Motivering TAM-omgevingsplan
Tekst van het document
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in lijn is met het gemeentelijk beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp
HOOFDSTUK 5
ASPECTEN VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld. De volgende aspecten komen aan bod: • • • • • • • • • • •
Geluid door activiteiten Bodemkwaliteit Luchtkwaliteit Omgevingsveiligheid Ecologie Archeologie & cultuurhistorie Wateraspecten Gezondheid Duurzaamheid Besluit milieueffectrapportage Geur
5.1
Geluid door activiteiten
5.1.1
Algemeen
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •
activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).
Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp 5.1.2
Situatie plangebied
Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Wegverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: • • •
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.
De nieuwe bedrijfswoning binnen het plangebied betreft een nieuwe geluidsgevoelige functie. Omdat deze functie verplaatst wordt naar een nieuwe locatie dient hier getoetst te worden aan de geluidswaarden uit het omgevingsplan. Ter plaatse van de nieuwe recreatiewoning was reeds een bedrijfswoning aanwezig. Aangenomen mag worden dat ter plaatse van de nieuwe recreatiewoning reeds wordt voldaan aan de geldende geluidsnormen. In onderstaande tabel zijn de waarden voor geluid uit artikel 22.63 van het omgevingsplan van de gemeente Westerveld weergegeven. De ontwikkeling wordt getoetst op basis van deze waarden.
De nieuw te bouwen bedrijfswoning ligt tussen de Dorpsstraat, met een snelheidsregime van 30 km/u en de weg Wateren, met een snelheidsregime van 60 km/u. Wanneer de Atlas Leefomgeving wordt geraadpleegd is af te lezen dat overdag een maximale geluidsbelasting wordt verwacht van 46 dB. ‘s nachts bedraagt de geluidsbelasting 36 dB. Hiermee wordt voldaan aan het langtijdgemiddelde en het maximaal geluidsniveau als gevolg van activiteiten uit het omgevingsplan. Daarnaast kan worden opgemerkt dat beide wegen zeer rustig zijn. Een overschrijding van de standaardwaarde is daarom niet te verwachten. Een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is niet noodzakelijk geacht. Railverkeerslawaai In de ruimte omgeving van het plangebied ligt geen spoorlijn. Een onderzoek naar railverkeerslawaai wordt niet noodzakelijk geacht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp Industrielawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen gezoneerde industrieterreinen aanwezig. Geconcludeerd wordt het aspect industrielawaai geen belemmering oplevert voor de gewenste ontwikkeling. Solitaire bedrijvigheid Met betrekking tot de individuele bedrijven en functies wordt vermeld dat ten noordwesten van het plangebied een kerkgebouw aanwezig is. De afstand tussen de kerk en de nieuw te bouwen woning bedraagt circa 20 meter. Volgens de VNG Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ wordt voor kerkgebouwen en dergelijke een richtafstand aangehouden van 30 meter (milieucategorie 2) voor het onderdeel ‘geluid’. Gezien de lintbebouwing en de verscheidenheid aan functies in de buurt wordt gesteld dat de omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als een ‘gemengd gebied’. In dergelijke gebieden is een verlaging van één milieucategorie mogelijk. De richtafstand bij milieucategorie 1 bedraagt 10 meter. Aan deze richtafstand wordt ruim voldaan. Gelet op vorenstaande mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van de woning sprake zal zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.1.3
Conclusie
Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • •
Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp •
Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.
Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 5.2.2
Situatie plangebied
Door Sigma Bouw & Milieu Emmen is een bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd als bijlage 1 bij de toelichting. Onderstaand wordt nader ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten. Onderzoeksresultaten bodemonderzoek Op basis van de zintuigelijke waarnemingen zijn in het opgeboorde monstermateriaal geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een vorm van bodemverontreiniging. Op basis van zintuiglijke waarnemingen is in het opgeboorde bodemmateriaal geen asbestverdacht materiaal waargenomen. In het grondwater zijn tevens geen verhoogde gehalten gemeten. In de bovengrond en ondergrond zijn geen verhoogt gehalten gemeten. Op basis van de bevonden resultaten zijn geen belemmeringen gevonden voor het beoogde gebruik van de gronden voor wonen. 5.2.3
Conclusie
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Algemeen
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
2.
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Aandachtsgebieden (toevoegen indien van toepassing in de gemeente) Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: • • • 5.3.2
bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit’ bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de standaardgevallen NIMB zoals omschreven in artikel 5.54 Bkl kan worden gesteld dat het project ‘niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging’. 5.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.4
Omgevingsveiligheid
5.4.1
Algemeen
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. 5.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan de hand van de EV-signaleringskaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. In de Atlas Leefomgeving staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de EV-signaleringskaart weergegeven met daarop middels een rode ster de locatie van het plangebied.
Afbeelding 5.1Uitsnede risicokaart (Bron: AtlasLeefomgeving.nl)
In de omgeving van het plangebied zijn enkele aandachtsgebieden opgenomen als gevolg van de opslag van propaantanks ter plaatse van de vakantieparken in de omgeving. De grootste cirkel ter plaatse van deze gebieden zijn de explosieaandachtsgebieden. Zoals te zien in afbeelding 5.1 komen geen van de aandachtgebieden in de buurt van het plangebied. Een nadere risicoverantwoording is daarom ook niet noodzakelijk geacht. Daarnaast is er geen sprake van opslag voor het bewerken en/of her verpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Ook is er geen sprake van het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). In de nabijheid van het plangebied is ook geen sprake van het exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Ten slotte ligt het plangebied ook niet in de nabijheid van een inrichting voor het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Er zijn geen (veiligheid) maatregelen nodig voor de realisatie van het project. 5.4.3
Conclusie
Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp
5.5
Ecologie
5.5.1
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 5.5.2
Gebiedsbescherming
Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. 2. 3.
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 5.5.3
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 5.5.4
Situatie plangebied
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘DrentseFriese Wold & Leggerveld’ ligt op 385 m ten zuidwesten van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden liggen op een grotere afstand. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen, heeft BJZ.nu een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd, waarvan de volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 2 van deze motivering. Hieronder wordt nader ingegaan op de van belang zijnde resultaten. Uit het stikstofonderzoek blijkt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningsplichtig. NNN-gebieden Het plangebied ligt op circa 385 meter afstand van het dichtstbijzijnde NNN gebied.
Gezien het feit dat sprake is van een ontwikkeling buiten het NNN en gezien het NNN geen externe werking kent, wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Soortenbescherming De voorgenomen ontwikkeling betreft zowel een binnenpandse functiewijziging (het gebruik van het voorhuis als recreatiewoning) als de bouw van een nieuwe woning op onbebouwde tuingronden. Gelet op het vorenstaande wordt vermeld dat voor deze ontwikkeling geen gebouwen gesloopt hoeven te worden, en worden geen ingrepen beoogd die een negatief effect kunnen hebben op de in het plangebied mogelijk aanwezige flora en fauna. Omdat de tuin in intensief beheer is, is een quickscan flora en fauna niet noodzakelijk. 5.5.5
Conclusie
Vanuit het aspect ‘ecologie’ is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.6
Archeologie & cultuurhistorie
5.6.1
Algemeen
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. 5.6.2
Archeologie
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. 5.6.3
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • • 5.6.4
ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Situatie plangebied
Archeologie De gemeente Westerveld beschikt over een archeologische beleids- en verwachtingskaart. Onderstaande afbeelding toont de ligging van het plangebied op de beleids- en verwachtingskaart. Het plangebied is met rode omkadering aangegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp
Afbeelding 5.2
Uitsnede archeologische beleids- en verwachtingskaart (Bron: gemeente Westerveld)
Voor gronden met hoge of middelhoge verwachting geldt een onderzoeksplicht bij grondingrepen met een oppervlakte van meer dan 1.000 m2. De oppervlakte van de nieuw te bouwen woning bedraagt minder dan het gestelde maximale oppervlakte. Daarnaast wordt op het bestemmingsplan “bestemmingsplan Kleine Kernen 2009” een dubbelbestemming opgenomen op een deel van het plangebied. De locatie van de te bouwen woning ligt niet binnen de begrenzing van deze dubbelbestemming. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Cultuurhistorie Binnen het plangebied is de huidige recreatiewoning met de bedrijfswoning in het voorhuis aangeduid als een gebouw met ‘cultuurhistorische waarde’. Het bestemmingsplan stelt dat de hoofdvorm, de gevelbreedte, de goothoogte, de bouwhoogte de dakhelling en de nokrichting niet mag worden aangepast. Deze regel is opgenomen ter behoud en bescherming van de huidige cultuurhistorische waarde van het pand. De overige gebouwen binnen het plangebied hebben deze aanduiding niet. Binnen het plangebied zijn verder ook geen geregistreerde monumenten aanwezig. In de omgeving van het plangebied is een Rijksmonument aanwezig. Dit betreft de kerk ten noordwesten van het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling zal geen invloed hebben op de kerk of de kerkfunctie.
Ten slotte wordt opgemerkt dat het beleefbaar maken van gebouwen met cultuurhistorische waarden aansluit bij de erfgoedvisie van de gemeente Westerveld. Hier wordt verder op in gegaan in paragraaf 4.4.3. Geconcludeerd wordt dat cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan. 5.6.5
Conclusie
Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp
5.7
Wateraspecten
5.7.1
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Zoals in (paragraaf 4.5) uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.7.2
Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied
5.7.2.1 Digitale watertoets Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de ‘Normale procedure’ van toepassing is. Het resultaat van de watertoets is als bijlage 3 in de motivering opgenomen. 5.7.2.2 Invloed op de waterhuishouding Voor wat betreft de waterhuidhouding van het plangebied wordt vermeld dat de nieuwe woning voor afvalwater kan worden aangesloten aan het bestaande rioolsysteem. Met de bouw van de nieuwe woning wordt circa 140 m2 verharding aan het plangebied toegevoegd. Hemelwater dat op de nieuwe verharding valt kan eenvoudig binnen het plangebied worden opgevangen en geïnfiltreerd. De functiewijziging van bedrijfswoning naar recreatiewoning heeft geen effect op de wateraspecten. 5.7.3
Conclusie
Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.8
Gezondheid
5.8.1
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: •
•
het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de buitenplanse omgevingsvergunning is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 5.8.2
Omgevingsvisie Westerveld
In de Omgevingsvisie Westerveld staan enkele doelstellingen op het gebied van gezondheid vermeld. De doelstellingen die relevant zijn voor voorgenomen ontwikkeling zijn als volgt: •
• • •
• •
5.8.3
Vanuit de gedachte van ‘positieve gezondheid’ wordt gezondheid benaderd vanuit het vermogen van mensen om zoveel mogelijk eigen regie te kunnen voeren. In de fysieke leefomgeving betekent dit dat de toegang tot voorzieningen goed geregeld is en dat er aandacht is voor een stimulerende omgeving (groen, natuur en cultuur), veiligheid en milieu. Op deze manier wordt er vanuit een brede blik aan gezondheid gewerkt. In veel projecten is aandacht voor biodiversiteit. Activiteiten op het gebied van biodiversiteit worden verbeterd en worden actiever uitgedragen. Voor een gezonde inrichting van de leefomgeving moet de milieukwaliteit goed zijn. Lucht, bodem en geluid mogen geen schadelijke invloed hebben en nieuwe initiatieven mogen geen onevenredige negatieve effecten hebben op onze milieukwaliteit. Wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt aangesloten bij de landelijke regelgeving, waarin een trend zichtbaar is van het verminderen van het gebruik van beschermingsmiddelen. De milieukwaliteitseisen die door het Rijk zijn vastgesteld, vormen het minimale niveau. Waar mogelijk verbeteren we de bestaande milieukwaliteit. Het is belangrijk dat inwoners van Westerveld gebruik kunnen maken van duurzame mobiliteit. Daarbij hoort aandacht voor een aantrekkelijke, goed onderhouden en toegankelijke fiets- en wandelinfrastructuur. Situatie plangebied
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het toevoegen van een recreatiewoning voor maximaal 6 personen en het bouwen van een nieuwe bedrijfswoning. Voor dit initiatief wordt in deze onderbouwing zo goed mogelijk afgewogen op welke manieren de ontwikkeling invloed zal hebben en beïnvloed wordt door omliggende activiteiten zonder dat de gezondheid van de nieuwe recreanten of de bewoners van de bedrijfswoning negatief wordt beïnvloed. In deze onderbouwing is dit bereikt door te onderbouwen dat bij alle relevante milieuparagrafen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties plaatsvindt. Vanuit dit oogpunt kan geredeneerd worden dat de kwaliteit van de leefomgeving door de beoogde activiteit verbetert, dan wel niet (onevenredig) verslechtert. Gelet op vorenstaande sluit het voornemen aan bij de ambities op het gebied van gezondheid zoals verwoord in de Omgevingsvisie Westerveld en de maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 Omgevingswet. 5.8.4
Conclusie
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp
5.9
Duurzaamheid
5.9.1
Algemeen
Duurzaamheidthema's zoals energie- en waterbesparing, aandacht voor langzaam verkeer en groenvoorzieningen, zuinig grondstoffengebruik, efficiënt ruimtegebruik en duurzaam bouwen, zullen met name bij nieuwbouwplannen en herinrichting een belangrijke plaats toegekend krijgen. Ontwikkeling van duurzaamheid past in de ontwikkeling die het duurzaamheidsdenken nu ook landelijk doormaakt en waarbij ook steeds meer de eisen als negatieve prikkel omgezet worden in een positieve benadering in de vorm van wijzen op de kwaliteit van het gebouw, op (woon-)comfort, het binnenmilieu in het algemeen, op gezond wonen en leven. 5.9.2
Omgevingsvisie Westerveld
In de Omgevingsvisie Westerveld staan enkele doelstellingen op het gebied van duurzaamheid vermeld. De doelstellingen relevant zijn voor voorgenomen ontwikkeling zijn als volgt: • •
5.9.3
Er wordt bij herinrichting van het openbaar gebied rekening met klimaatadaptatie door zoveel mogelijk groen aan te leggen en ruimte op te nemen voor waterberging, -infiltratie en –afvoer. In veel projecten is al aandacht voor biodiversiteit. Activiteiten op het gebied van biodiversiteit worden verbeterd en worden actiever uitgedragen. Situatie plangebied
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de functiewijziging van een woning en de nieuwbouw van een woning. De nieuw te bouwen woning wordt volgens de recentste duurzaamheidseisen uit het Bbl. Het hemelwater dat binnen het plangebied valt zal ter plaatse worden geïnfiltreerd. 5.9.4
Conclusie
Vanuit het aspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
5.10
Besluit Milieueffectrapportage
5.10.1 Algemeen Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of merbeoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •
In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.
Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als Voor plan/ programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-merbeoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp 5.10.3 Situatie plangebied Onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van een gesloten lijstenstelsel voor de beoordeling van project-m.e.r. (milieueffectrapportage). Dit houdt in dat de projecten en besluiten die onder de project-m.e.r.verplichting vallen, zijn opgenomen in de lijst bijlage V van het Omgevingsbesluit. Hierin is onder andere het stedelijke ontwikkelingsproject opgenomen. De jurisprudentie met betrekking tot de ondergrens van het begrip 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject' blijft onder de Omgevingswet van belang. Zo overweegt de Afdeling bijvoorbeeld dat de ontwikkeling van 12 woningen niet als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt beschouwd (ABRS 11 maart 2020, nr. 201901464/1/R1). Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de bouw van een nieuwe woning en in de functieverandering van een bestaande bedrijfswoning. Gezien de kleine schaal van de ontwikkeling hoeft de ontwikkeling niet te worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in Besluit m.e.r. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling wordt geconcludeerd dat het voornemen geen gevolgen voor het milieu met zich meebrengt.
5.10.4 Conclusie Uit de m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een m.e.r.-rapportage en dat er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.11
Geur
5.11.1 Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •
Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • •
Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden
5.11.2 Situatie plangebied Omdat het voornemen voorziet in een nieuwe geurgevoelige functie, een bedrijfswoning op een nieuwe plaats, wordt hier ingegaan op de geurbelasting ter plaatse van het plangebied. Op 140 meter ten zuidoosten van het plangebied is een paardenhouderij gevestigd, op het adres Wateren 15. Daarnaast is op 300 meter afstand van het plangebied een varkenshouderij gevestigd (Schurerslaan 2). De VNG Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ biedt richtafstanden voor het fokken en houden van paarden en varkens. Voor paardenhouderijen wordt op het onderdeel geur een richtafstand aangehouden van 50 meter. Voor het fokken en houden van varkens bedraagt de richtafstand op het onderdeel ‘geur’ 200 meter. Aan de richtafstanden voor beide functies wordt ruimschoots voldaan. Wat betreft het onderdeel ‘geur’ wordt ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht. 5.11.3 Conclusie Vanuit het aspect geur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp
HOOFDSTUK 6 6.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
6.2
Opzet van de regels
Deze wijziging van het omgevingsplan betreft een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • • • •
Inleidende regels; Functieregels en gebiedsaanwijzingen; Algemene regels aan activiteiten; Overgangsrecht en slotbepalingen.
Preambule De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij ‘artikel 1’ begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object ‘Regels’ en voor het toevoegen van het object ‘Hoofdstuk 1’ een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven. Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Dorpsstraat 3 in Zorgvlied en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22j) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Westerveld. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening,
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22j van het omgevingsplan van de gemeente Westerveld. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22j' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22j’' gelezen worden. Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels. 6.2.1
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor de locatie waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in de bij het TAM-omgevingsplan behorende GML-bestand. De regels in dit hoofdstuk bevatten: • • •
Begripsbepalingen (artikel 1); Meet- en rekenbepalingen (artikel 2); Toepassingsbereik (artikel 3);
Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de ‘oude’ standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels. Het toepassingsbereik luidt als volgt. Artikel 3 (Toepassingsbereik) 1.
2. 3.
6.2.2
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Dorpsstraat 3 in Zorgvlied waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1701.BP78482-0001 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. Functies en gebiedsaanwijzingen
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende functies en gebiedsaanwijzingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • • • • •
6.2.3
Functieomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Beoordelingsregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Vergunningplicht voor afwijken: het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van de gestelde regels; Specifieke functieregels: omschrijving van activiteiten die niet zijn toegestaan; Vergunningplicht voor afwijken van de gebruiksregels: omschrijving van de onderdelen van de gebruiksregels waar vanaf mag worden geweken; Algemene regels voor activiteiten
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels voor activiteiten. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp •
Anti-dubbeltelregel (Artikel 6) Binnen dit artikel is opgenomen dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven, bij latere bouwplannen buiten beschouwing wordt gelaten.
•
Algemene ruimtelijke bouwregels (Artikel 7) Dit artikel beschrijft op welke wijze de bouwgrenzen van de in het plan beschreven functies en aanduidingen mogen worden overschreden.
•
Planologische gebruiksactiviteiten (Artikel 8) In dit artikel wordt het verboden gebruik van de gronden beschreven.
•
Algemene afwijkingsregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven.
•
Overige regels (Artikel 10) De overige regels behandelen aanvullende welstandscriteria, maatwerkvoorschriften ten aanzien van het Beeldkwaliteitsplan Gemeente Westerveld en aanvraagvereisten.
6.2.4
Overgangsrecht
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.
6.3
Verantwoording van de regels
Een TAM-omgevingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Recreatie - Verblijfsrecreatie (Artikel 4) Het gehele plangebied heeft de originele functiebeschrijving uit het bestemmingsplan “Kleine Kernen 2009” behouden. Het verplaatsen van de bedrijfswoning, of ‘dienstwoning’, was mogelijk zonder de regels te veranderen. Waarde – Archeologie 3 (Artikel 5) Overeenkomstig het bestemmingsplan “Kleine Kernen 2009” is de dubbelbestemming uit het bestemmingsplan één op één overgenomen uit het onderliggende bestemmingsplan. Ter plaatse van deze archeologische waarde mogen geen nieuwe gebouwen worden gebouwd met een oppervlakte van meer dan 1.000 m2.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp
HOOFDSTUK 7
UITVOERBAARHEID
7.1
Economische uitvoerbaarheid
7.1.1
Algemeen
In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden. 7.1.2
Kostenverhaal
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen. 7.1.3
Situatie plangebied
De ruimtelijke procedure kan mogelijk leiden tot planschade. Daarom wordt er met de grondeigenaar een overeenkomst nadeelcompensatie getekend. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.2.1
Algemeen
Ruimtelijke ontwikkelingen hebben een aanzienlijke impact op de levenskwaliteit, het milieu en onze beleving van steden en dorpen. Het is daarom van cruciaal belang om burgers, belanghebbenden en gemeenschappen actief te betrekken bij het plannen en vormgeven van deze ontwikkelingen. 7.2.2
Situatie plangebied
De initiatiefnemers van het voornemen hebben in de aanloop van de afgelopen jaren informeel contact gehad met de buren over het voornemen. De reacties van de buurt waren positief. Het beeld dat ontstaat is dat in de buurt geen grote wijzigingen worden verwacht ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp
HOOFDSTUK 8 8.1
Vooroverleg
8.1.1
Het Rijk
VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Bkl is gericht op doorwerking van nationale belangen in het omgevingsplan. Geoordeeld wordt dat dit TAM-omgevingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 8.1.2
Provincie Drenthe
Het voornemen wordt ten aanzien van vooroverleg aan de provincie Drenthe voorgelegd. Wanneer een reactie wordt ontvangen op het voornemen wordt de reactie onder deze paragraaf toegelicht. 8.1.3
Waterschap Drents Overijsselse Delta
In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.hetwateradvies.nl. Wanneer een reactie op het voornemen wordt ontvangen van het waterschap zal deze onder deze paragraaf worden toegelicht.
8.2
Inspraak
De initiatiefnemer is in overleg geweest met omwonenden. In paragraaf 7.2.2 is hier nader op ingegaan.
8.3
Zienswijzen
Deze paragraaf wordt na de inzagetermijn ingevuld.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp
Bijlage 1
Verkennend bodemonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp
Bijlage 2
AERIUS-berekening
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Dorpsstraat 3 Zorgvlied” Ontwerp
Bijlage 3
Watertoetsresultaat
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48