Onderbouwing TAM-omgevingsplan Lange Drift 6 Wateren
Tekst van het document
TOELICHTING TAM-IMRO Lange Drift 6, Wateren ____ IMRO-nummer: NL.IMRO.1701.509TAMLD6W-0002
Onderneem het zeker.
deomgevingsadviseurs.nl
Colofon TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Lange Drift 6 Wateren
Datum: 13 november 2025 Versie: Definitief IMRO-nummer: NL.IMRO.1701.509TAMLD6W-0002 ____ In opdracht van: Maatschap M.G.J.M Verbaarschot en J.F.L. Verbaarschotvan der Horst Lange Drift 6 8438 SE Wateren ____ Opgesteld door: De Omgevingsadviseurs Dokter Stolteweg 2 8025 AV Zwolle deomgevingsadviseurs.nl CS 📞 (06) 82 95 18 05 ✉
c.seinen@deomgevingsadviseurs.nl
____ Gecontroleerd door: Karlijn Waaijman ____ De vermelde medewerkers in deze rapportage gaan akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.
Inhoudsopgave 1
Inleiding
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Ligging van het plangebied
5
1.3
De bij het plan behorende stukken
6
1.4
Het Omgevingsplan
6
1.5
Leeswijzer
9
2
Huidige situatie
10
3
Planbeschrijving
12
3.1
De Ontwikkeling
12
3.2
Landschappelijke inpassing
15
3.3
Verkeer en parkeren
17
4
Beleidskader
20
4.1
Rijksbeleid
20
4.2
Provinciaal beleid
22
4.3
Beleid Waterschap
26
4.4
Gemeentelijk beleid
27
5
6
Aspecten van de Fysieke Leefomgeving
31
5.1
Geluid door activiteiten
31
5.2
Bodemkwaliteit
34
5.3
Luchtkwaliteit
34
5.4
Omgevingsveiligheid
35
5.5
Geur
37
5.6
Archeologie & cultuurhistorie
39
5.7
Wateraspecten
41
5.8
Natuur
41
5.9
Gezondheid
45
5.10
Duurzaamheid
46
5.11
Besluit Milieueffectrapportage
46
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
48
3
6.1
Inleiding
48
6.2
Opzet van de regels
48
6.3
Verantwoording van de regels
50
7
Uitvoerbaarheid
52
7.1
Economische uitvoerbaarheid
52
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
52
Vooroverleg, inspraak en zienswijzen
53
8 8.1
Vooroverleg
53
Bijlagen Bijlage 1 Landschappelijke inrichting Bijlage 2 Resultaat watertoets Bijlage 3 Uitgangspunten waterbelangen Bijlage 4 Toelichting bij AERIUS-berekeningen- aanvraag Natura-2000 activiteit Bijlage 5 Quickscan flora en fauna Bijlage 6 Advies provinciaal belang omgevingswet (1003281) (ondertekend) Lange Drift 6 Wateren Bijlage 7 Reactie Waterschap Drents Overijsselse Delta
4
1 Inleiding 1.1
Aanleiding
In het landelijk gebied van de gemeente Westerveld, aan de Lange Drift 6 te Wateren, bevindt zich een agrarisch erf. Het voorgestelde initiatief beoogt de transformatie van het agrarische bedrijf voor het houden van landbouwhuisdieren naar een agrarisch bedrijf voor het bewerken van landbouwgronden (akkerbouw). Daarnaast wordt een groot deel van de bestaande bebouwing gesloopt en ingezet voor de realisatie van een bouwkavel voor een compensatiewoning inclusief bijgebouw. De compensatiewoning betreft een regulier woonperceel. De beoogde ontwikkeling is in strijd met het geldende ‘Omgevingsplan gemeente Westerveld’. Om voorliggend initiatief mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan nodig. De gemeente Westerveld heeft middels een principebesluit (d.d. 30 september 2024) besloten om onder voorwaarden medewerking te verlenen aan deze ontwikkeling. Hiervoor dient te worden aangetoond dat het voornemen in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet hierin.
1.2
Ligging van het plangebied
De locatie is gelegen aan de Lange Drift in het buitengebied van Wateren. De locatie bevindt zich op circa 1,5 kilometer van de kern Wateren. In figuur 1 wordt de ligging van de locatie ten opzichte van Wateren en de directe omgeving weergegeven.
Figuur 1 Ligging plangebied (bron: plattekaart.nl)
5
1.3
De bij het plan behorende stukken
Het TAM-omgevingsplan “TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Lange Drift 6 Wateren” bestaat uit de volgende stukken: •
Verbeelding (tek. nr. NL.IMRO.1701.509TAMLD6W-0002) en een renvooi;
•
Regels (met bijbehorende bijlagen).
Op de verbeelding zijn de functies en gebiedsaanwijzingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld met een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van de wijziging van het omgevingsplan “TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Lange Drift 6 Wateren”.
1.4
Het Omgevingsplan
1.4.1 Geldend omgevingsplan Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Hiermee is het omgevingsplan nu het juridische kader voor de gemeente om aan te geven welke functies per locatie zijn toegestaan. Hiervoor was dit het bestemmingsplan. De gemeente heeft wettelijk tot en met 2031 de tijd om alle bestemmingsplannen te vervangen door een definitief omgevingsplan. Omdat veel gemeentes nog geen definitief omgevingsplan hebben opgesteld, is vaak het bestemmingsplan nog van rechtswege het beoordelingskader. Dit is in onderhavige situatie ook het geval. Voor de bedrijfslocatie van initiatiefnemers (Lange Drift 6 te Wateren) geldt het bestemmingsplan ‘BuitengebiedDiever- agrarische gronden’, vastgesteld op 23 april 1997. De bedrijfslocatie heeft volgens dit bestemmingsplan de volgende bestemmingen en aanduiding: - Enkelbestemming Agrarisch 2 - Dubbelbestemming Waarde Archeologie 3 - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – agrarisch bedrijfskavel grondgebonden bedrijf. Hieronder is de verbeelding en de bestemmingen volgens het geldende bestemmingsplan weergegeven.
6
Figuur 2 Uitsnede planlocatie ‘Buitengebied Diever – agrarische gronden’ dat op 23 april 1997 is vastgesteld
7
Figuur 3 Verbeelding behorende bij bestemmingsplan “Buitengebied 2012” (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl) 1.4.2 Beschrijving bestemmingen Op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied” zijn de gronden bestemd als ‘Agrarisch -2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ met de functie aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – agrarische bedrijfskavel grondgebonden bedrijf’. De voor 'Agrarisch - 2' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor: a. het agrarisch grondgebruik; b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch - agrarische bedrijfskavel grondgebonden bedrijf”; …… f. het wonen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse van een agrarische bedrijfskavel; g. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, natuurlijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden; h. doeleinden van natuurontwikkeling en agrarisch natuurbeheer; i. extensief dagrecreatief medegebruik van bestaande infrastructuur en voorzieningen; j. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van karakteristieke bijgebouwen; De voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden, zijn behalve voor andere daar voorkomende functies mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden.
Voor deze gronden geldt een onderzoeksplicht bij grondingrepen met een oppervlakte van meer dan 1.000 m2. 1.4.3 Volledige beschrijving strijdigheden met geldend bestemmingsplan Op de locatie blijft een agrarisch bedrijf ten behoeve van akkerbouw met bijbehorende bedrijfswoning aanwezig. Daarnaast wordt via de rood-voor-rood regeling een nieuw bouwkavel voor de bouw van een compensatiewoning inclusief bijgebouw gerealiseerd. Op basis van het geldende omgevingsplan is reguliere bewoning niet toegestaan binnen de bestemming ‘Agrarisch-2’. Daarnaast moet worden vastgelegd dat op onderhavige locatie
8
geen landbouwhuisdieren meer worden gehouden. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in de gewenste juridische planologische kaders om het voornemen te kunnen realiseren. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAM) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-omgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAM-omgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn. Hier wordt in hoofdstuk 6 nader op ingegaan.
1.5
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied in de huidige situatie. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de gewenste situatie, de planbeschrijving, maar ook de landschappelijke inpassing en de aspecten verkeer en parkeren. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Drenthe, het waterschap en de gemeente Westerveld beschreven. In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten in de fysieke leefomgeving de revue. In hoofdstuk 6 wordt de ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Tot slot wordt in hoofdstuk 8 vooroverleg, inspraak en zienswijzen besproken.
9
2 Huidige situatie Het plangebied ligt aan de Lange Drift 6 te Wateren. Het plangebied staat kadastraal bekend als DVR-A-1815 (Diever). Hierna wordt de ruimtelijke structuur van de omgeving kort uitgelicht. De omgeving kenmerkt zich door de aanwezigheid van enkele agrarische bestemmingen en woonbestemmingen. Daarnaast liggen er meerdere recreatieparken rondom de planlocatie. Op onderhavig bedrijf wordt op dit moment nog melkvee en bijbehorend jongvee gehouden. Daarnaast bewerken initiatiefnemers landbouwgronden met een oppervlakte van circa 35 ha. Figuur 3 geeft een luchtfoto van de planlocatie weer. Te zien zijn de gebouwen, voorzieningen en bijbehorende functies.
Mestbassin Kuilvoerplaten
Jongveestal
Bedrijfswoning g
Ligboxenstal
Berging
Sleufsilo
Figuur 3 Huidige situatie Lange Drift 6
Het bedrijf beschikt over een milieutoestemming uit 2010. Deze toestemming, zijnde een milieumelding, is afgegeven voor het houden van 95 melkkoeien en 58 stuks jongvee. Figuur 4 geeft de omgeving rondom het plangebied weer. De Lange Drift wordt enkel gebruik voor bestemmingsverkeer, dit is een doodlopende weg en gaat daarna over in een zandpad.
10
Het plangebied ligt ten zuidoosten van Zorgvlied. De kern van Wateren ligt hemelsbreed op circa 1 km afstand.
Figuur 4 Omgeving Lange Drift 6
11
3 Planbeschrijving In hoofdstuk 2 is ingegaan op de huidige situatie in het plangebied. In dit hoofdstuk wordt op de beoogde ontwikkeling zelf ingegaan.
3.1
De Ontwikkeling
3.1.1 LBV+ regeling Initiatiefnemers nemen deel aan de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties (LBV+). Volgens deze regeling wordt het huidige veehouderijbedrijf gezien als een ‘piekbelaster’, oftewel een bedrijf met een hoge uitstoot op stikstofgevoelige natuurgebieden. Voorwaarden van de regeling is (onder andere) dat binnen 12 maanden na ondertekening van de LBV+-overeenkomst de ondernemer moet: • •
stoppen met het houden van landbouwhuisdieren voor productie en hiervoor de productierechten laten vervallen en vastleggen dat er op de bedrijfslocatie geen landbouwhuisdieren voor productie meer gehouden mogen worden.
3.1.2 Gebouwen Ten behoeve van de deelname aan de beëindigingsregeling moeten de dierenverblijven, mestkelders en -silo’s, sleuf- en voersilo’s gesloopt en verwijderd worden. Initiatiefnemers gaan een groot deel van de bestaande gebouwen slopen, maar willen ook een aantal gebouwen behouden. De ligboxenstal, sleufsilo, kuilvoerplaat en de mestsilo worden gesloopt/verwijderd. Ook een groot deel van de verharding wordt verwijderd. De bestaande berging blijft behouden voor privé opslag. Initiatiefnemers willen de jongveestal behouden en hier een werktuigenberging realiseren. De mestkelder onder deze jongveestal ( 600 m3) willen ze behouden en voorzien van een dichte vloer. De mestkelder wordt alleen in de winter gebruikt voor de opslag van mest. Dit voor het bewerken van het land. Het bergen van de machines en werktuigen in de voormalige jongveestal voorkomt dat de machines allemaal buiten moeten staan en het erf rommelig oogt. Deze stal staat achter de woning en naast de bestaande berging. De bestaande berging is voorzien van groen damwandprofiel. Het voorste gedeelte van de jongveestal is ook voorzien van groen damwandprofiel en groene deuren. Doordat de gebouwen deels bestaan uit hetzelfde materiaal en zijn uitgevoerd in dezelfde kleur, hebben de gebouwen een samenhangende en rustige uitstraling. Op onderstaande figuur is de beoogde situatie weergegeven.
De rood gearceerde vlakken geven de gebouwen en voorzieningen weer die gesloopt worden. Te zien is dat de woning, de bestaande berging en jongveestal behouden blijven.
12
Figuur 5 Te slopen en te behouden bebouwing en verharding Onderstaande foto’s tonen de gebouwen die initiatiefnemers willen behouden.
Figuur 6 Te behouden berging
13
Figuur 7 Huidige jongveestal, om te bouwen naar werktuigenberging Voor de beoogde activiteiten willen initiatiefnemers de agrarische bestemming behouden. Tevens wordt vastgelegd dat op de locatie geen landbouwhuisdieren voor productie meer worden gehouden. Bij het akkerbouwbedrijf worden nog enkele dieren gehouden voor de hobby, niet zijnde landbouwhuisdieren (zoals bedoeld in de Lbv-regeling). Deze dieren zullen voornamelijk buiten lopen voor begrazing van de gronden rond de bedrijfsgebouwen. 3.1.3 Ruimte voor ruimte regeling Initiatiefnemers willen gebruik maken van de ‘ruimte voor ruimte‘ regeling. De sloopmeters van de te slopen gebouwen worden hiervoor ingezet. De ligboxenstal brengt de volgende sloopmeters op: •
Ligboxenstal
951 m2
Voor één compensatiewoning dient 750 m2 gesloopt te worden. Onderhavig plan voldoet hieraan. De beoogde compensatiekavel wordt gerealiseerd op het eigen erf. De nieuwe woning wordt gesitueerd binnen het bouwvlak aan de noordoost kant. De kavel van de compensatiewoning krijgt een oppervlakte van circa 1.000 m 2 voor het realiseren van een vrijstaande woning van 150 m2 en een bijgebouw(en) van maximaal 100 m2. Zowel het erf van initiatiefnemers als de kavel van de compensatiewoning worden landschappelijk ingepast. De nieuwe woning krijgt een eigen inrit. Tussen het bestaande erf en de nieuwe kavel wordt een natuurlijk afscheiding in de vorm van een singel gerealiseerd. Ook wordt een groot deel van de verharding op het erf verwijderd. In de ‘woonvisie 2019 – 2025’ van de gemeente Westerveld staat beschreven dat er binnen de gemeente sprake is van een enorme woningbehoefte. Volgens de visie is er een potentieel tekort, zie hiervoor onderstaand knipsel.
14
Figuur 8 Knipsel Woonvisie Gemeente Westerveld Voor de gemeente Westerveld is het van belang om jongeren en starters aan de gemeente te binden, nieuwe gezinnen een aantrekkelijk woonmilieu te bieden en ontwikkeling te houden in de dorpen. Daarom wil de gemeente ruimte blijven bieden aan nieuwe ontwikkelingen. De beoogde woningbouwkavel van initiatiefnemers draagt positief bij aan het potentiële woningtekort in de gemeente. In figuur 8 is te zien dat er een tekort is aan onder andere ‘vrijstaand middelduur’ en ‘vrijstaand duur’. In deze woningen voorziet het beoogde plan.
3.2
Landschappelijke inpassing
In bovenstaande paragrafen is de gewenste ontwikkeling beschreven. Hieronder wordt onderbouwd hoe het plan rekening houdt met de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden. De waardering van de landschappelijke kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. De landschappelijke kwaliteit maakt integraal onderdeel uit van de taak van overheden om in een omgevingsplan te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit zijn in paragraaf 5.1.5 van het Bkl instructieregels opgesteld voor het beschermen van deze kwaliteiten. Deze gaan over de volgende onderwerpen: • Kustbescherming; •
Waddenzee en Waddengebied;
•
Cultureel erfgoed en werelderfgoed;
•
Landelijke fiets- en wandelroutes;
•
Ladder voor duurzame verstedelijking.
15
Het aspect ‘cultureel erfgoed en werelderfgoed’ wordt in paragraaf 5.6.3 van onderhavige toelichting behandeld. In onderstaande alinea’s wordt besproken hoe de gebiedsspecifieke landschappelijke kwaliteiten middels de voorgenomen ontwikkeling wordt versterkt. De planlocatie ligt in een gebied dat getypeerd wordt als ‘esdorpenlandschap’. De provincie Drenthe heeft voor dit type landschap beleid en regels geformuleerd, onder andere in de provinciale omgevingsverordening, welke in paragraaf 5.6.3 ook aan de orde komt. Het beleid is in dit geval gericht op het behouden van de open ruimte en het versterken van esrandbeplanting. Daarnaast is het ook gericht op het onbebouwde karakter en het versterken van karakteristieke beekdal(rand)beplanting. Voor de planlocatie is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het landschappelijk inpassingsplan is bijgevoegd als bijlage 1. Een knipsel van de beoogde situatie volgens het inpassingplan is weergegeven in figuur 9. In onderhavig plan neemt de hoeveelheid bebouwing af, hetgeen ten goede komt aan het behouden (in dit geval versterken) van de open ruimte. De nieuw te bouwen woning wordt landschappelijk ingepast door gebruik te maken van een groene omzooming met inheemse bomen en planten. Het gebruik van deze inheemse en streekeigen bomen en planten versterkt de historische en ecologische context van het gebied.
De opmerkingen vanuit de provincie zijn verwerkt in de landschappelijke inpassing, zo is de inrit ingetekend naar de woning en het bijgebouw. Ook zijn de parkeerplaatsen geclusterd voor het bijgebouw. Het land rondom is van de initiatiefnemers dus hier kan een strook van 50 meter vanaf de nieuwe worden ‘bestemd’ als spuitzone. Wat betekend dat hier geen gewasbescherming gebruikt mag worden. De nieuwe kavel is zo gesitueerd dat er zo min mogelijk agrarische grond binnen de 50 meter ‘wegvalt’. Het bestaande bouwvlak is opgenomen uit de bestemmingsplannen ‘Buitengebied 2012’ en Buitengebied 2018’.
16
Figuur 9 Knipsel landschappelijk inpassingsplan beoogde situatie
3.3
Verkeer en parkeren
3.3.1 Algemeen De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan 2020-2030 (GVVP). Ten aanzien van de parkeernormen wordt daarin vermeld dat bij nieuwe ontwikkelingen de parkeerkencijfers uit de CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren - van parkeerkencijfers naar parkeernormen) als parkeernorm worden gehanteerd. In onderhavige onderbouwing wordt uitgegaan van de meest recente gegevens uit de CROW kerncijfers parkeren en verkeergeneratie 2024 (publicatie 744). Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigd aantal parkeerplaatsen. 3.3.2 Uitgangspunten Onderhavige locatie wordt gewijzigd naar een akkerbouwbedrijf met bedrijfswoning en een bouwkavel voor een compensatiewoning met bijgebouw. Voor de onderbouwing van de onderwerpen verkeer en parkeren wordt voor de nieuw te bouwen woning gebruik gemaakt van de CROW kerncijfers. Voor de mate van verstedelijking wordt uitgegaan van ‘niet stedelijk’. Voor het akkerbouwbedrijf inclusief bedrijfswoning wordt uitgegaan van de verkeersbewegingen die ook zijn bepaald ten behoeve van de vergunningaanvraag voor de Natura 2000-activiteit en bijbehorende AERIUS-berekening.
17
3.3.3 Akkerbouwbedrijf Initiatiefnemers beëindigen hun veehouderijbedrijf. In plaats daarvan starten zij op de locatie een akkerbouwbedrijf. Ten opzichte van de oude situatie waarbij landbouwhuisdieren werden gehouden, daalt de verkeersintensiteit ten opzichte van de nieuwe situatie met een akkerbouwbedrijf drastisch. Van in totaal bijna 2000 externe vervoersbewegingen (zwaar en licht verkeer) gaat het naar ongeveer 500 externe vervoersbewegingen (zwaar en licht verkeer). Zie onderstaande figuur 10 (referentiesituatie) en figuur 11 (beoogde situatie). Hier zijn de vervoersbewegingen van de bedrijfswoning ook meegeteld. Externe vervoersbewegingen, stationair draaien · Referentiesituatie
Emissiefactoren
draaitijd stationair stationair NH3 (g/u) (g/u) Nox (u/j)
type verkeer
vervoersbewegingen per jaar
Personenauto's
Licht
200
4,9
4,24
Inseminator auto
Licht
240
5,9
4,24
Veehandelaar (auto met veewagen)
Middel
52
1,3
Veearts met auto
Licht
36
Bedrijfsbusje divers
Middel
Kunstmest strooien
Emissies stationair draaien
Nox (kg/j)
NH3 (kg/j)
0,17
0,02
0,00
0,17
0,03
0,00
64,65
0,71
0,08
0,00
0,9
4,24
0,17
0,00
0,00
124
3,1
64,65
0,71
0,20
0,00
Zwaar
50
1,2
92,49
0,90
0,11
0,00
Diverse landwerkzaamheden
Zwaar
232
5,7
92,49
0,90
0,53
0,01
Inkuilen, X keer per jaar, X trekkers
Zwaar
120
3,0
92,49
0,90
0,27
0,00
Bemesten, X keer per jaar
Zwaar
286
7,0
92,49
0,90
0,65
0,01
Vrachtwagen krachtvoer
Zwaar
30
0,7
92,49
0,90
0,07
0,00
Vrachtwagen kunstmest
Zwaar
6
0,1
92,49
0,90
0,01
0,00
Vrachtwagen gasolie
Zwaar
6
0,1
92,49
0,90
0,01
0,00
Vrachtwagen mest afvoer
Zwaar
26
0,6
92,49
0,90
0,06
0,00
Vrachtwagen divers
Zwaar
40
1,0
92,49
0,90
0,09
0,00
Vrachtwagen dieren ophalen/ontvangen
Zwaar
86
2,1
92,49
0,90
0,20
0,00
Vrachtwagen melk halen
Zwaar
244
6,0
92,49
0,90
0,56
0,01
Totaal:
2,90
0,03
Figuur 10 Externe vervoersbewegingen referentiesituatie
Externe vervoersbewegingen, stationair draaien · Beoogde situatie
Emissiefactoren
type verkeer
vervoersbewegingen per jaar
Personenauto's
Licht
150
3,7
4,24
Bedrijfsbusje divers
Middel
44
1,1
64,65
Kunstmest strooien
Zwaar
20
0,5
Diverse landwerkzaamheden
Zwaar
82
Vrachtwagen gasolie
Zwaar
Vrachtwagen divers
draaitijd stationair stationair Nox (g/u) NH3 (g/u) (u/j)
Emissies stationair draaien
Nox (kg/j)
NH3 (kg/j)
0,17
0,02
0,00
0,71
0,07
0,00
92,49
0,90
0,05
0,00
2,0
92,49
0,90
0,19
0,00
6
0,1
92,49
0,90
0,01
0,00
Zwaar
10
0,2
92,49
0,90
0,02
0,00
Vrachtwagen mest aanvoer
Zwaar
80
2,0
92,49
0,90
0,18
0,00
Akkerbouwgewassen ophalen
Zwaar
120
3,0
92,49
0,90
0,27
0,00
Totaal:
0,81
0,01
Figuur 11 Externe vervoersbewegingen beoogde situatie Parkeren voor het akkerbouwbedrijf vindt plaats op eigen erf. Op het erf is voldoende verharding aanwezig om te voorzien in de parkeerbehoefte. 3.3.4 Parkeerbehoefte nieuw te bouwen woning In de publicatie van de CROW zijn de parkeernormen per functie uiteengezet waarbij wordt uitgegaan van een minimum en een maximum. In de beoogde situatie is sprake van een vrijstaande woning in niet stedelijk gebied.
18
In het buitengebied geldt dan een parkeernorm per woning van 1,7 - 2,5. Het uitgangspunt voor parkeren is dat er binnen het plangebied voldoende ruimte beschikbaar moet zijn om aan de parkeerbehoeften te voldoen. Voor de extra woonbestemming moeten er daarom 2,5 (afgerond naar 3) parkeerplaatsen worden gerealiseerd. De parkeerplekken bij de nieuw te bouwen woning staan weergegeven in het landschappelijk inpassingsplan. Vanwege de omvang van het plangebied kan deze parkeeropgave gemakkelijk op eigen terrein worden vervuld. Hieruit volgt dat het 'parkeren' geen belemmering vormt voor de voorgestelde ontwikkeling binnen dit plan. 3.3.5 Verkeersgeneratie nieuw te bouwen woning In de CROW publicatie worden normen gegeven voor de verkeersgeneratie per functie waarbij uitgegaan wordt van een minimum en een maximum. In de beoogde situatie is sprake van een vrijstaande woning in niet stedelijk gebied. De bijbehorende verkeersgeneratie volgens de CROW publicatie is 7,8 - 8,6. Ten behoeve van de compensatiewoning wordt een nieuwe ontsluiting gerealiseerd aan de Lange Drift. Deze weg heeft voldoende capaciteit om het extra verkeer vanuit de woning op te vangen. De ontwikkeling leidt dan ook niet tot verkeersproblemen. 3.3.6 Conclusie Ten aanzien van de beoogde activiteiten ten opzichte van de oorspronkelijke veehouderijbedrijf, daalt de verkeersintensiteit drastisch.
Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
19
4 Beleidskader Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal-, waterschaps- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
4.1
Rijksbeleid
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 4.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 4.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1.Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.
Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.
Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
20
4.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties.
4.1.2 Instructieregels Rijk (Amvb’s) Artikel 8.0b, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert.
Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat: waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2) beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3) beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen.
Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Zie stap 11f van hoofdstuk 3. In de onderbouwing moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden Hierna is een uitwerking gegeven inzake de Ladder voor duurzame verstedelijking, omdat deze in de praktijk veel voorkomt.
21
4.1.3 Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het Rijksbeleid 4.1.3.1 Toetsing van het initiatief aan de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Voor wat betreft het omzetten van een veehouderij naar een akkerbouwbedrijf en het toevoegen van een extra woning wordt vermeld dat de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zich niet specifiek uitlaat over lokale ontwikkelingen, zoals de ontwikkeling in de onderliggende onderbouwing. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen Rijksbelangen zoals opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie. 4.1.3.2 Toetsing van het initiatief aan instructieregels Rijks (Amvb’s) In deze toelichting wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op de in paragraaf 4.1.2 genoemde onderwerpen, voor zover deze relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling. 4.1.3.3 Toetsing van het initiatief aan de Ladder voor duurzame verstedelijking Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). Er zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze begripsdefinitie. Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Er is geen ondergrens bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is.
Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang (toename van bebouwing of ruimtegebruik) van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Uit afdelingsjurisprudentie blijkt dat voor het realiseren van woningen geldt, dat woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen worden gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling en dus ladderplichtig. Hieronder worden deze uitspraken weergegeven: • 11 woningen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) • 12 woningen wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953). Het voorliggende initiatief beperkt zich echter tot het omzetten van een veehouderij naar een akkerbouwbedrijf en het toevoegen van één enkele woning wat betekent dat er geen extra ruimtebeslag is. Daarom is geen verdere beoordeling aan de Ladder noodzakelijk.
4.2
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste betreffen de Omgevingsvisie Drenthe 2022 en de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe (versie 2023). 4.2.1 Omgevingsvisie Drenthe 2022 4.2.1.1 Algemeen Met de Omgevingsvisie Drenthe 2022 geeft de provincie invulling aan de verplichte strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving op grond van de Omgevingswet. De Omgevingsvisie gaat in op de samenhang tussen landbouw, natuur, water, wonen, werklocaties, verkeer en vervoer, landschap en cultureel-, aardkundig- en archeologisch erfgoed. De visie beschrijft de provinciale belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing, beschrijft het beleid en schetst de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van Drenthe richting 2030. De Omgevingsvisie 2022 is een geactualiseerde versie van de Omgevingsvisie 2018. De maatschappij verandert snel, en het provinciale beleid verandert mee. Al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving dat sinds 2018 nieuw of gewijzigd is vastgesteld, is doorgevoerd in de Omgevingsvisie 2022.
4.2.1.2 Ruimtelijke kwaliteit en robuuste systemen De provincie Drenthe verwoordt haar missie als volgt: ‘Het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe, passend bij deze kernkwaliteiten.’ Onder de Drentse kernkwaliteiten worden landschap, cultuurhistorische waarden, archeologische waarden, aardkundig erfgoed, natuur, stilte en duisternis verstaan. De missie draagt uit dat de provincie Drenthe bij nieuwe ontwikkelingen bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de provincie. Onder ‘bruisend Drenthe’ verstaat de provincie Drenthe een provincie waar
22
het goed wonen en werken is en waar voor jong en oud veel te beleven valt. Een provincie waar ondernemerschap, cultuur en sport floreren. Deze missie wordt vervolgens verwoordt in de visie ‘Ontwikkeling van robuuste systemen mét ruimtelijke kwaliteit.’ De provincie Drenthe ordent de ruimte van de provincie in vier functies: natuur, landbouw, water en sociaaleconomisch. Voor deze functies streeft de provincie naar robuustheid. Dat betekent dat een functie zo stevig is, dat het weinig gevoelig is voor verstoringen. Hiervoor zijn de volgende robuuste systemen aangewezen: • Het robuust sociaaleconomisch systeem: heeft betrekking op wonen, werklocaties, infrastructuur en een gezond economisch klimaat; • Het robuust landbouwsysteem: heeft betrekking op de ontwikkeling van een toekomstgerichte landbouw; • Het robuust natuursysteem: heeft betrekking op de natuurgebieden en de verbindingen die de ruggengraat vormen voor de natuur; • Het robuust watersysteem: betreft de samenhang van beken en kanalen die zorgdragen voor een optimaal waterbeheer. 4.2.1.3 Uitwerking robuuste systemen Gelet op vorenstaande is voor onderhavig voornemen voornamelijk het robuust sociaaleconomisch systeem, robuust landbouwsysteem en robuust natuursysteem relevant. Onderstaand is dit nader uitgewerkt. Robuust sociaaleconomisch systeem Ten aanzien van het voornemen is met name het thema wonen relevant.
Wonen De woningnood in Nederland wordt ook gevoeld in Drenthe. De regio Oost-Drenthe is door het Rijk aangewezen als één van de regio’s waar de bevolkingskrimp in Nederland het sterkt is, maar deze laat zich vooralsnog niet vertalen in huishoudenskrimp. Dit komt omdat huishoudens steeds kleiner worden, waardoor de krimp opgevangen wordt door de vraag naar de woningen. De autonome woningbouwopgave in Drenthe krijgt tot 2020 te maken met een daling van het aantal huishoudens, maar hier tegenover staat dat vanuit Groningen en Zwolle sprake is van een regionaal overkokende woningvraag die landt in de Drentse gemeenten. Per saldo betekent dit een woningbehoefte van ca. 10.000 tot 20.000 extra woningen tot en met 2030. De provincie zet in om toekomstbestendige woningen voor jong en oud. Dat betekent duurzaam, betaalbaar en passend bij de woonwens. Toetsing van het initiatief aan het sociaaleconomisch systeem Het voornemen ziet toe op het toevoegen van één woning, gebruik makend van de rood-voor-rood regeling. Met onderhavig voornemen wordt voorzien in de woningbehoefte. Dit sluit aan bij de visie van provincie Drenthe. Robuust landbouwsysteem Economisch gezien is de landbouw en agribusiness voor Drenthe een belangrijke sector.
Drenthe wil inspelen op de grote opgaven voor een toekomstgerichte landbouw waarbij landbouw, verdienmodellen, natuur en leefbaarheid met elkaar in balans zijn. De provincie ondersteunt agrariërs in de grote landbouwopgaven en helpt agrariërs zoeken naar maatregelen die bij de bedrijfsvoering passen om doelen te halen die bijdragen aan de verduurzaming van hun bedrijfsvoering. Robuust natuursysteem Gelet op het voornemen zijn binnen het natuursysteem met name de thema’s Natuurnetwerk Nederland relevant. Toetsing van het initiatief aan het robuust landbouwsysteem Initiatiefnemer neemt deel aan de LBV+ regeling in het kader van het verlagen van de landelijke stikstofdepositie. Hiermee draagt initiatiefnemer bij aan de verduurzaming van de landbouw. Het omzetten van de veehouderij naar een akkerbouwbedrijf sluit aan bij een toekomstgerichte landbouw in samenhang met een passend verdienmodel.
23
Robuust natuursysteem Drenthe heeft bijzondere natuur. De provincie werkt aan het herstellen en verbeteren van natuur in heel Drenthe. De provincie heeft in haar omgevingsvisie onderscheid gemaakt in een viertal gebiedstypen: • • Natuurlijk proces (gebieden waar natuurlijke processen de ruimte krijgen) • • Bestaande patronen (gebieden waar beheer gericht is op het in stand houden van bestaande patronen van natuur, landschap en cultuurhistorie) • • Agrarisch gebruik (boerenland natuur, waar agrarisch gebruik leidend is) • • Wonen en werken (stedelijke gebieden met overgangen stad-land, die door ecologisch beheer bij kunnen dragen aan kwaliteit van natuur en landschap) Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een robuuste, samenhangende structuur van natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden, ecologische verbindingen en agrarische gebieden met hoge natuurwaarden, bijvoorbeeld gebieden met agrarisch natuurbeheer. Bij de ontwikkeling van het NNN zet de provincie in op het verbinden van natuurgebieden en slechten van barrières, het herstel en verbeteren van milieucondities en het benutten van slimme combinaties met andere beleidsopgave, zoals Kaderrichtlijn Water (KRW), water vasthouden en klimaatbuffers en recreatief medegebruik.
Bij nieuwe activiteiten of wijziging van activiteiten zoekt de provincie aansluiting bij bestaande voorzieningen en de balans tussen beschermen, beleven en benutten. Hierbij gelden onder andere de regels van de Provinciale Omgevingsverordening. De komende jaren komen er hectares nieuwe natuur bij en gaat de provincie de kwaliteit van de natuur verbeteren. De provincie zorgt er samen met maatschappelijke partners voor dat de Drentse natuur robuust wordt. Een vitaal platteland is hierin een van de speerpunten. Toetsing van het initiatief aan het natuursysteem Het plangebied ligt naast het NNN Het Drents-Friese Wold & Leggelderveld, niet erin. In de huidige situatie betreft het plangebied een veehouderij met bijbehorende gronden. Met de beoogde ontwikkeling wordt de veehouderij beëindigd en wordt het bedrijf omgezet in een akkerbouwbedrijf. De beoogde ontwikkeling heeft als doel het verminderen van schadelijke effecten op de natuur, specifiek door het verminderen van stikstofdepositie op habitats die daar gevoelig voor zijn. Gesteld kan daarom worden dat het initiatief in positieve zin bijdraagt aan de beleidsdoelstellingen van de provincie. Het realiseren van een tweede woning op de planlocatie brengt geen inbreuk met zich mee op het in stand houden van bestaande patronen of het wegnemen van bestaande landschapspatronen.
4.2.1.4 Toetsing van het initiatief aan Omgevingsvisie Drenthe Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de ‘Omgevingsvisie Drenthe’. 4.2.2 Omgevingsverordening Drenthe De provinciale omgevingsverordening is een instrument om het omgevingsbeleid uit de provinciale Omgevingsvisie uit te kunnen voeren. In de verordening staan de regels die bij deze plannen en ideeën gelden. Gemeenten en waterschappen moeten aan de regels uit deze verordening voldoen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen. In voorliggend geval zijn de volgende artikelen uit de Omgevingsverordening van belang: • artikel 3.1 (Kernkwaliteit Landschap) • artikel 3.11 (Grondgebonden agrarisch bedrijf) • artikel 3.15 (Ruimte-voor-ruimte regeling) Artikel 3.1 Kernkwaliteit Landschap 1. Kernkwaliteit Landschap bestaat uit: a. Esdorpenlandschap;
24
b. c. d. e. f. g. h. i.
Esgehuchtenlandschap; Wegdorpenlandschap van de laagveenontginning; Wegdorpenlandschap van de veenrandontginning; Landschap van de Veenkoloniën; Landschap van de koloniën van Weldadigheid; Macrogradiënt; Wegpanorama; Harde grens stad en land.
2. De landschappelijke kernkwaliteiten zijn voor elk gebied uitgewerkt in de Bijlage 1 Kernkwaliteiten Landschap. 3. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een locatie gelegen in de Kernkwaliteit Landschap: a. houdt rekening met het behoud van de aanwezige kernkwaliteiten, en; b. bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan. 4. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een stads- of dorpsrand houdt rekening met de aanwezige landschappelijke waarden. Toetsing van het initiatief aan Artikel 3.1 Kernkwaliteit Landschap Het plangebied is gelegen binnen het Esdorpenlandschap. Het esdorpenlandschap is een agrarisch cultuurlandschap ten voeten uit. Elk onderdeel van het landschap komt voort uit het agrarisch gebruik en is gerelateerd aan het functioneren van de lokale agrarische dorpsgemeenschap, met de boermarken als het oorspronkelijke gezag. De esdorpen vormen vanouds de ontginningsbasis van het landschap. Ze liggen veelal op landschappelijke overgangen van nat (beekdal) naar droog (es/heide/bos). Het beleid is in dit geval gericht op het behouden van de open ruimte en het versterken van esrandbeplanting. Daarnaast is het ook gericht op het onbebouwde karakter en het versterken van karakteristieke beekdal(rand)beplanting. De voorgenomen ontwikkeling past binnen dit kader.
De open ruimte wordt behouden en wordt nog versterkt doordat per saldo na het slopen van gebouwen en het plaatsen van een nieuwe woning via de ruimte voor ruimte regeling minder bebouwd oppervlak resteert. De nieuw te bouwen woning zal landschappelijk worden ingepast. Zie hiervoor verder paragraaf 3.2 en bijlage 1. Artikel 3.11 Grondgebonden agrarisch bedrijf 1. Een omgevingsplan binnen het werkingsgebied Grondgebonden agrarische bedrijvigheid kent aan een grondgebonden agrarisch bedrijf een bouwvlak van maximaal 1,5 hectare toe, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan. 2. In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan in een groter bouwvlak voorzien, mits deze ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast blijkens een landschappelijk inpassingsplan. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid van dit artikel kunnen landschappelijke inpassing, erfbeplanting uitgezonderd, en sleuf- en mestsilo's alsmede mestplaten in het belang van de bedrijfsvoering ook buiten het bouwvlak worden gesitueerd wanneer dit een aantoonbaar wezenlijke verbetering van de ruimtelijke inpassing van een agrarisch bedrijf betekent.
Toetsing van het initiatief aan Artikel 3.11 Grondgebonden Agrarisch Bedrijf Volgens artikel 3.11 lid 1 van de Omgevingsverordening Drenthe geldt voor de kernkwaliteit Grondgebonden Agrarisch Bedrijf dat het bouwvlak maximaal 1,5 hectare mag zijn. Het huidige bouwvlak valt daarbinnen en wordt in het plan niet uitgebreid, maar juist verkleind. De erfbeplanting rond de nieuw te bouwen woning valt gedeeltelijk
25
buiten het bestaande bouwvlak (zie figuur 9). Voor een goede landschappelijke inpassing van de woning en het agrarisch bedrijf is dit noodzakelijk. Om die reden wordt de bouwvlakgrens verlegd. Artikel 3.15 lid 1 sub a Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in Landelijk Gebied, kan voorzien in een ruimte-voor-ruimte regeling als in dat gebied bedrijfsmatige of maatschappelijke bebouwing aanwezig is die de oorspronkelijke functie is verloren, mits: a.de sloopnorm voor 1 compensatiewoning ten minste 750 m² en ten minste 2.000 m² voor maximaal 2 compensatiewoningen aan bedrijfsbebouwing bedraagt; b. onverminderd het bepaalde in sub a bedraagt de sloopnorm voor 3 compensatiewoningen ten minste 3.000 m² en ten minste 4.000 m² voor 4 compensatiewoningen en ten minste 5.000 m² voor 5 compensatiewoningen. c. In afwijking van het bepaalde in sub c bedraagt de sloopnorm 6 compensatiewoningen wanneer meer dan 6.000 m² wordt gesloopt. Toetsing van het initiatief aan Artikel 3.15 Ruimte-voor-ruimte regeling De ligboxenstal die wordt gesloopt heeft een oppervlakte van 951 m². Er komt één nieuwe woning inclusief bijgebouw voor in de plaats. Het initiatief past derhalve binnen de provinciale kaders voor een ruimte-voor-ruimte regeling.
Toetsing van het initiatief aan Artikel 3.4 Kernkwaliteit Aardkundige Waarden Aardkundige waarden vertellen samen met archeologische waarden, cultuur- historisch erfgoed en het cultuurhistorisch landschap het verhaal van het landschap van Drenthe. Behoud van de aardkundige waarden is dan ook uitgangspunt. Het plangebied ligt deels in de zone ‘hoogste bescherming’ en deels in de zone ‘middel bescherming’. In deze gebieden streeft de provincie naar behoud of herstel van de context en het referentiebeeld van de aardkundige eenheid. Het zorgvuldig en verantwoord omgaan met aardkundig erfgoed vormt het vertrekpunt bij planvorming. De provincie staat ontwikkelingen alleen toe als aardkundige kwaliteiten en kenmerken worden behouden. Voor de ontwikkeling hoeven geen grootschalige grondwerkzaamheden plaats te vinden, zoals heien. Gesteld wordt dat negatieve gevolgen voor de aardkundige waarden kunnen worden uitgesloten. Voor een nadere toetsing aan archeologie wordt verwezen naar paragraaf 5.6. 4.2.3 Toetsing aan het provinciaal beleid Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid.
4.3
Beleid Waterschap
4.3.1 Vigerend beleid 4.3.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
26
4.3.1.2 Rijksbeleid Het Nationaal Waterprogramma (NWP) 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en het Beheer en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016-2021. Het NWP komt voort uit de Waterwet en met het oog op de Omgevingswet zijn deze twee plannen samengevoegd tot één programma. In het NWP staan de internationale verplichtingen voortkomend uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) en de Kaderrichtlijn Maritieme Strategie (KRM). Het Nationaal Waterprogramma geeft op hoofdlijnen het beleid aan van het Rijk in de periode 2022 – 2027. Door klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, het verlies aan biodiversiteit en ruimtedruk worden de wateropgaven steeds groter en complexer. De opgaven zijn complex door deze in samenhang met de opgaven voor energietransitie, de woningbouw, de transitie van het landelijk gebied en de verouderde infrastructuur aan te pakken. Bij de ruimtelijke inrichting van Nederland zijn daarvoor water en bodem leidend. Het vraagt daarvoor in te zetten op klimaat- en landbouwtransitie en herstel voor natuur. 4.3.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Drenthe wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten.
De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 4.3.1.4 Waterschap Drents Overijsselse Delta Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft in november 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld. Het programma bevat de uitwerking van de ambities in onze Watervisie “Meer dan water” en geeft voor de periode 2022 tot en met 2027 aan wat de maatregelen zijn om het watersysteem, de waterketen en de waterkeringen op orde te brengen en de maatschappelijke doelen van het waterschap te realiseren. Een waardevolle aanvulling op de Watervisie is de doorvertaling van de doelen en maatregelen van het waterschap in gebiedsuitwerkingen. Het plangebied is gelegen in het deelgebied ‘Stroink’.
4.3.2 Toetsing initiatief aan beleid Waterschap Drents Overijsselse Delta Voor de toetsing aan het initiatief aan het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta wordt verwezen naar paragraaf 5.7. Hier wordt verder ingegaan op de toetsing aan het beleid van het waterschap.
4.4
Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van beleidsplannen op het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsvisie en andere voor voorliggend initiatief relevante beleidsstukken. 4.4.1 Omgevingsvisie Westerveld 4.4.1.1 Algemeen Deze Omgevingsvisie bevat het toekomstbeeld van en voor de gemeente Westerveld. De omgevingsvisie is de integrale langetermijnvisie op de ontwikkeling van de gemeente en gaat over de hele fysieke leefomgeving. Voor 2040 heeft de gemeente vijf ambities: • Een bereikbaar en veilig Westerveld; • Een bedrijvig en gastvrij Westerveld; • Een leefbaar en inclusief Westerveld; • Een gezond en groen Westerveld;
27
•
Een herkenbaar en toekomstgericht Westerveld
4.4.1.2 Uitwerking deelgebiedvisie Op de Visiekaart behorende bij de Omgevingsvisie worden diverse deelgebieden gedefinieerd. Het plangebied ligt in het deelgebied ‘Oude veldontginningen’. Specifiek is hier van toepassing het landschap ‘veldontginningen’. Dit landschap wordt in de Omgevingsvisie getypeerd door: •
overwegend open, plaatselijk verdicht met bosjes, houtwallen en singels;
•
in gebruik als bouw- en grasland;
• •
percelering afhankelijk van ontginning en ruilverkaveling; bebouwing voornamelijk langs ontginningsassen.
De Omgevingsvisie formuleert voor dit gebied als hoofdkoers: De hoofdkoers van het beleid voor dit gebied blijft ongewijzigd: landbouw, natuur en recreatie kunnen zich gelijkwaardig ontwikkelen. Bestaande functies en ontwikkeling daarvan staan op de eerste plaats. De hoofdkoers in dit gebied richt zich daarom op meerdere ambities, namelijk: •
‘bedrijvig en gastvrij’ vanwege de combinatie landbouw/toerisme;
•
‘bedrijvig en gastvrij’ vanwege de beleefbare natuur;
•
‘herkenbaar’ vanwege het authentieke karakter;
•
‘groen en gezond’ vanwege de nabijheid van dorpen;
•
‘bereikbaar en veilig’ vanwege de infrastructurele verbindingen tussen dorpen en voorzieningen die door dit gebied lopen.
Gebied specifieke keuzes De Omgevingsvisie formuleert voor dit gebied de volgende specifieke keuzes: Combinatie van functies Schaalvergroting van (agrarische) bedrijven is in dit gebied moeilijk te realiseren. Dit als gevolg van de kleinschalige eigendomssituatie, de aanwezigheid van waardevolle essen, de nabijheid van andere (milieugevoelige) functies en de nabijheid van natuurgebieden. Daar waar kansen liggen, willen we deze echter faciliteren. Ontwikkeling van agrarische bedrijven zal naar verwachting met name plaatsvinden door functieverandering of functieverbreding, bijvoorbeeld met de verkoop van lokale producten. Ook daarvoor bieden we ruimte. Duurzame landbouw is hier zeker kansrijk, evenals kleinschalig en biologisch boeren. In het gebied liggen agrarische gronden die binnen de doelbegrenzing van het Natuur Netwerk Nederland vallen. De realisatie van het Natuur Netwerk Nederland vindt hier idealiter – voortbordurend op de landelijke ontwikkelingen - plaats door extensivering van de landbouw in vormen als agrarisch natuurbeheer en biologische landbouw. Boerderijen waar dit niet lukt, krijgen een andere passende functie, bijvoorbeeld wonen of kleinschalige verblijfsrecreatie.
Beleefbaarheid Tot slot, omdat dit deelgebied grenst aan bijna alle dorpen, wordt het belangrijk gevonden om dit deelgebied vanuit de dorpen zo toegankelijk en uitnodigend mogelijk te maken - waar dat nog niet het geval is. Dit sluit aan bij de gemeentebrede ambitie om bewegen te stimuleren. Daarnaast vinden we het kleinschalige en authentieke landschap belangrijk om te behouden, zeker als er allerlei ontwikkelingen in het gebied zijn. Bebouwing moet altijd passen bij de omgeving. Bij nieuwe ontwikkelingen vinden we dit belangrijk: • Het ondersteunen van functieverandering of functieverbreding van agrarisch bedrijven waar dit nieuwe kansen oplevert en de waarden over eind blijven. • In dit gebied is ruimte voor een innovatieve en dynamische recreatieve sector.
28
•
•
Ontwikkelingen, onder andere ten aanzien van opwek van duurzame energie, mogen geen afbreuk doen aan de beleefbaarheid en herkenbaarheid van het authentieke, kleinschalige landschap. Vanwege de variatie in het gebied bieden we hierin maatwerk. Gebiedsontwikkeling nabij dorpen wordt bij voorkeur gecombineerd met een functie die uitnodigt om te bewegen.
4.4.1.3 Toetsing aan de ‘Omgevingsvisie Westerveld’ Het voorliggende initiatief betreft de transformatie van een veehouderij naar een akkerbouwbedrijf waarbij bebouwing wordt gesloopt en een extra woning inclusief bijgebouw wordt bijgebouwd. Geconcludeerd wordt dat deze ontwikkeling aansluit bij het gemeentelijk beleid zoals is verwoord in de Omgevingsvisie Westerveld dat uitgaat van functieverandering van agrarische bedrijven waarbij de herkenbaarheid van het authentieke, kleinschalige landschap wordt behouden. 4.4.2 Nota Omgevingskwaliteit 4.4.2.1 Algemeen Het buitengebied van de gemeente Westerveld kent een grote verscheidenheid aan landschappen. Deze verscheidenheid is in het verleden ontstaan door verschillen in bodem, waterhuishouding etc., maar vooral door het gebruik van het land door de bewoners. Elk landschap heeft zijn eigen ontstaansgeschiedenis en daardoor zijn eigen identiteit en samenhang. De gemeente wil werken aan een aantrekkelijker en herkenbaarder landschap. Het gaat niet alleen om behoud en versterken van wat er nog rest van vroeger, maar juist ook om het inpassen van nieuwe ontwikkelingen. Voor nieuwe projectlocaties, waar een bepaalde specifieke sfeer, uitstraling en ruimtelijke kwaliteit gewenst is, is het welstandbeleidniet altijd toereikend. Een aantal projectlocaties zijn nog niet volledig afgerond.
Daar waar deze specifieke beeldkwaliteitsplannen, gekoppeld aan geldende bestemmingsplannen van kracht zijn, zijn de (gebiedsgerichte) criteria uit de beeldkwaliteitsplannen leidend en fungeert dit betreffende beeldkwaliteitsplan als toetsingskader voor de welstandsbeoordeling. Het Beeldkwaliteitsplan is bedoeld als inspiratiebron voor initiatiefnemers die een bouwaanvraag of een aanlegvergunning willen indienen. Het is tevens het toetsingskader voor de gemeenteambtenaren. Dit beeldkwaliteitsplan gaat over zowel de kenmerken en essenties van de 6 verschillende landschapstypen als de verschillen in bebouwingstypologieën binnen de gemeente Westerveld. In dit geval is met name het landschapstype van het plangebied van belang, aangezien er geen bebouwing wordt toegevoegd. 4.4.2.2 Landschapstype: ontginningskolonielandschap De gemeente Westerveld heeft in februari 2024 een Nota Omgevingskwaliteit opgesteld. In deze nota wordt voor uitgebreidere gebiedsinformatie verwezen naar het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Westerveld 2010. In de Nota Omgevingskwaliteit worden voor het buitengebied diverse Kernkwaliteiten benoemd. Het plangebied ligt in het gebied dat wordt aangeduid als ‘Veldontginningslandschap’.
Veldontginningenlandschap • overwegend open, plaatselijk verdicht met bosjes, houtwallen en singels in gebruik als bouw- en grasland • percellering afhankelijk van ontginning en ruilverkaveling • bebouwing voornamelijk langs ontginningsassen • Eenvoudige architectuur, staande ramen met bijbehorende materialisering en detaillering • Bijgebouwen zijn, ten opzichte van de hoofdvolumes, ondergeschikt vormgegeven, gepositioneerd en gematerialiseerd
29
4.4.2.3 Toetsing aan de ‘Nota Omgevingskwaliteit Westerveld Bij de situering van de nieuwe woning en bijbehorende schuur is aansluiting gezocht bij hetgeen is geschreven in het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied gemeente Westerveld. De nokrichting is haaks op de straat en de schuur staat naast/achter de woning. Voor de landschappelijke inpassing wordt aan weerzijden van de nieuwe woning beplanting aangebracht waarbij gebruik wordt gemaakt van inheemse soorten zoals notenboom, hoogstam fruitboom, bosplantsoen met o.a. vuilboom, lijsterbes en hulst. Aan de voorzijde wordt een beukenhaag geplant. Gelet op vorenstaande wordt gesteld dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de ‘Nota Omgevingskwaliteit’ van de gemeente Westerveld. 4.4.3 Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid
30
5 Aspecten van de Fysieke Leefomgeving In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld. De volgende aspecten komen aan bod: • Geluid door activiteiten
5.1
•
Bodemkwaliteit
•
Luchtkwaliteit
•
Omgevingsveiligheid
•
Geur
•
Archeologie & cultuurhistorie
• •
Water Natuur
•
Duurzaamheid
•
Besluit milieueffectrapportage