Herziening De Vorrelvenen 11 Dwingeloo_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 5 Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA DE VORRELVENEN 11 TE DWINGELOO
Rapportage quickscan flora en fauna De Vorrelvenen 11 te Dwingeloo Opdrachtgever
Camping Leggelderveld De Vorrelvenen 11 7991 TP Dwingeloo
Rapportnummer Versienummer
9008.001 D1
Status
Eindrapportage
Datum
18 maart 2019
Vestiging
Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 038 - 7820540 zwolle@econsultancy.nl
Opsteller
F.M. van der Heide, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
ing. R.J. Stoffer
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 5
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 6
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 7 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ................................ 10 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Vogels ............................................................................................................................. 10 Vleermuizen .................................................................................................................... 12 Algemene grondgebonden zoogdieren .......................................................................... 13 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 15 Ongewervelden............................................................................................................... 16 Vaatplanten..................................................................................................................... 17
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 18 6.1 6.2 6.3 6.4
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 7 Soortenbescherming ........................................................................................................ 7 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 8 Houtopstanden ................................................................................................................. 9
Vogels ............................................................................................................................. 18 Vleermuizen .................................................................................................................... 18 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 19 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 19
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 20 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 20 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 21
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 23
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 24
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 9008.001
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Camping Leggelderveld opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna aan de De Vorrelvenen 11 te Dwingeloo. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie en de daarbij behorende bestemmingsplanwijziging. De quickscan flora en fauna heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 1 van 26
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 1,88 ha) ligt aan de De Vorrelvenen 11, circa 5,5 kilometer ten noorden van de kern van Dwingeloo. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 17 A (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 223.655, Y = 543.800.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie
De onderzoekslocatie betreft braakliggend terrein met een natuurlijk karakter. Binnen de onderzoekslocatie staan 3 opstallen. Twee opstallen betreffen recreatieverblijven welke verhuurd worden. Daarnaast staan er (deels) binnen de onderzoekslocatie een aantal geschakelde (tijdelijke) woonunits, welke door de opdrachtgever in gebruik zijn als woning. Deze worden op termijn weer verwijderd. Het noordwestelijk deel van de onderzoekslocatie heeft bestemming bos, aan de noordoostzijde heeft de onderzoekslocatie bestemming wonen. Het overige deel van de onderzoekslocatie heeft bestemming agrarisch. Het plangebied heeft een agrarische bestemming. Aan de noordzijde van het kadastraal perceel, buiten de onderzoekslocatie bevinden zich diverse opstallen. Deze maken in eerste instantie geen onderdeel uit van de voorgenomen plannen maar zijn wel meegenomen in de quickscan flora en fauna. Mogelijk dat in de meest noordelijke oude schuur in de toekomst appartementen worden gerealiseerd (zie figuur 9). Ten noorden van de onderzoekslocatie bevinden zich de Voorste en Achterste Plas, welke door Kalkzandsteenfabriek Roelfsema B.V. gebruikt worden voor zandwinning. Tevens bevindt zich hier het
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 2 van 26
Blauwe Meer, tevens ontstaan door zandwinning. Het Blauwe Meer is reeds lange tijd niet meer in gebruik voor zandwinning en vormt tegenwoordig een natuurgebied en recreatieplas. Ten oosten en zuiden van de onderzoekslocatie bevindt zich open agrarisch landschap. Ten westen en zuidwesten grenst de onderzoekslocatie aan Natura-2000 gebied het Drents-Friese Wold en Leggelderveld. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 14 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek (d.d. 22 februari 2019).
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 3 van 26
Figuur 3. Onderzoekslocatie gezien vanuit het noorden, kijkend richting het zuiden.
Figuur 4. Onderzoekslocatie gezien vanuit het westen, kijkend richting noorden.
Figuur 5. Onderzoekslocatie gezien vanuit het westen, kijkend richting het oosten.
Figuur 6. Onderzoekslocatie gezien vanuit het zuiden, kijkend richting het noorden.
Figuur 7. Pad lopend in noord-zuidelijke richting aan oostzijde onderzoekslocatie.
Figuur 8. Woonhuis en schuur ten noorden van onderzoekslocatie.
Figuur 9. Schuur ten noorden van onderzoekslocatie.
Figuur 10. Binnenzijde schuur op noordelijk deel van de onderzoekslocatie.
Figuur 11. Kleedhokjes op noordelijk deel onderzoekslocatie.
Figuur 12. Oud verwaaid nest op westelijk deel onderzoekslocatie.
Figuur 13. Eén van de vele muizenholen.
Figuur 14. Oud vogelnest op oostelijk deel onderzoekslocatie.
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 4 van 26
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens het plangebied grotendeels te ontwikkelen als heuvelachtig natuurgebied met heide en in de zuidwesthoek een natuurlijke waterpoel. Op het overige deel worden maximaal 10 recreatiewoningen gerealiseerd. De initiatiefnemer is voornemens de rustige en natuurlijke setting zoveel mogelijk te handhaven. Ten behoeve van de voorgenomen plannen wordt de toplaag van het terrein afgegraven. Op het meest zuidelijk deel wordt een natuurlijk poel gegraven, welke tevens dienst doet als waterberging. Tussen de huidige camping en de te realiseren recreatieverblijven wordt een aarden wal gerealiseerd. De initiatiefnemer is voornemens 8 nieuwe recreatieverblijven te realiseren. De bestaande 2 recreatieverblijven worden gehandhaafd of mogelijk vervangen. De geschakelde woonunits zullen op termijn weer verwijderd worden. Tot slot worden er bomen aangeplant om het natuurlijk karakter te versterken. Figuur 15 betreft de beoogde nieuwe situatie.
Figuur 15. Situatieschets van de voorgenomen plannen.
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 5 van 26
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 22 februari 2019. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, de directe omgeving van de onderzoekslocatie en de opstallen op het noordelijke deel van het kadastraal perceel beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Vanwege de aanwezigheid van onverlichte opstallen en holten in bomen is er met behulp van een zaklantaarn gezocht naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen, overige zoogdieren en vogels. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Drenthe opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek.
Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 6 van 26
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op:
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 7 van 26
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk,
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 8 van 26
genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel V) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van de desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 9 van 26
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische buitengebied waar de onderzoekslocatie zich bevindt kunnen dit zijn: buizerd, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek en sperwer. Van deze soorten kunnen de huismus, ooievaar en roek op voorhand worden uitgesloten. De huismus is sterk gebonden aan menselijke bebouwing. Binnen de onderzoekslocatie is geen jaarrond bezette menselijke bebouwing aanwezig, welke dienst kan doen als vaste nest- of rustplaats. De ooievaar maakt zijn nest nagenoeg uitsluitend op speciale nestpalen of daarop aangepaste daken. Net buiten de onderzoekslocatie is een dergelijke nestpaal aanwezig. Deze blijft echter behouden, waardoor het aantal nestplaatsen niet verloren gaat. De nestpaal is het afgelopen jaar niet in gebruik geweest als nestplaats. Overtredingen ten aanzien van de ooievaar zijn op voorhand uitgesloten. De roek broedt in kolonies, nagenoeg uitsluitend in rijen hoge bomen als populieren. Aangezien dergelijke bomen niet aanwezig zijn binnen of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie is de aanwezigheid van vaste voortplantings- of rustplaatsen van roeken uitgesloten. Buizerd Buizerds broeden in hoge bomen, vaak langs de rand van een loofbos maar soms ook in een solitaire boom. De buizerd jaagt vaak in open terrein en langs wegen.
Volgens verspreidingsgegevens van SOVON Vogelonderzoek Nederland komt de buizerd in relatief hoge dichtheid voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Volgens het Uitvoerportaal van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is de buizerd de afgelopen 5 jaar meerdere malen in de omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. De opdrachtgever heeft meerdere malen buizerds waargenomen in de omgeving van de onderzoekslocatie. Binnen een straal van 50 meter van de onderzoekslocatie is geen nest van een buizerd aangetroffen. Ten tijde van het veldbezoek is een buizerd overvliegend waargenomen. Daarnaast is tijdens het veldbezoek een dode buizerd aangetroffen binnen de onderzoekslocatie. Aangezien er bij de voorgenomen plannen geen bomen gekapt worden, de voorgenomen werkzaamheden en het toekomstig gebruik gezien de aard en omvang niet tot verstoring zullen leiden en er tot slot voldoende uitwijkmogelijkheden in de directe omgeving van de onderzoekslocatie aanwezig zijn is overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de buizerd uitgesloten. Havik De havik broedt net als de buizerd in hoge bomen. De havik broedt echter meestal in een naaldboom. Het jachtgebied van de havik bestaat uit bos maar ook aangrenzende open gebieden. Binnen de onderzoekslocatie zijn geen (naald)bomen aanwezig. Het bos rond de onderzoekslocatie bestaat nagenoeg uitsluitend uit loofbos.
Een nestplaats van de havik is daarmee zo goed als uitgesloten. Volgens verspreidingsgegevens van SOVON Vogelonderzoek Nederland komt de havik slechts in lage dicht-
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 10 van 26
heid in de omgeving van de onderzoekslocatie voor. In het NDFF Uitvoerportaal staan slechts 4 waarnemingen van de havik in de afgelopen 5 jaar in de omgeving van de onderzoekslocatie. De waarnemingen zijn allemaal afkomstig van het recreatiegebied Achterste Zandduinen. De havik zal de onderzoekslocatie incidenteel kunnen gebruiken om te foerageren. In de omgeving is echter voldoende (alternatief) foerageerhabitat aanwezig. In de toekomstige situatie kan de onderzoekslocatie tevens dienst doen als foerageergebied. Gelet op het voorgaande in combinatie met de aard en omvang van de voorgenomen plannen en daarbij behorende werkzaamheden zal er geen verstoring optreden. Kerkuil De kerkuil broedt nagenoeg uitsluitend in menselijke bebouwing. Binnen de onderzoekslocatie is geen menselijke bebouwing aanwezig welke dienst kan doen als vaste rust- en/of voortplantingsplaats voor de kerkuil. De oude schuur (zie figuur 9) ten noorden van de onderzoekslocatie wordt volgens de opdrachtgever af en toe door een kerkuil als rustplaats gebruikt. Tijdens het veldbezoek zijn geen uilen of sporen daarvan aangetroffen binnen of rond de schuur. Volgens verspreidingsgegevens van SOVON Vogelonderzoek Nederland komt de kerkuil in lage dichtheid in de omgeving van de onderzoekslocatie voor.
In het NDFF Uitvoerportaal staan geen waarnemingen van de kerkuil in de omgeving van de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar. De huidige plannen leiden niet tot verstoring of vernieling van een verblijfplaats van de kerkuil. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de kerkuil zijn uitgesloten. Mogelijk worden er in de toekomst appartementen gerealiseerd in de oude schuur. Hier zijn echter nog geen concrete plannen voor ontwikkeld. Indien er appartementen gerealiseerd worden in de schuur dan dient er een aanvullend onderzoek naar de kerkuil te worden uitgevoerd (zie hoofdstuk 6). Ransuil Ransuilen keren ieder jaar terug naar een specifieke nest. Dit nest is veelal een oud ekster- of kraaiennest. Het leefgebied van ransuilen is echter zeer divers, van bos tot stedelijk gebied. Wegens de bosrijke omgeving vormt de omgeving van de onderzoekslocatie geschikt leefgebied voor ransuilen. Langs de rand van de onderzoekslocatie zijn meerdere bomen aanwezig, waardoor potentiële nestplaatsen aanwezig zijn. Tijdens het veldbezoek konden de bomen goed gecontroleerd worden op de aanwezigheid van nesten. In geen van de bomen is een nest van de ransuil of oud ekster- of kraaiennest waargenomen. Daarnaast heeft de opdrachtgever aangegeven geen bomen te zullen kappen.
Volgens verspreidingsgegevens van SOVON Vogelonderzoek Nederland komt de ransuil in lage dichtheid in de omgeving van de onderzoekslocatie voor. In het NDFF Uitvoerportaal staan geen meldingen van waarnemingen van ransuilen in de afgelopen 5 jaar in de omgeving van de onderzoekslocatie. Indien er ransuilen aanwezig zijn zullen deze hoogstwaarschijnlijk een nestplaats hebben in het aangrenzende bos. Eventuele hier aanwezige individuen ondervinden geen hinder van de voorgenomen ingreep. Al het voorgaande in overweging nemende zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de ransuil uitgesloten. Sperwer De sperwer broedt doorgaans in dicht jong naaldbos in de buurt van halfopen landschap. Aan de oostrand van de onderzoekslocatie, op de grens met het bouwland staat een enkele rij sparren. Tevens is er een enkele rij coniferen aanwezig aan de noordrand van de onderzoekslocatie. Deze bomenrijen zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van een potentieel nest. In geen van beide rijen is een dergelijk potentieel nest aangetroffen. Het bos grenzend aan de onderzoekslocatie bestaat voornamelijk uit eik. Daardoor is dit deel minder geschikt voor de sperwer. Tijdens het veldbezoek zijn geen sperwers of nesten daarvan aangetroffen. Daarnaast heeft de opdrachtgever aangegeven geen bomen te zullen kappen.
Volgens verspreidingsgegevens van SOVON Vogelonderzoek Nederland komt de sperwer in lage dichtheid in de omgeving van de onderzoekslocatie voor. In het NDFF Uit-
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 11 van 26
voerportaal staan 3 meldingen van sperwers in de omgeving van de onderzoekslocatie sinds de afgelopen 5 jaar. De dichtstbijzijnde waarneming betrof een overvliegend individu, die in 2016 op circa 400 meter van de onderzoekslocatie overvliegend is waargenomen. Al het voorgaande in overweging nemende zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de sperwer uit te sluiten. 5.1.2
Algemene broedvogels
De bebouwing aan de noordzijde grenzend aan de onderzoekslocatie en de beplanting binnen en de directe omgeving van de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals heggemus, merel, roodborst en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Daarnaast heeft de opdrachtgever aangegeven geen bomen te kappen. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. In het Uitvoerportaal van de NDFF staan enkel waarnemingen van de gewone grootvleermuis in de omgeving van de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar. Het gaat hier om 2 waarnemingen uit respectievelijk 2014 en 2015 van 2 exemplaren overwinterend op circa 1 km ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De 2 recreatieverblijven binnen de onderzoekslocatie zijn ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de afwezigheid van geschikte openingen en een spouwmuur. De ruimte langs de dakranden geeft geen toegang tot ruimte achter de dakrand. Verder zijn er geen open ruimtes achter betimmeringen waargenomen waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. De bebouwing binnen de onderzoekslocatie is ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten zijn uitgesloten.
De bebouwing die aan de noordzijde grenst aan de onderzoekslocatie is mogelijk wel geschikt aangezien er ruimte aanwezig is tussen nokpannen en het dak, tussen de dakplaten en achter betimmering (zie figuren 16 en 17). Deze gebouwen zijn geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende soorten als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, kraamverblijf en als baltsverblijf. De opdrachtgever heeft aangegeven de gebouwen buiten de onderzoekslocatie niet te slopen. Mocht de opdrachtgever in de toekomst anders besluiten dan zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming niet op voorhand uit te sluiten (zie hoofdstuk 6). De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, wat kan dienen als potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen.
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 12 van 26
Dergelijke potentiële vaste rust- en verblijfplaatsen zijn niet aangetroffen, de aanwezige holten zijn te groot en daardoor blootgesteld aan tocht. Hierdoor zijn de holten niet geschikt om dienst te kunnen doen als verblijfplaats. Daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen binnen de onderzoekslocatie uit te sluiten.
Figuur 16. Gebouwen grenzend aan de noordzijde van de onderzoekslocatie.
Figuur 17. Ruimte tussen nokpannen en dakplaten.
Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en mogelijk gewone grootoorvleermuis en rosse vleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, door de herontwikkeling zal het aanbod mogelijk toenemen. Daarnaast is er in de directe omgeving meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft het recreatiegebied Achterste Zandduinen en het natuurgebied Leggelderveld. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, bosranden, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden.
Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden geen vliegroutes verstoord, vooropgesteld dat de bomen in de omgeving die als potentiële vliegroute kunnen fungeren, gehandhaafd blijven bij de herbestemming van de onderzoekslocatie (zie hoofdstuk 6). 5.3
Algemene grondgebonden zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF Verspreidingsatlas Zoogdieren ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: boommarter, das, eekhoorn, otter en steenmarter.
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 13 van 26
5.3.1
Streng beschermde soorten
Boommarter De boommarter prefereert bosgebied als habitat, en komt vrijwel niet buiten het bos voor. Aan de rand van de onderzoekslocatie staan een aantal bomen, het overgrote deel van de onderzoekslocatie bestaat echter uit open grasland. Tijdens het veldbezoek zijn de aanwezige boomholtes binnen de onderzoekslocatie gecontroleerd en zijn daarnaast geen sporen, als uitwerpselen en/of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie door de boommarter. De opdrachtgever heeft aangegeven geen bomen te kappen. Het aangrenzende bos is geschikter als habitat voor de boommarter. Volgens de NDFF is de boommarter de afgelopen 5 jaar niet waargenomen binnen of in de omgeving van de onderzoekslocatie. Wegens het ontbreken van aanwijzingen voor het gebruik van de onderzoekslocatie door de boommarter is de aanwezigheid van een vast rust- of verblijfplaats van de boommarter binnen de onderzoekslocatie uitgesloten. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de boommarter zijn dan ook niet aan de orde. Das De das komt volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF Verspreidingsatlas Zoogdieren voor in de omgeving. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden echter ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats door dassen.
Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in het nabij gelegen natuurgebied Leggelderveld en de aansluitende weilanden. Volgens het NDFF Uitvoerportaal is de das de afgelopen 5 jaar slechts eenmaal waargenomen op circa 1 km ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Eekhoorn Het open karakter van het grootste deel van de onderzoekslocatie maakt het grotendeels ongeschikt als habitat voor de eekhoorn. De bomen aan de rand van de onderzoekslocatie vormen echter wel geschikt habitat voor de eekhoorn. De bomen aan de rand van de onderzoekslocatie hadden een open bladerdek en konden daardoor goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen. Daarnaast zijn er geen eekhoorns waargenomen tijdens het veldbezoek. In het NDFF Uitvoerportaal staat geen melding van een eekhoorn in de afgelopen 5 jaar in de omgeving van de onderzoekslocatie. Het omringende bos rond de onderzoekslocatie vormt meer geschikt habitat voor de soort. Tot slot worden er bij de voorgenomen plannen geen bomen gekapt.
Concluderend kan de aanwezigheid van een vaste rust- of verblijfplaats van eekhoorn binnen de onderzoekslocatie worden uitgesloten. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de eekhoorn zijn uitgesloten. Otter De otter leeft langs de oevers van stromend, schoon, en zoet water van bijvoorbeeld kanalen, meren en rivieren. Voldoende dekking, rust en voedsel is hierbij van belang. Aangezien dergelijk leefgebied ontbreekt binnen of in de directe omgeving is de onderzoekslocatie ongeschikt als vaste rust- of verblijfplaats. Tijdens het veldbezoek zijn tevens geen otters of ottersporen waargenomen. Volgens het NDFF Uitvoerportaal is de otter de afgelopen 5 jaar niet binnen of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Op basis van het ontbreken van geschikt habitat en waarnemingen kan met voldoende zekerheid gesteld worden dat overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de otter uit te sluiten zijn. Steenmarter
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 14 van 26
Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. De recreatieverblijven en woonunits binnen de onderzoekslocatie vormen geen geschikt habitat voor de steenmarter. De gebouwen aan de noordzijde grenzend aan de onderzoekslocatie vormen echter wel geschikt habitat voor de steenmarter. Tijdens het veldbezoek zijn hier geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van deze gebouwen als vaste rust- of verblijfplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken van sporen kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter. Daarnaast blijven deze gebouwen behouden. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de steenmarter als gevolg van de voorgenomen ingreep zijn uitgesloten. Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. 5.3.2
Licht beschermde soorten
De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel, konijn, kleine marterachtigen en diverse algemene muisen spitsmuissoorten. Binnen de onderzoekslocatie zijn onder andere, molshopen, muizenholen en konijnkeutels aangetroffen (zie figuren 18 t/m 20). Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat verblijfplaatsen van deze soorten verloren gaan (zie hoofdstuk 6).
Figuur 18. Molshopen.
5.4
Figuur 19. Muizenhol.
Figuur 20. Konijnenkeutels.
Reptielen, amfibieën en vissen
Reptielen Volgens de Verspreidingsatlas Reptielen van komen de volgende beschermde reptielensoorten binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie voor: adder, gladde slang, hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang.In het Uitvoerportaal van de NDFF staan waarnemingen van de volgende streng beschermde reptielen in de afgelopen 10 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie: adder, levendbarende hagedis en ringslang. Deze soorten zijn waargenomen in het aangrenzende Natura 2000-gebied Leggelderveld en recreatiegebied Achterste Zandduinen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is slechts matig geschikt habitat voor reptielen aanwezig. De aanwezigheid van de adder en ringslang binnen de onderzoekslocatie is uitgesloten. Incidenteel kan een individu van de hazelworm en levendbarende hagedis voorkomen langs de rand van de onderzoekslocatie. Perma-
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 15 van 26
nente aanwezigheid van één van beide soorten is echter uitgesloten. Vanwege de aanwezigheid van meer geschikt habitat in de directe omgeving is verstoring uitgesloten. Amfibieën Volgens de RAVON Verspreidingsatlas Amfibieën komen de volgende amfibieënsoorten binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie voor: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander en poelkikker. Van de voornoemde soorten zijn de heikikker en poelkikker beschermd, voor de overige soorten geldt een provinciale vrijstelling. In het NDFF Uitvoerportaal staan meldingen van de volgende amfibieënsoorten binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar: bruine kikker en kleine watersalamander. Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. De onderzoekslocatie vormt matig geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad. Incidenteel kunnen deze algemene soorten beschutting zoeken tussen de ruigte en onder de takkenhopen in de laaggelegen en vochtige delen van de onderzoekslocatie. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6).
Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.5
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele juffer- en libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebieden zijn te vinden. De Noordse winterjuffer is in de omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Voor juffers en libellen geldt echter dat water nodig is ter voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten zijn, wegens de agrarisch bestemming en de bijbehorende voedselrijkheid van de bodem, op de onderzoekslocatie niet aanwezig. In het NDFF Uitvoerportaal staan waarnemingen van het beschermde gentiaanblauwtje en de kommavlinder in de omgeving van de onderzoekslocatie in de afgelopen 10 jaar. Deze waarnemingen zijn gedaan in het aangrenzende Natura 2000-gebied Leggelderveld. De waardplant van het gentiaanblauwtje is de klokjesgentiaan.
De klokjesgentiaan komt voor op blauwgrasland. Het habitat van de kommavlinder bestaat uit droge, schrale open graslanden, duinen en gevarieerde heide. De onderzoekslocatie bestaat daarentegen nagenoeg volledig uit grond met agrarische bestemming en is in het verleden bemest. Wegens het ontbreken van geschikte waardplanten is het uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van het gentiaanblauwtje, de kommavlinder of een andere beschermde vlindersoort.
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 16 van 26
Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6
Vaatplanten
De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Aangezien het plangebied grotendeels bestaat uit begraasd weiland en/of voormalige grond met agrarische bestemming is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. Het deel van de onderzoekslocatie wat buiten het plangebied valt bestaat voornamelijk uit bebouwing en erf(verharding). Ook hier zijn geen beschermde planten te verwachten. Het deel van de onderzoekslocatie met bestemming bos blijft ook in de nieuwe situatie getypeerd als bos. De incidenteel binnen dit deel van de onderzoekslocatie te verwachten beschermde planten blijven daardoor onaangetast. Er zijn geen overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vaatplanten te verwachten.
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 17 van 26
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschemd)
Kerkuil De kerkuil is een zeer honkvaste broeder die daarnaast afhankelijk is van menselijke bebouwing. De nest- en rustplaats van de kerkuil zijn daarom jaarrond beschermd, ook als deze op dat moment niet in gebruik zijn. Het vernielen en/of verstoren van de nest- en rustplaats van de kerkuil betreft een overtreding van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen). Vooralsnog is de opdrachtgever niet voornemens om appartementen te realiseren in de oude schuur net ten noorden van de onderzoekslocatie. Mocht de opdrachtgever in de toekomst toch appartementen willen realiseren dan dient er een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om een vaste nestof verblijfplaats van de kerkuil effectief aan te tonen dan wel uit te sluiten. Een dergelijk onderzoek beslaat 2 bezoeken in de voor de soort meest gunstige periode. 6.1.2
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het eventueel vrijkomende groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien de werkzaamheden plaatsvinden tijdens het broedseizoen dient er voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2
Vleermuizen
De opdrachtgever is vooralsnog niet voornemens om gebouwen te slopen. Mocht de opdrachtgever in de toekomst besluiten om toch over te gaan te sloop van gebouwen dan zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming niet op voorhand uit te sluiten. De te slopen bebouwing op de onderzoekslo-
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 18 van 26
catie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming . Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus, 2017). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project.
Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een projectplan, dienen vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie Drenthe, middels een ontheffingsaanvraag. 6.3
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.4
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 19 van 26
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is deels gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het betreft het Natura 2000-gebied Drents-Friese Wold en Leggelderveld (zie figuur 21).
Figuur 21. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
Indien er een effect van de voorgenomen ingreep te verwachten valt dan zal dit een extern effect zijn. Vastgesteld zal moeten worden of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, significante gevolgen kan hebben voor de aangewezen gebieden. Significante gevolgen bij Natura 2000-gebieden zijn gevolgen die in strijd zijn met de instandhoudingsdoelen van het gebied. Voor een dergelijk onderzoek kan in eerste instantie worden volstaan met een zogenaamde "oriënterende fase". Uit het onderzoek zal moeten blijken welke van de onderstaande situaties aan de orde zijn:
Er is zeker geen negatief effect. Dit betekent dat er geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is.
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 20 van 26
Er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is. Omdat het effect zeker niet significant is, volstaat daarvoor de zogenoemde verslechterings- en verstoringstoets. Er is een kans op een significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is. Omdat er een kans op een significant negatief effect bestaat, is een passende beoordeling vereist.
Bij een dergelijk onderzoek worden verscheidene verstoringsfactoren en hun effect op de voor het betreffende gebied aangewezen habitattypen en doelsoorten onderzocht. Van de aangewezen habitattypen voor het Drents-Friese Wold & Leggelderveld komen de volgende habitattypen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie voor: stuifzandheiden met struikhei, zandverstuivingen, droge heiden en oude eikenbossen. De volgende doelsoorten zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie te verwachten: boomleeuwerik, roodborsttapuit, wespendief en zwarte specht. Voor Natura 2000-gebied Drents-Friese Wold & Leggelderveld zijn de volgende storingsfactorenaangewezen: oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, verstoring door licht, verstoring door trilling, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten. Bij het voorgenomen plan spelen de factoren verstoring door geluid en verstoring door licht waarschijnlijk de grootste rol. Optische verstoring speelt gezien het kleine aantal recreatieverblijven en de natuurlijke vormgeving mogelijk een kleine rol. Verstoring door mechanische effecten speelt mogelijk een rol tijdens de werkzaamheden in het kader van de realisatie van het plan.
Een aanvullend onderzoek naar gebiedenbescherming dient uitsluitsel te geven over de daadwerkelijke rol van elke verstoringsfactor op de aangewezen habitattypen en doelsoorten. Een dergelijk aanvullend onderzoek is geen onderdeel van de quickscan flora en fauna. 7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. In figuur 22 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven. Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omgevingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijk situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels een zogenaamd “nee, tenzij-onderzoek” nader moeten worden onderzocht. In de provincie Drenthe zijn nieuwe initiatieven toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet significant schaden. Of een nieuw initiatief een significante invloed heeft op dergelijke kenmerken is niet op voorhand vast te stellen. De invloed is afhankelijk van o.a. de soort en omvang van de activiteit, de locatie binnen het Natuurnetwerk Nederland en de voor die locatie geldende wezenlijke kenmerken en waarden. De provincie Drenthe noemt o.a. nieuwe vestiging en/of toevoeging van recreatieverblijven als ruimtelijke initiatieven die een significante invloed kunnen hebben op de kenmerken en waarden van het gebied. In de provinciale omgevingsverordening van de provincie Drenthe worden een aantal afwijkingen genoemd die een ruimtelijk plan binnen het Natuurnetwerk Nederland mogelijk maken: -
er is sprake van een groot maatschappelijk belang; er is geen reële andere mogelijkheid; negatieve effecten worden waar mogelijk beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd;
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 21 van 26
-
het initiatief heeft mede tot doel om de kwaliteit en/of kwantiteit van het Natuurnetwerk Nederland per saldo te verbeteren.
Om volledig uitsluitsel te kunnen geven over de (significante) invloed van een ruimtelijk initiatief en/of de eventuele afwijking die een initiatief rechtvaardigen, dient een “nee, tenzij-onderzoek” uitgevoerd te worden. Een dergelijk onderzoek is geen onderdeel van dit rapport.
Figuur 22. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
Rapport 9008.001 versie D1
Pagina 22 van 26
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij Gedeputeerde Staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij eventuele kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van een eventuele houtkap. De onderzoekslocatie bevindt zich niet binnen de vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Daardoor vallen de bomen aan de rand van de onderzoekslocatie onder de Wet natuurbescherming. Aangezien de opdrachtgever niet voornemens is om bomen te kappen zijn overtredingen van artikelen 4.1, 4.2 en 4.3 van de Wet natuurbescherming niet aan de orde. Indien de opdrachtgever besluit toch bomen te kappen dient bepaald te worden of de te kappen bomen deel uitmaken van minimaal 10 are bos en/of een bomenrij van minimaal 21 bomen, de zogenaamde definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. Wanneer de te kappen bomen binnen de onderzoekslocatie deel uitmaken van houtopstanden vallen zij onder artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming, waardoor een meldingsplicht geldt voorafgaand aan de kap.