CConstaterende datWesterveld
Koppel je AI →
Document · PDF

MER

Politieke avond Westerveld 20 december 2022, gemeente WesterveldBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling bestemmingsplan Klimaatbuffer Ootmaanlanden en Koningsschut en MER (spreekrecht)37.411 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

MER KLIMAATBUFFER OOTMAANLANDEN EN KONINGSSCHUT Prolander 24 MAART 2022

1

Contactpersonen CINDY GROENEWOUD Projectleider

T +31 629121340 E cindy.groenewoud@arcadis.com

Arcadis Nederland B.V. Postbus 63 9400 AB Assen Nederland

Laura Cazemier

M +31 615213959 E laura.cazemier@arcadis.com

Arcadis Nederland B.V. Postbus 63 9400 AB Assen Nederland

2

INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING

6

1

INLEIDING

28

1.1

Aanleiding project

28

1.2

Besluitvorming

29

1.3

Milieueffectrapportage

31

1.4

Zienswijzen indienen

34

1.5

Leeswijzer

34

2

3

4

5

NUT EN NOODZAAK

36

2.1

Opgave waterberging

36

2.2

Opgave natuurontwikkeling Ootmaanlanden

36

2.3

Opgave KRW Koningsschut

37

2.4

Wensen uit het gebied

37

2.5

Integrale opgave

38

TE ONDERZOEKEN ALTERNATIEVEN

39

3.1

Gebiedsbeschrijving

39

3.2

Ontwikkeling alternatieven

42

3.3

Toelichting alternatieven en voorgenomen activiteit

43

EFFECTBESCHRIJVING EN -BEOORDELING

47

4.1

Werkwijze

47

4.2

Beoordelingskader en -methodiek

48

4.3

Resultaten beoordeling doelbereik

50

4.4

Effecten realisatiefase

51

4.5

Effecten gebruiksfase

58

VOORKEURSALTERNATIEF

62

5.1

Ontwerp alternatief 3

62

5.2

Beoordeling doelbereik alternatief 3

62

5.3

Onderscheidende effecten realisatiefase

62

5.4

Onderscheidende effecten gebruiksfase

63

5.5

Conclusie

64 3

6

LEEMTEN IN KENNIS

65

7

MONITORINGS- EN EVALUATIEPROGRAMMA

66

8

DOELBEREIK

69

8.1

Beoordelingskader en methodiek

69

8.2

Beoordeling

69

8.3

Conclusie

71

9

BODEM

72

9.1

Wettelijk kader en beleidskader

72

9.2

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

74

9.3

Beoordelingskader

76

9.4

Effecten tijdens realisatiefase

78

9.5

Effecten tijdens gebruiksfase

79

9.6

Mitigerende en compenserende maatregelen

80

9.7

Leemten in kennis en evaluatie

81

10 WATER

83

10.1

Wettelijk kader en beleidskader

83

10.2

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

85

10.3

Beoordelingskader

90

10.4

Effecten tijdens realisatiefase

92

10.5

Effecten tijdens gebruiksfase

93

10.6

Mitigerende en compenserende maatregelen

94

10.7

Leemten in kennis en evaluatie

95

11 NATUUR

96

11.1

Wettelijk kader en beleidskader

96

11.2

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

97

11.3

Beoordelingskader

111

11.4

Effecten tijdens realisatiefase

113

11.5

Effecten tijdens gebruiksfase

127

11.6

Mitigerende en compenserende maatregelen

130

11.7

Leemten in kennis en evaluatie

133

12 AARDKUNDE 12.1

Wettelijk kader en beleidskader

134 134 4

12.2

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

135

12.3

Beoordelingskader

135

12.4

Effecten tijdens realisatiefase

136

12.5

Effecten tijdens gebruiksfase

137

12.6

Mitigerende en compenserende maatregelen

137

12.7

Leemten in kennis en evaluatie

138

13 ARCHEOLOGIE

139

13.1

Wettelijk kader en beleidskader

139

13.2

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

140

13.3

Beoordelingskader

141

13.4

Effecten tijdens realisatiefase

143

13.5

Effecten tijdens gebruiksfase

143

13.6

Mitigerende en compenserende maatregelen

144

13.7

Leemten in kennis en evaluatie

145

14 LANDSCHAP EN CULTUURHISTORIE

147

14.1

Wettelijk kader en beleidskader

147

14.2

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

149

14.3

Beoordelingskader

150

14.4

Effecten tijdens realisatiefase

151

14.5

Effecten tijdens gebruiksfase

152

14.6

Mitigerende en compenserende maatregelen

153

14.7

Leemten in kennis en evaluatie

154

15 WOON- EN LEEFOMGEVING

155

15.1

Wettelijk kader en beleidskader

155

15.2

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

156

15.3

Beoordelingskader

158

15.4

Effecten tijdens realisatiefase

162

15.5

Effecten tijdens gebruiksfase

163

15.6

Mitigerende en compenserende maatregelen

165

15.7

Leemten in kennis en evaluatie

165

BIJLAGEN MER

167

5

SAMENVATTING Aanleiding

Om Meppel in de toekomst voor wateroverlast bij hoogwatersituaties te beschermen, is bestuurlijk afgesproken dat er 400.000 m³ water vanuit de Oude Vaart geborgen moet kunnen worden. Het gebied Ootmaanlanden is hiervoor als retentiegebied aangewezen. Om te kunnen voldoen aan de waterbergingsopgave van 400.000 m³ is het project uitgebreid met het deelgebied Koningsschut. De ligging van het gebied op de overgang van hoog naar laag Drenthe maakt Ootmaanlanden/Koningsschut geschikt voor waterberging. Beide gebieden zijn weergegeven in Figuur 0-1. Naast de waterbergingsopgave zijn er natuurdoelstellingen voor het plangebied, die in samenhang met de waterbergingsopgave worden opgepakt. Voor het deelgebied Ootmaanlanden hebben deze betrekking op het tegengaan van de verdroging in het Natura 2000-gebied Holtingerveld en het inrichten van het gebied Ootmaanlanden als Natuurnetwerk Nederland (NNN). De verdroging zal zoveel mogelijk worden tegengegaan door gebiedseigen water vast te houden in Ootmaanlanden. De verwachting is dat door het vasthouden van het gebiedseigen water de grondwaterstanden in deelgebied Ootmaanlanden hoger worden, en de daarbij passende natuurdoelen zich kunnen ontwikkelen. Het deelgebied Koningsschut wordt ingericht als waterberging, gecombineerd met de KRW-opgave om de stuw Koningsschut vispasseerbaar te maken.

Figuur 0-1: Ligging van de deelgebieden Ootmaanlanden (rood en Koningsschut (blauw) met de natuurgebieden Holtingerveld en Dwingelderveld

Voor het inrichten van de waterberging in de deelgebieden Ootmaanlanden en Koningsschut is een bestemmingsplanwijziging en een Passende Beoordeling (Wet natuurbescherming) nodig.

Te nemen besluiten

Om het project te realiseren, zijn verschillende besluiten nodig. De m.e.r.-procedure is daarbij gekoppeld aan het bestemmingsplan. Daarnaast zijn er verschillende vergunningen nodig ten behoeve van de aanleg en realisatie van de waterberging en het realiseren van natuurdoelen. Bestemmingsplan Voor alle niet-agrarische bestemmingen is het onherroepelijke bestemmingsplan “Buitengebied” (juli 2012) van toepassing. Voor de agrarische bestemmingen moet worden teruggevallen op bestemmingsplannen van vóór de gemeentelijke herinrichting. Voor Ootmaanlanden is dat het bestemmingsplan “Buitengebied 6

gemeente Havelte” (1985) en voor Koningsschut het bestemmingsplan “Buitengebied gemeente Dwingeloo” (1993) (“Agrarische cultuurgronden – onbebouwd met landschappelijke waarde” en deels als “beplanting”). Het bestemmingsplan “Buitengebied Westerveld 2018” is in juli 2021 vernietigd. Dit heeft geen inhoudelijke consequenties voor dit project. Voor het aanleggen van de klimaatbuffer is het nodig om in beide deelgebieden de bestemmingsplannen te wijzigen tot een dubbelbestemming met waterberging. De gemeente Westerveld is voor het bestemmingsplan het bevoegd gezag. Overige besluiten Waterwet Vanuit de Waterwet is voor het project een watervergunning nodig. Deze watervergunning is nodig voor de bemaling in de realisatiefase voor het plaatsen van kunstwerken en voor het graven en verbreden van watergangen die op de legger van het Waterschap Drents Overijsselse Delta moeten komen. Ook de aanpassing van het waterpeil in beide deelgebieden wordt hierin meegenomen. Het waterschap Drents Overijsselse Delta is hiervoor het bevoegd gezag.

Ontgrondingsmelding Waterberging Vanuit lid a, provinciale omgevingsverordening Drenthe, artikel 7.1, geldt een vrijstelling voor: ‘het aanleggen, onderhouden en verwijderen van waterstaatswerken door of op last van Rijk, waterschap of provincie, het uitvoeren van door het bevoegd gezag goedgekeurde bodemsaneringen en het uitvoeren van werken door of op last van de provincie Drenthe’. Dit laatste is bij Ootmaanlanden het geval. Als er meer dan 1.000 m³ wordt ontgraven, is een ontgrondingsmelding nodig (volgens artikel 7.2 van de omgevingsverordening). Voor het project is de verwachting dat er meer dan 1.000 m³ wordt ontgraven, om deze reden moet er een ontgrondingsmelding worden gedaan. Natuurontwikkeling Naast het aanleggen van de waterberging worden er ook werkzaamheden uitgevoerd voor de natuurontwikkeling in het gebied. Eén van de mogelijke maatregelen is het plaggen in Ootmaanlanden. De overige werkzaamheden die in Ootmaanlanden en Koningsschut worden aangelegd, zoals werkzaamheden aan de Zween, het aanleggen van de vispassage en het aanleggen van poelen valt onder het aanleggen van de waterberging. Deze werkzaamheden worden uitgevoerd als mitigerende maatregelen voor eventuele schade die de waterberging kan aanbrengen of om water afvoeren nadat de waterberging wordt ingezet.

Op het plaggen is de volgende vrijstelling van toepassing: ‘werkzaamheden verricht door of in opdracht van natuurterrein beherende instanties aan en in gronden die door deze instanties worden beheerd’. Hier zijn de volgende voorwaarden aan verbonden: a. Archeologische of aardkundige waarden worden niet aangetast (dieper dan de 30 cm toplaag). b. De werkzaamheden zijn niet in strijd met het geldende bestemmingsplan. c. De werkzaamheden zijn gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. d. De hoogteligging van de gronden na beëindiging van de werkzaamheden wordt niet met meer dan 0,5 m verminderd. e. Er vindt geen afvoer plaats anders dan van humeus bodemmateriaal. f. De werkzaamheden strekken niet tot het geheel of gedeeltelijk afgraven van wallen. Voor Ootmaanlanden wordt aan deze voorwaarden voldaan. Voor het plaggen hoeft daarom geen ontgrondingsvergunning te worden aangevraagd. Bij de uitwerking van dit MER zijn deze voorwaarden getoetst. Vergunning Wet natuurbescherming Het deelgebied Ootmaanlanden grenst aan het Holtingerveld. Het Holtingerveld is een Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied omvat een gedeelte van het plangebied Ootmaanlanden (zie Figuur 1-1). De provincie Drenthe is bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming. Uit de Passende Beoordeling blijken geen significante effecten op het Holtingerveld.

De provincie zou op basis van deze Passende Beoordeling een vergunning kunnen verlenen. Omgevingsvergunning 7

Op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de vigerende bestemmingsplannen “Buitengebied” (juli 2012), “Buitengebied gemeente Havelte” (1985) en “Buitengebied gemeente Dwingeloo” (1993) is een omgevingsvergunning benodigd voor onder andere kap- en rooi werkzaamheden, het afgraven of ophogen van gronden, het dempen of graven van sloten en poelen en het aanplanten van bomen. De gemeente Westerveld is hiervoor het bevoegd gezag.

Milieueffectrapportage

Om te bepalen of voor het inrichten van de waterberging in combinatie met natuurontwikkeling de procedure van de milieueffectrapportage verplicht is, zijn twee relevante ingangen voor de m.e.r.-plicht getoetst: 1. Het Besluit m.e.r 1. 2. Passende Beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming. Toetsing aan Besluit m.e.r. Voor besluiten en plannen die leiden tot ontwikkelingen met (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, geldt de verplichting om een milieueffectrapport op te stellen of om te beoordelen of het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. In onderdeel C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten m.e.r.-plichtig (onderdeel C) of m.e.r.-beoordelingsplichtig (onderdeel D) zijn. In Tabel 0-1 staan de relevante activiteiten uit het Besluit m.e.r. voor dit project opgenomen. Een m.e.r.-(beoordelings)plicht is altijd gekoppeld aan een besluit of een plan. Tabel 0-1: Relevante activiteiten Besluit m.e.r. Activiteit

Gevallen

In gevallen waarin de activiteit D9 Een landinrichtingsproject dan betrekking heeft op: wel een wijziging of uitbreiding 1. Een functiewijziging met een daarvan oppervlakte van 125 ha of meer van water, natuur, recreatie of landbouw

C16.1/D16.1 De ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de In gevallen waarin de activiteit ontginning van steengroeven of betrekking heeft op een dagbouwmijnen, met inbegrip van terreinoppervlakte van meer dan 25 de winning van hectare (C16.1) of meer dan 12,5 oppervlaktedelfstoffen uit de hectare (D16.1) landbodem, anders dan bedoeld onder D16.2

1

Waarom relevant Voor het aanleggen van de waterberging in Ootmaanlanden en Koningsschut wordt een dubbelbestemming waterberging toegekend. Het deelgebied Ootmaanlanden is ongeveer 75 ha groot en het deelgebied Koningsschut is ongeveer 12 hectare groot, wat samen kleiner is dan de drempelwaarde. Hierdoor is de functiewijziging niet m.e.r.beoordelingsplichtig. Wel is er sprake van een vormvrije m.e.r.beoordelingsplicht, gekoppeld aan het bestemmingsplan. Voor het aanleggen van een waterberging met natuurontwikkeling in het deelgebied Ootmaanlanden kan het nodig zijn om te moeten plaggen. In Koningsschut wordt een vispassage aangelegd. Het deelgebied Ootmaanlanden is ongeveer 75 ha groot en het deelgebied Koningsschut is ongeveer 12 hectare groot. De verwachting is dat met het plaggen van Ootmaanlanden de drempelwaarden wordt overschreden. Doordat er echter geen ontgrondingsvergunning (besluit) nodig is, is daarom geen sprake van een m.e.r.- of m.e.r.(beoordelings)plicht. Er is alleen sprake van een ontgrondingsmelding.

Besluit m.e.r. = Besluit milieueffectrapportage 8

D15.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater

In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een hoeveelheid water van 1,5 miljoen m³ of meer per jaar

Voor de aanleg van de waterberging is het nodig om kunstwerken te plaatsen en watergangen te graven en te verbreden. Hiervoor dient grondwater te worden onttrokken. De verwachting is dat de bemaling onder de drempelwaarde van 1,5 miljoen m³ of meer per jaar blijft. Hierdoor geldt een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht gekoppeld aan de watervergunning.

Toetsing Passende Beoordeling Als voor een plan, zoals een bestemmingsplan, een Passende Beoordeling moet worden opgesteld, is er sprake van een plan-m.e.r.-plicht gekoppeld aan het betreffende plan. Met de inwerkingtreding van de twintigste tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet op 18 december 2020 is in bepaalde gevallen voor bestemmingsplannen de directe koppeling van de noodzaak voor een Passende Beoordeling met plan-m.e.r.- plicht losgelaten. Via Artikel II is het Besluit m.e.r. gewijzigd, waardoor een Passende Beoordeling voor een bestemmingsplan niet meer in alle gevallen direct tot een plan-m.e.r.-plicht leidt. In bepaalde gevallen kan dan worden volstaan met een plan-m.e.r.- beoordeling. Voor Ootmaanlanden en Koningsschut is besloten hiervan geen gebruik te maken en om gekoppeld aan het bestemmingsplan de m.e.r.-procedure te doorlopen en voorliggend planMER op te stellen. Conclusie Op basis van bovenstaande: • Moet er voor het bestemmingplan een Passende Beoordeling worden opgesteld. Ondanks dat het gewijzigde Besluit m.e.r. (d.d. 18 december 2020) de mogelijkheid geeft voor een plan-m.e.r.beoordeling, is voor dit project gekozen voor het direct doorlopen van de (plan) m.e.r.- procedure en het opstellen van een planMER en zo de milieueffecten inzichtelijk te maken en aan de omgeving te kunnen onderbouwen.

• Is er geen sprake van een m.e.r.-(beoordelings)-plicht vanwege het ontbreken van een ontgrondingsvergunning. • Geldt er voor het bestemmingsplan een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht vanwege de functiewijziging die ten behoeve van de waterberging nodig is. • Is er sprake van een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht ten behoeve van de Waterwetvergunning vanwege de grondwateronttrekking in de aanlegfase. Om invulling te geven aan deze verplichtingen is er gekoppeld aan het bestemmingsplan een gecombineerd plan-/projectMER opgesteld, verder MER genoemd. Een planMER vanwege de noodzaak voor een Passende Beoordeling en een projectMER waarin de vormvrije m.e.r.-beoordeling van de functiewijziging plaatsvindt. Alhoewel voor het plaggen en aanleggen van de vispassage geen ontgrondingsvergunning nodig is, en geen aanleiding geven tot m.e.r.-(beoordelings)plicht, zijn deze activiteiten wel meegenomen in de effectbeschrijving en -beoordeling in het MER. Voor de waterwetvergunning wordt te zijner tijd een separate m.e.r.-beoordelingsprocedure doorlopen. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van het MER, aangevuld met actuele milieu-informatie ten behoeve van de vergunningaanvraag.

M.e.r.-procedure

Een milieueffectrapportage is een hulpmiddel bij het voorbereiden van en de besluitvorming over het bestemmingsplan. Gekoppeld aan de bestemmingsplanwijziging wordt de zogenaamde uitgebreide m.e.r.procedure doorlopen. Het MER wordt met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. De Passende Beoordeling is als opgenomen bij dit MER. Hieronder zijn de verschillende stappen in de uitgebreide m.e.r.procedure op een rij gezet.

1.

Mededeling en kennisgeving

Het voornemen om voor de aanleg van een waterberging met natuurdoeleinden het bestemmingsplan te wijzigingen, is schriftelijk kenbaar gemaakt aan het bevoegd gezag: de gemeente Westerveld. De Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD), gepubliceerd op 3 februari 2021, is in dit geval benut als schriftelijke mededeling. Het voornemen is vervolgens door het bevoegd gezag, de gemeente Westerveld, openbaar aangekondigd in huis-aan-huisbladen, de gemeentelijke website en de Staatscourant. 9

2.

Raadpleging betrokken bestuursorganen en zienswijzen

Na ontvangst van de NRD heeft het bevoegd gezag de adviseurs en de bestuursorganen die bij de voorbereiding van het voornemen worden betrokken in de gelegenheid gesteld te adviseren over de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen MER. Ook heeft eenieder de gelegenheid gekregen zienswijzen in te dienen over de reikwijdte, het detailniveau en de voorgestelde aanpak van dit MER. Voor het verkrijgen van zienswijzen, heeft de NRD 6 weken ter inzage gelegen. Deze ter inzagelegging is kenbaar gemaakt via het lokale huis-aan-huisblad, de gemeentelijke website en de Staatscourant. Er zijn 4 zienswijzen ontvangen door de gemeente Westerveld. Deze zienswijzen gingen voornamelijk in op grondwateroverlast en overlast door muggen. Deze onderwerpen zijn meegenomen in voorliggend MER. Er is door de initiatiefnemer gekozen om geen advies aan de Commissie m.e.r. te vragen over de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen MER. Het bevoegd gezag heeft op 23 november 2021 een advies uitgebracht over de reikwijdte en het detailniveau van het MER. Vervolgens is voorliggend MER opgesteld (zie stap 3).

3.

Opstellen MER

4.

Zienswijzen, advies en besluit

Conform de voorgenomen aanpak in de NRD is de milieubeoordeling uitgevoerd en is het milieueffectrapport (MER), inclusief passende beoordeling opgesteld. Daarbij is, waar mogelijk en zinvol, rekening gehouden met de ingebrachte zienswijzen, reacties en advies. Parallel aan het opstellen van het MER is het ontwerp bestemmingsplan opgesteld. Het MER ligt vervolgens samen met het ontwerp van het bestemmingsplan 6 weken ter inzage. In deze periode is het voor iedereen mogelijk om zienswijzen in te dienen op het MER. Daarnaast wordt het MER getoetst door de Commissie m.e.r. Deze onafhankelijke Commissie toetst of de essentiële informatie in het MER aanwezig is om het milieu volwaardig mee te nemen in de besluitvorming over het bestemmingsplan. Mede op basis van de resultaten van het MER, met inachtneming van de zienswijzen en adviezen, wordt het definitieve bestemmingsplan vastgesteld, bekendgemaakt en ter inzage gelegd.

Nut en noodzaak en doelen van het project

De opgave van het project is tweeledig. Er is sprake van een waterbergingsopgave en een opgave voor natuurontwikkeling. De inrichting van de waterberging en het ontwikkelen van natuurdoelen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Daarnaast worden in deelgebied Koningsschut de werkzaamheden gecombineerd met de KRW-opgave die voor dit deelgebied speelt. Bij het ontwikkelen van de alternatieven voor het MER en het uiteindelijke ontwerp wordt om de reden gekeken naar de mogelijkheden die aan alle opgaven invulling geven. Hierbij worden ook de wensen omtrent cultuurhistorische waarden, recreatie en landschap betrokken. Waterberging Natuurmonumenten, provincie Drenthe, Waterschap Drents Overijsselse Delta, de gemeente Westerveld en de gemeente De Wolden hebben op 3 juli 2012 de samenwerkingsovereenkomst Klimaatbuffer Anserveld – Leisloot – Ootmaanlanden ondertekend om gezamenlijk te investeren in klimaatbufferontwikkeling. Deze klimaatbuffer is tweeledig: het bergen van water bij hoogwater en het vasthouden van gebiedseigen water. Onderstaand zijn per opgave de doelen voor het project benoemt. 1. Het bergen van 400.000 m³ water bij WB21 2 omstandigheden Een onderdeel van deze samenwerkingsovereenkomst is het realiseren van een waterberging in Ootmaanlanden om de stad Meppel in de toekomst voor wateroverlast te beschermen (water bergen).

Hiervoor moet 400.000 m³ uit de Oude Vaart worden geborgen, zodat de waterpieken worden afgevlakt. Het water uit de Oude Vaart kan middels een bestaande verbinding met de Drentsche Hoofdvaart naar Ootmaanlanden stromen. Het plangebied Ootmaanlanden bleek niet groot genoeg om de gehele 400.000 m³ te bergen. Het project is daarom uitgebreid met het deelgebied Koningsschut. Beide gebieden liggen op de overgang van hoog naar laag Drenthe. Dit maakt de gebieden geschikt voor waterberging.

2 Waterbeheer 21e eeuw

10

2. Het vasthouden van gebiedseigen water om een buffer op te bouwen voor droge perioden Het tweede onderdeel van de klimaatbuffer is het vasthouden van gebiedseigen water. Door de grondwaterstand in het gebied te verhogen in natte perioden kan er water worden vastgehouden om verdroging van de gronden tegen te gaan. Daarnaast maakt het deelgebied Ootmaanlanden gedeeltelijk onderdeel uit van het Natura 2000-gebied Holtingerveld. Door de ligging van Ootmaanlanden in het Holtingerveld kan de waterberging worden gecombineerd met de natuuropgave om de waterhuishouding in het Holtingerveld te verbeteren. Vernatting van Ootmaanlanden door het vasthouden van gebiedseigen water en in droge perioden inlaten van schoon water uit de noordelijk gelegen ‘De Broeken’ kan leiden tot verbetering van een aantal habitattypen in het Holtingerveld, zoals de bosveentjes en de slenk met het vochtige heide- en hoogveencomplex Uffelterveen/Kolonieveen. Natuurontwikkeling In de omgevingsvisie van de provincie Drenthe is een opgave voor de inrichting van nieuwe natuur en herstel in deelgebied Ootmaanlanden omschreven. Een onderdeel van deze natuuropgave is de ontwikkeling van beekdalgraslanden (gerelateerd aan Natuur Netwerk Nederland, NNN) en het verbeteren van de waterhuishouding in het Holtingerveld.

Daarnaast hebben Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer als beleid om, waar mogelijk, natuurontwikkeling te combineren met waterberging. 3. Het realiseren van het gewenste grond- en oppervlaktewater regime (GGOR) voor beoogde natuurdoelen NNN en Natura 2000 KRW Koningsschut Voor het deelgebied Koningsschut ligt een opgave vanuit de Kader Richtlijn Water (KRW). Vanuit de KRWopgave voor de Oude Vaart moet de stuw bij Koningsschut vispasseerbaar worden gemaakt. Bij Koningsschut in de Oude Vaart wordt daarom samen met de waterberging een vispassage aangelegd. Met het oog op de derde planperiode van de KRW is een watersysteemanalyse uitgevoerd en is sinds 2020 een aanvullende opgave voor de Oude Vaart in beeld, waarbij de regelmatig optredende jaarlijkse pieken op de Oude Vaart opgevangen worden in zogenaamde KRW-bergingen. Deze verandering wordt op dit moment besproken met de gebiedspartners en naar verwachting eind 2021 vastgelegd. Het aanwijzen van deelgebied Koningsschut als KRW-berging heeft als gevolg dat de berging jaarlijks wordt ingezet in plaats van eens in de 25 jaar bij extreme neerslagsituaties. De totale berging verandert niet. De verwachting is dat 60% van de bergingscapaciteit jaarlijks wordt ingezet, waarbij 40% overblijft voor extreme neerslagsituaties. 4. Het inrichten van deelgebied Koningsschut als vispassage en KRW-berging.

Wensen vanuit de omgeving Vanuit het Collegeprogramma van de gemeente Westerveld komt de wens om de gebieden Ootmaanlanden en Koningsschut toegankelijk te maken voor bezoekers. De ligging van de gemeente te midden van natuurgebieden biedt volop kansen om de natuur toegankelijk en beleefbaar te maken. Bij de gemeente is een verzoek ingediend om het Uffelter Boervaartje weer beleefbaar te maken. Dit is een dorpsinitiatief van Uffelte. Het Uffelter Boervaartje werd in 1787 aangelegd om de turf vanuit het Uffelterveen en het Kolonieveen met de boot te vervoeren naar Meppel. Sinds 1854 is het Uffelter Boervaartje niet meer in gebruik als turfvaart en is het na verval jaren geleden gedempt. Er zijn wensen in de streek om deze cultuurhistorische watergang weer zichtbaar te maken. In het kader van de planvorming van de ‘Klimaatbuffer Ootmaanlanden’ liggen er kansen om het Uffelter Boervaartje gedeeltelijk in ere te herstellen. Daarnaast bestaat de wens vanuit het gebied om in het ontwerp van de ‘Klimaatbuffer Ootmaanlanden’ het verhaal van historisch waterbeheer in de vorm van vloeiweidesystemen mee te nemen. Een historische bron beschrijft namelijk hoe de bewoners van Uffelte in het verleden een beekloop afdamden om met het beekwater de hooilanden periodiek te bevloeien ten behoeve van de vruchtbaarheid.

Met informatieborden kan het verhaal van het ‘oude’ waterbeheer met de vloeivelden en het ‘nieuwe’ waterbeheer met de waterberging naast elkaar verteld worden.

11

Vanuit de omgeving is de wens om de landschappelijke en cultuurhistorische waarde van het gebied een plek te geven in het proces.

Gebiedsbeschrijving

Het plangebied omvat twee deelgebieden, namelijk het gebied Ootmaanlanden en het gebied Koningsschut. Beide gebieden liggen in de gemeente Westerveld in het zuidwesten van de provincie Drenthe (zie Figuur 0-2). In de volgende twee paragrafen worden de belangrijkste gebiedskenmerken van de beide deelgebieden kort toegelicht. Deelgebied Ootmaanlanden Ootmaanlanden is gelegen ten noorden van de plaats Uffelte en ten zuiden van de plaats Wittelte (zie Figuur 0-3). Het gebied is circa 75 hectare groot en wordt begrensd door de Rijksweg N371, het Natura 2000gebied Holtingerveld (waar Ootmaanlanden deels onderdeel vanuit maakt) en onverharde wegen. Het gebied is momenteel vooral in gebruik als natuur, maar er zijn ook enkele landbouwpercelen in de vorm van graslanden die worden begraasd door runderen en enkele akkers. Ootmaanlanden is in beheer bij Natuurmonumenten en maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) Drenthe.

Figuur 0-2: Ligging deelgebieden Ootmaanlanden en Koningsschut

De omgeving ten oosten van het plangebied bestaat uit graslanden, akkers en bosschages. Ook lopen de Drentsche Hoofdvaart en de Oude Vaart ten oosten van het plangebied. Ten noorden en zuiden zijn dorpen en ook graslanden, akkers, bosschages, bomenrijen en boerderijen gevestigd. Ten westen ligt het Natura 2000-gebied Holtingerveld dat bestaat uit bosgebied, heide en vennen. Dit deel is hoger gelegen dan het deelgebied Ootmaanlanden. 12

Het gebied is grotendeels in bezit van Natuurmonumenten. De half verharde weg, die dit gebied doorsnijdt, is in bezit van een particuliere grondbezitter. Ondanks dat het plangebied onderdeel was van de ruilverkaveling Havelte (1967-1998), is de kenmerkende hooilandverkaveling met een perceelrichting dwars op de huidige watergang behouden. De historische groenstructuren bestaan enerzijds uit restanten van historische houtwallen en anderzijds uit perceelrandvegetatie met een historisch beheer van hakhout van eik en els. Het plangebied wordt in het zuiden begrensd door de voormalige loop van de Uffelter Boervaart. Deze vaart was vanaf 1854 niet meer in gebruik als turfvaart en raakte in verval. Wanneer de vaart is gedempt, is onbekend. Daarnaast gaat het verhaal dat er in het gebied een opgeleide beek en vloeiweides aanwezig waren. Een historische bron beschrijft namelijk hoe de bewoners van Uffelte in het verleden een beekloop afdamden om met het beekwater de hooilanden periodiek te bevloeien ten behoeve van de vruchtbaarheid. Historische bevloeiingssystemen kennen verschillende verschijningsvormen, waarbij het zowel kan gaan om de aanvoer van kalkrijk (kwel)water, als het weren en afvoeren van het zure water vanuit heide en veengebieden.

De aanwezigheid van het type bevloeiing door middel van een opgeleide beek langs de rand van het Oosterzand wordt weliswaar verondersteld (Kerssies et al. 2013), maar kan op basis van het uitgevoerde onderzoek naar aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden binnen het plangebied niet worden aangetoond (Hekman & Van Oosterhout, 2020).

Figuur 0-3: Deelgebied Ootmaanlanden met de ligging van de Drentse Hoofdvaart, de Oude Vaart en het Holtingerveld

Deelgebied Koningsschut Het gebied Koningsschut ligt ten westen van Dwingeloo en is ongeveer 12 hectare groot (zie Figuur 0-4). De omgeving van deelgebied Koningsschut bestaat uit graslanden, akkers en boerderijen ten westen, noorden en zuiden van het plangebied. Het gebied ten oosten van Koningsschut bestaat uit natuurterrein waar akkers, graslanden en bosschages elkaar afwisselen. Het plangebied zelf wordt in het westen begrensd door de Oude Vaart. In de Oude Vaart is een stuw gelegen: de Koningsschut. Verder bestaat het deelgebied uit voedselrijk grasland, bosschage van berk, wilgen en essen (in het noordwesten), bosschage van eiken, wilgen en populieren (in het noorden) en een ruigtevegetatie (in het zuiden nabij de stuw). In het zuiden wordt het plangebied doorsneden door een zandweg, een fietspad en een leggerwatergang. Het plangebied is gesitueerd langs de voormalige meanderende loop van de Oude Vaart. Deze loop werd rechtgetrokken als onderdeel van de ruilverkaveling Dwingeloo-Smalbroek 1969-1984. De historische hooilandverkaveling is niet meer aanwezig, omdat de percelen zijn samengevoegd. Historische kaarten 13

tonen dat het bos binnen het plangebied na 1970 is aangeplant. Het gebied ten zuidoosten van het plangebied heeft als veldnaam ‘Boer laar’, dat verwijst naar een zandige hoogte. Deze hoogte werd door het nabijgelegen landgoed Oldengaerde gebruikt voor bosbouw, waarvan nog historische wallen en greppels aanwezig zijn. In het begin van de 19e eeuw werd ten zuiden van het plangebied de Van Holthesvaart haaks op de Drentsche Hoofdvaart gegraven ten behoeve van dit handelsverkeer. Koningsschut is in het bezit van Natuurmonumenten (ten noorden van leggerwatergang en weg; ca. 8 ha) en Staatsbosbeheer (ten zuiden van leggerwatergang en weg; ca. 3,8 ha). De percelen van Staatsbosbeheer bestaan uit een vochtig bos, grenzend aan de Oude Vaart. Dit deel van Koningsschut maakt onderdeel uit van het NNN. De percelen van Natuurmonumenten bestaan uit vrij intensief beheerd grasland. Het perceel ten zuiden van de zandweg bestaat uit ruigte en struweel.

Figuur 0-4: Plangebied Koningsschut met de ligging van de Drentse Hoofdvaart en de Oude Vaart

Alternatieven

Op basis van de doelen en wensen zijn ontwerpprincipes opgesteld. Deze ontwerpprincipes zijn met elkaar gecombineerd om 4 alternatieven te vormen (zie Tabel 0-2). Bij het samenstellen van de alternatieven zijn de ontwerpprincipes toebedeeld zodat alle mogelijkheden worden beoordeeld. Het voorkeursalternatief hoeft niet overeen te komen met één van de gepresenteerde alternatieven, maar kan ook een combinatie van verschillende alternatieven zijn. De alternatieven verschillen op drie vlakken: • Het te bergen water in de klimaatbuffer in de beide deelgebieden. • Het beoogde waterpeil van het vast te houden gebiedseigen water in de Ootmaanlanden. • Het te plaggen gebied in Ootmaanlanden.

Voor alle alternatieven geldt dat het cultuurhistorische landschap binnen het plangebied, de houtwallen, het verkavelingspatroon behouden of versterkt worden.

14

Tabel 0-2: Matrix integrale alternatieven

1

2

x

x

3

4

x

x

Doelen klimaatbuffer 1. Waterberging 100% Ootmaanlanden 2. Waterberging Koningsschut en Ootmaanlanden 3. Optimaal vasthouden gebiedseigen water binnen het plangebied (4.4) 4. Beperkt vasthouden gebiedseigen water binnen het plangebied (4.2) Natuurdoelen 1. Ootmaanlanden plaggen 2. Ootmaanlanden niet plaggen

x x

Cultuurhistorische waarden 1. Aanleggen Uffelter Boervaartje Recreatie 1. Ootmaanlanden wordt gedeeltelijk toegankelijk

x x

x

KRW Koningsschut 1. Vispassage + KRW-berging

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Voorgenomen activiteit

Zoals uit de matrix valt af te leiden, worden enkele werkzaamheden en onderdelen bij elk alternatief toegepast. Zo wordt er bij elk alternatief gestreefd om het Uffelter Boervaartje in ere te herstellen. Het Uffelter Boervaartje is nodig als mitigerende maatregel om grondwateroverlast te voorkomen. Voor de aanleg worden er geulen gegraven en tijdelijke bemalingen geplaatst. Ook worden er tijdens de werkzaamheden tijdelijke nevengeulen aangebracht om de afvoer van water tijdens de gehele periode te garanderen. Langs de aftakking richting het Uffelter Boervaartje wordt een wandelpad aangelegd. Langs dit wandelpad en aan de grenzen van het gebied worden borden geplaatst waarop de geschiedenis van het gebied en de huidige invulling worden gepresenteerd. Het cultuurhistorische landschap binnen het plangebied, de houtwallen en het verkavelingspatroon worden behouden of versterkt. De watergang de Zween blijft behouden, maar wordt op enkele plaatsen omgelegd of verdiept. Bij alle alternatieven wordt een vispassage en een KRW-berging aangebracht in Koningsschut. Voor de vispassage worden geulen gegraven en er worden enkele kunstwerken geplaatst. Voor het plaatsen van de kunstwerken zijn bemalingen nodig. Om de waterberging aan te leggen worden er kades om de deelgebieden Ootmaanlanden en Koningsschut aangebracht. Deze kades worden bij alle alternatieven even hoog.

De grondwaterstand in het gebied wordt verhoogd en afhankelijk van het alternatief wordt er geplagd of wordt er uitmijnen toegepast.

Doelbereik

De alternatieven worden getoetst aan het doelbereik. Met doelbereik wordt bedoeld in hoeverre de alternatieven bijdragen aan het doel dat ze dienen (zoals beschreven onder nut en noodzaak). Voor voorliggend project betreft dat het multifunctioneel inrichten van de klimaatbuffers Ootmaanlanden en Koningsschut. De doelen voor het project zijn: 1. Het bergen van 400.000 m³ water bij WB21 omstandigheden. 2. Het vasthouden van gebiedseigen water om een buffer op te bouwen voor droge perioden. 3. Het realiseren van het gewenste grond- en oppervlaktewater regime (GGOR) voor beoogde natuurdoelen NNN en Natura 2000. 4. Het inrichten van deelgebied Koningsschut als vispassage en KRW-berging.

15

In Tabel 0-3 is de beoordeling van doelbereik voor de alternatieven van de klimaatbuffer in de deelgebieden Ootmaanlanden en Koningschut weergegeven. Het verschil in beoordeling tussen de alternatieven ontstaat door het wel of niet plaggen en de mate waarin gebiedseigen water kan worden vastgehouden in deelgebied Ootmaanlanden. Alle alternatieven voldoen aan de gestelde doelstellingen. Hiermee wordt het doelbereik in alle alternatieven gehaald. Alternatief 1 heeft het grootste doelbereik vanwege het optimaal vasthouden van gebiedseigen water voor de ontwikkeling van de natuurdoelstellingen en het plaggen van Ootmaanlanden. Alternatief 2 scoort het laagste doordat er hier niet wordt geplagd en er is gekozen voor het suboptimaal vasthouden van gebiedseigen water. De omstandigheden voor het ontwikkelen van natuurdoelen zijn dan niet optimaal, maar grondwateroverlast wordt hierbij beperkt. Tabel 0-3: Beoordeling doelbereik klimaatbuffer Ootmaanlanden en Koningsschut

Doelstelling

1

2

3

4

Het bergen van 400.000 m³ water bij WB21 3 omstandigheden.

++

++

++

++

Het vasthouden van gebiedseigen water om een buffer op te bouwen voor droge perioden.

++

+

+

++

Het realiseren van het gewenste grond- en oppervlaktewater regime (GGOR) voor beoogde natuurdoelen NNN en Natura 2000.

++

+

++

+

Het inrichten van deelgebied Koningsschut als vispassage en KRWberging.

++

++

++

++

Effecten en mitigerende maatregelen

De voorgenomen ontwikkeling is beoordeeld op de effecten voor het milieu. Per milieuaspect zijn één of meer beoordelingscriteria geformuleerd aan de hand waarvan zijn de effecten tussen de referentiesituatie en plansituatie in beeld zijn gebracht. De alternatieven zijn beoordeeld op de aspecten bodem, water, natuur, aardkunde, archeologie, landschap en cultuurhistorie en woon- en leefomgeving. De effecten zijn beoordeeld tijdens de realisatiefase en tijdens de gebruikersfase. Realisatiefase In Tabel 0-4 zijn de effecten voor de alternatieven tijdens de realisatiefase opgenomen (kolommen z). Als er negatieve effecten optreden is beschouwd in hoeverre er mitigerende maatregelen mogelijk zijn en wat het effect na het nemen van mitigerende maatregelen is. In de tabel zijn ook de scores na mitigatie opgenomen (kolommen m). Na de tabel volgt een toelichting op de effecten zonder en met mitigerende maatregelen, indien van toepassing). Tabel 0-4: Effecten realisatiefase, kolommen met z zijn zonder mitigerende maatregelen, kolommen met m zijn met mitigerende maatregelen

Aspect

Deelaspect

Criterium

Ref 1

1

2

2

3

3

4

4

z m z m z m z m Grondbalans

Bodem

Bodem- en Grondwaterverontreiniging

Niet gesprongen explosieven (NGE)

3

Effect van grondverzet, grondverwerking en evt. transport van grond

0

-

+

+

+

-

+

+

+

Aanwezigheid van milieu hygiënische bodemverontreiniging

0

+

+

+

+

+

+

+

+

Aanwezigheid grondwaterverontreinigingen

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Aanwezigheid van NGE

0

-

0

-

0

-

0

-

0

Waterbeheer 21e eeuw 16

Aspect

Deelaspect

Criterium

Ref 1

1

2

2

3

3

4

4

z m z m z m z m Invloed op grondwaterstanden, inclusief effecten op functies landbouw 0 en wonen in omgeving

0

0

0

0

0

0

0

0

Invloed op het oppervlaktewatersysteem

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Invloed op waterkwaliteit

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Effecten op Natura 2000-gebied

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Effecten op NNN

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Beschermde soorten

Effect op beschermde soorten (Wet natuurbescherming)

0

-

-

-

-

-

-

-

-

Aardkundige waarden

Effect op aardkundige waarden

0

-

0

0

0

-

0

0

0

Aantasting archeologische verwachtingswaarden

0

--

--

--

--

--

--

--

--

Aantasting archeologisch waardevolle (bekende) terreinen

0

-

-

-

-

-

-

-

-

Landschappelijke en cultuurhistorische waarden

Effect op landschappelijke en cultuurhistorische waarden en structuren

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Wonen

Hinder door muggen

0

+

+

+

+

+

+

+

+

Hinder

Hinder in de realisatiefase (luchtkwaliteit, geluidhinder, trillingen en verkeer)

0

--

--

--

--

--

--

--

--

Grondwater Water Oppervlaktewater

Beschermde gebieden Natuur

Aardkunde

Archeologie

Landschap en cultuurhistorie

Woon- en leefomgeving

Archeologische waarden

Bodem Grondbalans Door plaggen ontstaat er een negatieve grondbalans. Dit betekent dat er grond uit het gebied wordt verwijderd wat niet weer in het gebied kan worden ingezet. Hierdoor scoren de alternatieven 1 en 3 negatief voor het deelaspect grondbalans (-). Bij de alternatieven 2 en 4 is geen sprake van plaggen en kunnen de werkzaamheden worden uitgevoerd met een gesloten grondbalans. De alternatieven 2 en 4 scoren hierdoor positief (+). Door de te plaggen grond bij alternatief 1 en 3 in de nabije omgeving in te zetten, wordt de invloed van het overschrijden van de negatieve grondbalans zo klein mogelijk gemaakt. Door de overtollige grond door particulieren uit de omgeving te laten ophalen, wordt de inzet van zwaar materieel op de lokale wegenstructuur ook vermeden. De effectbeoordeling van alternatief 1 en 3 gaat hierdoor van een negatieve score (-) naar een positieve score (+). Bodem- en grondwaterverontreiniging Tijdens de werkzaamheden bij alle alternatieven kan de aanwezige verontreiniging met PAK in Ootmaanlanden worden verwijderd. Hierdoor ontstaat een positief effect (+) op de bodemkwaliteit. Niet Gesprongen Explosieven (NGE) Voor alle alternatieven geldt dat de aanwezigheid van NGE in het plangebied kan op basis van vooronderzoek niet worden uitgesloten. Er bestaat een kans dat tijdens de werkzaamheden NGE worden 17

aangetroffen (-). Hier is nader onderzoek voor nodig. Als bij dit onderzoek de aanwezigheid van NGE wordt vastgesteld is tijdens de werkzaamheden begeleiding van een expert op het gebied van explosieven van belang. Als er explosieven worden aangetroffen, worden deze verwijderd. Er treden daardoor geen risico’s als gevolg van NGE op (0). Water Grondwater Afhankelijk van de uitvoeringsmethode worden in de realisatiefase bij alle alternatieven mogelijk op diverse locaties, zoals bijvoorbeeld bij kunstwerken en ontgravingen, (bron)bemalingen uitgevoerd in de plangebieden. Deze bemalingen onttrekken tijdelijk grondwater uit de ondergrond, waarbij een lokale verlaging van de grondwaterstand wordt gerealiseerd. Binnen de plangebieden betreft het vooral kortdurende bemalingen (e.g. enkele dagen tot weken), waarbij de invloedstraal van de bemaling beperkt is. Indien nodig kunnen negatieve effecten op de omgeving worden verkleind of voorkomen door de bemaling uit te voeren buiten het groeiseizoen, of door het bemalingswater op nabijgelegen locatie terug te brengen (i.e. infiltreren of retourneren) in de bodem. Uitgaande van deze aanpak worden er geen significante effecten (0) op de grondwaterstanden verwacht. Watersysteem Voor de aanleg zal bij alle alternatieven een deel van de Zween, de watergang waarmee het oppervlaktewater wordt afgevoerd, tijdelijk worden omgelegd.

Het omleidingstracé krijgt voldoende afvoercapaciteit, zodat er geen kans is op wateroverlast. Het effect op de beïnvloeding van het oppervlaktewatersysteem bij de realisatiefase is neutraal (0). Waterkwaliteit De bemalingen lozen het grondwater op het oppervlaktewatersysteem. Binnen Ootmaanlanden is op een locatie een beperkte verontreiniging aangetroffen (zie onderdeel Bodem). Deze wordt bij de werkzaamheden verwijderd. Hierdoor is er geen risico dat verontreinigde stoffen uit deze verontreiniging gemobiliseerd worden en vervolgens in het watersysteem komen. Het effect op de waterkwaliteit in de realisatiefase is daarom voor alle alternatieven neutraal (0) beoordeeld. Natuur Natura 2000 Effecten op Natura 2000-gebieden zijn onderzocht door middel van een voortoets (Arcadis, 2021; bijlage 20) en een Passende beoordeling (Arcadis, 2022; bijlage 21). Hierbij is uitgegaan van een bureaustudie, aangevuld (in geval van de kamsalamander) met gegevens uit het soortgerichte onderzoek. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen de volgende effecten optreden: • Habitataantasting als gevolg van oppervlakteverlies van leefgebied en/of versnippering. • Doden of verwonden van aangewezen doelsoorten. • Verstoring als gevolg van geluid, trillingen en optische prikkels. • Verandering in hydrologie als gevolg van verdroging, vernatting of verandering stroomsnelheid.

• Habitataantasting als gevolg van mechanische effecten en verandering dynamiek substraat. • Vermesting en verzuring als gevolg van stikstof. Uit de Passende Beoordeling blijkt er voor bovenstaande effecten geen significante effecten op te treden (0). Natuur Netwerk Nederland (NNN) Er is getoetst of er effecten zijn op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN aan de hand van de beheertypenkaart van 2021. Voor het NNN zijn de effecten oppervlakteverlies en versnippering leidend voor de beoordeling. Uit het effectonderzoek blijkt dat er voor NNN geen significante effecten op treden. Beschermde soorten Voor de effectbeoordeling op beschermde soorten is er gekeken naar de aantasting van het leefgebied van: • Vogels zonder jaarrond beschermde gebieden • Vogels met jaarrond beschermde nesten • Grondgebonden zoogdieren • Vleermuizen • Amfibieën • Reptielen 18

Voor alle alternatieven geldt dat voor zowel vogels zonder jaarrond beschermde gebieden als vogels met jaarrond beschermde nesten geldt dat door de werkzaamheden er tijdelijk minder foerageergebied is, met tijdelijk minder beschikking van voedselbronnen (-). Voor vleermuizen blijven de foerageergebieden tijdens de realisatie behouden (0). De realisatie leidt ook tot (tijdelijke) aantasting van het leefgebied van grondgebonden zoogdieren, reptielen en amfibieën (-). Mitigerende maatregelen voorkomen enkele negatieve effecten zoals het doden en verwonden van dieren tijdens de realisatiefase. Echter zal een deel van de negatieve effecten niet op voorhand te voorkomen zijn, omdat door graaf-, kap- en plagwerkzaamheden een deel van het leefgebied tijdelijk ongeschikt zal zijn. Dit is niet te ondervangen d.m.v. mitigerende maatregelen. Aardkunde Bij alternatief 1 en 3 zal de bovengrond in deelgebied Ootmaanlanden worden afgeplagd (het afgraven van circa 30 cm van de bovengrond). Daardoor zullen de macrogradiënt en de hoofdlijnen in het huidige reliëf en van de bodem- en vochtgradiënten fysiek worden aangetast. Dit heeft effect op de herkenbaarheid en samenhang van de aanwezige aardkundige waarden. Alternatief 1 en 3 worden daarom negatief (-) beoordeeld. Deze effecten kunnen enkel worden gemitigeerd door het beperken van grondbewerking, vergraving en doorsnijding.

Bij de alternatieven 2 en 4 wordt niet geplagd. Hier worden ten opzichte van de referentiesituatie daarom geen effecten verwacht. Deze alternatieven scoren neutraal (0). Archeologie In deelgebied Koningsschut zullen bij alle alternatieven bodemingrepen plaatsvinden ten behoeve van de KRW-maatregelen (verslenken van een watergang, aanleggen nevengeul en vispassage). Deze ingrepen zijn voorzien in zones met een hoge archeologische verwachting (beekdal, provinciaal aandachtsgebied) en reiken tot het archeologisch relevante niveau. Het effect van fysieke aantasting van archeologische verwachtingswaarden is in alle alternatieven zeer negatief (--) beoordeeld. Bij alternatief 1 en 3 zal de bovengrond in deelgebied Ootmaanlanden worden afgeplagd (het afgraven van circa 30 cm van de bovengrond) in een zone met een hoge archeologische verwachting (beekdal, provinciaal aandachtsgebied). De ontwikkeling vormt daarom een risico voor het behoud van de verwachte archeologische waarden. Ook het omleggen van de Zween zorgt voor een bodemverstoring. De bodemverstoring zal reiken tot in het archeologisch relevante niveau (voor beekdalen geldt geen vrijstellingsgrens m.b.t. de diepte van bodemingrepen). Het effect van fysieke aantasting van archeologische verwachtingswaarden is zeer negatief (--) beoordeeld. Ootmaanlanden wordt in het zuiden begrenst door het relict van de Uffelter Boervaart.

Bij elk alternatief wordt het Uffelter Boervaartje herkenbaar in het gebied teruggebracht. Ondanks dat de vaart beter beleefbaar wordt (zie beoordeling cultuurhistorie en landschap), is het uitgangspunt binnen de archeologie altijd het behouden van vindplaatsen ‘in situ’. Het effect van fysieke aantasting van de Uffelter Boervaart als archeologisch relict is voor alle alternatieven negatief (-) beoordeeld. Langs de zuidelijke plangrens van Ootmaanlanden is ook een AMK-terrein aanwezig, waarvan de beschermende bufferzone tot in het plangebied reikt. Bij alternatief 1 en 3 zal de bovengrond in deze zone worden afgeplagd (het afgraven van circa 30 cm van de bovengrond). Het effect van fysieke aantasting van de bufferzone van het AMK-terrein is voor alternatief 1 en 3 negatief (-) beoordeeld. Om een negatief effect als gevolg van de realisatiefase te voorkomen dan wel te beperken kunnen archeologische waarden worden beschermd door de bodem waarin deze waarden zich bevinden onaangetast te laten (behoud in situ) door een planaanpassing. Voor dit project is een planaanpassing (dus behoud in situ) niet mogelijk, wat resteert in het documenteren van de te vernietigen waarden als mitigerende maatregel. Behoud ex situ is conform wetgeving een vereiste.

Als een vindplaats behoudenswaardig (ex situ) wordt geacht, dient deze gedocumenteerd te worden door middel van een archeologische opgraving. Dit brengt echter geen vermindering in effect met zich mee, het Nederlandse archeologiebeleid is namelijk gericht op behoud in situ. Behoud ex situ wordt in alle gevallen als negatief beoordeeld.

19

Binnen Koningsschut zijn geen bekende archeologische waarden aanwezig. Er zijn geen effecten te benoemen. Landschap en cultuurhistorische waarden In Ootmaanlanden blijven bij de aanleg van de klimaatbuffer in alle alternatieven de kenmerkende hooilandverkaveling (resterend fijnmazige slotenpatroon) met een perceelrichting dwars op de huidige watergang behouden. Groenstructuren binnen het plangebied worden niet geslecht: er is daardoor geen risico op aantasting van historische houtwallen en andere perceelrandvegetatie. De zone waar de voormalige aanwezigheid van een opgeleide beek wordt verondersteld, valt buiten het plangebied. Ook hier is er geen risico op aantasting. Binnen het plangebied Koningsschut zijn geen verkavelingsstructuren meer aanwezig die bij de voorgenomen werkzaamheden (klimaatbuffer/KRW-maatregelen) aangetast kunnen worden. De historische houtwallen en greppels ten noordoosten van het plangebied worden in het ontwerp ontzien, hier zijn geen effecten te benoemen. De Van Holthesvaart, die het plangebied vanuit het zuiden doorsnijdt richting de Drentse Hoofdvaart, vormt een beleefbaar onderdeel van de ontginning en historie van het landgoed Oldengaerde. Deze voormalige vaart wordt niet gedempt en blijft als watervoerende sloot herkenbaar in het landschap.

Binnen plangebied Koningsschut zal bij de inrichting geen beïnvloeding van landschappelijke en cultuurhistorische waarden optreden ten opzichte van de referentiesituatie. Woon- en leefomgeving Muggen Tijdens de realisatiefase wordt geen extra overlast door muggen verwacht. De overlast neemt mogelijk zelfs tijdelijk af, doordat er tijdens de werkzaamheden verstoringen in het leefgebied van de mug zijn. De poelen worden omgewoeld, waardoor minder muggen kunnen uitkomen (+). Hinder De werkzaamheden in Ootmaanlanden leveren tijdelijk ernstige hinder op voor omwonenden (--). De bewoners wonen tijdelijk naast een bouwplaats, waardoor overlast van geluid, trillingen en zichthinder niet kan worden uitgesloten. Conform het bouwbesluit wordt er tijdens de aanbesteding vastgelegd dat de aannemer met de best beschikbare stille technieken werkt. Dit geldt ook voor eventuele bronbemalingen en aggregaten. Mocht het voor het werk nodig zijn deze permanent te gebruiken (dus ook ’s avonds en in de weekenden) dan wordt hiervoor door de aannemer een ontheffing aangevraagd. De effectbeoordeling verandert niet (--).De bereikbaarheid van de woningen wordt tijdens de werkzaamheden te allen tijde gegarandeerd. De werkzaamheden vinden plaats in een relatief groot gebied, waardoor de hinder tijdens de werkzaamheden niet te alle tijden even groot is.

Voor recreanten geldt dat fietspaden en wandelpaden mogelijk tijdelijk afgesloten zijn (-).Tijdens de werkzaamheden zijn fietspaden tijdelijk afgesloten. Dit wordt tijdig met borden gecommuniceerd en er wordt een omleidingsroute aangegeven. Het fietspad bij Ootmaanlanden ligt tussen de knooppunten 51 en 62. Het fietspad bij Koningsschut ligt tussen de knoppunten 70 en 76. Bij deze knooppunten wordt aangegeven dat er tijdelijk een andere route moet worden gevolgd. De hinder voor recreanten wordt zo verkleind (0). Tijdens de werkzaamheden ondervinden boeren in de omgeving weinig tot geen hinder van de werkzaamheden. De hoofdwegen worden niet afgesloten, dus de werkzaamheden kunnen voor de boeren gewoon doorlopen. Er treedt geen effect op de bedrijfsvoering op (0). De twee campings grenzen rechtstreeks aan het plangebied van Ootmaanlanden en grenzen daardoor tijdelijk aan een bouwplaats. Hier ondervinden zij hinder van (zichthinder, geluid) (--). De bereikbaarheid van de campings wordt niet aangetast. Er wordt op dit moment in zowel Ootmaanlanden als Koningsschut niet actief landbouw beoefend. In Ootmaanlanden vindt op dit moment overgangsbeheer plaats in de vorm van uitmijnen ten behoeve van natuurontwikkeling. In Koningsschut vindt op dit moment alleen begrazing plaats in het kader van natuurbeheer. De werkzaamheden zorgen ervoor dat dit tijdelijk niet kan plaatsvinden (-).

20

Effecten gebruiksfase In Tabel 0-5 zijn de effecten voor de alternatieven tijdens de gebruiksfase opgenomen (kolommen z). Als er negatieve effecten optreden is beschouwd in hoeverre er mitigerende maatregelen mogelijk zijn en wat het effect na het nemen van mitigerende maatregelen is. In de tabel zijn ook de scores na mitigatie opgenomen (kolommen m). Na de tabel volgt een toelichting op de effecten zonder en met mitigerende maatregelen, indien van toepassing). Tabel 0-5: Effecten gebruiksfase, kolommen met z zijn zonder mitigerende maatregelen, kolommen met m zijn met mitigerende maatregelen

Aspect

Bodem

Deelaspect

1

2

2

3

3

4

4

z

m

z

m

z

m

z

m

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Aanwezigheid grondwaterverontreinigingen

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Niet gesprongen explosieven (NGE)

Aanwezigheid van NGE

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Grondwater

Invloed op grondwaterstanden, inclusief effecten op functies landbouw en wonen in omgeving

0

-

-

0

0

0

0

-

-

Invloed op het oppervlaktewatersysteem

0

+

+

+

+

++ ++ ++ ++

Invloed op waterkwaliteit

0

+

+

0

0

+

Bodem- en Grondwaterverontreiniging

Oppervlaktewater

+

0

0

Effecten op Natura 2000-gebied 0

++ ++ ++ ++ ++ ++ ++ ++

Effecten op NNN

0

+

+

+/0 +/0 +

+

+/0 +/0

Beschermde soorten

Effect op beschermde soorten (Wet Natuurbescherming)

0

+

+

+

+

+

+

+

+

Aardkundige waarden

Effect op aardkundige waarden 0

+

+

+

+

+

+

+

+

Landschappelijke en cultuurhistorische waarden

Effect op landschappelijke en cultuurhistorische waarden en structuren

0

+

+

+

+

+

+

+

+

Landschapsbeleving

Effect op zichtbaarheid en beleving van het landschap

0

+

+

+

+

+

+

+

+

Recreatie

Mogelijkheden voor recreatief medegebruik

0

+

+

+

+

+

+

+

+

Landbouw

Effect op landbouw (gebruik/areaal)

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Uitzicht vanuit woning en vanaf erf, woongenot

0

--

--

--

--

-

-

-

-

Hinder door muggen

0

-

0

-

0

-

0

-

0

Invloed op bedrijfsvoering

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Beschermde gebieden Natuur

Landschap en cultuurhistorie

Ref 1

Aanwezigheid van milieu hygiënische bodemverontreiniging

Water

Aardkunde

Criterium

Woon- en leefomgeving Wonen

Bedrijven

21

Bodem Door de werkzaamheden worden aanwezige bodemverontreiniging tijdens de realisatiefase verwijderd. In de gebruiksfase zijn de verontreinigingen niet langer aanwezig in het gebied (0). Er zijn geen grondwaterverontreinigingen bekend in het gebied (0). In de gebruiksfase treedt er geen effect op aanwezige niet gesprongen explosieven op. Deze zijn, indien aanwezig, al verwijderd in de realisatiefase. De beoordeling van alle alternatieven is neutraal (0). Water Het beperkt (alternatief 2 en 3) tot optimaal vasthouden (alternatief 1 en 4) van gebiedseigen water leidt tot hogere grondwaterstanden in beide deelgebieden. Bij Ootmaanlanden wordt de uitstraling naar omliggende gebieden beheerst door de aanleg van het Uffelter Boervaartje en de aanleg en verbreding van de randsloot. Door deze watergangen worden de grondwaterstanden in alternatief 2 en 3 bij omliggende bebouwing en landbouw nauwelijks tot niet significant beïnvloed, en leiden de maatregelen niet tot grondwateroverlast (0). Alleen bij het optimaal vasthouden (alternatief 1 en 4) van gebiedseigen water is niet uit te sluiten dat incidenteel grondwateroverlast optreedt bij nabijgelegen bebouwing (-). De mogelijke grondwateroverlast bij het optimaal vasthouden van gebiedseigen water is niet te mitigeren. Bij Koningsschut treden geen negatieve effecten op tijdens de gebruiksfase (0).

Het nieuwe waterpeil van de beek sluit aan bij het peil van de Oude Vaart, boven en benedenstrooms van stuw Koningsschut. Dit betekent dat het nieuwe peil niet hoger is dan het peil van de Oude Vaart, en effecten aan de westzijde worden beheerst door de Oude Vaart. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een ander peilgebied, waar het streefpeil ook hoger is dan de huidige streefpeilen in het plangebied. Hierdoor reikt de invloed van het hogere peil van de beek niet zover: de nieuwe peilen van de beek zijn vergelijkbaar of niet veel hoger dan het streefpeil van het aangrenzende plangebied. Het oppervlaktewatersysteem wordt in de gebruiksfase door de ontwikkeling positief beïnvloed, doordat tijdens extreme piekbuien water tijdelijk wordt vastgehouden in de klimaatbuffer. Dit vermindert de wateroverlast benedenstrooms. Dit is met name het geval in Meppel, waar in het verleden wateroverlast is ervaren. Alternatief 3 en 4 benutten zowel de berging in Ootmaanlanden als in Koningsschut. Alternatief 3 scoort niet significant beter dan alternatief 4, omdat het plaggen het bergingsvolume niet significant laat toenemen. Het watersysteem binnen Ootmaanlanden is zodanig ontworpen dat er geen verslechtering is van de afvoercapaciteit in de watergangen waardoor er geen bovenstroomse negatieve effecten, zoals opstuwing, voorkomen in de Broeken of het tussengebied.

De oppervlaktewaterkwaliteit bij alternatief 2 en 4 verandert niet door de ontwikkeling tijdens de gebruiksfase. In de gebruiksfase stroomt de berging in Ootmaanlanden en Koningsschut tijdens extreme situaties vol. Naar aanleiding van (bodem)onderzoek in de Ootmaanlanden wordt er overwogen om delen van het plangebied bij de alternatieven 1 en 3 te plaggen. Een te hoge fosfaatconcentratie kan de ontwikkeling van nat schraalland en/of vochtig hooiland vertragen of tegengaan. Door plaggen wordt deze fosfaatrijke toplaag afgegraven. Dit betekent dat in de gebruiksfase bij de alternatieven 1 en 3 mogelijk minder fosfaat rijk water in het oppervlaktewater terechtkomt, en de oppervlaktewaterkwaliteit positief beïnvloed wordt (+). Natuur In de gebruiksfase kan mogelijk eens in de 25 jaar het gebied vollopen in het kader van wateropvang. Dit wordt verwacht in de winterperiode/voorjaar als er sprake is van een neerslagoverschot. Indien kamsalamander overwintert in het plangebied op lagere delen dan kan dit leiden tot verstoring van de winterslaap en daarmee het doden of verwonden. Met name in alternatief 1 en 2 waar waterberging volledig benut wordt, kan dit effect optreden. Overigens zal dit niet veel voorkomen, omdat direct naast Ootmaanlanden de stuwwal met geschiktere overwinteringsplekken voorhanden is.

Mocht dit effect optreden, dan is het incidenteel en betreft het geen significant effect (0). De eindsituatie heeft op beschermde gebieden en beschermde soorten over het algemeen een neutraal effect (0). De belangrijkste effecten die voor het aspect natuur optreden zijn: • Door de aanleg van poelen is het areaal voortplantingshabitat en daarmee het leefgebied van de kamsalamander toegenomen. Hierbij draagt de ontwikkeling in alle gevallen bij aan de instandhoudingsdoelstellingen van het Holtingerveld (++). Ook in Koningsschut neemt het areaal voortplantingshabitat van de poelkikker toe door de aanleg van het moerasgebied (+). 22

•

• •

In de gebruiksfase is een deel van het gebied (door de plagwerkzaamheden en uitmijnmaatregelen i.c.m. de vernatting) omgevormd tot o.a. nat schraalland. Hierdoor draagt de ontwikkeling van alternatief 1 en 3 bij aan de ambitie doeltypen voor de graslanden (kruidenrijk en faunarijk grasland en nat schraalland) (+). Bij alternatief 2 en 4 vinden geen plagwerkzaamheden plaats in de realisatiefase. Hierdoor zal in de gebruiksfase het ambitietype nat schraalland niet gehaald worden of na zeer lange tijd (0/+). Door het aantrekken van de biodiversiteit is er voor foeragerende vogels en vleermuizen mogelijk meer voedsel te vinden (+). Ook voor de ringslang neemt hierdoor de kwaliteit van het leefgebied toe (+). Met name de vernatting in Koningsschut kan zorgen voor het aantrekken van moerasvogels zoals rietgors, kleine karekiet, rietzanger etc. Hierdoor neemt naar verwachting de diversiteit van vogels toe (+).

Aardkunde Alle alternatieven scoren voor aardkunde positief. Door de (beperkte) grondwaterverhoging als gevolg van het vasthouden van gebiedseigen water is er een positief effect op de conservatie van veenrestanten in de beekbodem van Ootmaanlanden en Koningsschut. Landschap en cultuurhistorie Alle alternatieven scoren voor de invloed op landschappelijke en cultuurhistorische waarden en structuren en de invloed op zichtbaarheid en beleving in de gebruiksfase positief. Het zichtbaar terugbrengen van het Uffelter Boervaartje in het gebied en het plaatsen van informatieborden zijn hier een belangrijke reden voor. Het is echter onduidelijk wat een mogelijke hoogwatergolf en het onder water zetten van het gebied doet met de landschappelijke en cultuurhistorische waarden (zie leemten in kennis). Woon- en leefomgeving Bij alle alternatieven wordt het gebied toegankelijk gemaakt voor recreanten. Hierdoor scoren alle alternatieven positief op recreatief medegebruik (+). Op dit moment vindt er op enkele percelen overgangsbeheer plaats in de vorm van uitmijnen. De gronden worden niet gebruikt voor landbouw, maar houden wel de aanduiding agrarisch. Hierdoor zijn er geen effecten voor de landbouw (0). Rondom de gebieden Ootmaanlanden en Koningsschut komen kades te liggen. Deze kades worden ingepast in het landschap, waardoor zichthinder minimaal is.

Doordat bij de alternatieven 1 en 2 in Ootmaanlanden meer water wordt geborgen duurt het langer voordat het gebied is leeggestroomd. Hierdoor zijn er voor de verstoring van het woongenot grotere risico’s (--) dan bij de alternatieven 3 en 4 (-). Zichthinder is niet te voorkomen. Bij alle alternatieven wordt het gebied natter, waardoor de kans op overlast door muggen toeneemt (-). Door het gebied aantrekkelijk te maken voor natuurlijke vijanden van de mug, zoals de vleermuis, kan hinder door een toename van muggen worden tegengaan (0). Er kunnen bijvoorbeeld nestkasten voor de vleermuis worden opgehangen om het gebied meer aantrekkelijk te maken. Ook maatregelen voor andere natuurlijke vijanden van de mug behoren tot de mogelijkheden. Er treedt in de alternatieven geen effecten op voor bedrijvigheid (0). Het Natura 2000-gebied wordt niet uitgebreid, waardoor toekomstige uitbreidingen van omliggende bedrijven nabij het plangebied niet zijn verbonden aan andere regelgeving. Natura 2000 heeft strengere regelgeving dan NNN, waardoor ontwikkelingen in het NNN-gebied geen gevolgen hebben voor de mogelijke uitbreiding van bedrijven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westerveld&id=f4eef559-e562-456b-bd95-c2c4bf2ef50d