CConstaterende datWest Maas en Waal
Koppel je AI →
Document · PDF

T 2024-066 Bijlage 3 Toelichting en regels vast te stellen BP Beneden-Leeuwen Uitbreiding IKC

Gemeenteraad 12 september 2024, gemeente West Maas en WaalBij agendapunt: Investeringskrediet aanpassingen openbare ruimte IKC Beneden-Leeuwen20.220 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

29

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Projecten moeten worden beoordeeld op basis van de voormalige Wet luchtkwaliteit c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor vergunningverlening als:  er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;  een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;  een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2.

In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

4.5.2

Doorvertaling ruimtelijk plan

In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief heeft betrekking op de realisatie van maximaal zestien wooneenheden (worst-case) en valt qua woningbouw dus ruimschoots binnen de NIBM-regeling. Voor de volledigheid is een berekening uitgevoerd met de NIBM-tool (d.d. 22 juli 2023), uitgaande van de aantallen voertuigbewegingen zoals berekend in subparagraaf 4.1.1 Verkeer:

30

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Goede ruimtelijke ordening Om na te gaan wat de (verwachte) situatie van de luchtkwaliteit in het plangebied is bij monitoringsronde 2022, in de monitoringsjaren 2021 en 2030 gebruik gemaakt van de monitoring van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In navolgende tabel is de luchtkwaliteit op het meest nabij gelegen rekenpunt langs de Maas- en Waalweg (N322) weergeven: 2021 (µg/m³)

2030 (µg/m³)

NO2

20,1

16,3

PM10

17,2

14,9

PM2,5

9,9

7,7

Uit de tabel valt om te maken dat de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m 3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet worden overschreden. Het plan voegt daar ook geen in betekenende mate verslechtering aan toe. De daggemiddelde norm van 50 µg/m³ voor PM10 mag maximaal 35 dagen per jaar overschreden worden en is voor PM10 belangrijker dan de jaargemiddelde norm van 40 µg/m 3. Uit het CIMLK blijkt dat er sprake is van 6 overschrijdingsdagen in zowel 2021 als in 2030, waarmee ruimschoots aan de norm wordt voldaan. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6

Geur

4.6.1

Regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:  voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;  voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en nietconcentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie navolgende tabel.

Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kunnen gemeenten een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:  de geurbelasting wordt bepaald;  de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten.

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

31

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Geur bij niet-agrarische bedrijven Het voorkomen van (nieuwe) geurhinder is het algemene uitgangspunt in het rijksbeleid. Dit uitgangspunt is uitgewerkt in het landelijk informatiedocument ‘Handleiding Geur Industrie’ en beschrijft de methodiek voor de bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau voor geur ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten. Vanwege het lokale aspect van geurhinder is de hoogte van het aanvaardbaar hinderniveau niet landelijk vastgelegd. Het bevoegd gezag moet daar een eigen afweging in maken. De provincie Gelderland heeft deze afweging uitgewerkt in de ‘Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland 2017’ voor de industriële bedrijven waarvoor de provincie het bevoegde gezag is.

Daarin is het aanvaardbaar geurhinderniveau vertaald naar streef-, richt- en grenswaarden. De streefwaarde is de waarde waaronder geen sprake is van hinder. De grenswaarde is de waarde waarboven sprake is van ernstige hinder. Over het algemeen wordt een geurcontour die ligt tussen streef- en grenswaarde als aanvaardbaar geurhinderniveau vastgesteld en vastgelegd in de milieuvergunning voor een industrieel geurrelevant bedrijf.

4.6.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In de directe omgeving van het plangebied komen geen agrarische bedrijven voor. Aan de zuidzijde van de Van Heemstraweg is één (voormalig) agrarisch bedrijf gelegen (Van Heemstraweg 59), maar op 11 mei 2023 is ter plaatse het bestemmingsplan 'Beneden-Leeuwen, Het Leeuwse Veld Midden' vastgesteld, waarmee de agrarische bedrijfsbestemming is komen te vervallen. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1

Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren.

32

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico's langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. In de regeling 'Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' is het Basisnet geregeld. Het Basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

4.7.2

Doorvertaling ruimtelijk plan

Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen:

Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe omcirkeling) Inrichtingen c.q. bedrijven In de directe omgeving van het plangebied zijn geen relevante risicovolle inrichtingen of bedrijven aanwezig. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een inrichting. Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van aardgastransportleidingen. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding. De meest nabij gelegen buisleiding ligt op circa 375 m ten zuiden van het plangebied en is daarmee niet relevant. Vervoer van gevaarlijke stoffen Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van een transportroute voor gevaarlijke stoffen, zoals de Betuweroute en de Waal. Het beoogde plan voorziet ook zelf niet in het mogelijk maken van nieuwe bronnen met externe veiligheidsrisico's. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

33

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

4.8

Waterhuishouding

4.8.1

Regelgeving

Algemeen Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:  Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2022 - 2027, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;  Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland;  Waterschapsbeleid: Watervisie 2050, Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 'Versterken. Verbinden. Vergroenen.', Nota riolering 'Samen door één buis' (2019) en de Keur voor waterkeringen en wateren;  Gemeente: Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2018 - 2022. Nationaal beleid Het Nationaal Waterplan 2022 - 2027 beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid tot 2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Rijk speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen.

De mate van bepalendheid wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied. Beleid waterschap De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: 1. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. 2. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 % afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). 3. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk. Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk.

Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit:  De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm.  De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen. Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen.

34

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Beleid gemeente De gemeenteraad heeft het 'Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2018 - 2022' op 26 oktober 2017 vastgesteld. Hierin is het beleid voor de zorgplicht voor het afvalwater, het afvloeiend hemelwater en het grondwater vastgelegd. Samengevat hieruit het volgende: In 2020 moeten gemeenten verankerd hebben hoe ze omgaan met waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hittestress. Rioolsystemen (ondergronds) hebben bij hevige buien niet altijd voldoende capaciteit voor de afvoer en berging van het hemelwater. Voor het borgen van een adequate afvoer en berging van het hemelwater moet ook gebruik worden gemaakt van de inrichting van de openbare ruimte (bovengronds). Daarmee wordt de gemeentelijke zorgplicht meer bovengronds zichtbaar in wegen en groen en is de relatie met ruimtelijke ordening, openbare ruimte en vergunningverlening cruciaal. Het klimaatbestendig maken van stedelijk gebied vergt bewuste keuzes bij stedelijke inrichting en stedelijke activiteiten. Bij nieuwe ruimtelijke plannen is een klimaatbestendige en water robuuste inrichting van groot belang. Ruimtelijke functies moeten onderling op elkaar afgestemd zijn en de ruimtelijke effecten op waterhuishouding (en vice versa) moeten vastgelegd worden in een bestemmingsplan of omgevingsplan. Het uitgangspunt is dat de perceeleigenaar zelf het regenwater moet verwerken.

Hierdoor komt er minder regenwater in het riool terecht, wat ten goede komt aan de werking van de zuiveringsinstallatie. Als verwerking op eigen terrein in redelijkheid niet mogelijk is, dan kan het overtollige regenwater afgevoerd worden naar het openbare terrein, al waar het afvoeren de verantwoordelijkheid van de gemeente is.

4.8.2

Doorvertaling ruimtelijk plan

Huidig watersysteem Oppervlaktewater Het plangebied ligt in het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Binnen het plangebied is een klein deel van een vijverpartij gelegen. De C-watergang langs de Van Heemstraweg valt net buiten de plangrens. Het plangebied ligt in het peilgebied QVU127 met een zomerpeil van NAP +4,85 m en een winterpeil van NAP +4,35 m.

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

35

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Uitsnede legger Waterschap Rivierenland met aanduiding plangrens (rode omkadering) Hoogteligging De maaiveldhoogte is voornamelijk circa 6,4 m +NAP ten noorden van de Heideakkerweg en 6,1 à 6,2 m + NAP ten zuiden van de Heideakkerweg. De Heideakkerweg zelf heeft een wegpeil van +5,9 tot +6,0 m NAP. Grondwater Het gebied kenmerkt zich door een dikke deklaag van klei op zand, waardoor het in de toekomstige situatie het niet mogelijk is om infiltratievoorzieningen aan te leggen. Op basis van beschikbare peilbuizen wordt ter plaatse van het plangebied een gemiddelde grondwaterstand verwacht van +4,2 m NAP. De GHG is voor het plangebied ingeschat op circa +4,9 m NAP. Bij het laagste maaiveldniveau van circa +6,0 m NAP betekent dit een ontwateringsdiepte van circa 1,1 m -mv. De GLG is ingeschat op circa +3,5 m NAP (2,5 m -mv). Op basis van het kwel/wegzijgingsbeeld uit de Klimaateffectatlas (gebaseerd op het Nationaal Water Model van Deltares, 2016) valt af te leiden dat gemiddeld genomen sprake is van wegzijging naar het watervoerend pakket. Ten tijde van hoge rivierwaterstanden is tijdelijk sprake van lichte kwel (zie navolgende afbeelding:

36

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Uitsnede kwel/wegzijging Moria 10 januari 2003; T=10 hoogwater met globale plangrens (rode omkadering, bron: Klimaatatlas waterschap Rivierenland) In het gebied is sprake van beperkte kwel. Dit houdt in dat er grondwater vanuit diepere grondlagen omhoog komt. Daardoor kan er bij een hoge waterstand in de rivier extra kwel en daarmee een verhoging van de grondwaterstand plaatsvinden. Dit effect moet in de bepaling van de toekomstige aanleghoogte meegenomen worden. Aanleghoogte Geconcludeerd wordt dat op basis van geohydrologisch oogpunt, afhankelijk van de bouwwijze geen ophoging nodig is aangezien de GHG is bepaald op NAP +4,9 m. Toekomstig watersysteem Bij nieuwe uitbreidingen geldt dat verhard gebied het oppervlaktewatersysteem hier niet zonder meer mee belast mag worden. Of het regenwater moet op eigen terrein vastgehouden of gebruikt worden of er moet extra open water gegraven worden om de toename te compenseren. In het geval van compensatie hanteert het waterschap dat voor een T=10 situatie 436 m³ waterberging per hectare verhard oppervlak gerealiseerd moet worden, waarbij 0,3 m peilstijging mag optreden. Voor de T=100 situatie is dit 664 m³/ha (peil tot aan insteek). Dit geldt voor het realiseren van oppervlaktewater.

In dit plan zijn voldoende mogelijkheden om voorzieningen te treffen om te voldoen aan de gewenste bergingsopgave in de groene zone aan de zuidzijde van het plangebied, tussen de huidige Heideakkerweg en de Van Heemstraweg. Grondwater Bij ontwikkelingen in het plangebied is het niet toegestaan dat er een verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie ontstaat. Bij de ontwikkelingen moet hier bij de bouw en inrichting dan ook rekening mee worden gehouden. Het bouwen van ondergrondse constructies is niet verboden, maar moeten in ieder geval waterdicht worden aangelegd. Voor grote ondergrondse constructies moeten ook de effecten op de omgeving worden aangetoond.

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

37

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Hemelwaterafvoer en afvalwatersysteem Droogweerafvoer In het plan wordt 1.600 m² bvo aan onderwijsruimte gerealiseerd met daarin naar verwachting 16 toiletten. Kijkende naar de situering van het nieuwe onderwijsgebouw kan direct een dwaaansluiting op het gemengde riool in de Heideakkerweg worden gerealiseerd. Dit zal in afstemming met de gemeentelijke afdeling openbare ruimte plaatsvinden. Hemelwaterstructuur Voor de toekomstige waterstructuur is ligt het voor de hand om het hemelwater vanaf het dak direct af te laten stromen naar een te graven waterberging (wadi) in de groene zone ten zuiden van de huidige Heideakkerweg. De hemelwaterafvoer vanaf het nieuwe parkeerterrein (deels ter plaatse van de huidige Heideakkerweg en dat ontsloten wordt vanaf de Akkerstraat) kan afvoeren naar een waterbergende wegfundering die afvoert naar de nieuw aan te leggen waterberging. De waterberging wordt voorzien van een debietregulerend kunstwerk die vertraagt afvoer naar de vijverpartij ten westen van het plangebied. De waterbergende wegfundering voert vertraagd af op de wadi. De wadi voert vervolgens ook vertraagd af naar het oppervlaktewater (in casu: de vijver ten zuidwesten van het plangebied). In het waterhuishoudkundig ontwerp wordt dit verder uitgewerkt.

De noodzaak van een vertragende voorziening tussen de wadi en bufferende wegfundering is afhankelijk van de uiteindelijke maaiveldhoogten. In het vervolgtraject (in het kader van de civieltechnische uitwerking richting de omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen) wordt nader bepaald wat de benodigde waterberging is en wordt dit integraal meegenomen in het ontwerp van de nieuwe buitenruimte/ speelplaats tussen de onderwijsgebouwen aan de noordzijde en de Van Heemstraweg aan de zuidzijde. Overleg gemeente en waterbeheerders Op het moment dat de inrichtingstekening van de buitenruimte rondom het nieuwe onderwijsgebouw verder is uitgewerkt, zal ook het vooroverleg gestart worden met het waterschap. Conclusie De ontwikkeling komt deels op de plaats van bestaand openbaar groen in de kern Beneden Leeuwen. Er wordt dan ook een nieuw waterafvoerwatersysteem aangelegd. Het nieuwe watersysteem kenmerkt zich door een volledig gescheiden systeem van een combinatie van een waterbufferende wegfundering en een waterberging. Het gebied ligt voldoende hoog om te voldoen aan de gestelde drooglegging- en ontwateringseisen. De planontwikkeling heeft plaatsgevonden met inachtneming van de eisen die gesteld worden aan een goede waterhuishouding en klimaatadaptatie.

Aangetoond is dat ook bij de toekomstige planontwikkeling in voldoende mate rekening wordt gehouden met de aan de waterhuishouding te stellen eisen. Door mogelijk een halfverharding te realiseren ter plaatse van het parkeerterrein en een deel van de verharding van de bestaande Heideakkerweg te verwijderen wordt zo goed mogelijk een positieve bijdrage geleverd aan het voorkomen van hittestress. Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

38

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

4.9

Ecologie

4.9.1

Regelgeving

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 1. Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; 2. Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; 3. Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen. De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen. De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de 'overige soorten' die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb.

Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet.

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming De Wnb brengt voor de bescherming van soorten in ieder geval de volgende drie voor de praktijk belangrijke wijzigingen met zich: 1. Allereerst is onder de Wnb niet langer de minister van Economische Zaken, maar zijn Gedeputeerde Staten van de provincies het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen. 2. Ten tweede kunnen de in de praktijk gehanteerde 'tabelsoorten' niet langer gebruikt worden. In plaats daarvan wordt met de nieuwe indeling van de Wnb gewerkt. 3. Ten derde is de inhoud van de verboden en de ontheffingsgrondslagen gewijzigd. In de Wet natuurbescherming zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden.

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

39

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Onder de Wnb geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.

4.9.2

Doorvertaling ruimtelijk plan

Soortenbescherming Er is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 4 bij de toelichting gevoegd. De belangrijkste resultaten qua soortenbescherming zijn samengevat in navolgende tabel:

Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar vleermuizen. Het plangebied is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (er is sprake van een reden van sociale of economische aard) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels.

De te treffen maatregelen zijn:  Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht);  Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige;  Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig het plangebied te verlaten;  Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden;  Het plangebied tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel);

40

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten het Gelders NatuurNetwerk (GNN) of de Groene Ontwikkelingszone. Het toetsingskader van het GNN is hierdoor niet van toepassing op dit gebied.

Het plangebied maakt ook geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Rijntakken', circa 1.100 m ten noorden van het plangebied. Vanwege de kleinschalige aard van de ontwikkeling en de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000gebied, worden geen significante nadelige effecten, als gevolg van verstoring door geluid, licht, trillingen en dergelijke, op de aangewezen habitattypen en doelsoorten van dit Natura 2000-gebied verwacht. Voor deze storingsfactoren is daarom geen verdere toetsing aan de natuurwetgeving nodig. De rapportage van het stikstofonderzoek is als bijlage 5 bij de toelichting gevoegd. Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dus geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan. Bescherming houtopstanden Bij de beoogde ontwikkeling worden geen houtopstanden geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan, mits uit het onderzoek geen belemmeringen naar voren komen, danwel dat er ontheffing wordt verleend. Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.

4.10

Cultureel Erfgoed

4.10.1 Regelgeving In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting van een ruimtelijk plan ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging wordt de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker.

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

41

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stadsen dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat naar verwachting gepland voor 1 januari 2024. Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening moet worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.

4.10.2 Doorvertaling ruimtelijk plan Archeologie Het plangebied is in het geldende bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1'. Op basis van deze dubbelbestemming zijn bodemingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 40 cm of/dan wel ophogen groter dan 100 m² en hoger dan 70 cm alleen toegestaan als de archeologische waarde van de gronden die worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Er is daarom een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 6 bij de toelichting gevoegd. Op basis van het onderzoek ligt het plangebied oorspronkelijk in een komgebied en op de rand van de oeverwal naar de komzone van de Waal-Merwede stroomrug. In de 18e en 19e eeuw hebben dijkdoorbraken plaatsgevonden, waarbij in het plangebied waarschijnlijk een laag overslag is afgezet. Op basis van onderzoeken in de omgeving is er nabij het plangebied een zandlaag aanwezig. De precieze aard hiervan is niet geheel bekend. Mogelijk is de zandlaag onderdeel van de overslagafzettingen of is er een crevasse in/nabij het plangebied aanwezig. Op basis van eerder uitgevoerd onderzoek in het plangebied is er geen sprake van een vegetatieniveau in de rivierafzettingen in het plangebied (Ras, 2021 en Vissinga, 2007). De verwachting op archeologisch resten hierop uit de periode Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen is hierom laag.

Voor de periode Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd geldt een lage archeologische verwachting. In het plangebied is op de Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 weliswaar een boerderij met bijgebouwen aanwezig, maar op basis van het onderzoek van Ras (2021) en Vissinga (2007) en de aanwezige verstoringen door de weg en kabels/leidingen, is de verwachting op intacte archeologische resten laag. Voor het plangebied zijn in het kader van de voorgenomen nieuwbouw geen aanvullende maatregelen nodig. Geadviseerd wordt het plangebied voor wat betreft archeologie vrij te geven. De gemeente heeft dit selectieadvies overgenomen in haar selectiebesluit en de dubbelbestemming kan van de verbeelding worden verwijderd. Cultuurhistorie Blijkens de provinciale cultuurhistorische waardenkaart worden er, ten aanzien van de thema’s historische geografie en historische stedenbouw en archeologie, geen waarden toegekend aan het plangebied. De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

42

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

4.11

Leidingen

4.11.1 Regelgeving Planologisch relevante hoogspanningsverbindingen en leidingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke kabels en leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:  gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;  aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”;  defensiebrandstoffen;  warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.11.2 Doorvertaling ruimtelijk plan In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningsverbindingen, hoofdtransportleidingen en/of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof gelegen, die relevant zijn voor het plangebied.

4.12

Vormvrije MER-beoordeling

Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Planspecifiek Voorliggend bestemmingsplan maakt het toevoegen van maximaal 1.600 m² bvo aan onderwijsruimte mogelijk. Stedelijke ontwikkelingsprojecten zijn opgenomen in de eerste kolom van de zogenaamde D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (categorie D.11.2). Het toevoegen van de genoemde oppervlakte aan onderwijsruimte in het voorliggende plangebied blijft echter ver onder de drempelwaarde van 200.000 m² bvo of meer. Het opstellen van een milieueffectrapportage is derhalve niet noodzakelijk. Wel dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld. Natuurlijke hulpbronnen In de utiliteitsbouw wordt op beperkte schaal gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen. Nieuwe onderwijsgebouwen moeten immers gasloos gebouwd worden. Het gaat daarom alleen nog om fossiele brandstoffen voor transport en het ruimtebeslag door het bouwen van het onderwijsgebouw.

Standaard wordt in milieuregelgeving al aandacht besteed aan een zuinig gebruik van grondstoffen, water en energie. Het project moet hieraan voldoen. Dit betreft onder andere de per 1 januari 2021 in werking getreden BENG-normen. Voor dit project zijn er geen bijzondere omstandigheden die het noodzakelijk maken dat het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, en alternatieven daarvoor, via een milieueffectrapportage nader worden onderzocht. Daarnaast zijn in de directe omgeving geen belangrijke natuurlijke hulpbronnen aanwezig, zoals bijvoorbeeld een waterwingebied. Afvalstoffen Het afvalwater van de toiletten in het onderwijsgebouw wordt geloosd op het openbare riool. Er wordt geen afvalwater geloosd op het oppervlaktewater. Verontreiniging en hinder Er is geen sprake van verontreiniging en milieuhinder vanuit het nieuwe onderwijsgebouw naar omliggende woningen. Voor de beoordeling van de aspecten geluidhinder, milieuzonering, de emissie van fijn stof en geur van agrarische bedrijven en stikstof wordt verwezen naar de paragrafen 4.3, 4.4, 4.5 4.6 respectievelijk 4.9.

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

43

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Wat betreft soorten- en gebiedsbescherming wordt verwezen naar paragraaf 4.9. De beoogde ontwikkeling leidt waarschijnlijk niet tot overtreding van soortenbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb en negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar vleermuizen moet dit echter uitwijzen. Ongevallenrisico Onderwijsgebouwen voor basisonderwijs danwel kinder(dag)opvang vormen geen bijzonder risico voor externe veiligheid. Incidenten als brand en explosie hebben doorgaans alleen gevolgen voor mensen, dieren en zaken op het bedrijf zelf. Aan de omgevingsvergunning worden standaard voorschriften verbonden om de risico's op ongevallen te verkleinen en de gevolgen van bijvoorbeeld brand te beperken. Het plan leidt tot een beperkte toename in het aantal aanwezigen. Het ligt in de lijn der verwachting dat de aanwezige personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd. Cultuurhistorische, archeologische en/of landschappelijke waarden Het plangebied kent geen hoge cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden. Uit het archeologisch bureauonderzoek blijkt dat het plangebied kan worden vrijgegeven.

Uit voorgaande analyse volgt dat de gevolgen voor de milieuaspecten goed in beeld zijn gebracht en dat de gevolgen voor deze aspecten in relatie tot de mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt nihil zijn, danwel gemitigeerd kunnen worden. Bijzondere omstandigheden waarvoor deze wetten of regelingen geen kader vormen doen zich bij dit bestemmingsplan niet voor. Een verdere m.e.r.beoordeling wordt zodoende niet noodzakelijk geacht.

44

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd moeten worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en andere bestemmingsplannen van de gemeente. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningsvrije bouwwerken opgenomen. Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.

5.1.1

Inleidende regels

Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

5.1.2

Opbouw bestemmingen

In het tweede hoofdstuk komen de bestemmingen aan de orde en deze zijn als volgt opgebouwd: Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Specifieke gebruiksregels In deze bepaling is aangegeven wat onder strijdig gebruik valt. Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

45

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

5.1.3

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Deze bepaling bevat algemene bouwregels omtrent ondergronds bouwen, ondergeschikte bouwdelen, bestaande maten en parkeren. Algemene afwijkingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven a) in beperkte mate af te wijken van de toegestane maatvoering. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

5.1.4

Overgangs- en slotregels

Overgangsregels Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.2

Bestemmingen

Het bestemmingsplan kent de volgende (dubbel)bestemming(en): Artikel 3 Groen Deze bestemming is voornamelijk bedoeld voor grotere groenvoorzieningen. Waterlopen en -partijen zijn toegestaan binnen deze bestemming om flexibel met de watervoorzieningen binnen het plangebied om te kunnen gaan. Parkeren is binnen deze bestemming beperkt toegestaan. Het hoofddoel is namelijk om de groenvoorzieningen te beschermen. Verharde parkeerplaatsen zijn in eerste instantie niet gewenst. Om een eventuele parkeerdruk toch flexibel op te kunnen vangen, zijn parkeerplaatsen beperkt toegestaan. Binnen deze bestemming is het bouwen van gebouwen uitsluitend toegestaan ten behoeve van gebouwen van openbaar nut. De maatvoering hiervan is opgenomen in de regels. Artikel 4 Maatschappelijk Deze bestemming is bestemd voor het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening. Gebouwen zijn toegestaan binnen de bouwvlakken en in beperkte mate ook buiten de bouwvlakken. De maatvoering van gebouwen is opgenomen op de verbeelding.

46

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Artikel 5 Verkeer Binnen deze bestemming zijn naast de verkeersfunctie ook benodigde bouwwerken, zoals straatmeubilair, bewegwijzering toegestaan. Daarnaast mogen hier groenvoorzieningen water (waaronder duikers) en speelvoorzieningen worden gerealiseerd. Kleine bouwwerken, alsmede gebouwen ten behoeve van voorziening van openbaart nut mogen ook worden gerealiseerd. De maatvoering hiervan is opgenomen in de regels. Artikel 6 Verkeer - Verblijfsgebied De weg in het plangebied is een weg met een 30 km/u-regime en daarom voorzien van deze bestemming. Het betreft hier zowel wijkontsluitingswegen als verblijfsgebied. Op de gronden zijn alleen bouwwerken ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut toegestaan. De maatvoering hiervan is opgenomen in de regels. Daarnaast zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in beperkte mate toegestaan.

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

47

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Alle kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een bestemmingplan zijn voor rekening van de gemeente. Er zijn middelen in de begroting opgenomen voor het voorzien in voldoende adequate onderwijshuisvesting. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente afdoende geregeld.

6.2

Inspraak

Zienswijzen Gelet op het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening heeft het ontwerpbestemmingsplan van donderdag 28 december 2023 tot en met woensdag 7 februari 2024 voor iedereen (gedurende 6 weken) ter visie gelegen. Er zijn tijdens deze periode geen zienswijzen ingediend.

48

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Bijlagen bij toelichting

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

49

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Bijlage 1

50

Parkeeronderzoek

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Bijlage 2 bodem

Verkennend bodemonderzoek & onderzoek asbest in

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

51

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Bijlage 3

52

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Bijlage 4

Quickscan Wet natuurbescherming

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

53

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Bijlage 5

54

Stikstofdepositieonderzoek

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Bijlage 6

Archeologisch bureauonderzoek

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

55

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

56

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Regels

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

57

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC met identificatienummer NL.IMRO.0668.BENHeideakkerweg1-BVA1 van de gemeente West Maas en Waal; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en bijlagen; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 antenne-installatie installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie; 1.6 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten. 1.7 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.8 bebouwingspercentage de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen op een bouwperceel, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van dat bouwperceel; 1.9 bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis gebonden beroepen daaronder niet begrepen; 1.10 bestaand a.

bij bebouwing: bebouwing zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning; b. bij gebruik: gebruik zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen en in overeenstemming is met het voorheen geldend planologische regime. 1.11 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.12 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

58

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

1.13 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerken met een dak; hieronder worden begrepen: aanbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag al dan niet met kap, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw, een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt en uit minimaal 2 gesloten wanden bestaat; aangebouwd bijbehorend bouwwerk: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag al dan niet met kap, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan en niet in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw, een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt en uit minimaal 2 gesloten wanden bestaat; vrijstaand bijbehorend bouwwerk: een vrijstaand gebouw dat zowel in bouwkundig (constructie) architectonisch en/of ruimtelijk visueel

(ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en uit minimaal 2 gesloten wanden bestaat; 1.14 bodemingreep a. grondwerken, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, wegruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; b. het verlagen en verhogen van het waterpeil; c. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard, waarbij stobben worden verwijderd; d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het aanleggen en verwijderen van verhardingen ten behoeve van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen; f. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen.

1.15 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.16 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.17 bouwlaag een boven het peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen binnenwerks is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en ruimte onder de kap; 1.18 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Bij woningen betreft dit het het gehele perceel inclusief voor- en zijtuinen; 1.19 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.20 bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.21 carport een bouwwerk, al dan niet een gebouw zijnde, die dient voor de stalling van een (motor)voertuig;

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

59

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

1.22 dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen; 1.23 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.24 hoofdgebouw één of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.25 maatschappelijk het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening; 1.26 ondergronds bouwwerk een gebouw, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen beneden peil; 1.27 overig bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.28 overkapping een bijbehorend bouwwerk, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak; 1.29 pand de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.30 peil a. voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b.

voor gebouwen in het talud van de dijk: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van de van de dijk afgekeerde zijde van het gebouw; c. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld; d. in afwijking van het bepaalde onder a tot en met c voor hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkend peil': Nieuw Amsterdams Peil; 1.31 perceelgrens een grenslijn tussen bouwpercelen onderling; 1.32 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.33 seksinrichting een voor publiek toegankelijk, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoning van erotische-pornografische aard plaatsvindt. Hieronder wordt in elk geval verstaan een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, sekstheater, of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.34 uitbouw een bijbehorende bouwwerk dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw; 1.35 voorgevellijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen;

60

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

1.36 voorzieningen van openbaar nut voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer;

bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC" (vastgesteld)

61

bestemmingsplan Beneden-Leeuwen, Uitbreiding IKC

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 afstand tot de bouwperceelsgrens tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; 2.2 goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.3 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.4 horizontale diepte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de voorgevel en de achtergevel; 2.5 oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.6 inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van de daken en dakkapellen; 2.7 dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.8 ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14517525/1