden gelden:

• •

een vaste afstand van 25 meter indien het geurgevoelig object gelegen is in het buitengebied; een vaste afstand van 50 meter indien het geurgevoelig object gelegen is in de bebouwde kom.

5.5.2 Situatie plangebied Met onderhavig plan wordt naast de bestaande bedrijfswoning een nieuwe woning toegevoegd op de planlocatie. Dit is een geurgevoelig gebouw.. Op de Schurerslaan 2 te Wateren is een vleesvarkensbedrijf gevestigd. De afstand tussen de bouwvlakken van dit bedrijf en het bouwvlak van de nieuw te bouwen woning is ongeveer 330 meter. Aan de Appelschaseweg 2 ligt een bedrijf met intensieve veehouderij. Hier bedraagt de afstand tot de nieuw te bouwen woning ruim 700 meter. Voor beide bedrijven geldt dat in relatie tot de nieuw te bouwen woning gerekend moet worden met geuremissienormen. Gelet op de relatief grote afstanden van meer dan 300 meter en meer dan 700 meter en het feit dat er dichter bij de genoemde bedrijven reeds bestaande woonbestemmingen liggen (op 120 respectievelijk 400 meter) kan worden gesteld dat voor de nieuw te bouwen woning geldt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De bouw van de nieuwe woning is voor beide genoemde bedrijven niet beperkend. Voor de Schurerslaan 2 liggen woonbestemmingen op een afstand van ongeveer 170 meter en ongeveer 120 meter. De nieuwe woning is voor dit bedrijf dus niet maatgevend. Voor de Appelschaseweg 2 ligt een woonbestemming op een afstand van ongeveer 400 meter. Ook hiervoor is de nieuw te bouwen woning dus niet maatgevend.

Bij het akkerbouwbedrijf op de planlocatie zullen enkele dieren worden gehouden als hobby, mede ten behoeve van het begrazen van de gronden om de bedrijfsgebouwen. De dieren worden niet gehouden voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren en zijn geen paard of pony voor het fokken. Er is daarom geen sprake van

38

het houden van landbouwhuisdieren. c.q. de milieubelastende activiteit ‘veehouderij’ uit paragraaf 3.6.1 Bal. De afstand tussen de gevel van de nieuw te bouwen woning en het onderkomen van de dieren die voor hobby worden gehouden is meer dan 50 meter waar een eis geldt van 25 meter. Er wordt ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht. 5.5.3 Conclusie Vanuit het aspect geur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.6

Archeologie & cultuurhistorie

5.6.1 Algemeen Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. 5.6.2 Archeologie Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden.

5.6.3 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: •

ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;

•

verplaatsing van beschermde monumenten;

• •

gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument;

•

aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;

•

conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

5.6.4 Situatie plangebied Archeologie De gemeente Westerveld beschikt over een archeologische beleids- en verwachtingskaart. Deze is in 2020 geactualiseerd. Onderstaande afbeelding toont de ligging van het plangebied op de beleids- en verwachtingskaart. Het plangebied is met rode omkadering aangegeven. Voor het plangebied geldt een hoge of middelhoge verwachting. Hier geldt een vrijstelling voor bouwwerken tot 1.000 m² en ingrepen tot 30 cm diepte.

39

Figuur 14 Archeologische Beleidsadvieskaart gemeente Westerveld

De planlocatie heeft op grond van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ uit 2012 de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 3’. Hiervoor gelden de volgende bouwregels: 61.2.1. Bouwwerken met een oppervlakte groter dan 1000 m2 Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd, waarbij de bodem dieper dan 0,30 m -Mv wordt geroerd, met uitzondering van: a. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken waarbij de bestaande oppervlakte met ten hoogste 1000 m² wordt uitgebreid; b. bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 1000 m² ten behoeve van andere daar voorkomende bestemming(en). De nieuwe woning wordt gebouwd op de plek waar momenteel een mestsilo staat. Deze mestsilo wordt gesloopt. Er is daarmee sprake van een vervanging van een bestaand bouwwerk. Bovendien zal het bestaande oppervlak met niet meer dan 1000 m² worden uitgebreid. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Ook voor het verwijderen van de mestkelders is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Cultuurhistorie De gemeente Westerveld heeft een Erfgoedvisie opgesteld waar de aandachtspunten voor het cultureel erfgoed worden omschreven. Deze visie verwijst naar de gemeentelijke omgevingsvisie voor wat betreft de kwaliteit van het buitengebied.

In paragraaf 4.4.2 wordt beschreven op welke manier de geplande ontwikkeling aansluit bij de visie van de gemeente als het gaat om de uitstraling van het gebied, waarbij wordt geconcludeerd dat het voornemen aansluit bij het gemeentelijk beleid. 5.6.5 Conclusie Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

40

5.7

Wateraspecten

5.7.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.7.2 Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied 5.7.2.1 Digitale watertoets Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets.

De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de ‘Normale procedure’ en ‘Advies Verharding’ van toepassing zijn. Het resultaat van de digitale watertoets is als bijlage 2 in de toelichting opgenomen. 5.7.2.2 Invloed op de waterhuishouding Het waterschap heeft het digitale advies omgezet naar een beperkt waterbelang en daarbij uitgangspunten geformuleerd ter waarborging van het waterbelang. Dit document is als bijlage 3 toegevoegd aan deze toelichting. Hieronder wordt aangegeven op welke wijze dit advies wordt opgevolgd. Het waterschap concludeert in haar document ‘beperkt waterbelang’ (bijlage 3) dat wordt het plan geen schadelijke gevolgen heeft voor de waterkwaliteit en ecologie. Voor wat betreft de door het waterschap geformuleerde waterhuishoudkundige aspecten van het plangebied wordt het volgende vermeld: •

Hemelwater: de bestaande ligboxenstal, sleufsilo, kuilvoerplaat en mestsilo worden gesloopt/verwijderd. Een groot deel van de bestaande verharding wordt verwijderd. Hiermee ontstaat op het terrein zelf voldoende mogelijkheid het regenwater van de overgebleven gebouwen en de nieuw te bouwen woning op te vangen en te laten infiltreren in de bodem.

• •

Afvalwater: de nieuwe woning zal op het bestaande riool worden aangesloten. Wateroverlast en bebouwing: bij de bouw van de woning wordt rekening gehouden met de uitvoering van de woning om eventuele wateroverlast tegen te gaan. Denk aan hoogteverschillen tussen de vloer en tuin en grondwater.

5.7.3 Conclusie Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8

Natuur

5.8.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime

41

vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 5.8.2 Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 5.8.3 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd.

De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

42

5.8.4 Situatie plangebied Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Drentse-Friese Wold & Leggelderveld’ is direct gelegen ten oosten/zuiden van het plangebied. Door de functie te wijzigen van een veehouderij naar een akkerbouwbedrijf daalt de depositie van stikstof aanzienlijk, wat positief is voor het Natura 2000-gebied. De omzetting van het bedrijf, waarbij de veehouderij wordt gestaakt en waarbij wordt vastgelegd dat op onderhavige locatie geen landbouwhuisdieren meer worden gehouden, is juist ingegeven vanuit de landelijke doelstelling om te komen tot een stikstofreductie. In de beoogde situatie worden nog enkele hobbydieren gehouden. Voor de beoogde situatie wordt een aanvraag voor een Natura 2000-activiteit ingediend. Hiervoor is een AERIUS berekening uitgevoerd waarbij de boogde situatie wordt vergeleken met de referentiesituatie. Zie hiervoor Bijlage 4 ‘Toelichting AERIUS berekeningen’. Uit de AERIUS verschilberekening blijkt dat er in de beoogde situatie geen toename van depositie is ten opzichte van de referentiesituatie. Er is geen sprake van significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. De vergunningaanvraag voldoet aan het gestelde in de Omgevingswet, ten aanzien van de Natura 2000-activiteit.

In de beoogde situatie blijft sprake van significante depositie-effecten (> 0,00 mol/ha/jaar) op Natura 2000gebieden. Omdat sprake is van deelname aan de Lbv+-regeling, waarbij de vrijkomende stikstofruimte ten goede komt aan natuurherstel, dient ter borging van de vermindering van de stikstofuitstoot de vrijkomende ruimte ingetrokken te worden van de vigerende natuurtoestemming. De resterende stikstofemissie in de beoogde situatie betreft ruimschoots minder dan 15% van de vigerende vergunde stikstofemissie, waardoor ten aanzien van dit aspect voldaan wordt aan het gestelde in artikel 5, eerste lid, sub f., van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting. Gelet op vorenstaande heeft het voornemen een positief effect op de diverse habitattypenen die in het gebied voorkomen. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. NNN-gebieden Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en raakt daarmee niet aan de doelstellingen van de provincie Drenthe met NNN. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dit zijn flora- en fauna-activiteiten.

Bij een activiteit is het nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit zijn. Er zijn maar weinig activiteiten waarbij vooraf al is uit te sluiten dat ze een flora- en fauna-activiteit tot gevolg hebben. Hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bepaalt wanneer een vergunning nodig is De voorgenomen ontwikkeling omvat de planologische wijziging van een veehouderij naar een akkerbouwbedrijf waarbij gebouwen worden gesloopt en een nieuwe compensatiewoning inclusief bijgebouw wordt toegevoegd. Dit zijn activiteiten die negatieve effecten kunnen hebben op beschermde soorten. Hierom is een ecologisch onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten. De resultaten van dit onderzoek zijn als Bijlage 5 opgenomen. Het onderzoek betreft een quickscan naar de mogelijke gevolgen op de flora en fauna in het gebied. Uit dit onderzoek blijkt dat in het plangebied sprake is van mogelijke broedlocaties van de huismus en boerenzwaluw.

43

Voor vleermuizen is de planlocatie niet geschikt en deze zijn niet aangetroffen. In de te slopen stal zijn geen sporen van zoogdieren (anders dan koeien) aangetroffen. Het terrein is wel geschikt voor overige zoogdieren zoals veldmuis, egel, bosmuis, etc. Het plangebied is niet geschikt voor amfibieën, vissen en reptielen. Datzelfde geldt voor beschermde vlinders, libellen, juffers en insecten. In het plangebied is geen habitat aanwezig voor beschermde plantensoorten. Ter bescherming van het leefgebied voor de huismus zullen mitigerende maatregelen worden getroffen. Deze bestaan uit het zorgen voor voldoende dekking voor huismussen door het aanleggen van een dichte haag en/of meerdere flinke struiken. Dit is meegenomen in het inrichtingsplan. Voor de boerenzwaluw geldt dat er door de sloop nestgelegenheid verloren gaat. Aan de overzijde van de weg is een oude stal die geschikt is voor het nestelen van deze soort. De lokale stand van instandhouding van de boerenzwaluw wordt derhalve niet aangetast. Aanvullend flora en fauna onderzoek is niet noodzakelijk. 5.8.5 Conclusie Vanuit het aspect ‘natuur en ecologie’ is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het plan leidt niet tot significante negatieve effecten op beschermde gebieden of tot verstoring van beschermde soorten.

44

5.9

Gezondheid

5.9.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: •

het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?)

•

het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de buitenplanse omgevingsvergunning is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn.

Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 5.9.2 Omgevingsvisie Westerveld In de Omgevingsvisie Westerveld staan enkele doelstellingen op het gebied van gezondheid vermeld. De doelstellingen die relevant zijn voor voorgenomen ontwikkeling zijn als volgt: • Vanuit de gedachte van ‘positieve gezondheid’ wordt gezondheid benaderd vanuit het vermogen van mensen om zoveel mogelijk eigen regie te kunnen voeren. In de fysieke leefomgeving betekent dit dat de toegang tot voorzieningen goed geregeld is en dat er aandacht is voor een stimulerende omgeving (groen, natuur en cultuur), veiligheid en milieu. Op deze manier wordt er vanuit een brede blik aan gezondheid gewerkt. • In veel projecten is aandacht voor biodiversiteit. Activiteiten op het gebied van biodiversiteit worden verbeterd en worden actiever uitgedragen. •

Voor een gezonde inrichting van de leefomgeving moet de milieukwaliteit goed zijn.

•

Lucht, bodem en geluid mogen geen schadelijke invloed hebben en nieuwe initiatieven mogen geen onevenredige negatieve effecten hebben op onze milieukwaliteit. Wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt aangesloten bij de landelijke regelgeving, waarin een trend zichtbaar is van het verminderen van het gebruik van beschermingsmiddelen.

•

De milieukwaliteitseisen die door het Rijk zijn vastgesteld, vormen het minimale niveau. Waar mogelijk verbeteren we de bestaande milieukwaliteit.

•

Het is belangrijk dat inwoners van Westerveld gebruik kunnen maken van duurzame mobiliteit. Daarbij hoort aandacht voor een aantrekkelijke, goed onderhouden en toegankelijke fiets- en wandelinfrastructuur.

5.9.3 Situatie plangebied De voorgenomen ontwikkeling omvat de omzetting van een veehouderij naar een akkerbouwbedrijf en het toevoegen van een woning, gebruik makend van een rood-voor-rood regeling. De nieuwe woning komt op

45

ongeveer 35 meter van het naastgelegen weiland. Deze grond is eigendom van initiatiefnemer. Mocht hij deze grond willen gebruiken als akkerbouwgrond dan zal er rekening moeten worden gehouden met een afstand van 50 meter vanaf de woning waar er geen bestrijdingsmiddelen toegepast kunnen worden. Voor het overige bevat het plan geen wijzigingen die ten opzichte van de huidige situatie een verslechtering opleveren op het gebied van gezondheid. 5.9.4 Conclusie Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

5.10 Duurzaamheid 5.10.1 Algemeen Duurzaamheidthema's zoals energie- en waterbesparing, aandacht voor langzaam verkeer en groenvoorzieningen, zuinig grondstoffengebruik, efficiënt ruimtegebruik en duurzaam bouwen, zullen met name bij nieuwbouwplannen en herinrichting een belangrijke plaats toegekend krijgen. Ontwikkeling van duurzaamheid past in de ontwikkeling die het duurzaamheidsdenken nu ook landelijk doormaakt en waarbij ook steeds meer de eisen als negatieve prikkel omgezet worden in een positieve benadering in de vorm van wijzen op de kwaliteit van het gebouw, op (woon-)comfort, het binnenmilieu in het algemeen, op gezond wonen en leven. 5.10.2 Duurzaamheidsnota Gemeente Westerveld De gemeente Westerveld heeft in 2019 een Duurzaamheidsnota opgesteld. De ambitie van de gemeente wordt bereikt via zes thema’s: •

Energiebesparing

•

Energie uit hernieuwbare bronnen

• •

Natuur inclusief Circulariteit

•

Mobiliteit

•

Klimaatadaptatie

. ?? 5.10.3 Situatie plangebied De voorgenomen ontwikkeling sluit grotendeels aan bij de gemeentelijke doelstellingen. Bij de herinrichting van de planlocatie wordt rekening gehouden met de klimaatadaptie door meer ruimte te bieden voor waterberging en infiltratie ten opzichte van de huidige situatie doordat de hoeveelheid verharding afneemt en er meer groen wordt aangelegd. Bij de nieuw te bouwen woning zullen moderne technieken worden toegepast hetgeen zal leiden tot een duurzaam energiegebruik. 5.10.4 Conclusie Vanuit het aspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

5.11 Besluit Milieueffectrapportage 5.11.1 Algemeen Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of merbeoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • In kolom 1 staan de projecten opgesomd; • In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; • In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; • Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

46

Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer(beoordelings)plichtige project dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan of programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, dan kan worden volstaan met een plan-mer beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. Onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van een gesloten lijstenstelsel voor de beoordeling van projectm.e.r. (milieueffectrapportage). Dit houdt in dat de projecten en besluiten die onder de project-m.e.r.- verplichting vallen, zijn opgenomen in de lijst bijlage V van het Omgevingsbesluit. Hierin is onder andere het stedelijke ontwikkelingsproject opgenomen. De jurisprudentie met betrekking tot de ondergrens van het begrip 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject' blijft onder de Omgevingswet van belang. Zo overweegt de Afdeling bijvoorbeeld dat de ontwikkeling van 12 woningen niet als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt beschouwd (ABRS 11 maart 2020, nr. 201901464/1/R1).

5.11.2 Situatie plangebied Voorgenomen ontwikkeling betreft de transformatie van een veehouderij naar een akkerbouwbedrijf waarbij een extra compensatiewoning wordt toegevoegd. Dit hoeft niet te worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in Besluit m.e.r. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling wordt geconcludeerd dat het voornemen geen gevolgen voor het milieu met zich meebrengt. 5.11.3 Conclusie Uit de m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een m.e.r.-rapportage en dat er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

47

6 JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING 6.1

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

6.2

Opzet van de regels

Deze wijziging van het omgevingsplan betreft een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • Inleidende regels; • Functieregels en gebiedsaanwijzingen; • Algemene regels aan activiteiten; • Overgangsrecht en slotbepalingen. Preambule De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij ‘artikel 1’ begint. Voor het TAMIMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object ‘Regels’ en voor het toevoegen van het object ‘Hoofdstuk 1’ een preambule op te nemen. De preambule

48

geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven. Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Lange Drift 6 te Wateren en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22g) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Westerveld. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Westerveld. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22a' gelezen worden. Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels.

6.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor de locatie waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in de bij het TAM-omgevingsplan behorende GML-bestand. De regels in dit hoofdstuk bevatten: • Begripsbepalingen (artikel 1); • Meet- en rekenbepalingen (artikel 2); • Toepassingsbereik (artikel 3); Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de ‘oude’ standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels. Het toepassingsbereik luidt als volgt. Artikel 3 (Toepassingsbereik) 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2.

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Lange Drift 6 te Wateren waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1701.509TAMLD6W0002 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. 6.2.2 Functies en gebiedsaanduidingen Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende functies en gebiedsaanwijzingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • Functieomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; • Beoordelingsregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); • Vergunningplicht voor afwijken: het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van de gestelde regels; • Specifieke functieregels: omschrijving van activiteiten die niet zijn toegestaan;

49

•

Vergunningplicht voor afwijken van de gebruiksregels: omschrijving van de onderdelen van de gebruiksregels waar vanaf mag worden geweken

6.2.3 Algemene regels voor activiteiten Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels voor activiteiten. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: • Anti-dubbeltelregel (Artikel 7) • Ruimtelijke bouwactiviteiten (Artikel 8) • Planologische gebruiksactiviteiten (Artikel 9). Hierin is opgenomen welk gebruik in elk geval strijdig is met de aan de aan de locatie toegewezen functies. • Algemene afwijkingsregels (Artikel 10). Hierin is opgenomen in welke gevallen bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van gestelde regels. • Overige regels (Artikel 11) 6.2.4 Overgangsregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels.

6.3

Verantwoording van de regels

Een TAM-omgevingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Wonen (Artikel 4) Het noordoostelijke gedeelte van het plangebied wordt voorzien van de bestemming ‘Wonen’. Gronden met deze functie zijn voornamelijk bedoeld voor woonhuizen, bijgebouwen en overkappingen. Ten aanzien van de regels is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan dat niet in werking is “Buitengebied Westerveld 2018”. Ter plaatse van de bestemming ‘Wonen’ is een bouwvlak opgenomen. Per locatie die op de verbeelding is aangewezen als ‘Wonen’ is maximaal één woonhuis toegestaan. Aangezien het bodemonderzoek in een later stadium plaatsvindt wordt aan de bestemming ‘Wonen’ een voorwaardelijke verplichting toegekend in de vorm van een specifieke functieaanduiding inhoudende dat er op het moment van aanvragen van een Omgevingsvergunning voor de bouw van de woning, eerst een bodemonderzoek uitgevoerd moet worden.

Agrarisch - 2 (Artikel 5) Het gedeelte van het plangebied dat bestaat uit de voormalige landbouwpercelen behorende bij het agrarische bedrijfsperceel wordt voorzien van de functie ‘Agrarisch’. Ten aanzien van de regels is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de regels zoals opgenomen bij de bestemming ‘Agrarisch - 2’ in het bestemmingsplan dat niet in werking is “Buitengebied Westerveld 2018”. In het kader van deelname aan de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties (LBV+) is voorgeschreven dat planologisch geborgd wordt dat op de locatie geen landbouwhuisdieren meer mogen worden gehouden. Hierom is in artikel 5.5 (specifieke functieregels) onder letter q opgenomen dat het houden van landbouwhuisdieren wordt gerekend tot een verboden gebruik van gronden en bouwwerken.

50

Waarde – Archeologie 3 (Artikel 6) Het volledige plangebied is voorzien van de gebiedsaanduiding ‘Waarde – Archeologie 3’. De gronden binnen de gebiedsaanduiding ‘Waarde – Archeologie 3’ zijn, behalve voor de daar voorkomende functies, mede aangewezen voor de bescherming van de grond eigen zijnde archeologische waarden. Er mogen geen nieuwe gebouwen worden gebouwd met een oppervlakte van meer dan 1.000 m 2, tenzij met een omgevingsvergunning wordt afgeweken. Ten aanzien van de regels is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de regels zoals opgenomen bij de bestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ in het bestemmingsplan “Buitengebied Westerveld 2018”.

51

7 Uitvoerbaarheid 7.1

Economische uitvoerbaarheid

7.1.1 Algemeen In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden. 7.1.2 Kostenverhaal Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob).

7.1.3 Situatie plangebied De ruimtelijke procedure kan mogelijk leiden tot planschade. Daarom wordt er met de grondeigenaar een overeenkomst nadeelcompensatie getekend. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.2.1 Algemeen Ruimtelijke ontwikkelingen hebben een aanzienlijke impact op de levenskwaliteit, het milieu en onze beleving van steden en dorpen. Het is daarom van cruciaal belang om burgers, belanghebbenden en gemeenschappen actief te betrekken bij het plannen en vormgeven van deze ontwikkelingen 7.2.2 Situatie plangebied en participatie De dichtstbijzijnde woningen ten opzichte van de planlocatie zijn gelegen op een afstand van ongeveer 300 meter. De bewoners van deze woningen zijn betrokken in de planvorming door middel van persoonlijk contact. In de nabijheid van het plangebied bevindt zich tevens een park met recreatiewoningen. Het bestuur van het desbetreffende park is op de hoogte gebracht van de plannen middels een brief en verder persoonlijk contact. De verandering van een veehouderijlocatie in een akkerbouwbedrijf heeft voor de omliggende woningen en het recreatiepark geen directe consequenties. Er zal geen toename zijn in overlast, eerder een afname met name met betrekking tot geur en de verkeersintensiteit. De extra compensatiewoning die wordt toegevoegd ligt aan een verkeersarme weg die enkel wordt gebruikt door bestemmingsverkeer.

52

8 Vooroverleg, inspraak en zienswijzen 8.1

Vooroverleg

8.1.1 Het Rijk In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Bkl is gericht op doorwerking van nationale belangen in het omgevingsplan. Geoordeeld wordt dat dit TAMomgevingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 8.1.2 Provincie Drenthe Op 8 oktober 2025 heeft de Provincie Drenthe inhoudelijk gereageerd op het TAM-omgevingsplan, twee aspecten uit de Omgevingsvisie Drenthe vergen specifieke aandacht, te weten landschap en cultuurhistorie. Het advies van de provincie is verwerkt in de toelichting, voor de volledige adviesbrief wordt doorverwezen naar bijlage 6. Het voornemen wordt ten aanzien van vooroverleg aan de provincie Drenthe voorgelegd. 8.1.3 Waterschap Drents Overijsselse Delta In het kader van de watertoets is via de website www.dewatertoets.nl een digitale toets uitgevoerd. Daarnaast is op 25 juli contact opgenomen met het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Op 28 september 2025 heeft het Waterschap een inhoudelijke reactie verstrekt; de volledige reactie is opgenomen in bijlage 7. 8.1.4 Inspraak De initiatiefnemer is in overleg geweest met belanghebbenden. In paragraaf 7.2.2 is dit nader uitgewerkt. 8.1.5 Zienswijzen Deze paragraaf wordt na de inzagetermijn ingevuld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westerveld&id=d307fb1d-84f2-4904-a48d-6d0a614527d6