CConstaterende datWesterveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Initiatiefnota Sierteelt Westerveld

Politieke avond Westerveld 27 mei 2025, gemeente WesterveldBij agendapunt: Debat initiatiefnota sierteelt25.479 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Initiatiefbeleidsnota

Sierteelt in Westerveld 21 februari 2025

1

Vooraf Niet alleen in de gemeente Westerveld, maar in meerdere delen van Nederland met goed doorlatende (lees zand-) grond is de afgelopen vier decennia in toenemende mate cultuurgrond die in gebruik was voor de voedselproductie, veeteelt en landbouw, nu in gebruik genomen voor sierteelt. In de eerste plaats voor de lelieteelt, daarnaast voor pioenrozen en andere bolgewassen als gladiolen en tulpen: grootschalige of intensieve sierteelt. Het heeft Westerveld veranderd. Het belangrijkste probleem is dat bij deze teelten een aanzienlijke hoeveelheid bestrijdingsmiddelen wordt gebruikt, en dat deze zich op een aantal manieren verspreiden over een groot gebied. Buren, recreanten, natuurorganisaties, waterbeheerders, zij worden ongevraagd geconfronteerd met deze middelen. Er is dan ook een tegenbeweging ontstaan. En ook dat heeft Westerveld veranderd. Ondanks vele mooie woorden, voornemens en verklaringen, blijft daadwerkelijke politieke besluitvormig uit. Al in 2019 sprak het rapport “Uitgesproken” zich als volgt uit: Als het gaat om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is er brede zorg bij zowel telers als bij al dan niet georganiseerde omwonenden.

Bij de één zorg over gezondheid, biodiversiteit, landschap, natuur, bij de ander over het voortbestaan van het eigen bedrijf en bij allen zorg over de verdeeldheid, als gevolg daarvan, tussen de verschillende groepen in eigen gemeenschap. Dit lossen de omwonenden en telers niet samen op. De gezamenlijke overheden zijn aan zet. Gevraagd wordt een helder en consistent beleid en maatregelen op het snijpunt van landbouw, volksgezondheid en ruimtelijke ordening. Dit moet gepaard gaan met een grote aandacht voor de onderlinge verhoudingen (welzijn, leefbaarheid en samenlevingsopbouw) op het platteland. In de gemeenteraad van Westerveld is het in de afgelopen jaren een regelmatig terugkerend onderwerp van gesprek geweest. Er werd in bredere zin over gesproken als het bijvoorbeeld ging om de Omgevingsvisie, dan weer in beperkte zin als het ging om specifieke deelproblemen of specifieke percelen. Er werden vragen gesteld, interpellaties aangevraagd en moties ingediend. Korte tijd is er met een extern bureau gekeken naar de mogelijkheden om de dialoog gaande te houden met de overheid als participant. Bij de laatste keer dat er over werd gesproken (naar aanleiding van een voornemen tot lelieteelt bij een school en woonwijk in Diever), sprak de raad af, dat het onderwerp het verdiende om integraal besproken te worden.

Partij van de Arbeid en Progressief Westerveld gaven aan bereid te zijn daarvoor het voorwerk te verrichten. Deze initiatiefbeleidsnota is daarvan het resultaat. De opstellers hebben ervoor gekozen zich te beperken tot de sierteelt. Vanzelfsprekend erkennen zij, dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen ook in andere teelten voorkomt, en dat ook daarvoor geldt dat een sterke vermindering van die middelen uitermate wenselijk is. Maar die breedte wordt in deze nota buiten beschouwing gelaten. Ook kan gemakkelijk worden geconstateerd dat het gebruik van pesticiden slechts één van de vraagstukken is, waarmee de landbouw te maken heeft. Zo zijn er ook het stikstofprobleem en het mestprobleem. Maar ook die worden buiten beschouwing gelaten. De nota is nu al uitgebreid genoeg. In het verleden is vaak benoemd dat de gemeente geen rol heeft, ‘er niet over gaat’. Dat is geen houdbare stelling meer. Medio december 2024 presenteerden Urgenda en Natuur&Milieu een Handreiking voor gemeenten aan de Westerveldse wethouder. Een toevallige, maar uitstekende timing. Die Handreiking vormt de basis voor het laatste hoofdstuk van deze Nota, en hopelijk voor toekomstige beleidsvorming in Westerveld. Een woord van dank aan Kees Riem Vis en Corné Joziasse, die – als kleine denktank – de nota hebben gevoed, aangevuld en van commentaar voorzien.

De raadsfracties van Partij van de Arbeid en Progressief Westerveld dragen de eindverantwoordelijkheid. Michiel van de Kasteelen Mede namens Ramona Rösener Manz.

2

Inhoudsopgave

Vooraf

Pagina 2

Inhoudsopgave

Pagina 3

Samenvatting en conclusies

Pagina 4

Hoofdstuk 1

De sierteeltsector

Pagina 7

Cijfermatige onderbouwing | Bestrijdingsmiddelen en toelating | Toepassing en handhaving | Biologische sierteelt Hoofdstuk 2

Maatschappelijke reactie

Pagina 14

Burgerbewegingen en milieuorganisaties | Media en publieke opinie Hoofdstuk 3

De rol van de overheid

Pagina 18

Mondiale en Europese context | Landelijke overheid | De Provincie Drenthe | De Gemeente Westerveld Hoofdstuk 4

Biodiversiteit en Natuur

Pagina 27

Biodiversiteitsverlies | Natuur in Westerveld -natuurbeherende organisaties | Ecologische autoriteit Hoofdstuk 5

Water

Pagina 30

Waterbeheer | Waterkwantiteit | Waterkwaliteit – Kaderrichtlijn water Hoofdstuk 6

Gezondheid

Pagina 33

Beroepsziekten | Gezondheidsraad – RIVM – GGD | Specifieke aandoeningen | Wettelijk kader Hoofdstuk 7

Bedrijfsschade

Pagina 37

Biologische sector | Ondernemers in de recreatie- en toerismesector Hoofdstuk 8

Inventarisatie van zich ontwikkelende jurisprudentie Bestuursrecht | Recht op informatie | Civiel recht

Pagina 40

Hoofdstuk 9

Mogelijkheden voor gemeentelijk beleid

Pagina 44

3

Samenvatting en conclusies (1) De sierteelt is in de afgelopen 25 tot 35 jaar in Westerveld geïntroduceerd en gegroeid, en is de laatste jaren gestabiliseerd op zo rond de 375 tot 400 hectare bollen, waarvan zo’n 265 tot 290 hectare lelies. Hoge grondprijzen en boeren, die (moeten) stoppen bijvoorbeeld met veeteelt, zijn mede oorzaken van (verdere) groei van het areaal. Stikstof- en mestproblematiek kan overgang naar intensieve hoogrenderende teelten bevorderen. Daarbij levert de sierteelt geen bijdrage aan de voedselzekerheid, maar onttrekt juist landbouwareaal aan de voedselteelt. De sierteelt maakt in hoge mate gebruik van bestrijdingsmiddelen; de lelieteelt kent binnen de sierteelt daarvan verreweg het hoogste gebruik. Bestrijdingsmiddelen worden grotendeels geproduceerd door een klein aantal zeer grote internationale bedrijven met een grote lobbykracht. Bestrijdingsmiddelen worden toegelaten door het CTGB, maar op het toelatingsproces is toenemende wetenschappelijke en maatschappelijke kritiek; kritiek die is bevestigd in een vonnis van het EU-Hof. De stelling dat ‘toelating’ per definitie betekent dat ‘een middel veilig is’ is niet meer houdbaar. Toepassing van bestrijdingsmiddelen is gereguleerd, maar de handhaving daarvan staat onder druk en is beperkt. De NVWA constateert een substantieel percentage overtredingen.

Biologische sierteelt bestaat, maar dient actief te worden gestimuleerd om te kunnen groeien. (2) Het verzet tegen pesticiden bestaat sinds de jaren 60 van de vorige eeuw, en is de laatste 20 tot 25 jaar geïntensiveerd, deels met organisaties die in Westerveld zijn ontstaan als basis. Het burgerinitiatief Meten is Weten is uitgegroeid tot een organisatie met landelijke impact en erkenning en baseert zich op metingen en wetenschappelijke analyse daarvan. Daarnaast zijn kleinere bewonersgroepen ontstaan rondom sierteeltpercelen, die deels hun toevlucht nemen tot juridische procedures; Urgenda en Natuur&Milieu ondersteunen deze groepen. Landelijke en regionale media besteden ad hoc of structureel aandacht aan dit dossier. Uit onderzoek van het Trendbureau Drenthe is gebleken, dat een significant deel van de bevolking van Westerveld zich zorgen maakt over het gebruik van bestrijdingsmiddelen, en dat dat percentage toeneemt naarmate men dichter bij sierteeltpercelen woont.

(3) Op mondiaal niveau worden de risico’s van het gebruik van bestrijdingsmiddelen onderkend (UNEP, FAO, VNrapporteur Recht op Voedsel); bestrijdingsmiddelen staan op gespannen voet met SDG 2, 3, 6, 12 en 15. De Europese Unie heeft al geruime tijd regels over ‘het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen’, op basis waarvan het CTGB over toelating beslist. Daarnaast zijn van belang de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn, alsmede de Kaderrichtlijn Water. Ambitieuzere plannen om biodiversiteitsverlies tegen te gaan en het gebruik van pesticiden (sterk) te reduceren zijn in de recente jaren afgezwakt of gesneuveld. Door de boerenprotesten in Brussel en de lobby van de agro-industrie zijn plannen van de Europese Commissie tot reductie met 50% per 2030 ingetrokken. De Natuurherstel-wet is wel nipt door de lidstaten aangenomen. In de Tweede Kamer werden de afgelopen 14 jaar meerdere moties aangenomen, zowel over specifieke middelen, stapeling en de Nederlandse opstelling rondom toelating in Brussel, als ook over zonering en ruimtelijke ordening. Implementatie van die moties is vervolgens vaak terughoudend, beperkt of zelfs afwezig.

De enige daadwerkelijke aanzet tot structureel beleid is de Beleidsnota “Landbouw, natuur en voedsel: waardevol en verbonden – Nederland als koploper in kringlooplandbouw” (2018) en het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 2030 (2020) met als één van de strategische doelen: ‘nagenoeg geen emissies naar het milieu en nagenoeg geen residuen op producten’. In de Provincie Drenthe geldt al meerdere jaren het uitgangspunt: geen provinciale regels bovenop landelijke en Europese regels. Maar de centrale vraag is of de provincie de eigen al bestaande bevoegdheden ten aanzien van met name water en natuurbescherming voldoende uitvoert. Deze vraag is onderwerp van een aantal rechtszaken. Daarnaast heeft de provincie ingezet op projecten rondom weerbare rassen en is zij voornemens dat te blijven doen, vooralsnog zonder een concreet stappenplan richting ‘nagenoeg zonder emissies’ en zonder betrokkenheid van omwonenden. De uitkomsten van de gesprekstafels van de CdK hebben weinig tot geen vervolg gekregen, zo constateert ook de Noordelijke Rekenkamer in een kritisch rapport. In de Gemeente Westerveld is de sierteelt ook een regelmatig terugkerend onderwerp, deels als element in grotere discussies (als die over het Bestemmingsplan Buitengebied of de Omgevingsvisie), deels naar aanleiding van concrete casussen en percelen, en deels op basis van (vragen over) deelaspecten.

Een door de gemeente gesloten Convenant met telers en brancheorganisaties werd kritisch onthaald en heeft in de praktijk weinig opgeleverd. En ook in Westerveld is een aanzet gegeven tot een dialoog, maar kreeg deze geen follow up. In één geval heeft het College door bemiddeling ervoor gezorgd dat lelieteelt geen doorgang vond op een specifiek perceel nabij woonwijk, scholen, sportvoorzieningen en recreatieroutes. (4) Eén van de grote problemen, die wereldwijd aan de orde zijn, is het verlies aan biodiversiteit. Het gebruik van pesticiden is daarbij één van de factoren, die aan biodiversiteitsverlies bijdragen. Wereldwijd worden een half tot 1 miljoen plant- en diersoorten met uitsterven bedreigd. Met name insecten als wilde bijen, hommels, vlinders en zweefvliegen lijden onder het gebruik van de chemische bestrijdings-middelen. In Westerveld is de natuur de eerstegnoemde van de in de Omgevingsvisie genoemde unique selling points. Naast de intrinsieke waarde van deze gebieden en de biodiversiteit, zijn deze gebieden belangrijke elementen in het woon- en

4

leefklimaat voor de inwoners van Westerveld en leveren zij een enorme bijdrage aan recreatie en toerisme. Zowel de drie natuurbeherende organisaties, die in Westerveld terreinen beheren, als ook de Ecologische Autoriteit noemen het gebruik en verspreiding van pesticiden als één van de factoren, die bijdragen aan de achteruitgang van de kwaliteit van de natuur.

(5) Bij waterbeheer gaat het om zowel waterkwantiteit (teveel en tekort) als om waterkwaliteit. Bij waterkwantiteit speelt de sierteelt een rol in de onttrekking van grondwater en daarmee gepaard gaande verdroging van o.a. natuurgebieden. Maar vooral de waterkwaliteit is een punt van grote zorg. In 2027 moeten alle EU-lidstaten voldoen aan de doelen die de Kaderrichtlijn Water (KRW) stelt. Een tussenevaluatie laat zien, dat de doelen van de KRW nog lang niet in zicht zijn. Het CTGB constateert voor een aantal werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen structurele overschrijdingen van de toelatingsnormen. Het RIVM constateert over de Nederlandse drinkwatervoorziening: er is te veel vrijwilligheid, er worden te weinig echt ingrijpende maatregelen genomen, en de monitoring is niet op orde. En ook de waterleidingbedrijven, die in Westerveld voor de drinkwatervoorziening zorgen (WMD en Vitens), luiden de noodklok. (6) Het Centrum voor Beroepsziekten waarschuwt voor gezondheidsrisico’s bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen voor een ieder die met deze middelen werkt. Het grootste risico wordt gelopen in de sector zelf.

In 2020 constateert de Gezondheidsraad dat er aanwijzingen zijn voor een verband tussen blootstelling aan pesticiden en de kans op gezondheidsschade, Meer onderzoek zal op korte termijn geen duidelijkheid geven en de toelatings-procedure voor de middelen kan nooit alle risico’s uitsluiten. Daarom adviseert de Gezondheidsraad voorzorg toe te passen. In 2019 publiceerde het RIVM een eerste rapport ‘Bestrijdingsmiddelen en omwonenden : Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten’. Daarbij werd vastgesteld dat restanten van bestrijdingsmiddelen, die op de onderzochte bollenvelden zijn gebruikt, zijn teruggevonden in de buitenlucht rond woningen in de buurt; daarnaast zijn ze aangetroffen in de urine van omwonenden van bloembollenvelden, zowel bij volwassenen als bij kinderen. Dit was ook het geval in de urine van mensen die op meer dan 500 meter afstand van agrarische velden woonden. Inmiddels is het RIVM een vervolgonderzoek gestart, gericht op relaties met specifieke ziektebeelden. De GGD constateert dat in bestrijdingsmiddelen stoffen zitten, die schadelijk kunnen zijn voor mensen. Of een stof ook echt slecht is voor de gezondheid hangt af van: ~ hoe schadelijk de stof precies is; ~ en of je met de stof in aanraking komt.

Ondanks de eisen, die aan de pesticiden gesteld worden, is het nooit helemaal zeker dat het middel geen risico is voor de gezondheid. De GGD verbindt daar adviezen aan als: ramen en deuren sluiten en binnen blijven. Tenslotte zijn er een aantal ziektebeelden, waarbij de aanwijzingen dat deze (mede) kunnen worden veroorzaakt door pesticiden, tot wetenschappelijk onderzoek leiden. Het meest in het oog springend is het onderzoek naar het verband met de Ziekte van Parkinson en andere neurodegeneratieve ziekten, maar ook is er onderzoek naar hartritmestoornissen, COPD, bepaalde vormen van kanker en ontwikkelingsstoornissen bij kinderen en autisme. Tenslotte zijn er ernstige zorgen over resistente schimmels als gevolg van bestrijdingsmiddelen. (7) Biologische teelt naast percelen met (intensief) gebruik van pesticiden kan tot economische schade leiden door het verlies van het Skal-keurmerk, dan wel het niet aanvragen daarvan. Ook kunnen klanten erdoor worden afgeschrikt. Ook kan economische schade optreden voor de recreatie- en toerismesector, ofwel in brede zin door het wegblijven van specifieke groepen toeristen, dan wel in directe zin doordat recreatievoorzieningen direct grenzen aan percelen met gebruik van pesticiden. Tenslotte kan (in theorie) ook de verkoop van huizen onder druk komen te staan. (8) Organisaties en omwonenden wenden zich in toenemende mate tot de rechter.

De jurisprudentie is zich nog aan het ontwikkelen, zowel in het bestuursrecht als in het civiele recht. In het bestuursrecht worden overheden (de provincies) middels handhavingsverzoeken aangesproken op met name de Wet Natuurbescherming. Er liggen hier een aantal uitspraken, waarbij is vastgesteld dat sierteelt is aan te merken als een project dat onder de werking van artikel 2.7 van de Wnb valt, waarbij beoordeeld dient beoordeeld te worden of dit project significante gevolgen kan hebben voor het betreffende natuurgebied. Een andere vraag, die in een bestuursrechtelijke procedure beoordeeld zal moeten worden, is die naar de reikwijdte van het recht op informatie (over op specifieke percelen gebruikte middelen). In civiele procedures (tussen omwonenden en teler) is (vooralsnog in Kort Geding) ofwel vastgesteld dat niet meer gespoten mag worden, dan wel met een beperkter aantal middelen. In één geval is (eveneens in Kort Geding) vastgesteld dat de spuitgegevens moeten worden overhandigd aan de omwonenden. Bodemprocedures volgen nog. (9) Naast mogelijke rollen voor de gemeente bij het faciliteren van informatie-uitwisseling en communicatie en bij projecten die ten doel hebben de milieubelasting van teelten te verminderen, heeft de gemeente haar eigen verantwoordelijkheden op het gebied van ruimtelijke ordening en de gezondheid van inwoners.

Privaatrechtelijk heeft de gemeente mogelijkheden bij verkoop of verpachting van gronden in gemeentelijk eigendom. Publiekrechtelijk heeft de gemeente onder de Omgevingswet wettelijke mogelijkheden voor het opnemen van regels in het omgevingsplan (ofwel algemene of maatwerkregels in de vorm van bufferzones, teeltverboden en middelenverboden, dan wel invoering van vergunningplichten). Daarnaast zijn er mogelijkheden voor het opnemen van maatwerkvoorschriften op basis van het Bal in de vorm van bufferzones, teeltverboden en middelenverboden.

5

Conclusies ➢

➢

➢ ➢

➢ ➢

➢

➢

➢ ➢

Het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de sierteelt is één van de factoren, die bijdraagt aan de achteruitgang van de biodiversiteit en het heeft een negatieve invloed op de staat van de natuur. Tevens wordt de waterkwaliteit (zowel grond- als oppervlaktewater) er negatief door beïnvloed. En tenslotte is het een factor, die tot verdroging kan leiden. Er zijn gezondheidsrisico’s verbonden aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen, zowel voor ondernemers en werknemers in de sector zelf, als voor omwonenden (met een extra risico voor kinderen en kwetsbare groepen), en voor recreanten en passanten. Hoewel er nog verder onderzoek gaande en nodig is, is dat geen reden om maatregelen uit te stellen, al was het op basis van voorzorg. Kortom: het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de sierteelt is een niet te ontkennen probleem voor milieu en gezondheid, en dat vraagt om een gerichte aanpak. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de sierteelt is niet een op zichzelf staand probleem, maar maakt deel uit van een breder scala aan zaken, die de landbouw betreffen, en die gezamenlijk een meer omvattende transitie in die landbouw noodzakelijk maken. Zaken, die elkaar ook weer onderling beïnvloeden en versterken. Maar dat is geen reden om het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de sierteelt niet ook als apart probleem aan de orde te stellen en aan te pakken.

Sierteelt onttrekt landbouwgrond aan de voedselteelt. Er is een substantieel deel van de inwoners van Westerveld, die zich zorgen maakt over het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de sierteelt. Een deel van die inwoners heeft zich georganiseerd. In de huidige situatie nemen organisaties en (groepen) inwoners hun toevlucht tot de rechter, ofwel via het bestuursrecht, dan wel via het civiel recht. De sociale cohesie staat hierdoor onder druk. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de sierteelt is niet op te lossen door onderling overleg en afspraken tussen telers en omwonenden. Goede communicatie en volledige transparantie tussen telers en omwonenden is zeker van belang binnen de gegeven omstandigheden, maar het is de overheid, die aan zet is om uiteindelijke oplossingen te bieden. Het feit dat middelen elk individueel zijn toegelaten door het CTGB biedt geen zekerheid dat die middelen ook veilig zijn. Met name het effect van combinaties van bestrijdingsmiddelen wordt door het CTGB niet onderzocht; datzelfde geldt voor de relatie met neuro-cognitieve aandoeningen. Ook is er andere wetenschappelijke kritiek op de werkwijze van het CTGB. En ook in de jurisprudentie is het enkele feit dat middelen zijn toegelaten niet als doorslaggevend beschouwd.

Controle door de NVWA heeft uitgewezen, dat de nalevingspercentage voor wat betreft de regels voor (de toepassing van) bestrijdingsmiddelen in de sierteeltsector te wensen overlaat. De huidige regelgeving rondom toelating en toepassing rechtvaardigt niet de conclusie, dat geen andere maatregelen noodzakelijk zijn.

➢

Middelen dringen door in de diepere grondlagen en daarmee uiteindelijk in het grondwater. Ook spoelen ze uit in het oppervlaktewater. Daarnaast verspreiden middelen zich ook op verschillende wijzen via de lucht buiten de akker, waarop ze gespoten zijn. De afstand, die daarbij uiteindelijk overbrugd kan worden, is meerdere kilometers. Maar in de praktijk zijn (voor wat betreft de gezondheidsrisico’s) de eerste 250 meter het meest intensief besmet.

➢

Gemeenten hebben binnen de nieuwe Omgevingswet voldoende mogelijkheden, en zelfs ook een juridische plicht, om burgers te beschermen tegen de risico’s van blootstelling aan bestrijdingsmiddelen en hen een gezonde leefomgeving te bieden. Daartoe biedt het Omgevingsplan (op basis van een aangepaste Omgevingsvisie) de meest geëigende aanknopingspunten. Het herzien van de Omgevingsvisie en het realiseren van een Omgevingsplan zullen nog (geruime) tijd in beslag nemen. In die tussenperiode zijn andere maatregelen noodzakelijk en mogelijk op basis van Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal). Als de gemeente haar faciliterende rol wil voortzetten (na beëindiging van het huidige Convenant), dient dat te geschieden met volledige participatie van inwoners (groepen en organisaties) en te zijn gericht op informatie en communicatie.

➢

➢

6

Hoofdstuk 1 De sierteeltsector Cijfermatige onderbouwing Nederland als geheel telt 1.788.524 hectare landbouwgrond (cijfer 2023 Centraal Bureau voor de Statistiek CBS), waarvan grofweg 2/3 bestemd is voor veevoer en 1/3 voor gewassen voor directe menselijke consumptie. De sector sierteelt (bollen en knollen) neemt binnen dit geheel 27.995 hectare landbouwgrond in beslag, verdeeld over 1.618 bedrijven. Daarbinnen neemt specifiek de lelieteelt 6.252 hectare in, verdeeld over 407 bedrijven. In de Provincie Drenthe zijn deze getallen als volgt: 151.287 hectare landbouwgrond, waarvan de sierteelt is gegroeid naar 2.122 hectare in 2023, verdeeld over 68 bedrijven. Daarbinnen de lelieteelt: 1.445 hectare verdeeld over 39 bedrijven. Voor de Gemeente Westerveld zijn de cijfers als volgt: 12.305 hectare landbouwgrond, 376 hectare sierteelt (verdeeld over 16 bedrijven), 266 hectare lelieteelt (10 bedrijven).

De bloembollenteelt is van oudsher vooral gevestigd in de “Bollenstreek” (Zuid Holland Noord, achter de duinen), Kennemerland en de kop van Noord Holland (rondom Breezand). De bollen- c.q. lelieteelt is in de loop van de jaren 90 van de vorige eeuw geleidelijk in Drenthe, c.q. Westerveld geïntroduceerd. Vaak werden daarvóór droogbloemen geteeld, meestal naast een gemengd bedrijf met ook andere teelten. Geleidelijk aan zijn meerdere bedrijven volledig overgegaan op bollenteelt. De verhouding daarbinnen tussen bijvoorbeeld tulpen en lelies ligt in Drenthe volledig anders dan in Nederland als geheel. In Nederland was in 2022 de lelieteelt zo’n 21 % van de bollenteelt; in Drenthe is dat zo’n 71%. De Nederlandse sierteelt is mondiaal een omvangrijke speler. 65% van de bloembollen in de wereld wordt in Nederland geteeld. Daarnaast loopt 85% van de handel via ons land. Met een jaarlijkse exportwaarde

7

van meer dan € 12 miljard vertegenwoordigt de sierteelt bijna 12% van de exportwaarde van de Nederlandse landbouw. Snijbloemen en potplanten vormen de hoofdmoot. De inkomsten van siertelers zijn over het algemeen veel hoger dan die van veehouders en akkerbouwers en laten een nog steeds stijgende lijn zien. Uit het eindrapport Bollenteelt van de Noordelijke Rekenkamer:

Er zijn twee factoren, die – naast het verdienmodel zelf - bevorderend werken op de uitbreiding van het areaal sierteelt. Ten eerste is de landbouwgrond in Nederland bijzonder duur. De stijging van de grondprijzen was nog verklaarbaar vanuit de stijging van de opbrengsten per hectare, maar die opbrengsten stagneren (zowel in kilo’s als in euro’s). Dat leidt tot een terugverdientijd van aangekochte grond, die is opgelopen tot 30 à 40 jaar. Daardoor krijgen met name startende boeren weinig kansen. En het leidt tot nog verdere intensivering en automatisering, grotere bedrijven en vermindering van het aantal boeren. Het aantal boerenbedrijven halveerde tussen 2000 en nu. Daarnaast is er vanwege de stikstofproblematiek druk ontstaan op de veeteeltsector. Als veetelers - uit eigen keuze of gedwongen – stoppen met hun bedrijf komt grond vrij, die kan worden verkocht of verpacht. In dat krachtenveld ontstaat een voorkeur voor hoogrenderende gewassen, zoals de sierteelt. Artikel Follow The Money: Volgens cijfers van het Kadaster en Wageningen Economic Research doorbrak de gemiddelde prijs van een hectare landbouwgrond in augustus voor het eerst de grens van 95.000 euro. Tien jaar eerder was dat nog ongeveer 53.000 euro. Dat is een stijging van 80 procent. Ter vergelijking: de algemene inflatie bedroeg in dezelfde periode 27 procent.

In Flevoland kost een hectare akkerland inmiddels bijna evenveel als een Porsche 911 . De prijs van Nederlandse landbouwgrond ligt grofweg achtmaal boven het Europese gemiddelde. Ten opzichte van België ligt de prijs gemiddeld 20 procent hoger, ten opzichte van Duitsland 60 procent. Verschillende politici zeggen dat dit te maken heeft met de schaarste van de grond…. Maar zo schaars is landbouwgrond hier niet. Meer dan de helft van het landoppervlak in Nederland wordt door boeren gebruikt. Dat is ruim meer dan het Europese gemiddelde. Sinds 2012 kromp het aantal hectares boerenland met minder dan een procent, blijkt uit cijfers van het CBS. De hoeveelheid natuur kromp in dezelfde periode met 2,5 procent.

Eén van de centrale argumenten in het overkoepelende landbouwdebat van de kant van de agrarische sector is de voedselvoorziening, ofwel – wat is gaan heten - de voedselzekerheid. Landbouworganisaties en boerenactiegroepen gebruiken dan slogans als “Boeren zorgen voor het eten” of “No farmers, no food”. De in dat kader terechte discussie over de verhouding van grondgebruik voor voedergewassen voor de veeteelt versus die voor gewassen voor directe menselijke consumptie valt buiten de scope van deze nota. In ieder geval kan in dit kader worden vastgesteld dat sierteelt op geen enkele manier bijdraagt aan

8

het waarborgen van de voedselzekerheid, noch op lokaal niveau, noch op nationaal niveau, noch op mondiaal niveau. Sierteelt is in die zin volledig een ‘luxeproduct’. De werkgelegenheid, die door de sierteeltsector wordt gegenereerd, is beperkt. Vanzelfsprekend is er de directe werkgelegenheid bij de telers en bij de loonbedrijven, die voor hen werken. Maar daarnaast maakt de sierteeltsector in ruime mate gebruik van arbeidsmigranten op seizoensbasis. Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur De sierteeltsector is georganiseerd in de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (KAVB). Volgens de website van deze in 1860 opgerichte organisatie betreffen de belangrijkste activiteiten van de KAVB betreffen, kort samengevat, collectieve belangenbehartiging, het verstrekken van kennis- en informatie aan de leden en dienstverlening voor leden. De inhoudelijke speerpunten van de vereniging zijn duurzaamheid, ondernemerschap, kwaliteit en het imago van de sector en haar producten. Leden kunnen daarnaast gebruik maken van onder andere de proef- en monstertuin, een arbitragecollege, een uitgebreide vakbibliotheek, juridisch advies, een kredietverzekering en een uitgebreide database met gegevens over geregistreerde cultivars.

Bestrijdingsmiddelen; toelating, CTGB De sierteelt maakt gebruik van bestrijdingsmiddelen. De groep ‘bestrijdingsmiddelen’ wordt onderverdeeld in – wat genoemd wordt – gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Biociden worden gebruikt buiten de landbouw en blijven hier verder buiten beschouwing. ‘Gewasbeschermingsmiddelen’ worden grofweg weer onderverdeeld in Insecticiden (bestrijding van insecten), herbiciden (bestrijding van onkruid) en fungiciden (bestrijding van schimmels). Al deze woorden eindigen op -cide, hetgeen betekent ‘het doden van’. Bestrijdingsmiddelen bevatten, naast allerlei hulpstoffen, een ‘werkzame stof’. Dat is het actieve bestanddeel van het bestrijdingsmiddel. Denk bijvoorbeeld aan de stoffen glyfosaat, imidacloprid of spinosad. Middelen worden ingedeeld in laag- en hoog-toxisch. Gemeentelijke handleiding regulering bestrijdingsmiddelen:

Er zijn momenteel (oktober 2024) 46 werkzame stoffen die zijn aangemerkt als ‘stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen’. Voorbeelden zijn esfenvaleraat, pendimethalin en cypermethrin. Deze stoffen zijn volgens de EU zo risicovol dat ze van de markt worden gehaald zodra er minder giftige alternatieven beschikbaar zijn. Stoffen die niet in deze categorie zijn ingedeeld kunnen overigens ook een gezondheidsrisico meebrengen. Dit blijkt ook uit het feit dat verschillende ‘reguliere’ bestrijdingsmiddelen als Zeer Zorgwekkende Stof (ZZS) zijn aangemerkt. Het RIVM schat dat 20% van de toegelaten bestrijdingsmiddelen één of meer ZZS’en bevat en dat 10% een potentiële ZZS bevat.

De productie van bestrijdingsmiddelen is voor een belangrijk deel geconcentreerd bij vier gigantische mondiale bedrijven: het Zwitserse Syngenta (met een omzet in 2023 van 15,43 miljard Euro), het Duitse Bayer Crop Science (met een omzet in 2023 van 11,92 miljard Euro), het eveneens Duitse BASF (met een omzet van 8,32 miljard Euro) en het Amerikaanse Corteva (met een omzet in 2023 van 7,75 miljard Euro). Het ooit omstreden bedrijf Monsanto maakt thans onderdeel uit van Bayer in de Verenigde Staten. Deze bedrijven vormen de kern van een lobbygroep, die in Brussel opereert. Website Corporate Europe Observatory:

De kerngroep van zakelijke actoren die lobbyen tegen de wet op het terugdringen van pesticiden verklaarden samen een totale jaarlijkse lobby-uitgave van 15 miljoen euro te hebben. Deze groep bestaat uit Bayer, BASF, Syngenta en Corteva; hun lobbyverenigingen CropLife Europe en Euroseeds; en vijf andere entiteiten. Daarnaast heeft boerenlobby Copa-Cogeca een jaarlijkse zelfverklaarde lobby-uitgave van 1,5 miljoen euro. Deze zelfverklaarde cijfers zijn echter normaal gesproken enorme onderschattingen.

In Nederland beoordeelt het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) of gewasbeschermingsmiddelen en biociden veilig zijn voor mens, dier en milieu voordat ze worden verkocht. Ook beoordeelt het Ctgb of de middelen werkzaam zijn. Het College doet dat – volgens haar website – op basis van internationale afspraken en in de wetgeving verankerde criteria: Op grond van deze beoordeling besluit het college of het middel in Nederland verkocht en gebruikt mag worden. Daarbij stelt het ook duidelijke voorschriften verplicht, die minimaal op het etiket moeten staan. Het Ctgb is onafhankelijk, maar opereert wel binnen Europese en nationale wetgeving en beleidsregels.

9

De beoordelingen van door het Ctgb toegelaten middelen zijn voor een groot deel openbaar. Zo kan iedereen achterhalen op basis van welke onderzoeken het Ctgb een middel toelaat en welke overwegingen daarbij een rol hebben gespeeld. Daarnaast adviseert het Ctgb op basis van zijn technischwetenschappelijke deskundigheid verschillende ministeries over wet- en regelgeving en beleid over gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het CTGB werkt op basis van de Europese Verordening betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen uit 2009. Het CTGB doet niet zelf onderzoek, maar baseert zich op onderzoek, dat wordt aangeleverd door de aanvrager van toelating. Volgens het CTGB zelf moet het aanvraagdossier voldoen aan de nationale en Europese regels. Bijvoorbeeld moet het informatie bevatten uit onderzoeken door onafhankelijke laboratoria, die aan specifieke criteria moeten voldoen. Bij de beoordeling door het CTGB van het aanvraagdossier wordt “de mogelijke blootstelling aan stoffen voor mens, dier en milieu berekend. Vervolgens worden deze gegevens vergeleken met de veilige waarden. Als blijkt dat een middel veilig kan worden gebruikt en dat het effectief is, dan besluit het college het toe te laten.” Het daarbij gebruikte toetsingskader is vastgelegd in Europese regelgeving, maar daarnaast mogen lidstaten ook eigen specifieke regels en eisen hanteren.

De vaststelling van dat toetsingskader is ‘een politiek proces’. Inmiddels worden vanuit verschillende hoeken (grote) kanttekeningen gezet bij de toelatingsprocedures door het CTGB. In sommige gevallen worden vraagtekens gezet bij de onafhankelijkheid van het aangeleverde onderzoek of blijken onderzoekers nauwe banden te onderhouden met de aanleverende bedrijven. De gebruikte onderzoeksmethode staat eveneens fundamenteel ter discussie, met name de vraag of een middel eenzijdig of tweezijdig moet worden getest (zie kader). Soms zou er sprake zijn van ‘vooringenomenheid’ bij de beoordeling van onderzoeksresultaten, die in sommige gevallen worden ‘weggeredeneerd’ (zie kader). Maar de voornaamste kritiek op de toelating door het CTGB is dat slechts met enkelvoudige middelen wordt getest, en dat daarmee cocktails van middelen of stapeling van middelen buiten beschouwing blijft (zie kader). Website Universiteit Leiden: De Leidse hoogleraar De Snoo stelt dat “de huidig gebruikte tweezijdige test niet geschikt is om de veiligheid van pesticiden, zoals glyfosaat, te beoordelen. Hij legt uit dat deze methode eerder bedoeld is voor medicijnen, waarbij naast de schadelijke effecten ook de genezende werking wordt getest. ‘Maar bij pesticiden willen we alleen maar weten: is een stof veilig of kankerverwekkend – ja of nee?’, zegt De Snoo in een interview met Trouw.

Hij noemt de huidige aanpak ‘slechte statistiek en slechte wetenschap: ‘Door verkeerd te testen, kun je de indruk krijgen dat er niks aan de hand is, terwijl het kankerverwekkend effect er misschien wel is’.

Website Zembla, die het onderzoek naar glyfosaat tegen het licht hield: ‘Ze zijn vooral bezig met het wegschoffelen van bewijs’, concludeert emeritus-hoogleraar toxicologie Martin van den Berg (Universiteit Utrecht) die op verzoek van Zembla ook heeft meegelezen. ‘Daar kun je niet omheen als je het dossier bekijkt. Ze zoeken naar argumenten om het niet te hoeven classificeren als een kankerverwekkende stof.’ ‘Ik zie dat ze wetenschappelijke aanwijzingen dat glyfosaat mogelijk kankerverwekkend is, systematisch wegredeneren’, concludeert hoogleraar Ad Ragas wanneer hij het beoordelingsrapport overziet. ‘En in ieder geval worden de protocollen, die moeten garanderen dat je één voor één netjes alle stappen zet, geschonden.’

Website Toekomstvisie 2030 Gewasbescherming: Bij toelating van een bepaald middel moet ook meegenomen worden de effecten van andere middelen op basis van dezelfde werkzame stof. Dit staat in de uniforme beginselen van Verordening (EU) 546/20113.De hulpmiddelen die het Ctgb hiervoor heeft zijn zeer beperkt. De risicobeoordeling vindt per middel plaats. De effecten van gestapeld gebruik wordt niet bepaald. Het totale gebruik kan leiden tot risico’s die in de huidige risicobeoordeling niet worden vastgesteld. Er is sprake van stapelen als voor een bepaalde teelt na elkaar verschillende middelen op basis van dezelfde werkzame stof worden toegepast.

In april 2024 heeft het Europese Hof van Justitie (EU-Hof Luxemburg) een vernietigend oordeel geveld over het Nederlandse toelatingsbeleid voor pesticiden. Het Europese Hof van Justitie heeft verklaard dat de manier waarop in Nederland de toelating van chemische bestrijdingsmiddelen wordt uitgevoerd, onjuist is. Het is de verwachting, dat de bestuursrechter deze uitspraak zal volgen, waardoor het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) haar beleid bij toetsing en toelating zal moeten aanpassen. Volgens het Europees Hof van Justitie (EU-hof) negeert het Ctgb in een aantal gevallen belangrijke schadelijke effecten en hanteert de instantie niet de meest moderne wetenschappelijke inzichten. 'Dit is in strijd met de Europese verordening op dit gebied. Het Ctgb zal zijn

10

onderzoeksbeleid flink moeten aanpassen.' Het EU-hof stelt dat het CTGB een nieuw middel moet onderzoeken op eventuele hormoonverstorende werking, maar ook op mogelijk andere schadelijke effecten. Dat moet volgens het EU-hof niet alleen met protocollen worden gedaan, maar met alle actuele beschikbare, betrouwbare, wetenschappelijke en technische kennis. Meer recent heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in een zaak aangespannen door PAN Europe (zie hs. 2) het toelatingsbesluit van het CTGB voor het middel Dagonis vernietigd. Het CBb had in dit proces eveneens prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie. Op basis van het antwoord van het Hof heeft het CBb geoordeeld dat het CTGB niet deugdelijk en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de door PAN ingebrachte informatie onvoldoende is om difenoconazool (de werkzame stof in Dagonis) te identificeren als hormoonontregelend. Totdat het middel opnieuw is beoordeeld, mag het niet worden gebruikt. Het is echter de afgelopen jaren wel degelijk toegepast. Ook het CTGB zelf geeft aan - in de presentatie voor de Provincie Drenthe op 13 maart 2024 – (nog) niet alles te weten:

Toepassing en verspreiding bestrijdingsmiddelen; toezicht en handhaving Telers mogen allereerst alleen bestrijdingsmiddelen gebruiken, die zijn toegelaten door het CTGB (zie hierboven). De Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA) houdt hierop toezicht. Dat er in de praktijk toch ook niet-toegelaten bestrijdingsmiddelen worden gebruikt, blijkt uit nieuwsberichten op de website van de NVWA. Zo werd door de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de NVWA op donderdag 28 november 2024 een handel in illegale bestrijdingsmiddelen in Noord Brabant opgerold. In een garagebox werd 3.000 liter onkruidverdelger aangetroffen. Daarnaast controleert de NVWA gericht bij de Nederlandse afnemers. Eerder – in juni 2024 – werd 1.000 kilo van het verboden middel Vydate 10G aangetroffen bij een teler in Overijssel. Website NVWA: In de handelsketen zijn in 2022 controles uitgevoerd bij import, distributeurs en verkoop van online platformen. Ook deze nalevingscijfers zijn zorgwekkend, vanwege potentiële risico’s van het gebruik van in EU verboden of niet in Nederland toegelaten middelen. Zo is er bij import sprake van niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en/of biociden die werden aangetroffen variërend van 1 kg tot 40 ton. Verder zijn er meer dan 1.000 advertenties met niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen verwijderd die online werden aangeboden aan particulieren

In 2023 voerde de NVWA 114 toepassingsinspecties uit in de buitenteelt van land- en tuinbouwgewassen; daarbij ging het met name over toepassingen met de spuitapparatuur. Website NVWA: Bij 36 inspecties zagen we 1 of meerdere overtredingen. Bij 68% van de inspecties werden de regels nageleefd. In 2022 ging het nog om naleving van de regels bij 76% van de inspecties. We voerden toen 154 toepassingsinspecties uit. Bij overtredingen ging het om: ~ Gebruik van niet toegelaten middelen; ~ Overtredingen van de voorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer; ~ Overtredingen van de gebruiksvoorschriften van

11

de gewasbeschermingsmiddelen. Het gemiddelde nalevingspercentage in 2023 van 68% is uitgesplitst voor de bloembollensector 67% en voor de buitenteelt van vaste planten, bloemisterijen en/of boomkwekerijgewassen 46%. De afzetgegevens van de toegelaten middelen moeten door de leveranciers worden aangeleverd aan het Ministerie van Landbouw Visserij Voedselzekerheid en Natuur (LVVN); tevens moet het Ministerie de gegevens bijhouden van het feitelijk gebruik van de middelen. Dit moet op basis van Verordening 1185/2009 (Verordening betreffende Statistieken voor Pesticiden). Het CBS houdt deze gegevens bij en constateert, dat ‘de uitkomsten van de statistiek Afzetcijfers gewasbeschermingsmiddelen om verschillende redenen afwijken van de statistiek Gebruikscijfers gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw. De afzetcijfers kunnen als meer compleet worden beschouwd; deze zijn dan ook aanzienlijk hoger dan de cijfers over het gebruik.’ Gemeentelijke handleiding regulering bestrijdingsmiddelen Nederland is na Malta koploper in de EU met het hoogste bestrijdingsmiddelengebruik per hectare agrarische grond. Volgens UNICEF wordt maar liefst één op de twaalf Nederlandse kinderen blootgesteld aan te hoge concentraties bestrijdingsmiddelen.

Uit het RIVM-onderzoek ‘Bestrijdingsmiddelen en omwonenden’18 blijkt verder dat deze middelen tot een afstand van - in ieder geval - 250 meter rondom bollenvelden in aanzienlijk verhoogde concentraties worden aangetroffen onder meer in huisstof.

Naast de Verordening 1185-2009 is ook in 2009 een Europese Richtlijn uitgevaardigd, tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (Richtlijn 2009/128/EG). Een Europese Verordening heeft rechtstreekse werking; een Richtlijn moet door lidstaten worden omgezet in nationale wetgeving. Toelating en toepassing van bestrijdingsmiddelen zijn geregeld in de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (WGB). Ook hierop houdt de NVWA toezicht. Aspecten van het toezicht worden uitgevoerd door de Inspectie Leefomgeving en Transport, de Arbeidsinspectie, het Staatstoezicht op de Mijnen en de Waterschappen. Centraal daarbij staat artikel 2a. Zorgplicht: Die zorgvuldigheid houdt in ieder geval in, dat een ieder, die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten gevaar ontstaat of kan ontstaan voor een mens, voor een dier of voor planten waarvan de instandhouding gewenst is, voor planten die aan anderen toebehoren, voor de bodem of voor het water, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten. In de WGB worden eisen gesteld aan opleiding en vakbekwaamheid en wordt verwezen naar nadere regels ten aanzien van Toepassingsmethoden en apparatuur. Deze nadere regels worden gesteld in het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL), dat in werking trad bij de invoering van de Omgevingswet.

Zo worden er regels gesteld ter bevordering van driftreductie en mag er bijvoorbeeld niet gespoten worden bij windsnelheden boven 5 m/s, gemeten op 2 meter boven de grond. Ook worden regels gesteld te aanzien van de afstand tot oppervlaktewaterlichamen. Overigens berichtte EénVandaag eind 2023 over de grote financiële en personele tekorten bij de NVWA ondanks de extra investeringen in deze organisatie in de jaren daarvoor. ‘Geld is al jaren een moeilijk verhaal bij de NVWA. In 2012 ontstond de organisatie uit een fusie van drie overheidspartijen. Daarmee moest 50 miljoen euro bespaard worden. Een jaar later concludeerde de Algemene Rekenkamer dat met de fusie geen geld is uitgespaard.’

Biologische sierteelt Inmiddels begint ook de biologische sierteelt zich steeds meer te vestigen. Er is een brancheorganisatie opgericht: Biologische Sierteelt Nederland. Het doel van de biologische sierteeltvereniging is om elkaar laagdrempelig te vinden en te versterken om zo een eigen en onafhankelijk geluid te laten horen. In de praktijk zet de vereniging zich in voor de gezamenlijke belangenbehartiging richting overheid, grote marktpartijen en onderwijs. Ook dient de vereniging als aanspreekpunt voor de sector, Daarnaast wordt gewerkt aan kennisuitwisseling, logistiek en ontmoeting binnen de verschillende teelten (snijbloemen,

12

bloembollen, vaste planten). In Westerveld maken bijvoorbeeld Bloem en Oogst in Wapserveen (biologische zaden en bloemenkwekerij) en de Arnica Kwekerij in Eemster deel uit van de Vereniging. Belangrijk aspect is het creëren van een markt voor de biologische sierteelt, waarbij – naast het overtuigen van individuele consumenten – wordt ingezet op de inkoop vanuit overheden. De Kleur van geld (Triodos Bank): “Zelfs het zeer getrainde oog van iemand die al bijna twintig jaar biologisch teelt, kan biologische tulpen niet van gangbare geteelde exemplaren onderscheiden. "Maar als ik naar de bloemen in de supermarkt kijk en weet wat voor reis die hebben afgelegd, dan vraag ik me af hoe consumenten denken dat dat kan voor die prijs", zegt Maaike Röder (73) van Bijenakker in Odijk. "De natuur betaalt de schade."

13

Hoofdstuk 2 Maatschappelijke reactie In 1962 publiceerde de Amerikaanse biologe Rachel Carson het boek ‘Silent Spring’ en dat sloeg in als een bom. Het boek maakte de wereld bewust van de gevolgen van bestrijdingsmiddelen voor mens, natuur en milieu. Het leidde ook toen al in de Verenigde Staten tot rechtszaken en uiteindelijk tot het verbod op DDT, een tot dan toe volledig gangbaar bestrijdingsmiddel. In prachtige taal laat Carson het enorme belang zien van een gezonde bodem en van het daarin aanwezige bodemleven. Zij schrijft: “Niet alleen schiep het leven de bodem, tegenwoordig komen er een ongelooflijke rijkdom en een grote diversiteit aan andere levende wezens in voor; als dat niet zo zou zijn, dan zou de bodem dood en steriel zijn. Met hun aanwezigheid en hun activiteit maken die talloze organismen de bodem rijp als basis voor de groene mantel die rond de aarde is gedrapeerd.”

Burgerbewegingen en milieuorganisaties Vanaf die tijd staan de bestrijdingsmiddelen ter discussie. En naarmate de sierteelt met het intensieve gebruik van bestrijdingsmiddelen zich uitbreidt naar en in Drenthe, wordt die discussie ook hier steeds nadrukkelijker gevoerd. Inwoners maken zich zorgen over de staat van de natuur en over hun gezondheid en die van hun kinderen. Vanuit die bezorgdheid ontstaan burgerinitiatieven als Bollenboos (2003) en Meten=Weten (2018). Op Europees niveau worden die initiatieven ondersteund door het Pesticides Action Network Europe, dat weer onderdeel is van het wereldwijde Pesticides Action Network (PAN). Maar ook ontstaan kleinere netwerken van omwonenden van specifieke sierteeltlocaties, die proberen in overleg te treden met telers om bepaalde teelten te voorkomen of om dan in ieder geval afspraken te maken over het verkrijgen van informatie over wat er gespoten wordt, over waarschuwingen vooraf als er gespoten gaat worden etc. De discussie over de sierteelt zet kleine gemeenschappen onder druk en de verhoudingen soms op scherp. Voorbeelden daarvan zijn de omwonenden van de NoordLheederes, de omwonendengroep rond Boterveen en de omwonenden en ouders rondom de Openbare Basis School (OBS) De Singelier.

Bollenboos Al in 2003, dus meer dan 20 jaar geleden, werd in Westerveld de werkgroep Bollenboos opgericht mede naar aanleiding van een Nota uit 2002 van de Drentse Milieufederatie: ‘Land van de reizende bol’. In ruim 15 jaar groeide Bollenboos uit tot een gezaghebbende organisatie met veel kennis van zaken en een reeks aan publicaties, waaronder het Zwartboek Gifkikker uit 2014. Na 2018 heeft de Stichting Bollenboos het stokje overgedragen aan nieuwe initiatieven, maar formeel opgeheven zijn ze nog niet.

Meten=Weten In 2019 werd de Vereniging Meten=Weten opgericht op basis van een burgerinitiatief dat in 2018 ontstond. Meten=Weten komt op voor het recht van mensen, dieren en natuur op een gezonde leefomgeving zonder pesticiden. Het is een burgerinitiatief dat zélf onderzoek doet naar de verspreiding van pesticiden. Daarmee maakt men deel uit van het fenomeen ‘burgerwetenschap’, waarbij men zich baseert op feiten, wetgeving en wetenschappelijk onderzoek. Als citizen science groep werkt Meten=Weten samen met wetenschappers van diverse universiteiten. Men richt zich op een overheid die volgens de website “economische belangen vaak zwaarder laat wegen dan volksgezondheid, natuur en biodiversiteit”. De resultaten van het onderzoek worden gebruikt als onderbouwing bij rechtszaken, handhavingsverzoeken en overleg met overheden. Per 1 januari 2024 had de Vereniging 1274 leden. In de loop der tijd werden vier onderzoeksrapporten gepubliceerd. Het eerste rapport uit 2018 constateerde de aanwezigheid van 57 verschillende bestrijdingsmiddelen en biociden op basis van 12 monsters op plekken, waar deze middelen niet worden toegepast. In een tweede rapport uit 2019, opgesteld op verzoek van Natuurmonumenten, werd de aanwezigheid van biociden en bestrijdingsmiddelen op 4 plaatsen in Natura 2000 gebieden in Westerveld vastgesteld.

In het derde onderzoek, gepubliceerd in 2022, werden over een langere periode (2018 – 2021) 87 monsters genomen in 6 compartimenten (bodem, vegetatie, dierlijke mest, water, haar en lucht), waarbij in totaal 132 verschillende bestrijdingsmiddelen werden gevonden. In juni 2024 publiceerde Meten=weten haar vierde rapport onder de titel Schone Sier. Op zeven locaties werd zowel lucht als eikenblad gemeten: vijf locaties zich in natuurgebieden en twee aan de rand van een dorp. Een jaar lang werden om de zes weken de luchtfilters en het eikenblad verzameld en geanalyseerd. Daarin werden bij elkaar

14

77 verschillende bestrijdingsmiddelen gevonden. Overal werd glyfosaat gevonden, het meeste in een natuurgebied bij het Dwingeloo, op meer dan een kilometer afstand van de dichtstbijzijnde akker. De meeste stoffen werden gevonden in het lucht-filter aan de rand van Diever, op 50 meter van een basisschool, namelijk meer dan 40. De juridische werkgroep van Meten=weten doet Handhavingsverzoeken bij provinciale overheden (Friesland, Drenthe en Overijssel). Daarnaast worden Handhavingsverzoeken gedaan bij gemeenten op basis van het voorzorgsprincipe in de Omgevingswet (zie verder paragraaf 6). En tenslotte volgt Meten=weten de politiek op alle niveaus, overleg, reageert en spreekt in bij relevante politieke gremia.

Pesticides Action Network

Het Pesticides Action Network is al in 1982 opgericht. Het is een netwerk van meer dan 600 nongouvernementele organisaties en instituties, wereldwijd werkzaam in meer dan 90 landen “to replace the use of hazardous pesticides with ecologically sound and socially just alternatives”. PAN International werkt samen met vele andere klimaat- en milieuorganisaties, en probeert invloed uit te oefenen binnen het Verenigde Naties Systeem, met name binnen de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) en de VN Milieuorganisaties (UNEP). Binnen PAN International zijn vijf regionale netwerken actief, waarvan PAN Europe er één is. PAN Europe wil de afhankelijkheid van synthetische pesticiden elimineren en agro ecologische landbouwmethoden stimuleren. Het doel is een sterke reductie van het gebruik van pesticiden om de gezondheid van werkers en omwonenden te beschermen en milieu en biodiversiteit te borgen. Daarbij zou het voorzorgsbeginsel leidend moeten zijn. PAN Europa is een op wetenschap gebaseerde organisatie, die samenwerkt met experts op verschillende gebieden, gerelateerd aan pesticiden.

Bewonersgroepen – AARDige buren – Urgenda – Natuur & Milieu

Zowel individuele omwonenden als meer of minder georganiseerde groepen van omwonenden van specifieke percelen proberen om bepaalde teelten te voorkomen, informatie te verkrijgen over wat er gespoten wordt, dan wel met de telers praktische afspraken te maken rondom het spuiten. Zo is rondom de NoordLheederes al vele jaren een groep omwonenden actief. Rondom het Boterveen is een bewonersgroep de weg ingeslagen van een civiele procedure tegen een individuele teler. Zie verder onder hs. 8. Deze groep opereert onder de naam AARDige Buren; op hun website zeggen zij: AARDige buren zorgen voor elkaar en hun leefomgeving. Ze zetten zich in tegen het gifgebruik in de landbouw. En dat is nodig, want ons kleine landje wordt steeds giftiger. AARDige buren wordt ondersteund door een aantal organisaties, waaronder URGENDA, samen-trekking van Urgente Agenda, opgericht door Jan Rotmans en Marjan Minnesma. URGENDA is vooral bekend van de klimaatzaak. Als zelfstandige stichting streeft Urgenda naar een circulaire economie die draait op duurzame energie en groene grondstoffen. De organisatie werkt vanuit een groot gevoel voor urgentie omdat grondstoffen schaarser worden en het klimaat veel te snel verandert.

Natuur & Milieu | De Natuur- en Milieufederaties Tenslotte houdt ook de Stichting Natuur & Milieu zich met bestrijdingsmiddelen bezig. Natuur & Milieu is dé milieuorganisatie die werkt aan oplossingen voor klimaat- en natuurproblemen in Nederland. Wij brengen veranderingen teweeg in elke hoek van onze samenleving: in overheidsbeleid, in het bedrijfsleven en in het gedrag van mensen. Daarnaast zijn er de 12 Natuur- en Milieufederaties: in elke provincie één. De Natuur- en Milieufederatie Drenthe werkt samen met inwoners, overheden en bedrijven aan een toekomstbestendig Drenthe met een gezond milieu, rijke natuur en een mooi landschap. We geloven in de kracht van de Drenten en staan voor samenwerking, vooruitgang en oplossingen. In april 2023 publiceerde Natuur & Milieu het Maatschappelijk Manifest Bestrijdingsmiddelen, waarvan de belangrijkste conclusie was: De overheid beschermt mensen en natuur onvoldoende tegen schadelijke effecten van bestrijdingsmiddelen.

Media en Publieke opinie Ook in de media is de sierteelt inmiddels een vast onderwerp. Dagblad van het Noorden, Meppeler Courant en RTV Drenthe besteden er aandacht aan naar aanleiding van actuele gebeurtenissen, uitgebrachte rapporten en politieke debatten. In 2022 werd de organisatie Meten=Weten winnaar van Drenthe van de Duurzame Dertig, een gezamenlijk initiatief van Dagblad van het Noorden, Friesch Dagblad en Leeuwarder Courant. Van de landelijke media besteden met name Dagblad Trouw (sector Duurzaamheid & Economie) en Onderzoeksprogramma Zembla (Dossier over bestrijdingsmiddelen) met grote regelmaat aandacht aan het onderwerp.

15

Voor wat betreft de publieke opinie over sierteelt en pesticiden wordt vaak gewezen op een ‘zwijgende meerderheid’, die ofwel geen opvatting daarover heeft dan wel geen bezwaar maakt. Daarom was het goed dat het Trendbureau Drenthe in februari 2024 een onderzoek heeft gedaan onder de inwoners van Westerveld. Hoewel de opdrachtgever voor het onderzoek (de Stuurgroep van het Programma Duurzame Bollenteelt Drenthe) de onderzoeksvraag met name wilde richten op de communicatie van het eigen programma (‘Wat is het bereik van de communicatie van de DBD en zijn inwoners van de gemeente Westerveld er tevreden mee?’), zijn er ook bredere subvragen in het onderzoek meegenomen. In de Inleiding op het onderzoeksrapport stelt het Trendbureau vast dat in de eerdere open onderzoeken met het Drents Panel en rondom de verkiezingen voor de Provinciale Staten de sierteelt ook een veelgenoemd onderwerp van zorg was (zie citaat 1 in kader hieronder)

In het onderzoek heeft het Trendbureau een differentiatie aangebracht tussen inwoners algemeen en inwoners in de buurt van sierteelt, dan wel direct wonend naast sierteelt. Op de algemene vraag naar het welbevinden, wordt door inwoners van Westerveld een relatief hoog cijfer gegeven (boven de 7), maar met de kanttekening dat “de inwoners die direct aan een bollenveld wonen relatief vaker de leefbaarheid lager dan een 7 geven (20%) ten opzichte van inwoners die niet in de buurt van een bollenveld wonen”. Ook geeft het onderzoek aan dat de bollenteelt een veelvuldig gespreksonderwerp is in de eigen omgeving, waarbij dat ook weer aanzienlijk meer geldt voor inwoners direct aan (88%) of in de buurt van (69%) sierteelt, dan voor de inwoners op grotere afstand (ruim 1/3). De polarisatie en wijze van omgang tussen telers en omwonenden zijn onderzocht, als ook de algemene invloed van de sierteelt op het welbevinden (zie citaat 2 in kader hieronder). De voor nu belangrijkste vraag uit het onderzoek is of men zich zorgen maakt over de impact van de sierteelt. Daarbij geeft het rapport allereerst aan, dat inwoners, die in de buurt van sierteelt wonen meer dan gemiddeld vinden dat de leefbaarheid achteruit is gegaan. Maar een nog duidelijker beeld komt naar voren op de vraag of men zich zorgen maakt over de impact van de bollenteelt op een aantal met name genoemde zaken.

Dan blijkt dat een significant deel van de inwoners inderdaad zorgen heeft. En dat het daarbij een aanzienlijk verschil maakt of men grenzend aan, in de buurt van of niet in de buurt van de sierteelt woont. De beide figuren uit het rapport van het Trendbureau maken dat helder (zie ook de citaten onder 3 in kader hieronder)

16

Citaten Rapport Trendbureau Drenthe

1. (pag. 4) Wanneer er afgelopen jaren aan het Drents Panel gevraagd werd naar de grootste uitdagingen in de gemeente, dan kwam in de open antwoorden regelmatig het beleid rondom de bollenteelt en bestrijdingsmiddelen voorbij. Ditzelfde thema kwam ook met regelmaat voorbij in een uitvraag rondom de verkiezingen van de Provinciale Staten, op de vraag waar inwoners op zouden in zetten voor Drenthe: ‘’Op natuurherstel, op het terugdringen en uiteindelijk afschaffen van de lelie- en bloembollenteelt in Drenthe.’’ (Bron: antwoord op open vraag, Drents panel 2022) 2. (pag. 15) Het feit dat de sierteelt inwoners tegenover elkaar zet, wordt door 71% van de inwoners in Westerveld ervaren. Verder zijn 58% van de inwoners bezorgd over hoe telers en omwonenden met elkaar omgaan. Deze stellingen worden meer onderschreven door inwoners die direct aan of in de buurt van een bollenveld wonen en significant minder door Westervelders die niet in de buurt wonen. Ook is ruim vier op de tien inwoners van mening dat de bollenteelt invloed heeft op hun kwaliteit van leven. Daarbij heeft ruim drie op de tien inwoners zelf last van de bollenteelt. 3. (pag. 12) Daarnaast ervaren de inwoners die niet in de buurt van een bollenveld wonen minder vaak dan de inwoners die in de buurt óf direct aan een bollenveld wonen dat de leefbaarheid is achteruit gegaan (figuur 9).

De verschillen tussen deze groepen zijn significant. Een groot aandeel, namelijk de helft van de inwoners uit Westerveld, maken zich zorgen over de impact van de bollenteelt op de omgeving en op de eigen gezondheid. Een kwart tot een derde van de inwoners uit Westerveld van de inwoners maakt zich weinig zorgen”

17

Hoofdstuk 3 De rol van de overheid Terwijl de sierteelt toeneemt, en daaraan parallel ook de maatschappelijke onrust, is het voor de politiek op de verschillende niveaus kennelijk lastig om een goede rol te pakken. Het beleid is op een hoger abstractieniveau soms ambitieus, maar op het niveau van concrete invulling en uitvoering vaak afwachtend en onvoorspelbaar. Doelen zijn dan onduidelijk en wisselend, geformuleerd op (middel-)lange termijn, maar vaak zonder concrete tussendoelen of -stappen, Ook zijn er aannames over de middelen die de politiek al dan niet zou hebben en daaraan gekoppeld aannames over de vraag wie waarover gaat. Dat leidt tot het beeld van een inactieve overheid, die zaken op de lange baan schuift, en die haar verantwoordelijkheid niet neemt.

De mondiale en Europese context Op mondiaal niveau zijn het VN Milieuprogramma (UNEP, Nairobi) en de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO, Rome) bij het onderwerp van de pesticiden in de landbouw betrokken. In september 2023 bracht UNEP het rapport Alternatieven voor zeer gevaarlijke pesticiden uit, waarbij de nadruk ligt op de extra schadelijke bestrijdingsmiddelen, zoals die in lage en middeninkomenslanden worden gebruikt. Daarnaast is in dit verband het Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework van belang (zie verder onder 4). De FAO richt zich met name op het voedsel- en landbouwvraagstuk in relatie tot het uitbannen van de honger in de wereld. Daarbinnen werkt men o.a. ook aan Pest and Pesticide Management. Tenslotte moet genoemd worden de Speciale VN-Rapporteur inzake het Recht op Voedsel, die opereert binnen het VN Mensenrechtensysteem. Website UNEP Het rapport van de Speciale Rapporteur inzake het recht op voedsel, dat in januari 2017 werd uitgebracht (A/HRC/34/48), verklaarde: "Pesticiden kunnen tientallen jaren in het milieu aanwezig blijven en een wereldwijde bedreiging vormen voor het hele ecologische systeem waarvan de voedselproductie afhankelijk is.

Overmatig gebruik en misbruik van pesticiden leiden tot verontreiniging van de omliggende bodem en waterbronnen, waardoor de biodiversiteit verloren gaat, nuttige insectenpopulaties worden vernietigd die fungeren als natuurlijke vijanden van plagen en de voedingswaarde van voedsel afneemt." Pesticiden zijn inherent gevaarlijk, en onder hen veroorzaakt een relatief klein aantal zeer gevaarlijke pesticiden (HHP's) onevenredige schade aan het milieu en de menselijke gezondheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westerveld&id=7ec68da9-e929-440f-9ad9-fe402e04f7a5