MER
Tekst van het document
Conclusie
Alle alternatieven behalen de gestelde doelen. Alternatief 1 scoort op alle doelstellingen ++, maar uit berekenen blijkt dat het optimaal vasthouden van gebiedseigen water kan leiden tot grondwateroverlast. Er kan daarom beter worden gekozen voor een alternatief met het beperkt vasthouden van gebiedseigen water (alternatief 2 en 3), en vallen alternatieven 1 en 4 af. Met het beperkt vasthouden van gebiedseigen water is het nog steeds mogelijk dat de beoogde natuurdoelen zich ontwikkelen in het gebied. Echter is de omgeving dan suboptimaal. Het verschil tussen de alternatieven 2 en 3 bestaat nog uit het plaggen. Bij alternatief 3 wordt er geplagd en bij alternatief 2 niet. Bij alternatief 2 wordt doormiddel van uitmijnen het fosfor uit de grond gehaald. Dit duurt echter een stuk langer dan indien deze verzadigde grond met plaggen verwijderd wordt. Hierdoor heeft vanuit de doelen alternatief 3 de voorkeur boven alternatief 2. 23
Als er wordt gekeken naar de onderscheidende effecten tussen alternatief 2 en 3, scoort alternatief 3 op alle vlakken beter. Door het bergen van water in zowel Ootmaanlanden en Koningsschut is er minder wateroverlast benedenstrooms, lopen de polders sneller leeg waardoor er sprake is van minder zichthinder en door het plaggen is er minder fosfor in de bodem wat bij draagt aan het ontwikkelen van de natuurdoelen en de waterkwaliteit. Dit pleit ervoor om als voorkeursalternatief alternatief 3 te kiezen.
Leemten in kennis
Leemten in kennis en informatie kunnen deels ontstaan door het ontbreken van kennis en informatie op dit moment, maar ook door onzekerheid over ontwikkelingen in de toekomst. Het doel van de beschrijving van de leemten in kennis en informatie is om besluitvormers inzicht te geven in de volledigheid van de informatie op basis waarvan zij het besluit nemen. In Tabel 0-6 staan de leemten in kennis voor de aanleg en het gebruik van de klimaatbuffer voor Ootmaanlanden en Koningsschut samengevat. Het betreft de bundeling van leemten in kennis zoals die per aspect zijn benoemd in deel B van dit MER. De opgenomen leemten in kennis staan de besluitvorming niet in de weg. Tabel 0-6: Samenvatting leemten in kennis aanleg en gebruik klimaatbuffer Ootmaanlanden en Koningsschut
Aspect
Deelaspect
Leemte in kennis
Bodem
Invoering van de Omgevingswet
In het kader van het melden van werkzaamheden, is het van belang te weten welk type melding noodzakelijk is. Als de werkzaamheden starten voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is het huidige regime van toepassing. Als de werkzaamheden starten nadat de Omgevingswet van kracht is gegaan, is het nieuwe regime van toepassing. Afhankelijk van het regime zijn andere meldingstermijnen van toepassing. Deze leemte in kennis leidt niet tot een andere beoordeling dan is opgenomen in dit MER.
Bodem
De aanwezigheid van PFAS in het slib van de watergangen is niet Aanwezigheid PFAS in slib onderzocht. Mocht men het slib binnen het project willen watergangen gebruiken, moet dit eerst onderzocht worden.
Water
Effect klimaatbuffer op benedenstroomse wateroverlast
De exacte impact van de klimaatbuffers op het benedenstroomse regime van de Drentse Hoofdvaart is lastig te voorspellen. Deze leemte kan worden ingevuld door het monitoren van het oppervlaktewaterpeil. Deze leemte heeft geen effect op de besluitvorming.
Aardkundige waarden
In de ondergrond ligt mogelijk een oude beekbedding van de ‘Zween’. Bodemroerende werkzaamheden nabij de Zween kunnen deze oude beekbedding aantasten. Voor de beoordeling van dit MER is van een worst case-scenario uitgegaan, waarbij het uitgangspunt is dat met plaggen de beekbedding mogelijk wordt aangetast.
Archeologie
Een inherent probleem aan archeologie is dat de waardebepaling van bekende vindplaatsen pas kan plaatsvinden na waarderend onderzoek. Bij het opstellen van een MER is deze onderzoeksfase veelal nog niet uitgevoerd, vandaar dat tot dan toe onbekend is hoe groot (mogelijke) vindplaatsen zijn en hoe deze geconserveerd zijn. Er kunnen dan ook geen uitspraken worden gedaan over de behoudenswaardigheid van aanwezige vindplaatsen. In voorliggend MER is uitgegaan van een worst case-benadering. Omdat een waardering conform de KNA nog niet heeft plaatsgevonden, wordt als uitgangspunt genomen dat deze behoudenswaardig zijn. Toetsing via veldonderzoek kan invloed hebben op de beoordeling van het criterium ‘Aantasting van archeologisch waardevolle (bekende) terreinen’. Deze leemte in kennis vormt geen belemmering voor de besluitvorming.
Aardkunde
Archeologie
24
Aspect
Deelaspect
Leemte in kennis
Landschappelijke en cultuurhistorische waarden
Voor Ootmaanlanden is onbekend welke effecten optreden op historisch groen wanneer het plangebied bij een hoogwatergolf Landschappelijke en wordt ingezet als klimaatbuffer. Uitgaande van een worst casecultuurhistorische waarden benadering kunnen als gevolg van waterschade historische groenstructuren verdwijnen. Alle alternatieven zijn daarom negatief beoordeeld.
Monitoring, toezicht en handhaving
Op grond van de Wet milieubeheer bestaat binnen de m.e.r.-procedure een verplichting tot het opstellen van een aanzet voor het evaluatieprogramma. Een evaluatieprogramma wordt gelijktijdig met het m.e.r.-plichtige besluit vastgesteld. Doel van het evaluatieprogramma is te bezien of de werkelijke (milieu)effecten overeenkomen met de effecten, zoals deze in het MER zijn beschreven en /of leemten in kennis ten tijde van het opstellen van het MER in te vullen. In navolgende tabel is een aanzet voor het evaluatieprogramma opgenomen. Tabel 0-7: Aanzet evaluatieprogramma
Evaluatiemethode
Mogelijke mitigerende en compenserende maatregelen
Tijdstip evaluatie
Uitkeuring van de ontgravingsput
Verwijderen van de sterke verontreiniging met PAK
Gedurende de sanering in de realisatiefase
Monitoren grondwaterstand voor, tijdens en na de realisatiefase
Plaatsing drainage of aanleg greppels/ sloten (i.e. meer ontwatering)
Realisatiefase
Effect op Monitoren wat de oppervlaktewaterkwaliteit waterkwaliteit is van het t.g.v. lozingen bemalingswater
Zuiveren bemalingswater
Realisatiefase
Effect klimaatbuffer op benedenstroomse wateroverlast
Indien overlast wordt vastgesteld, moet het uitstroom regime van de klimaatbuffer worden aangepast
Gebruiksfase
Effect Bodem Verbeteren bodemkwaliteit ter plaatse van sterke verontreiniging Water Effect op grondwaterstand t.g.v. peilopzet plangebieden
Monitoren van het oppervlaktewaterpeil
Natuur Leefgebied kamsalamander
Dassenburcht
Onderzoek naar voorkomen Nog onbekend, afhankelijk van van kamsalamander in eventuele resultaten nieuwe poelen (eDNA)
Zomerperiode 1, 3 en 5 jaar na realisatie
Waterpeilen rondom burcht in de gaten houden
Natte perioden van het jaar (winterperiode), jaarlijks voor minimaal 5 jaar en extra bij extreem natte jaren
Alternatieve burcht aanbieden of dassenterpen aanbieden
Aardkunde Grondwaterpeilverhoging
Monitoren effect op beekdalbodems Behoud van beekdalbodems en veenoxidatie in Ootmaanlanden (met veen), veenoxidatie en Koningsschut
Tijdens gebruiksfase
25
Effect
Evaluatiemethode
Mogelijke mitigerende en compenserende maatregelen
Tijdstip evaluatie
Monitoring
Indien waterschade optreedt, maatregelen nemen om dit te voorkomen
Gebruiksfase
Veldbezoek
Inzet van meer nestkasten voor vleermuizen
Voorjaar, zomer, nazomer
Landschap en cultuurhistorie Mogelijke waterschade op historische groenstructuren Woon- en leefomgeving Overlast door muggen
26
DEEL A
27
1
INLEIDING
Voor u ligt het milieueffectrapport (MER) voor het project ‘Klimaatbuffer Ootmaanlanden en Koningsschut’. In het project worden de gebieden Ootmaanlanden en Koningsschut ingericht voor waterberging, zodat de stad Meppel in de toekomst droge voeten houdt. Daarnaast is er sprake van een natuuropgave die in samenhang met de waterbergingsopgave wordt uitgewerkt. Dit MER brengt de milieueffecten van de alternatieven in beeld en ondersteunt de keuze van het voorkeursalternatief. Dit hoofdstuk geeft een algemene toelichting op het project en de te doorlopen procedures. Allereerst wordt ingegaan op de aanleiding van het project (paragraaf 1.1). Vervolgens wordt ingegaan op de te nemen besluiten voor de realisatie van het project (paragraaf 1.2.1) en de betrokken partijen (paragraaf 1.2.2). Hierna volgt een toelichting op het gebiedsproces (paragraaf 1.2.3) en de m.e.r.-procedure (paragraaf 1.3) die voor het project wordt doorlopen. In paragraaf 1.4 wordt aangegeven hoe op dit MER gereageerd kan worden. Tot slot volgt een leeswijzer voor de hiernavolgende hoofdstukken van dit MER (paragraaf 1.5).
1.1
Aanleiding project
Om Meppel in de toekomst voor wateroverlast bij hoogwatersituaties te beschermen, is bestuurlijk afgesproken dat er 400.000 m³ water vanuit de Oude Vaart geborgen moet kunnen worden. Het gebied Ootmaanlanden is hiervoor als retentiegebied aangewezen. Om te kunnen voldoen aan de waterbergingsopgave van 400.000 m³ is het project uitgebreid met het deelgebied Koningsschut. De ligging van het gebied op de overgang van hoog naar laag Drenthe maakt Ootmaanlanden/Koningsschut geschikt voor waterberging. Beide gebieden zijn weergegeven in Figuur 1-1. Naast de waterbergingsopgave zijn er natuurdoelstellingen voor het plangebied, die in samenhang met de waterbergingsopgave worden opgepakt. Voor het deelgebied Ootmaanlanden hebben deze betrekking op het tegengaan van de verdroging in het Natura 2000-gebied Holtingerveld en het inrichten van het gebied Ootmaanlanden als Natuurnetwerk Nederland (NNN). De verdroging zal zoveel mogelijk worden tegengegaan door gebiedseigen water vast te houden in Ootmaanlanden. De verwachting is dat door het vasthouden van het gebiedseigen water de grondwaterstanden in deelgebied Ootmaanlanden hoger worden, en de daarbij passende natuurdoelen zich kunnen ontwikkelen. Het deelgebied Koningsschut wordt ingericht als waterberging, gecombineerd met de KRW-opgave om de stuw Koningsschut vispasseerbaar te maken.
De opgave voor de gebieden Ootmaanlanden en Koningsschut wordt in paragraaf 2.3 nader toegelicht.
Figuur 1-1: Ligging van de deelgebieden Ootmaanlanden (rood) en Koningsschut (blauw) met de natuurgebieden Holtingerveld en Dwingelderveld 28
Voor het inrichten van de waterberging in de deelgebieden Ootmaanlanden en Koningsschut is een bestemmingsplanwijziging en een Passende Beoordeling nodig. Deze combinatie zorgt voor een m.e.r.plicht. Om deze reden is deze m.e.r.-procedure opgestart. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 1.2 en 1.3.
1.2
Besluitvorming
1.2.1
Te nemen besluiten
Om het project te realiseren, zijn verschillende besluiten nodig. De m.e.r.-procedure is daarbij gekoppeld aan het bestemmingsplan (voor een nadere toelichting op de m.e.r.-plicht zie paragraaf 1.3). Daarnaast zijn er verschillende vergunningen nodig ten behoeve van de aanleg en realisatie van de waterberging en het realiseren van natuurdoelen. Bestemmingsplan Voor alle niet-agrarische bestemmingen is het onherroepelijke bestemmingsplan “Buitengebied” (juli 2012) van toepassing. Voor de agrarische bestemmingen moet worden teruggevallen op bestemmingsplannen van vóór de gemeentelijke herinrichting. Voor Ootmaanlanden is dat het bestemmingsplan “Buitengebied gemeente Havelte” (1985) en voor Koningsschut het bestemmingsplan “Buitengebied gemeente Dwingeloo” (1993) (“Agrarische cultuurgronden – onbebouwd met landschappelijke waarde” en deels als “beplanting”). Het bestemmingsplan “Buitengebied Westerveld 2018” is in juli 2021 vernietigd. Dit heeft geen inhoudelijke consequenties voor dit project. Voor het aanleggen van de klimaatbuffer is het nodig om in beide deelgebieden de bestemmingsplannen te wijzigen tot een dubbelbestemming met waterberging. Overige besluiten Waterwet Vanuit de Waterwet is voor het project een watervergunning nodig.
Deze watervergunning is nodig voor de bemaling in de realisatiefase voor het plaatsen van kunstwerken en voor het graven en verbreden van watergangen die op de legger van het Waterschap Drents Overijsselse Delta moeten komen. Ook de aanpassing van het waterpeil in beide deelgebieden wordt hierin meegenomen. Het waterschap Drents Overijsselse Delta is hiervoor het bevoegd gezag. Ontgrondingsmelding Waterberging Vanuit lid a, provinciale omgevingsverordening Drenthe, artikel 7.1, geldt een vrijstelling voor: ‘het aanleggen, onderhouden en verwijderen van waterstaatswerken door of op last van Rijk, waterschap of provincie, het uitvoeren van door het bevoegd gezag goedgekeurde bodemsaneringen en het uitvoeren van werken door of op last van de provincie Drenthe’. Dit laatste is bij Ootmaanlanden en Koningsschut het geval. Als er meer dan 1.000 m³ wordt ontgraven, is een ontgrondingsmelding nodig (volgens artikel 7.2 van de omgevingsverordening). Voor het project is de verwachting dat er meer dan 1.000 m³ wordt ontgraven, om deze reden moet er een ontgrondingsmelding worden gedaan. Natuurontwikkeling Naast het aanleggen van de waterberging worden er ook werkzaamheden uitgevoerd voor de natuurontwikkeling in het gebied. Eén van de mogelijke maatregelen is het plaggen in Ootmaanlanden.
De overige werkzaamheden die in Ootmaanlanden en Koningsschut worden aangelegd, zoals werkzaamheden aan de Zween, het aanleggen van de vispassage en het aanleggen van poelen valt onder het aanleggen van de waterberging. Deze werkzaamheden worden uitgevoerd als mitigerende maatregelen voor eventuele schade die de waterberging kan aanbrengen of om water afvoeren nadat de waterberging wordt ingezet. Op het plaggen is de volgende vrijstelling van toepassing: ‘werkzaamheden verricht door of in opdracht van natuurterrein beherende instanties aan en in gronden die door deze instanties worden beheerd’. Hier zijn de volgende voorwaarden aan verbonden: g. Archeologische of aardkundige waarden worden niet aangetast (dieper dan de 30 cm toplaag). h. De werkzaamheden zijn niet in strijd met het geldende bestemmingsplan. i. De werkzaamheden zijn gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. j. De hoogteligging van de gronden na beëindiging van de werkzaamheden wordt niet met meer dan 0,5 m verminderd. k. Er vindt geen afvoer plaats anders dan van humeus bodemmateriaal. 29
l. De werkzaamheden strekken niet tot het geheel of gedeeltelijk afgraven van wallen. Voor Ootmaanlanden wordt aan deze voorwaarden voldaan. Voor het plaggen hoeft daarom geen ontgrondingsvergunning te worden aangevraagd. Bij de uitwerking van dit MER zijn deze voorwaarden getoetst. Vergunning Wet natuurbescherming Het deelgebied Ootmaanlanden grenst aan het Holtingerveld. Het Holtingerveld is een Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied omvat een gedeelte van het plangebied Ootmaanlanden (zie Figuur 1-1). De provincie Drenthe is bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming. Uit de Passende Beoordeling blijken geen significante effecten op het Holtingerveld. De provincie zou op basis van deze Passende Beoordeling een vergunning kunnen verlenen. Omgevingsvergunning Op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de vigerende bestemmingsplannen “Buitengebied” (juli 2012), “Buitengebied gemeente Havelte” (1985) en “Buitengebied gemeente Dwingeloo” (1993) is een omgevingsvergunning benodigd voor onder andere kap- en rooi werkzaamheden, het afgraven of ophogen van gronden, het dempen of graven van sloten en poelen en het aanplanten van bomen. De gemeente is hiervoor het bevoegd gezag.
1.2.2
Betrokken partijen
Initiatiefnemer en bevoegd gezag Prolander heeft van de provincie Drenthe de opdracht gekregen om een inrichtingsplan voor het project op te stellen. Hiermee is de provincie Drenthe de initiatiefnemer van het project. Voor de m.e.r.-procedure is de Gemeente Westerveld aangewezen als bevoegd gezag. Projectgroep De provincie Drenthe, Prolander, de gemeente Westerveld en waterschap Drents Overijsselse Delta zijn vertegenwoordigd in een projectgroep. De projectgroep komt maandelijks bij elkaar om de voortgang van het project te bespreken. De overige projectpartners in deze projectgroep zijn de grondeigenaren en eindbeheerders: Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en een vertegenwoordiger van een particuliere grondbezitter.
1.2.3
Gebiedsproces
Voor het project is een gebiedsproces opgestart. Prolander is de trekker van het gebiedsproces en is verantwoordelijk voor het omgevingsmanagement binnen het project. Het gebiedsproces richt zich voornamelijk op de maandelijkse projectgroepoverleggen met de projectgroep, waarin de directe stakeholders vertegenwoordigd zijn. Het gaat hierbij om partners die ofwel financieel bijdragen aan het project ofwel eigendom binnen het project hebben. Tijdens het ontwerpproces zijn werksessies georganiseerd. Bij deze werksessies zijn, afhankelijk van het onderwerp, naast de projectgroep ook specialisten en overige belanghebbenden aanwezig. De sessies vinden plaats op belangrijke momenten in het ontwerpproces om gezamenlijk ontwerpkeuzes te maken en het ontwerp vast te stellen. De omgeving is verder betrokken en geïnformeerd door keukentafelgesprekken en informatieavonden, waarin is ingegaan op het proces en het ontwerp. De keukentafelgesprekken zijn gevoerd met mensen die een eigendom hebben of gebruik maken van percelen grenzend of in de nabijheid van het plangebied. De informatieavonden zijn ook voor een breder publiek geschikt. Met nieuwsbrieven, advertenties in kranten, persoonlijke uitnodigingen en websites zijn mensen geïnformeerd over wanneer deze avonden zijn.
Ook zijn gesprekken gevoerd met lokale belangengroepen over de mogelijkheden om cultuurhistorische waarden en recreatieve mogelijkheden te betrekken bij de planvorming. Maandelijks wordt een nieuwsbrief over het project verspreid en deze nieuwsbrieven zijn terug te vinden op de website. Ook is er een bewonersgroep in het leven geroepen, bestaande uit een vijftal omwonenden van Ootmaanlanden en Koningsschut. Met deze groep is in de voorbereiding en wordt tijdens de uitvoering contact gehouden.
30
1.3
Milieueffectrapportage
1.3.1
M.e.r.-plicht
Om te bepalen of voor het inrichten van de waterberging in combinatie met natuurontwikkeling de procedure van de milieueffectrapportage verplicht is, zijn twee relevante ingangen voor de m.e.r.-plicht getoetst: 1. Het Besluit m.e.r 4. 2. Passende Beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming. Toetsing aan Besluit m.e.r. Voor besluiten en plannen die leiden tot ontwikkelingen met (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, geldt de verplichting om een milieueffectrapport op te stellen of om te beoordelen of het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. In onderdeel C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten m.e.r.-plichtig (onderdeel C) of m.e.r.-beoordelingsplichtig (onderdeel D) zijn. Voor de activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. in veel gevallen drempelwaarden opgenomen. In Tabel 1-1 staan de relevante activiteiten uit het Besluit m.e.r. voor dit project opgenomen. Tabel 1-1: Relevante activiteiten Besluit m.e.r. Activiteit
Gevallen
D9 Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: uitbreiding daarvan 1. Een functiewijziging met een oppervlakte van 125 ha of meer van water, natuur, recreatie of landbouw C16.1/D16.1 De ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem, anders dan bedoeld onder D16.2
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een terreinoppervlakte van meer dan 25 hectare (C16.1) of meer dan 12,5 hectare (D16.1)
D15.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een hoeveelheid water van 1,5 miljoen m³ of meer per jaar
D9 Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan Voor het aanleggen van een waterberging met natuurontwikkeling in de deelgebieden Ootmaanlanden en Koningsschut is een functiewijziging nodig, waarbij de dubbelbestemming waterberging wordt toegevoegd. De functiewijziging wordt vastgelegd in het bestemmingsplan, dat hiervoor wordt aangepast. Het deelgebied Ootmaanlanden is ongeveer 75 ha groot en het deelgebied Koningsschut is ongeveer 12 hectare groot. De omvang van de totale wijziging is kleiner dan de drempelwaarde van 125 hectare, zoals is opgenomen in het Besluit m.e.r. Hierdoor is de functiewijziging niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Wel is er sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht, gekoppeld aan het bestemmingsplan. C16.1/D16.1 De ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen Voor het aanleggen van een waterberging met natuurontwikkeling in het deelgebied Ootmaanlanden kan het nodig zijn om te moeten plaggen. In de bodem is veel fosfaat aanwezig, waardoor de beoogde beheertypen niet kunnen ontstaan. Het deelgebied Ootmaanlanden is ongeveer 75 ha. De verwachting is dat een groot gedeelte van dit gebied geplagd gaat worden. Deelgebied Koningsschut is ongeveer 12 ha groot.
Ook hier zullen grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd vanwege de aanleg van de vispassage en de inrichting van het gebied. De verwachting is dat de drempelwaarde van 25 ha door de werkzaamheden wordt overschreden. Het plaggen en het aanleggen van de vispassage zijn echter geen activiteiten waar een ontgrondingsvergunning voor nodig is (zie paragraaf 1.2.1). Een m.e.r.-(beoordelings)plicht is altijd gekoppeld aan een besluit of een plan. Doordat er geen ontgrondingsvergunning (besluit) nodig is, is daarom geen sprake van een m.e.r.- of m.e.r.-(beoordelings)plicht. In het MER worden de mogelijke effecten van plaggen en het aanleggen van de vispassage wel in het effectenonderzoek meegenomen. 4
Besluit m.e.r. = Besluit milieueffectrapportage 31
D15.2 De aanleg. Wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater Voor de aanleg van de waterberging is het nodig om kunstwerken te plaatsen en watergangen te graven en te verbreden. Hiervoor dient grondwater te worden onttrokken. De verwachting is dat de bemaling onder de drempelwaarde van 1,5 miljoen m³ of meer per jaar blijft. Hierdoor geldt een vormvrije m.e.r.beoordelingsplicht gekoppeld aan de watervergunning. De watervergunning wordt door de aannemer aangevraagd. Indien nodig wordt er dan een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Passende Beoordeling Een Passende Beoordeling is verplicht wanneer niet kan worden uitgesloten dat een plan of project significante gevolgen heeft op een Natura 2000-gebied. Een Passende Beoordeling gaat onder andere in op: • De instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied. • De effecten van de voorgenomen activiteit op de soorten- en habitattypen in het gebied. • De aantasting van de natuurlijke kenmerken in het gebied. Toetsing Passende Beoordeling Voor het aanleggen van de waterberging wordt stikstof uitgestoten in de realisatiefase. Dit wordt met name veroorzaakt door werktuigen en bouwverkeer. Uit eerste berekeningen blijkt dat er mogelijk een toename van stikstopdepositie optreedt op het nabijgelegen Natura 2000-gebied Holtingerveld.
Significante effecten op Natura 2000-gebieden zijn daarom op voorhand niet uit te sluiten. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw, sloop en eenmalige aanlegactiviteiten, in het kort de bouwvrijstelling. De aanleg van de klimaatbuffer in de deelgebieden Ootmaanlanden en Koningsschut valt onder deze vrijstelling. De compensatie van stikstof tijdens de realisatiefase hoeft daarom niet in een Passende Beoordeling te worden vastgelegd. Uit de voortoets blijkt echter dat mogelijke effecten op soorten door de aanleg van de klimaatbuffer niet zijn uit te sluiten. Een Passende Beoordeling is daarom nog wel nodig om de effecten van de voorgenomen activiteit op het Natura 2000-gebied Holtingerveld in kaart te brengen. Hierbij wordt specifiek aandacht besteed aan de kamsalamander. Voor de bestemmingsplanwijziging is daarom een Passende Beoordeling nodig. Als voor een plan, zoals een bestemmingsplan, een Passende Beoordeling moet worden opgesteld, is er sprake van een plan-m.e.r.-plicht gekoppeld aan het betreffende plan. Met de inwerkingtreding van de twintigste tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet op 18 december 2020 is in bepaalde gevallen voor bestemmingsplannen de directe koppeling van de noodzaak voor een Passende Beoordeling met plan-m.e.r.-plicht losgelaten.
Via Artikel II is het Besluit m.e.r. gewijzigd, waardoor een Passende Beoordeling voor een bestemmingsplan niet meer in alle gevallen direct tot een plan-m.e.r.-plicht leidt. In bepaalde gevallen kan dan worden volstaan met een plan-m.e.r.-beoordeling. Voor Ootmaanlanden en Koningsschut is besloten hier geen gebruik van te maken en om gekoppeld aan het bestemmingsplan de m.e.r.-procedure te doorlopen en voorliggend planMER op te stellen. Conclusie Op basis van bovenstaande: • Moet er voor het bestemmingplan een Passende Beoordeling worden opgesteld. Ondanks dat het gewijzigde Besluit m.e.r. (d.d. 18 december 2020) de mogelijkheid geeft voor een plan-m.e.r.beoordeling, is voor dit project gekozen voor het direct doorlopen van de (plan) m.e.r.-procedure en het opstellen van een planMER en zo de milieueffecten inzichtelijk te maken en aan de omgeving te kunnen onderbouwen. • Is er geen sprake van een m.e.r.-(beoordelings)-plicht vanwege het ontbreken van een ontgrondingsvergunning. • Geldt er voor het bestemmingsplan een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht vanwege de functiewijziging die ten behoeve van de waterberging nodig is. • Is er sprake van een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht ten behoeve van de Waterwetvergunning vanwege de grondwateronttrekking in de realisatiefase.
Om invulling te geven aan deze verplichtingen wordt er gekoppeld aan het bestemmingsplan een gecombineerd plan-/projectMER opgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan, verder MER genoemd. Een planMER vanwege de noodzaak voor een Passende Beoordeling en een projectMER waarin de 32
vormvrije m.e.r.-beoordeling van de functiewijziging plaatsvindt. Alhoewel voor het plaggen en aanleggen van de vispassage geen ontgrondingsvergunning nodig is, en geen aanleiding geven tot m.e.r.(beoordelings)plicht, worden deze activiteiten meegenomen in de effectbeschrijving en -beoordeling in het MER. Voor de waterwetvergunning wordt te zijner tijd een separate m.e.r.-beoordelingsprocedure doorlopen. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van het MER, aangevuld met actuele milieu-informatie ten behoeve van de vergunningaanvraag.
1.3.2
M.e.r.-procedure
Het doel van de m.e.r.-procedure is om het milieubelang een volwaardige plek te geven in de besluitvorming over plannen en projecten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r.procedure is gekoppeld aan een 'moederprocedure'. Dit is de procedure op grond waarvan de besluitvorming plaatsvindt, in dit geval de bestemmingsplanwijziging.
MER of m.e.r.? Daar waar gesproken wordt over het milieueffectrapport wordt geschreven (het) MER. Daar waar gesproken wordt over de procedure wordt geschreven (de) m.e.r. Zoals in de vorige paragraaf is aangegeven, wordt ter onderbouwing van de bestemminsplanwijziging een m.e.r.-procedure doorlopen. Gekoppeld aan de bestemmingsplanwijziging betreft dit de zogenaamde uitgebreide m.e.r.-procedure. Het MER zal met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd. De Passende Beoordeling is in bijlage 21 van dit MER opgenomen. Hieronder zijn de verschillende stappen in de uitgebreide m.e.r.-procedure op een rij gezet.
5.
Mededeling en kennisgeving
6.
Raadpleging betrokken bestuursorganen en zienswijzen
Het voornemen om voor de aanleg van een waterberging met natuurdoeleinden het bestemmingsplan te wijzigingen, wordt schriftelijk kenbaar gemaakt aan het bevoegd gezag: de gemeente Westerveld. De Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD), gepubliceerd op 3 februari 2021, is in dit geval benut als schriftelijke kennisgeving. Het voornemen is vervolgens door het bevoegd gezag, de gemeente Westerveld, openbaar aangekondigd in huis-aan-huisbladen, de gemeentelijke website en de Staatscourant. Na ontvangst van de NRD heeft het bevoegd gezag de adviseurs en de bestuursorganen die bij de voorbereiding van het voornemen worden betrokken in de gelegenheid gesteld te adviseren over de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen MER. Aansluitend heeft eenieder de gelegenheid gekregen zienswijzen in te dienen over de reikwijdte, het detailniveau en de voorgestelde aanpak van dit MER. Voor het verkrijgen van zienswijzen, heeft de NRD 6 weken ter inzage gelegen. Deze ter inzagelegging is kenbaar gemaakt via het lokale huis-aan-huisblad, de gemeentelijke website en de Staatscourant. Er zijn 4 zienswijzen ontvangen door de gemeente Westerveld. Deze zienswijzen gingen voornamelijk in op grondwateroverlast en overlast door muggen. Deze onderwerpen zijn meegenomen in voorliggend MER. Er is door de initiatiefnemer gekozen om geen advies aan de Commissie m.e.r.
te vragen over de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen MER. Het bevoegd gezag heeft op 23 november 2021 een advies uitgebracht over de reikwijdte en het detailniveau van het MER. Vervolgens is voorliggend MER opgesteld (zie stap 3).
7.
Opstellen MER
In overeenstemming met de voorgenomen aanpak in de NRD is de milieubeoordeling uitgevoerd en is het milieueffectrapport (MER) opgesteld. Daarbij is, waar mogelijk en zinvol, rekening gehouden met de ingebrachte zienswijzen, reacties en advies. Parallel aan het opstellen van het MER is het ontwerp bestemmingsplan opgesteld.
33
De eisen waaraan het MER moet voldoen, zijn beschreven in artikel 7.7 en artikel 7.23, eerste lid van de Wet milieubeheer. Het MER moet in ieder geval de volgende onderdelen bevatten: • Doel plan of besluit. • Voorgenomen activiteit en de ‘redelijkerwijs in beschouwing te nemen’ alternatieven. • Relevante plannen & besluiten. • Huidige situatie en autonome ontwikkeling. • Effectbeschrijving en motivering gehanteerde methodiek. • Mitigerende en compenserende maatregelen. • Leemten in kennis. • Samenvatting.
8.
Zienswijzen, advies en besluit
Het MER ligt vervolgens samen met het ontwerp van het bestemmingsplan 6 weken ter inzage. In deze periode is het voor iedereen mogelijk om zienswijzen in te dienen op het MER (zie paragraaf 1.4.) Daarnaast wordt het MER getoetst door de Commissie m.e.r. Deze onafhankelijke Commissie toetst of de essentiële informatie in het MER aanwezig is om het milieu volwaardig mee te nemen in de besluitvorming over het bestemmingsplan. Mede op basis van de resultaten van het MER, met inachtneming van de zienswijzen en adviezen, wordt het definitieve bestemmingsplan vastgesteld, bekendgemaakt en ter inzage gelegd.
1.4
Zienswijzen indienen
Ter inzage Het MER Ootmaanlanden en Koningsschut ligt, samen met het ontwerpbestemmingsplan, met ingang van XX gedurende een termijn van zes weken ter inzage in het gemeentehuis in Diever. Het MER Ootmaanlanden en Koningsschut is ook raadpleegbaar via: XX. Zienswijze Vanaf XX tot en met XX kan eenieder zijn of haar zienswijze schriftelijk of mondeling kenbaar maken. Een schriftelijke zienswijze stuurt u aan de gemeenteraad van Westerveld, Postbus 50, 7970 AB Havelte. Graag het zaaknummer XX vermelden. Voor het maken van een mondelinge zienswijze kan een afspraak worden gemaakt via telefoonnummer 14 0521. Wat gebeurt er met uw reactie? Na de periode van terinzagelegging en raadpleging worden de ontvangen zienswijzen en adviezen beantwoord in een Nota van Beantwoording. U krijgt hierover schriftelijk bericht. Contact Team Leefomgeving, telefoonnummer 14 0521.
1.5
Leeswijzer
Dit MER is opgedeeld in twee delen, deel A en deel B. In hoofdstuk 2 van deel A wordt de nut en noodzaak van het aanleggen van de klimaatbuffer in Ootmaanlanden en Koningsschut besproken. Hierin staan de onderliggende opgaven van het project en de wensen van stakeholders centraal. Hoofdstuk 3 gaat in op de alternatieven die onderzocht zijn in dit MER. Het hoofdstuk begint met een beschrijving van de twee deelgebieden, gevolgd door de randvoorwaarden waarop de alternatieven zijn gebaseerd. Vervolgens worden de 4 onderzochte alternatieven in detail beschreven. Hoofdstuk 4 geeft een samenvatting van de milieueffecten van de alternatieven. De alternatieven zijn beoordeeld op of ze voldoen aan de gestelde doelen uit de opgaven (doelbereik) en de alternatieven zijn beoordeeld op de effecten die kunnen optreden in de gebruiksfase (na oplevering als het werk gereed is) en tijdens de aanleg. In hoofdstuk 5 is het voorkeursalternatief (VKA) beschreven en is de keuze voor het VKA onderbouwd. Deel A sluit af met een overzicht van de leemten in kennis van dit MER-onderzoek (hoofdstuk 6) en een aanzet voor het evaluatieen monitoringsprogramma (hoofdstuk 7). Deel B gaat uitgebreid in op de milieueffecten. In hoofdstuk 8 wordt het doelbereik van de alternatieven bepaald. De alternatieven worden naast de doelstellingen uit de opgaven gelegd om te kijken of ze voldoen aan de opgaven.
De alternatieven voldoen als ze invulling geven aan de opgave. In de hoofdstukken 9 tot en met 15 worden de alternatieven in detail beoordeeld op de aspecten bodem, water, natuur, archeologie, 34
aardkunde, landschap en cultuurhistorie en woon- en leefomgeving. Per aspect wordt ingaan op het geldende wettelijke kader, de huidige situatie en eventuele autonome ontwikkelingen, de milieueffecten in de realisatiefase en de gebruiksfase, de benodigde mitigerende en/of compenserende maatregelen, de eventuele leemten in kennis met betrekking tot het uitgevoerde onderzoek en een aanzet voor een evaluatieen monitoringsprogramma.
35
2
NUT EN NOODZAAK
Dit hoofdstuk geeft een omschrijving van de opgave die voorligt voor het ontwikkelen van de waterberging en de natuurdoelen. De opgave bestaat uit drie onderdelen: opgave waterberging, opgave natuurontwikkeling en de opgave voor een vispassage in deelgebied Koningsschut. De opgaven voor de waterberging en de natuurontwikkeling zijn gelijkwaardig aan elkaar en worden in willekeurige volgorde besproken in paragraaf 2.1 en paragraaf 2.2. In paragraaf 2.3 wordt de opgave voor de vispassage toegelicht. In paragraaf 2.4 wordt ingegaan op wensen uit het gebied. In paragraaf 2.5 wordt de integrale opgave benoemd.
2.1
Opgave waterberging
Als gevolg van klimaatverandering wordt een toename van de neerslagintensiteit verwacht. De kans op wateroverlast neemt daarmee toe. In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is afgesproken om het watersysteem op orde te hebben en te houden. Dit is gebaseerd op uitgangspunten uit de nota waterbeheer 21ste eeuw (WB21). Het watersysteem in Zuidwest Drenthe is ingericht op het afvoeren van overtollig regenwater. In extreem natte perioden kan het water onvoldoende worden afgevoerd en treedt wateroverlast op. Om neerslagpieken op te vangen wordt uitgegaan van de trits ‘vasthouden – bergen – afvoeren’. Dat gebeurt niet altijd in alle gebieden in deze volgorde. Het vasthouden en bergen van water is maatwerk voor gebieden met een complexe verweving van natuur- en landbouwgebruik. Natuurmonumenten, provincie Drenthe, Waterschap Drents Overijsselse Delta, de gemeente Westerveld en de gemeente De Wolden hebben op 3 juli 2012 de samenwerkingsovereenkomst Klimaatbuffer Anserveld – Leisloot – Ootmaanlanden ondertekend om gezamenlijk te investeren in klimaatbufferontwikkeling. Deze klimaatbuffer is tweeledig: het bergen van water bij hoogwater en het vasthouden van gebiedseigen water. Een onderdeel van deze samenwerkingsovereenkomst is het realiseren van een waterberging in Ootmaanlanden om de stad Meppel in de toekomst voor wateroverlast te beschermen (water bergen).
Hiervoor moet 400.000 m³ uit de Oude Vaart worden geborgen, zodat de waterpieken worden afgevlakt. Het water uit de Oude Vaart kan middels een bestaande verbinding met de Drentsche hoofdvaart naar Ootmaanlanden stromen. Het tweede onderdeel van de klimaatbuffer is het vasthouden van gebiedseigen water. Door de grondwaterstand in het gebied te verhogen in natte perioden kan er water worden vastgehouden om verdroging van de gronden tegen te gaan. Daarnaast maakt het deelgebied Ootmaanlanden gedeeltelijk onderdeel uit van het Natura 2000-gebied Holtingerveld. Door de ligging van Ootmaanlanden in het Holtingerveld kan de waterberging worden gecombineerd met de natuuropgave om de waterhuishouding in het Holtingerveld te verbeteren. Vernatting van Ootmaanlanden door het vasthouden van gebiedseigen water en in droge perioden inlaten van schoon water uit de noordelijk gelegen ‘De Broeken’ kan leiden tot verbetering van een aantal habitattypen in het Holtingerveld, zoals de bosveentjes en de slenk met het vochtige heide- en hoogveencomplex Uffelterveen/Kolonieveen. Het doel vanuit de waterbergingsopgave voor het project is dus als volgt: 1. Het bergen van 400.000 m³ water bij WB21 omstandigheden 2. Het vasthouden van gebiedseigen water om een buffer op te bouwen voor droge perioden. Het plangebied Ootmaanlanden bleek niet groot genoeg om de gehele 400.000 m³ te bergen.
Het project is daarom uitgebreid met het deelgebied Koningsschut. Beide gebieden liggen op de overgang van hoog naar laag Drenthe. Dit maakt de gebieden geschikt voor waterberging.
2.2
Opgave natuurontwikkeling Ootmaanlanden
In de omgevingsvisie van de provincie Drenthe is een opgave voor de inrichting van nieuwe natuur en herstel in deelgebied Ootmaanlanden omschreven. Een onderdeel van deze natuuropgave is de ontwikkeling van beekdalgraslanden (gerelateerd aan Natuur Netwerk Nederland, NNN) en het verbeteren van de waterhuishouding in het Holtingerveld. Daarnaast hebben Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer als beleid om, waar mogelijk, natuurontwikkeling te combineren met waterberging. In bijlage 2 en 3 zijn de 36
inrichtingsplannen voor deelgebied Ootmaanlanden en Koningsschut opgenomen met hierin opgenomen de beoogde beekdalgraslanden. Door de intensieve landbouw die in het verleden in Ootmaanlanden heeft plaatsgevonden, is de grond verzadigd geraakt met nutriënten. Hierdoor zijn er te veel voedingsstoffen in de bodem en kan bepaalde vegetatie zich op dit moment niet in het gebied vestigen. Daarnaast is er door klimaatverandering sprake van droogte of juist extreme natte perioden. Door verdroging zijn de gronden te droog zijn en is ook het Natura 2000-gebied Holtingerveld langzaam verdroogd. Hierdoor verdwijnen bepaalde soorten vegetatie. Dit is niet wenselijk. Het doel vanuit de natuuropgave voor het project is als volgt: Het realiseren van het gewenste grond- en oppervlaktewater regime (GGOR) voor beoogde natuurdoelen NNN en Natura 2000 Hiervoor is een uitgebreid hydrologisch onderzoek uitgevoerd. De uitkomsten van het hydrologisch onderzoek zijn opgenomen in hoofdstuk 10 van dit MER. Het hydrologisch onderzoek is opgenomen in bijlage 11.
2.3
Opgave KRW Koningsschut
Voor het deelgebied Koningsschut ligt een opgave vanuit de Kader Richtlijn Water (KRW). De KRW is in 2000 van kracht geworden en heeft als doel de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater in Europa te waarborgen. Het is een Europese richtlijn die voorschrijft dat de waterkwaliteit van de Europese wateren in 2027 aan bepaalde eisen moet voldoen. De Oude Vaart is een waterlichaam met KRW type R5: een langzaam stromende midden- of benedenloop op zand. Vanuit de KRW-opgave voor de Oude Vaart moet de stuw bij Koningsschut vispasseerbaar worden gemaakt. Bij Koningsschut in de Oude Vaart wordt daarom samen met de waterberging een vispassage aangelegd. Met het oog op de derde planperiode van de KRW is een watersysteemanalyse uitgevoerd en is sinds 2020 een aanvullende opgave voor de Oude Vaart in beeld, waarbij de regelmatig optredende jaarlijkse pieken op de Oude Vaart opgevangen worden in zogenaamde KRW-bergingen. Deze verandering wordt op dit moment besproken met de gebiedspartners en naar verwachting eind 2021 vastgelegd. Het aanwijzen van deelgebied Koningsschut als KRW-berging heeft als gevolg dat de berging jaarlijks wordt ingezet in plaats van eens in de 25 jaar bij extreme neerslagsituaties. De totale berging verandert niet. De verwachting is dat 60% van de bergingscapaciteit jaarlijks wordt ingezet, waarbij 40% overblijft voor extreme neerslagsituaties.
Het doel vanuit de KRW-opgave voor deelgebied Koningsschut is: Het inrichten van deelgebied Koningsschut als vispassage en KRW-berging.
2.4
Wensen uit het gebied
Vanuit de omgeving zijn wensen voor het project geformuleerd. Deze hebben betrekking op: 1. Recreatie 2. Cultuurhistorische waarden 3. Landschap Recreatie Vanuit het Collegeprogramma van de gemeente Westerveld komt de wens om de gebieden Ootmaanlanden en Koningsschut toegankelijk te maken voor bezoekers. De ligging van de gemeente te midden van natuurgebieden biedt volop kansen om de natuur toegankelijk en beleefbaar te maken. Cultuurhistorische waarden Bij de gemeente is een verzoek ingediend om het Uffelter Boervaartje weer beleefbaar te maken. Dit is een dorpsinitiatief van Uffelte. Het Uffelter Boervaartje werd in 1787 aangelegd om de turf vanuit het Uffelterveen en het Kolonieveen met de boot te vervoeren naar Meppel. Sinds 1854 is het Uffelter Boervaartje niet meer 37
in gebruik als turfvaart en is het na verval jaren geleden gedempt. Er zijn wensen in de streek om deze cultuurhistorische watergang weer zichtbaar te maken. In het kader van de planvorming van de ‘Klimaatbuffer Ootmaanlanden’ liggen er kansen om het Uffelter Boervaartje gedeeltelijk in ere te herstellen. Daarnaast bestaat de wens vanuit het gebied om in het ontwerp van de ‘Klimaatbuffer Ootmaanlanden’ het verhaal van historisch waterbeheer in de vorm van vloeiweidesystemen mee te nemen. Een historische bron beschrijft namelijk hoe de bewoners van Uffelte in het verleden een beekloop afdamden om met het beekwater de hooilanden periodiek te bevloeien ten behoeve van de vruchtbaarheid. Met informatieborden kan het verhaal van het ‘oude’ waterbeheer met de vloeivelden en het ‘nieuwe’ waterbeheer met de waterberging naast elkaar verteld worden. Landschap Vanuit de omgeving is de wens om de landschappelijke en cultuurhistorische waarde van het gebied een plek te geven in het proces.
2.5
Integrale opgave
Zoals hierboven benoemd zijn de inrichting van de waterberging en het ontwikkelen van natuurdoelen onlosmakelijk met elkaar verbonden. Bij het ontwikkelen van de alternatieven voor het MER en het uiteindelijke ontwerp wordt dan ook gekeken naar de mogelijkheden die aan alle opgaven invulling geven. Hierbij worden ook de wensen over cultuurhistorische waarden, recreatie en landschap betrokken. De doelen voor het project zijn samenvattend: 1. Het bergen van 400.000 m³ water bij WB21 5 omstandigheden. 2. Het vasthouden van gebiedseigen water om een buffer op te bouwen voor droge perioden. 3. Het realiseren van het gewenste grond- en oppervlaktewater regime (GGOR) voor beoogde natuurdoelen NNN en Natura 2000. 4. Het inrichten van deelgebied Koningsschut als vispassage en KRW-berging.
5
Waterbeheer 21e eeuw 38
3
TE ONDERZOEKEN ALTERNATIEVEN
In de NRD zijn ontwerpprincipes gepresenteerd. Deze ontwerpprincipes zijn voor het MER gecombineerd tot alternatieven. In het MER worden de alternatieven met elkaar en met de referentiesituatie vergeleken op gebied van doelbereik en milieueffecten (zie ook paragraaf 4.1). Paragraaf 3.1 geeft op hoofdlijnen een beschrijving van het gebied en beschrijft eventuele raakvlakken met andere projecten. Paragraaf 0 gaat in op de ontwikkeling van de alternatieven. In paragraaf 3.3 worden de te onderzoeken alternatieven in dit MER toegelicht.
3.1
Gebiedsbeschrijving
Het plangebied omvat twee deelgebieden, namelijk het gebied Ootmaanlanden en het gebied Koningsschut. Beide gebieden liggen in de gemeente Westerveld in het zuidwesten van de provincie Drenthe (zie Figuur 3-1). In de volgende twee paragrafen worden de belangrijkste gebiedskenmerken van de beide deelgebieden kort toegelicht.
Figuur 3-1: Ligging deelgebieden Ootmaanlanden en Koningsschut
39
3.1.1
Deelgebied Ootmaanlanden
Ootmaanlanden is gelegen ten noorden van de plaats Uffelte en ten zuiden van de plaats Wittelte (zie Figuur 3-1). Het gebied is circa 75 hectare groot en wordt begrensd door de Rijksweg N371, het Natura 2000gebied Holtingerveld (waar Ootmaanlanden deels onderdeel vanuit maakt) en onverharde wegen. Het gebied is momenteel vooral in gebruik als natuur, maar er zijn ook enkele landbouwpercelen in de vorm van graslanden die worden begraasd door runderen en enkele akkers. Ootmaanlanden is in beheer bij Natuurmonumenten en maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) Drenthe. De omgeving ten oosten van het plangebied bestaat uit graslanden, akkers en bosschages. Ook lopen de Drentsche Hoofdvaart en de Oude Vaart ten oosten van het plangebied. Ten noorden en zuiden zijn dorpen en ook graslanden, akkers, bosschages, bomenrijen en boerderijen gevestigd. Ten westen ligt het Natura 2000-gebied Holtingerveld dat bestaat uit bosgebied, heide en vennen. Dit deel is hoger gelegen dan het deelgebied Ootmaanlanden. Het gebied is grotendeels in bezit van Natuurmonumenten. De halfverharde weg, die dit gebied doorsnijdt, is in bezit van een particuliere grondbezitter. Ondanks dat het plangebied onderdeel was van de ruilverkaveling Havelte (1967-1998), is de kenmerkende hooilandverkaveling met een perceelrichting dwars op de huidige watergang de Zween behouden.
De historische groenstructuren bestaan enerzijds uit restanten van historische houtwallen en anderzijds uit perceelrandvegetatie met een historisch beheer van hakhout van eik en els. Het plangebied wordt in het zuiden begrensd door de voormalige loop van de Uffelter Boervaart. Deze vaart was vanaf 1854 niet meer in gebruik als turfvaart en raakte in verval. Wanneer de vaart is gedempt, is onbekend. Daarnaast gaat het verhaal dat er in het gebied een opgeleide beek en vloeiweides aanwezig waren. Een historische bron beschrijft namelijk hoe de bewoners van Uffelte in het verleden een beekloop afdamden om met het beekwater de hooilanden periodiek te bevloeien ten behoeve van de vruchtbaarheid. Historische bevloeiingssystemen kennen verschillende verschijningsvormen, waarbij het zowel kan gaan om de aanvoer van kalkrijk (kwel)water, als het weren en afvoeren van het zure water vanuit heide en veengebieden. De aanwezigheid van het type bevloeiing door middel van een opgeleide beek langs de rand van het Oosterzand wordt weliswaar verondersteld (Kerssies et al. 2013), maar kan op basis van het uitgevoerde onderzoek naar aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden binnen het plangebied niet worden aangetoond (Hekman & Van Oosterhout, 2020).
Figuur 3-2: Deelgebied Ootmaanlanden met de ligging van de Drentse Hoofdvaart, de Oude Vaart en het Holtingerveld
40
3.1.2
Deelgebied Koningsschut
Het gebied Koningsschut ligt ten westen van Dwingeloo en is ongeveer 12 hectare groot (zie Figuur 3-3). De omgeving van deelgebied Koningsschut bestaat uit graslanden, akkers en boerderijen ten westen, noorden en zuiden van het plangebied. Het gebied ten oosten van Koningsschut bestaat uit natuurterrein waar akkers, graslanden en bosschages elkaar afwisselen. Het plangebied zelf wordt in het westen begrensd door de Oude Vaart. In de Oude Vaart is een stuw gelegen: de Koningsschut. Verder bestaat het deelgebied uit voedselrijk grasland, bosschage van berk, wilgen en essen (in het noordwesten), bosschage van eiken, wilgen en populieren (in het noorden) en een ruigtevegetatie (in het zuiden nabij de stuw). In het zuiden wordt het plangebied doorsneden door een zandweg, een fietspad en een leggerwatergang. Het plangebied is gesitueerd langs de voormalige meanderende loop van de Oude Vaart. Deze loop werd rechtgetrokken als onderdeel van de ruilverkaveling Dwingeloo-Smalbroek 1969-1984. De historische hooilandverkaveling is niet meer aanwezig, omdat de percelen zijn samengevoegd. Historische kaarten tonen dat het bos binnen het plangebied na 1970 is aangeplant. Het gebied ten zuidoosten van het plangebied heeft als veldnaam ‘Boer laar’, dat verwijst naar een zandige hoogte.
Deze hoogte werd door het nabijgelegen landgoed Oldengaerde gebruikt voor bosbouw, waarvan nog historische wallen en greppels aanwezig zijn. In het begin van de 19e eeuw werd ten zuiden van het plangebied de Van Holthesvaart haaks op de Drentsche Hoofdvaart gegraven ten behoeve van dit handelsverkeer. Koningsschut is in het bezit van Natuurmonumenten (ten noorden van leggerwatergang en weg; ca. 8 ha) en Staatsbosbeheer (ten zuiden van leggerwatergang en weg; ca. 3,8 ha). De percelen van Staatsbosbeheer bestaan uit een vochtig bos, grenzend aan de Oude Vaart. Dit deel van Koningsschut maakt onderdeel uit van het NNN. De percelen van Natuurmonumenten bestaan uit vrij intensief beheerd grasland. Het perceel ten zuiden van de zandweg bestaat uit ruigte en struweel.
Figuur 3-3: Plangebied Koningsschut met de ligging van de Drentse Hoofdvaart en de Oude Vaart
41
3.1.3
Autonome ontwikkelingen
De provincie Drenthe vervangt de beschoeiing langs de Drentsche Hoofdvaart, het water langs de Rijksweg 371, aangrenzend aan deelgebied Ootmaanlanden. Hierdoor wordt de Hoofdvaart 1,5 meter smaller. De uitvoering van deze ingreep aan de Drentsche Hoofdvaart is naar verwachting gereed wanneer de werkzaamheden aan de klimaatbuffer beginnen. De werkzaamheden beïnvloeden elkaar hierdoor niet.
3.2
Ontwikkeling alternatieven
Ontwerpprincipes In de NRD zijn de ontwerpprincipes voor de alternatieven voor de waterberging en het ontwikkelen van natuurdoelen in de deelgebieden Ootmaanlanden en Koningsschut opgenomen. De ontwerpprincipes zijn als volgt: Ontwerpprincipes opgave waterberging: 1. 100% waterberging in deelgebied Ootmaanlanden: bij dit ontwerpprincipe wordt de gehele waterbergingsopgave van 400.000 m³ water uitgewerkt in deelgebied Ootmaanlanden. 2. Maximale waterberging in deelgebied Koningsschut: bij dit ontwerpprincipe wordt het gebied Koningsschut maximaal benut voor waterberging en wordt de ‘restopgave’ om tot 400.000 m³ waterberging te komen in deelgebied Ootmaanlanden uitgewerkt. Ontwerpprincipes opgave natuurinrichting 1. Optimale invulling natuuropgave: door plaggen 6 worden omstandigheden gecreëerd die ruimte geven aan de ontwikkeling van beoogde beheertypen. 2. Ruimte voor aanvullende cultuurhistorische waarden en recreatie: Naast het ontwikkelen van natuur wordt verkend of invulling kan worden gegeven aan de wensen van de omgeving (zie paragraaf 2.4). Ontwerpprincipes KRW-opgave Koningsschut 1. Voor het deelgebied Koningsschut speelt een KRW-opgave om een vispassage en KRW-berging aan te leggen. In het gebied zal een vistrap worden aangelegd. Ontwerpprincipes wensen uit de omgeving 1. Toetsen op toegankelijkheid en beleefbaarheid van het gebied (recreatie). 2.
Het herkenbaar terugbrengen van het Uffelter Boervaartje in het gebied (cultuurhistorie). 3. Plaatsen informatieborden om het verhaal van het ‘oude’ waterbeheer met de vloeivelden en het ‘nieuwe’ waterbeheer met de waterberging naast elkaar te vertellen. Alternatieven De ontwerpprincipes zijn met steekwoorden opgenomen in een matrix. In de matrix zijn de ontwerpprincipes met elkaar gecombineerd om 4 alternatieven te vormen. Hierbij is vooral gekeken naar het in kaart brengen van de verschillen tussen de ontwerpprincipes. Het uiteindelijke voorkeursalternatief bestaat uit een combinatie van de ontwerpprincipes. Het voorkeursalternatief hoeft niet overeen te komen met één van de hier onder gepresenteerde alternatieven, maar kan ook een combinatie van verschillende alternatieven zijn. De alternatieven verschillen op drie vlakken: • Het te bergen water in de klimaatbuffer in de beide deelgebieden; • Het beoogde waterpeil van het vast te houden gebiedseigen water in de Ootmaanlanden; • Het te plaggen gebied in Ootmaanlanden. Voor alle alternatieven geldt dat het cultuurhistorische landschap binnen het plangebied, de houtwallen, het verkavelingspatroon behouden of versterkt worden.
6
Plaggen: het verwijderen van de met nutriënten verzadigde bovenste 30 cm grond 42
In een matrix ziet dat er als volgt uit: Tabel 3-1: Matrix integrale alternatieven
1
2
x
x
3
4
x
x
Doelen klimaatbuffer 1. Waterberging 100% Ootmaanlanden 2. Waterberging Koningsschut en Ootmaanlanden 3. Optimaal vasthouden gebiedseigen water binnen het plangebied (4.4) 4. Beperkt vasthouden gebiedseigen water binnen het plangebied (4.2) Natuurdoelen 1. Ootmaanlanden plaggen 2. Ootmaanlanden niet plaggen
x x
Cultuurhistorische waarden 1. Aanleggen Uffelter Boervaartje Recreatie 1. Ootmaanlanden wordt gedeeltelijk toegankelijk
x x
x
KRW Koningsschut 1. Vispassage + KRW-berging
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Er is voor deze alternatieven gekozen om de hoeken van het speelveld in kaart te brengen. Door de hoeken in beeld te brengen, is het daarna inzichtelijk welke onderdelen het beste kunnen worden opgenomen in het voorkeursalternatief. Aan de drie knoppen die hierboven genoemd zijn (bergen water, vasthouden gebiedseigen water en plaggen) kan worden gedraaid om tot een voorkeursalternatief te komen.
3.3
Toelichting alternatieven en voorgenomen activiteit
3.3.1
Algemene werkzaamheden
Zoals uit de matrix valt af te leiden, worden enkele werkzaamheden en onderdelen bij elk alternatief toegepast. Zo wordt er bij elk alternatief gestreefd om het Uffelter Boervaartje in ere te herstellen. Het Uffelter Boervaartje is nodig als mitigerende maatregel om grondwateroverlast te voorkomen. Voor de aanleg worden er geulen gegraven en tijdelijke bemalingen geplaatst. Ook worden er tijdens de werkzaamheden tijdelijke nevengeulen aangebracht om de afvoer van water tijdens de gehele periode te garanderen. Langs de aftakking richting het Uffelter Boervaartje wordt een wandelpad aangelegd. Langs dit wandelpad en aan de grenzen van het gebied worden borden geplaatst waarop de geschiedenis van het gebied en de huidige invulling worden gepresenteerd. Het cultuurhistorische landschap binnen het plangebied, de houtwallen en het verkavelingspatroon worden behouden of versterkt. De watergang de Zween blijft behouden, maar wordt op enkele plaatsen omgelegd of verdiept. Bij alle alternatieven wordt een vispassage en een KRW-berging aangebracht in Koningsschut. Voor de vispassage worden geulen gegraven en er worden enkele kunstwerken geplaatst. Voor het plaatsen van de kunstwerken zijn bemalingen nodig. Om de waterberging aan te leggen worden er kades om de deelgebieden Ootmaanlanden en Koningsschut aangebracht.
Figuur 3-4 laat de principe dwarsdoorsnedes zien van de kades die worden aangelegd in deelgebied Ootmaanlanden (zie ook bijlage 2 en 3). Deze kades worden bij alle alternatieven even hoog. In Figuur 3-5 staat de kadehoogte voor deelgebied Koningschut opgenomen.
43
Figuur 3-4: Kadehoogten deelgebied Ootmaanlanden in meters (principe profielen)
Figuur 3-5: Kadehoogte deelgebied Koningsschut (principe profiel)
3.3.2
Alternatief 1
Bij alternatief 1 wordt de klimaatbuffer in Ootmaanlanden volledig benut. Dit betekent dat het meeste water in Ootmaanlanden wordt opgevangen, en slechts een klein deel van de hoogwatergolf in Koningsschut. Doordat er meer water in deelgebied Ootmaanlanden staat, duurt het langer voordat de berging leegstroomt ten opzichte van de alternatieven 3 en 4. Bij alternatief 1 wordt een gedeelte van het gebied geplagd. Het plaggen is nodig om de fosfaatrijke bovengrond te verwijderen om het gebied geschikt te maken voor de ontwikkeling van onder andere vochtig hooiland. Dit sluit aan bij de beoogde natuurdoelen. In Figuur 3-7 staat een schets van deelgebied Ootmaanlanden weergegeven, met hierin de beoogde natuurdoelen na plaggen. Bij het plaggen wordt er een laag grond verwijderd van 10 tot op sommige plekken 30 centimeter.
44
Een ander onderdeel van het behalen van de natuurdoelen is het vasthouden van gebiedseigen water. Hiermee wordt verdroging van het Holtingerveld mogelijk tegengaan. Bij dit alternatief wordt het oppervlaktewaterpeil verhoogd, waardoor de grondwaterstand hoger kan worden dan in de huidige situatie het geval is. Het oppervlaktepeil wordt verhoogd tot een optimale situatie voor de ontwikkeling van natuur.
3.3.3
Alternatief 2
Net als bij alternatief 1 wordt bij alternatief 2 Ootmaanlanden als waterberging volledig benut. Bij alternatief 2 wordt er niet geplagd. Door niet te plaggen duurt het langer om de beoogde natuurdoelstellingen te behalen. In plaats van plaggen wordt er gebruik gemaakt van uitmijnen. Uitmijnen is een vorm van natuurontwikkeling over langere termijn (tot ca. 30 jaar). Het is een aangepaste landbouwmethode gericht op het afvoeren van fosfor waarbij de overgang van landbouw naar natuur stapsgewijs verloopt. Uitmijnen wordt ingezet als overgangsbeheer en heeft verschaling tot doel. Hierdoor worden er de komende jaren andere beheertypen verwacht. Figuur 3-7 toont een schets van het deelgebied Ootmaanlanden met hierin de beoogde beheertypen zonder plaggen. Een ander onderdeel van het behalen van de natuurdoelen is het vasthouden van gebiedseigen water. Hiermee wordt verdroging van het Holtingerveld mogelijk tegengaan. Bij dit alternatief wordt het oppervlaktewaterpeil verhoogd, waardoor de grondwaterstand hoger kan worden dan in de huidige situatie het geval is. Het oppervlaktepeil wordt verhoogd tot een suboptimale situatie voor de ontwikkeling van natuur, maar bij deze variant is de kans op overlast door grondwater kleiner dan bij de optimale variant (alternatief 1 en 4, zie hoofdstuk 10).
3.3.4
Alternatief 3
Bij alternatief 3 wordt deelgebied Koningsschut maximaal benut voor waterberging. Het zal langer duren voordat de berging in Koningsschut, na het hoge water, is leeggestroomd. Het water dat niet in Koningschut kan worden geborgen, wordt opgevangen in Ootmaanlanden. Dit is minder dan bij de alternatieven 1 en 2, waardoor het water naar verwachting sneller uit het gebied Ootmaanlanden is gestroomd. Naast het aanleggen van een waterberging wordt Ootmaanlanden geplagd (zie Figuur 3-7). Door het plaggen wordt Ootmaanlanden geschikt gemaakt voor het ontwikkelen van de beoogde natuurdoelen. Bij dit alternatief wordt het oppervlaktewaterpeil verhoogd, waardoor de grondwaterstand hoger kan worden dan in de huidige situatie het geval is. Het oppervlaktepeil wordt verhoogd tot een suboptimale situatie voor de ontwikkeling van natuur, maar bij deze variant is de kans op overlast door grondwater kleiner dan bij de optimale variant (alternatief 1 en 4, zie hoofdstuk 10).
3.3.5
Alternatief 4
Net als bij alternatief 3 wordt de waterberging in Koningsschut volledig benut. Het water dat niet in Koningsschut kan worden geborgen, wordt in Ootmaanlanden opgevangen. In beide gebieden duurt het even lang als bij alternatief 3 om het water uit de gebieden te laten wegstromen. Het oppervlaktewaterpeil wordt in dit alternatief beperkt verhoogd, waardoor de grondwaterstand gedurende delen van het jaar hoger kan worden dan in de huidige situatie het geval is, net als in alternatief 1. Het oppervlaktepeil wordt verhoogd tot een optimale situatie voor de ontwikkeling van natuur.
45
Figuur 3-6: Beoogde natuurdoelen in inrichting Koningsschut
Figuur 3-7: Schets van deelgebied Ootmaanlanden met de beoogde beheertypen, met (links) en zonder (rechts) plaggen
46
4
EFFECTBESCHRIJVING EN -BEOORDELING
Dit hoofdstuk beschrijft de aanpak van het milieuonderzoek. In paragraaf 4.1 wordt de aanpak met de uitgangspunten beschreven die bij de effectbeoordeling worden gehanteerd. In paragraaf 4.2 wordt ingegaan op het beoordelingskader dat in het MER voor de effectbeoordeling wordt toegepast. In het MER vindt toetsing plaats op doelbereik en mogelijke milieueffecten. In paragraaf 4.2 staat aangeven welke aspecten en beoordelingscriteria in deze beoordeling worden betrokken. Paragraaf 4.3 geeft de beoordeling voor doelbereik weer. De paragrafen 4.5 en 4.4 geven een samenvatting van de effecten in de gebruiksfase (4.5) en de realisatiefase (4.4).
4.1
Werkwijze
In hoofdstuk 3 zijn de alternatieven omschreven die worden beoordeeld in dit MER. De alternatieven worden getoetst op doelbereik en mogelijke milieueffecten. In deze paragraaf wordt ingegaan op de algemene uitgangspunten voor de effectbeoordeling. Het te hanteren beoordelingskader is opgenomen in paragraaf 4.2. Plangebied en studiegebied We spreken van een plangebied en van een studiegebied: • Het plangebied is het gebied waarin de voorgenomen activiteit(en) gaat plaatsvinden. • Het studiegebied is het gebied waarin effecten kunnen optreden. Dit kan per aspect verschillend zijn en wordt in de hoofdstukken in deel B per aspect toegelicht. Referentiesituatie De alternatieven worden beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Dit is de situatie ten opzichte waarvan de effecten van de voorgenomen activiteit en de alternatieven worden beoordeeld. De referentiesituatie bestaat uit de huidige (feitelijke bestaande), legale situatie en autonome ontwikkelingen. Autonome ontwikkelingen zijn ontwikkelingen in en nabij het plangebied, die zich ook voordoen als de voorgenomen activiteit niet wordt uitgevoerd (zie paragraaf 3.1.3). Ook worden hieronder de gevolgen van vastgesteld beleid en projecten, waarover al definitieve besluitvorming heeft plaatsgevonden, begrepen. De referentiesituatie is op hoofdlijnen beschreven in paragraaf 3.1.