Bijlage 2. Gebiedsanalyse Wilhelminastraat 9 Wamel
Tekst van het document
Gebiedsanalyse Wilhelminastraat 9, Wamel
Inhoudsopgave Gebiedsanalyse Wilhelminastraat 9, Wamel.......................................................................... 1 Inhoudsopgave .................................................................................................................. 2 1 Inleiding .......................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ................................................................................................................ 4 1.2 Inhoud gebiedsanalyse ............................................................................................. 5 1.3 Ligging van het plangebied ....................................................................................... 5 1.4 Leeswijzer ................................................................................................................ 6 2 Huidige situatie en toekomstscenario's ........................................................................... 7 2.1 Huidige situatie ......................................................................................................... 7 2.2 Toekomstscenario's .................................................................................................. 9 2.2.1 Woonconcept .....................................................................................................
9 2.2.2 Scenario 1 - 12 Oekraïense ontheemden ......................................................... 10 2.2.3 Scenario 2 - 20 Oekraïense ontheemden ......................................................... 10 2.2.4 Scenario 3 - 30 Oekraïense ontheemden ......................................................... 10 2.2.5 Scenario 4 - 40 Alleenstaande Minderjarige Vreemdelingen (door ODIGzorg) . 10 2.2.6 Planologische procedure.................................................................................. 11 2.2.7 Inhoud vergunning scenario's .......................................................................... 11 2.2.8 Het vervolg na de tijdelijke vergunning ............................................................. 12 3 Ruimtelijke beleidskader ............................................................................................... 13 3.1 Rijksbeleid .............................................................................................................. 13 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie ................................................................................ 13 3.1.2 Tijdelijke wet opvang Oekraïense ontheemden ................................................ 13 3.2 Provinciaal beleid ...................................................................................................
13 3.2.1 Omgevingsvisie Provincie Gelderland .............................................................. 13 3.2.2 Omgevingsverordening Provincie Gelderland .................................................. 14 3.3 Gemeentelijk beleid ................................................................................................ 14 3.3.1 Omgevingsvisie West Maas en Waal ............................................................... 14 3.3.2 Structuurvisie Dorpen 2025 .............................................................................. 15 3.3.3 Dorpskwaliteitsplan en dorpspaspoort .............................................................. 15 3.3.4 Erfgoedverordening ......................................................................................... 16 3.3.5 Welstandsnota ................................................................................................. 16 3.3.6 Woonvisie 2022-2026 ...................................................................................... 17 3.3.7 Nota parkeren 2019 ......................................................................................... 18 4 Ruimtelijke haalbaarheidsaspecten ............................................................................... 19 4.1 Onveranderlijke aspecten .......................................................................................
19 4.1.1 Bodem ............................................................................................................. 19 2
4.1.2 Archeologie ...................................................................................................... 19 4.1.3 Geluid .............................................................................................................. 20 4.1.4 Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 20 4.1.5 Externe veiligheid............................................................................................. 21 4.1.6 Ecologie ........................................................................................................... 23 4.1.7 Water ............................................................................................................... 24 4.1.8 Luchtkwaliteit ................................................................................................... 25 4.1.9 Duurzaamheid ................................................................................................. 25 4.2 Veranderlijke aspecten ........................................................................................... 26 4.2.1 Stikstof ............................................................................................................. 26 4.2.2 Kabels en leidingen ..........................................................................................
26 4.2.3 Verkeersbewegingen ....................................................................................... 27 4.2.4 Parkeren .......................................................................................................... 29 5 Sociale en maatschappelijke aspecten ......................................................................... 31 5.1 Sociale gemeentelijke beleidskaders ...................................................................... 31 5.1.1 Structuurvisie en Visie Leefbaarheid ................................................................ 31 5.1.2 Samen Beter! ................................................................................................... 32 5.1.3 Kwaliteit van (samen)leven .............................................................................. 33 5.1.4 Beleidskader sociaal domein............................................................................ 33 6 Participatie .................................................................................................................... 35 6.1 Beschikbare gebruiks- en privéruimten ................................................................... 35 6.2 Sociale cohesie ......................................................................................................
36 6.3 Voorzieningen ........................................................................................................ 36 6.4 Veiligheid ................................................................................................................ 37 7 Begrippenlijst ................................................................................................................ 39 8 Bronnenlijst ................................................................................................................... 40
3
1 Inleiding 1.1 Aanleiding In augustus 2023 besluit het college van gemeente West Maas en Waal een huurovereenkomst aan te gaan met de initiatiefnemer. In de overeenkomst wordt afgesproken dat de initiatiefnemer op drie locaties 160 Oekraïense ontheemden opneemt. Eén locatie is een voortzetting van de bestaande locatie in Altforst. Twee locaties zijn nieuw. Dit zijn de Raadhuisdijk 18 in Maasbommel en de Wilhelminastraat 9 in Wamel. De locatie Wilhelminastraat zou de locatie Veerhuis in Wamel vervangen. Daar vangt initiatiefnemer nu 55 Oekraïense ontheemden op. De locatie aan de Raadhuisdijk zou openen op 15 december 2023 en de locatie aan de Wilhelminastraat op 1 februari 2024. Locatie
Aantallen
Woerdsestraat Altforst Henricus en het Veerhuis Wamel Wilhelminastraat Wamel Raadhuisdijk Maasbommel
75
Beoogde opvang 75
Voornemen opening
Betalingsplicht
55
0
0
50
1/2/24
Ja
0
35
15/12/23
Ja
Ja Ja
Tabel 1: Een overzicht van de opvanglocaties voor Oekraïense ontheemden
De gemeenteraad wordt vertrouwelijk geïnformeerd. Op 12 december 2023 worden de bewoners van Wamel geïnformeerd. Tijdens de avond uiten de bewoners hun zorgen, en vragen ze zich af waarom ze niet eerder betrokken zijn. De aanwezige bestuurders begrijpen dat en willen graag verder met de bewoners in gesprek. Het college besluit om alternatieve invullingen te ontwikkelen en daarover met bewoners in gesprek te gaan. Dit is op 29 februari 2024 in een raadsdebat als motie aangenomen. De raad heeft het college opgedragen om in de raadsvergadering van 27 juni 2024 te komen met een plan. Hierbij is het de bedoeling om de volgende beoogde resultaten te bereiken: • Alternatieve invullingen (anders dan de oorspronkelijk afgesproken aantallen en doelgroep) voor de Wilhelminastraat 9 in Wamel, met een advies voor de raad over het aantal op te vangen Oekraïense vluchtelingen waarvoor draagvlak is vanuit de omgeving. • Inzicht in de financiële gevolgen van de alternatieve invullingen voor de Wilhelminastraat 9. Bovenstaande verzoeken zijn uitgewerkt in deze gebiedsanalyse. De verschillende alternatieve invullingen heten vanaf nu ‘scenario’s’. Om de omgeving bij deze ontwikkelingen te betrekken, heeft de gemeente een klankbordgroep opgericht in Maasbommel en Wamel. De gemeente raadpleegt deze klankbordgroepen en informeert ze over de voorliggende scenario’s.
Deze bijeenkomsten zijn een tweerichtingsverkeer: alle aanwezigen brengen en halen informatie. Bovendien zijn de groepen opgesteld om te sparren, te spiegelen en wensen en zorgen te delen met elkaar.
4
1.2 Inhoud gebiedsanalyse Voor de besluitvorming is het nodig om inzicht te hebben in zowel de mogelijkheden als de beperkingen van de locatie. Daarvoor zijn er twee klankbordgroepen ingesteld. Bij de bijeenkomsten van deze klankbordgroepen zijn twee medewerkers van de gemeente aanwezig: de projectleider van de opvang van Oekraïense ontheemden en een adviseur ruimtelijke ordening/ projectassistente. De bijeenkomsten zijn onderverdeeld in 7 sessies per locatie. Deze gebiedsanalyse is tijdens de loop van de sessies met de klankbordgroep opgesteld. De haalbaarheid van de voorliggende scenario’s is onderzocht en wordt bepaald door ruimtelijke, maatschappelijke en sociale componenten. De gebiedsanalyse is geschreven zoals een initiatiefnemer een ruimtelijke onderbouwing zou schrijven tijdens het presenteren van zijn of haar beoogde plan. In een ruimtelijke onderbouwing wordt de ruimtelijke en maatschappelijke haalbaarheid onderbouwd. Het verschil met andere onderbouwingen is dat hier meerdere scenario’s voor één perceel worden behandeld en dat ook de sociale component wordt belicht. Er wordt bij het toetsen van de scenario’s losgelaten wie de huidige initiatiefnemer is. Dit wordt pas later in het proces weer relevant. Voor Wamel heeft het college uitgesproken om Oekraïense ontheemden op te vangen, maar minder mensen dan de eerder afgesproken 50 ontheemden.
Hierbij worden drie varianten uitgezocht: 12, 20 of 30 mensen. Later is een extra scenario toegevoegd; de opvang van Alleenstaande Minderjarige Vreemdelingen (AMV’s).
1.3 Ligging van het plangebied Het plangebied ligt in de kern van Wamel. De dorpskern van Wamel typeert zich als een woonwijk, met verspreid door het dorp diverse kleinschalige voorzieningen. De kavel heeft een oppervlakte van 2.160 m2 en is kadastraal bekend als nummer 1733. Onderstaande afbeelding toont de locatie van de villa aan de Wilhelminastraat 9.
Figuur 1: Ligging plangebied (bron: Omgevingsloket, 2024)
5
1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 bevat een beknopte beschrijving van zowel de bestaande als de toekomstige situatie. De toekomstige situatie is in vier varianten beschreven. Vervolgens gaat hoofdstuk 3 in op het beleidskader van het desbetreffende plan. De ruimtelijke afweging wordt in hoofdstuk 4 voorgelegd. Hoofdstuk 5 bespreekt de sociale gemeentelijke beleidskaders en gaat in op verdere sociale en maatschappelijke gevolgen van de scenario’s. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 het participatieproces met de bevindingen van de klankbordgroep toegelicht.
6
2 Huidige situatie en toekomstscenario's In dit hoofdstuk wordt eerst een beknopte beschrijving gegeven van de bestaande situatie. Vervolgens worden een viertal scenario’s uiteengezet en wordt duidelijk welke planologische procedure van toepassing is op ieder scenario.
2.1 Huidige situatie Midden in de woonkern aan de Wilhelminastraat in Wamel staat een monumentaal landhuis van drie bouwlagen: de begane grond, eerste verdieping en een zolder. Het pand heeft een woonoppervlak van ongeveer 560 m2 en een bergingsruimte van ongeveer 100 m2. De bergingsruimte bestaat uit een schuur, kelder en berging op zolder. De villa is een gemeentelijk monument. Het is grotendeels omringd door woonhuizen met een aanzienlijke diversiteit, zowel in grootte als in verschijningsvorm. De Wilhelminastraat heeft nu ongeveer 30 bewoners. Ten zuiden van de villa staat de basisschool De Laak. Ook is er in Wamel een tweede basisschool De Terebint, een huisartsenpraktijk, een buurtsupermarkt en een vrije markt. Recreatieve functies zijn de kinderboerderij, binnenspeeltuin Wammelland, de voetbalvereniging en de tennisvereniging. Onderstaande afbeelding toont een luchtfoto van het perceel.
Figuur 2: Luchtfoto van het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Ter plaatse geldt het tijdelijke omgevingsplan ‘Dorpen’ vastgesteld op 11 december 2014, en ‘Dorpen, actualisatie 2021’ vastgesteld op 27 januari 2022. Op het perceel is de bestemming ‘Wonen – 1’ met de bouwaanduiding ‘Vrijstaand’ van toepassing. De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor vrijstaand wonen waar maximaal 1 woning per bouwperceel is toegestaan, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis Hierbij mag maximaal 40% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken worden gebruikt voor het beroep aan huis, met een maximum van 80 m2 (artikel 24.1 en 24.2). Ondergeschikt aan de woonbestemming hoort de functieaanduiding ‘Tuin’ en bouwaanduiding ‘Bijgebouwen’. Voor het bouwen van gebouwen ter plaatse van de aanduiding ‘Tuin’ geldt dat uitsluitend uitbouwen toegestaan zijn, maar niet aan de zijgevel. Bovendien moet de uitbouw aan aanvullende voorwaarden voldoen. Deze voorwaarden zijn te vinden in artikel 24.2.5 van het tijdelijke omgevingsplan ‘Dorpen’. Als laatste heeft het perceel de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’. Deze waarde bepaalt dat het is toegestaan om een bodemingreep uit te voeren wanneer het niet groter is
7
dan 100 m2 en niet dieper dan 40 cm. Wanneer dit wel het geval is, dan is daar een omgevingsvergunning voor nodig.
Figuur 3: Kaart met beoogde bestemmingsplan informatie
8
2.2 Toekomstscenario's 2.2.1 Woonconcept In de motie van de gemeenteraad op 29 februari 2024 is gevraagd om alternatieve invullingen voor het perceel Wilhelminastraat 9 te Wamel te analyseren. De volgende scenario’s en varianten worden hiervoor gepresenteerd: 1. 12 Oekraïense ontheemden 2. 20 Oekraïense ontheemden 3. 30 Oekraïense ontheemden Scenario 4 is later als optie toegevoegd en ook later besproken met de klankbordgroep: 4. 40 Alleenstaande Minderjarige Vreemdelingen (AMV) In het oorspronkelijke plan is er een vergunning aangevraagd bij de Omgevingsdienst Rivierenland (ODR) om het perceel tijdelijk te bestemmen als logiesfunctie om Oekraïense ontheemden te huisvesten. Hier is uitgegaan van een oppervlakte van 6 m2 privégebruiksruimte (bron: Omgevingswet bruidsschat paragraaf 22.2.4, artikel 22.16). Op basis van deze oppervlakte is er een vergunning aangevraagd voor 50 Oekraïense ontheemden. Deze aanvraag is ingetrokken. Er ligt op dit moment geen vergunningaanvraag voor het perceel Wilhelminastraat 9 te Wamel bij de ODR. In de voorliggende scenario’s in de gebiedsanalyse betreft het minder personen, waardoor er uit kan worden gegaan van meer privégebruiksruimte per persoon. Om een duurzaam en toekomstbestendig gebruik in dezelfde bouw van de woning te garanderen, is er gekozen voor een woonconcept suggestie voor zelfstandig wonen.
De wooneenheden in scenario 1, 2 en 3 worden in deze analyse gedefinieerd als ‘appartementen’. In deze appartementen kunnen verschillende samenstellingen (onder andere gezinnen, stellen en alleenstaanden) van Oekraïense ontheemden worden opgevangen. Het is mogelijk om een voorkeur uit te spreken voor de samenstelling van ontheemden aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) op basis van de beschikbaarheid van opvangplekken in de gemeente. In scenario 4 wordt uitgegaan van kamerverhuur, dit vanwege het grote aantal personen en de doelgroep. In de volgende paragrafen wordt de oppervlakte gebruiksruimte per persoon beschreven op basis van de totale woonoppervlakte en bergruimte op het perceel. In tabel 1 is een overzicht gemaakt van deze gegevens. Scenario 1 2 3 4
Aantal personen 12 20 30 40 (AMV) + 6 medewerkers
Aantal appartementen 3 tot 5 6 tot 10 12 tot 14 0 (kamerverhuur)
Woonoppervlak/ persoon 46,67 m 2 28,00 m 2 18,67 m 2 5,00m2 min.p.kind 360 m 2 voor gemeenschappelijke ruimtes en kamers medewerkers
Bergruimte/ persoon 8,33 m 2 5,00 m 2 3,33 m 2 2,50 m 2
Tabel 2: Overzicht scenario's
9
2.2.2 Scenario 1 - 12 Oekraïense ontheemden In scenario 1 worden er 12 Oekraïense ontheemden opgevangen. In een woonoppervlakte van 560 m2 is er naar inschatting ruimte voor 46,7 m2 per persoon en 8,33 m2 bergingsruimte per persoon. Op basis van deze gegevens kan uit worden gegaan van een onderverdeling van bijvoorbeeld 4 tot 6 appartementen van 92 m2 – 129 m2 per appartement. Er kunnen 2 appartementen op de begane grond, 2 appartementen op de eerste verdieping en ook nog appartementen op zolder worden gerealiseerd. 2.2.3 Scenario 2 - 20 Oekraïense ontheemden Scenario 2 bestaat uit het opvangen van 20 personen. Per persoon is er 28 m2 woonoppervlakte en 4,9 m2 bergingsruimte beschikbaar. Op basis van deze gegevens kan uit worden gegaan van bijvoorbeeld 6 tot 10 appartementen van 40 m2 – 122 m2 per appartement. Dit zou betekenen dat er ongeveer 3 à 4 appartementen op de begane grond, 3 à 4 appartementen op de eerste verdieping en 1 à 2 appartementen op zolder worden gerealiseerd. 2.2.4 Scenario 3 - 30 Oekraïense ontheemden In scenario 3 worden er 30 personen opgevangen. Als woonoppervlakte is er per persoon 18,6 m2 beschikbaar. Verder is er 3,33 m2 bergingsruimte beschikbaar. Op basis van deze gegevens variëren oppervlakten van de appartementen van 30 m2 – 105 m2. Het gaat om 11 tot 15 appartementen.
Op basis van deze oppervlakte wordt het gebouw onderverdeeld in 5, 6 of 7 appartementen op de begane grond; 5, 6 of 7 appartementen op de eerste verdieping en 1 à 2 appartementen op zolder. 2.2.5 Scenario 4 - 40 Alleenstaande Minderjarige Vreemdelingen (door ODIGzorg) Alleenstaande Minderjarige Vreemdelingen (AMV) zijn kinderen tussen de 12 en 18 jaar oud die zonder ouders naar Nederland zijn gekomen en zich aanmelden bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) in Ter Apel. ODIG is een contractpartner van het COA. Onder verantwoordelijkheid en op basis van het programma van eisen en de AMV-methodiek van het COA worden de dagelijkse taken uitgevoerd door ODIG. Er is op basis van vooronderzoek bepaald dat er circa 40 kinderen opgevangen kunnen worden in de woning. Het zal gaan om kinderen tussen de 15 en 18 jaar oud. Deze leeftijd kan zelfstandig gebruik maken van het openbaar vervoer en zich verplaatsen naar bijvoorbeeld sportvelden en supermarkt. De kinderen krijgen een ruimte van minimaal 5 m2 per persoon. Er mogen maximaal 4 kinderen op een kamer slapen. Er zullen 3 tot 4 pedagogische medewerkers overdag aanwezig zijn, en 2 ‘s nachts (waarvan 1 slaapdienst). Daarnaast zijn er overdag verschillende andere medewerkers, zoals voogden, bestuurders, en medewerkers van de GGD.
Een indicatie van de bezetting per dag zou kunnen zijn: 7.00 - 15.00 uur - 3 begeleiders 15.00 - 21.00 uur - 4 begeleiders 21.00 - 7.00 uur - 2 begeleiders Er wordt gemiddeld uitgegaan van 6 medewerkers in totaal op hetzelfde moment op een dag. 10
2.2.6 Planologische procedure Het huisvesten van ontheemden is niet mogelijk omdat de villa maar door één huishouden mag worden bewoond. Om dit plan mogelijk te maken is er dus een omgevingsvergunning nodig. Normaal gesproken is een vergunning van permanente aard, maar het is ook mogelijk om een vergunning te verkrijgen waarvoor een bepaalde termijn geldt. Dit is een tijdelijke vergunning (Omgevingswet artikel 5.36). Aangezien het voorgestelde plan niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan is een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) vereist. Er is een BOPA-procedure nodig bij ieder van de voorgestelde scenario’s. In de meeste gevallen wordt voor deze vergunningsprocedure een termijn van 8 weken gehanteerd. In het raadsbesluit van 2022 / 01 – 17 is aangegeven dat er instemming nodig is van de raad over specifieke aanvragen, bijvoorbeeld wanneer de aanvraag een politiek sensitief onderwerp raakt. Met bovenstaande in het achterhoofd, zijn er voor de aanvraag omgevingsvergunning twee mogelijkheden voor de wettelijke beslistermijn. Enerzijds kan de aanvraag omgevingsvergunning via de reguliere procedure worden doorlopen (met eventueel 4 weken verlenging wanneer instemming van de raad nodig is). Anderzijds kan de raad bij specifieke gevallen er ook voor kiezen om de uitgebreide voorbereidingsprocedure te hanteren (Awb afdeling 3.4).
Voor de langere procedure kan het bevoegd gezag een lijst van gevallen opstellen, of gebruik maken van artikel 16.65, vierde lid. Het vierde lid van artikel 16.65 van de omgevingswet behoeft wat extra toelichting: de uitgebreide procedure kan van toepassing worden verklaard wanneer (1) het gaat om een activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft (of kan hebben) voor de fysieke leefomgeving én (2) waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben. Dit moet naar de aanvrager worden gemotiveerd, aangezien de aanvrager hierop een zienswijze kan indienen (voordat een besluit wordt genomen). Nadat het besluit is genomen, kan de aanvrager hiertegen in beroep gaan. Een extra kanttekening is dat na het verlenen van de vergunning nog 4 weken moet worden gewacht voordat de werkzaamheden kunnen starten, vanwege de monumentale status van het pand aan de Wilhelminastraat 9 (Ow art. 16.79 lid 2). Samenvattend zijn de twee opties hieronder in de tabel weergegeven: Optie 1 2
Voorbereidings -procedure Regulier Uitgebreid
Aantal weken*
Inwerkingtreding
8 weken (+ 4 bij instemming) 26 weken**
4 weken na besluitdatum 4 weken na besluitdatum
Tabel 3: Overzicht procedures *in beide gevallen kan de termijn eenmalig met 6 weken worden verlengd **in het geval van de uitgebreide procedure dient dit binnen de eerste 8 weken na indiening van de aanvraag te worden verlengd
2.2.7 Inhoud vergunning scenario's Te volgen procedure Geen van de scenario's passen binnen de regels van het omgevingsplan, dus moet er een BOPA-procedure worden gevolgd. Door de raad is bepaald dat bij deze BOPA, onafhankelijk van het scenario, de uitgebreide procedure wordt gevolgd. Dit, aangezien de scenario's een aanzienlijke impact hebben op de fysieke leefomgeving en kunnen leiden tot bezwaren van belanghebbenden. Bovendien is het bij een reguliere procedure niet mogelijk om binnen de 11
afgesproken procedurele termijnen de raad om instemming te vragen. Daarnaast laat de uitgebreide procedure meer ruimte over voor inspraak van belanghebbenden. Tijdelijke vergunning Zoals in de vorige paragraaf is aangegeven, is het mogelijk om een termijn te verbinden aan een omgevingsvergunning. Aangezien het huisvesten van ontheemden of AMV’s een tijdelijke noodsituatie betreft, is het nuttig om gebruik te maken van deze tijdelijke vergunning. Dit zal dan ook voor elk scenario het uitgangspunt zijn. De termijn die aan de vergunning wordt verbonden moet concreet zijn: een abstracte bepaling als ‘geldig tot het einde van de oorlog’ of ‘geldig tot de noodwet niet meer geldt’ is onvoldoende. Er kan bijvoorbeeld wel worden gekozen om een tijdelijke vergunning aan te vragen voor een specifieke termijn. Mocht de vastgestelde termijn van de vergunning niet lang genoeg zijn, kan de termijn worden verlengd. Toetsing De vergunningaanvraag wordt bij ieder scenario hoofdzakelijk getoetst aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het tijdelijke omgevingsplan. Respectievelijk gaat het hier om de technische en de ruimtelijke bouwactiviteit. Bovendien is het pand een gemeentelijk monument. Voor deze activiteit moet ook een vergunning worden aangevraagd. De aanvraag zal bij alle scenario’s voor zowel de technische als ruimtelijke bouwactiviteit vergunningplichtig zijn.
Het pand moet intern zodanig worden verbouwd dat de draagconstructie- en brandcompartimentering wijzigt. Daarom zijn de uit te voeren werkzaamheden vergunningplichtig voor de technische bouwactiviteit. Voor de ruimtelijke component wordt getoetst aan het (tijdelijke) omgevingsplan. Hieruit zal blijken dat de scenario's in strijd zijn met de ruimtelijke bouwactiviteit, omdat volgens de planregels het pand slechts mag worden bewoond door één huishouden. Zoals eerder is aangegeven, moet er om deze reden de procedure voor een BOPA worden gevolgd. Voor de monumentenactiviteit zal worden getoetst aan de erfgoedverordening en welstandsnota. De monumentencommissie oordeelt of de cultuurhistorische waarden voldoende behouden blijven. Hierover leest u meer in hoofdstuk 3. 2.2.8 Het vervolg na de tijdelijke vergunning Wanneer de termijn van de tijdelijke vergunning (en de eventueel aangevraagde verlenging) is verlopen, zal de huidige bestemming weer gaan gelden (namelijk ‘Wonen -1’). Hierna kan er een nieuwe procedure omgevingsvergunning worden gestart. Voor scenario's 1, 2 en 3 kan worden gedacht aan het realiseren van ‘appartementen’ of ‘gestapelde woningen’, en bij scenario 4 kan worden gedacht aan kamerverhuur of een zorgfunctie. De belanghebbenden hebben dan recht op een nieuwe juridische procedure met een nieuw participatieproces.
12
3 Ruimtelijke beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI), van kracht sinds januari 2021, biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Het kabinet richt zich met de NOVI op grote opgaven zoals het bouwen van nieuwe woningen, duurzame energieopwekking, klimaatadaptatie, circulaire economie en kringlooplandbouw, met aandacht voor gezonde bodems, schoon water, biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. De NOVI benoemt nationale belangen en helpt bij het maken van keuzes, ontwikkeld in samenwerking met diverse partijen. Doorwerking planinitiatief Voorliggend plan voorziet in het tijdelijk huisvesten van Oekraïense ontheemden. De NOVI heeft geen directe implicaties voor deze ontwikkeling omdat het niet de nationale belangen treft die in dit beleidsstuk worden beschreven. 3.1.2 Tijdelijke wet opvang Oekraïense ontheemden Sinds 1 april 2022 zijn de burgemeesters verantwoordelijk voor de opvang van ontheemden uit Oekraïne. Dat doen zij op basis van het staatsnoodrecht. Het staatsnoodrecht kan slechts tijdelijk worden toegepast. De tijdelijke wet voor opvang van Oekraïense ontheemden volgt het staatsnoodrecht op, en zorgt ervoor dat gemeenten langer, maar wel tijdelijk, in die opvang voorzien.
Doorwerking planinitiatief De taakstelling vanuit het Rijk voor gemeente West Maas en Waal is het opvangen van 120 ontheemden. Op dit moment worden er 130 Oekraïense ontheemden opgevangen. Het college heeft een bestuurlijke wens uitgesproken in de huurovereenkomst van 21 augustus 2023 om uiteindelijk 160 personen op te vangen. Voorliggend plan levert een bijdrage aan de opvang van deze Oekraïense ontheemden.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Provincie Gelderland De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland beschrijft in hoofdlijnen het provinciale ruimtelijke beleid. De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat: • • • • • •
Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten; Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid; Een voortvarend en innovatief circulair beleid; Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit; Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag; Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;
13
•
Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.
Doorwerking planinitiatief Voorliggend plan voorziet in het huisvesten van Oekraïense ontheemden of Alleenstaande Minderjarige Vreemdelingen (AMV’s). Vanwege de tijdelijkheid van het plan zal het geen invloed hebben op de abstracte ambities van de omgevingsvisie. In het stadium na de huisvesting van ontheemden (scenario's 1, 2 en 3), wanneer het pand zou worden opgedeeld in appartementen, zou er wel een bijdrage kunnen worden geleverd aan een divers woon- en leefklimaat. Dit omdat er dan meerdere wooneenheden in één pand kunnen worden gerealiseerd. Dit is in de directe omgeving van het plangebied niet veelvoorkomend en draagt daarmee bij aan de diversiteit van het woon- en leefklimaat. Voor scenario 4 zal dit lastiger te realiseren zijn, omdat hier kamerverhuur plaatsvindt. 3.2.2 Omgevingsverordening Provincie Gelderland De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
Doorwerking planinitiatief Aangezien de voorgenomen ontwikkeling geen directe implicaties zal hebben vanuit de Omgevingsvisie Gelderland, is de voorgenomen ontwikkeling ook in lijn met de Omgevingsverordening Gelderland. De onderwerpen van de omgevingsvisie zijn namelijk in de regels van de omgevingsverordening verwerkt.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie West Maas en Waal De omgevingsvisie van de gemeente West Maas en Waal is op 30 mei 2024 vastgesteld. De visie bundelt het ruimtelijke beleid en schetst vanuit dit beleid een integraal toekomstbeeld. Hiervoor is onder andere gebruik gemaakt van de structuurvisie en het dorpskwaliteitsplan. Het beleidsstuk dient als afwegingskader om te bepalen of initiatieven passend zijn in de omgeving en het in de visie geschetste beleidskader. De visie maakt onderscheid in drie typen gebieden, namelijk het buitengebied, het recreatiegebied, en de acht dorpen. Met deze gebiedstypen in het achterhoofd zijn de uitdagingen van de gemeente in beeld gebracht. Naar aanleiding van deze uitdagingen is de visie opgesteld en wordt duidelijk wat voor iedere uitdaging de wenselijke richting is voor de gemeente. Daarvoor zijn vier pijlers opgesteld: (1) herkenbare, unieke gebieden, (2) rustig en groen wonen in kleine dorpen, (3) agrarische sector als ruimtelijke drager en (4) evenwichtige recreatie. Bovendien staan in de omgevingsvisie ook vijf ambities die de uitdagingen van de gemeente raken: • • • •
Sociale basis op orde Groeien vanuit de identiteit van de dorpen Toekomstbestendige leefomgeving Bloeiende lokale economie 14
•
Evenwichtige recreatie voor inwoner en toerist
Deze ambities geven goed weer waar de gemeente in de toekomst naartoe wil. Net als in de structuurvisie is de leefbaarheid van de gemeente een belangrijk onderdeel van de omgevingsvisie. Doorwerking planinitiatief Op onderhavig plan zijn een aantal van deze ambities van toepassing. De eerste ambitie, ‘sociale basis op orde’, is van groot belang. Het huisvesten van ontheemden kan op de sociale structuur een (tijdelijk) effect hebben. In hoofdstuk 5 wordt dit nader toegelicht. De tweede ambitie, ‘groeien vanuit de identiteit van de dorpen’, haakt aan op de speerpunten van het dorpskwaliteitsplan en de woonvisie en beschrijft waar en voor wie er gebouwd kan worden. 3.3.2 Structuurvisie Dorpen 2025 De Structuurvisie vormt het strategisch beleidsdocument dat de ruimtelijke ontwikkeling van West Maas en Waal op hoofdlijnen bevat. Hierin staat de leefbaarheid in de dorpen centraal. De komende jaren leiden sociale en economische ontwikkelingen tot veel veranderingen, zowel in de dorpen als tussen de dorpen. Als uitwerking van de Visie leefbaarheid 2030 wordt in de Structuurvisie voor de komende tien jaar aangegeven waarin moet worden geïnvesteerd. Er wordt ruimte geboden voor initiatieven die de identiteit en kwaliteit van de dorpen versterken. Doorwerking planinitiatief In de structuurvisie staat de leefbaarheid centraal.
Het is van belang om dit begrip te definiëren, omdat alle scenario's de leefbaarheid zullen beïnvloeden. Leefbaarheid beschrijft de mate waarin een woonomgeving als prettig wordt ervaren, en is afhankelijk van de wisselwerking tussen omgevingsfactoren en persoonlijke kenmerken. Elementen die hierbij horen zijn toegankelijkheid, gelijkheid, veiligheid, comfort, beschikbare diensten, loopbaarheid, openbaar vervoer en participatie (Ahmed, El-Halafawy & Amin, 2019). De Visie leefbaarheid 2030 beschrijft dan ook dat de leefomgeving van inwoners van belang is op de leefbaarheid. Factoren als fysieke en digitale bereikbaarheid van voorzieningen, (verkeers)veiligheid, de sociale cohesie en initiatieven van inwoners bepalen volgens de visie van de gemeente de kwaliteit van de leefomgeving in een dorp. Sociale cohesie is hierop een mooie toevoeging aan de definiëring uit de wetenschap. De villa, voorheen bewoond door één huishouden, zal door meerdere gezinnen of AMV’s worden bewoond. De leefbaarheid zal bij ieder scenario dus veranderen. Daarbij zal bij ieder scenario ook de leefbaarheid op een andere manier worden beïnvloed. Hoe meer mensen er in het pand zullen wonen, hoe groter de impact zal zijn op de omgeving. Er zal daarom bij de scenariokeuze rekening moeten worden gehouden met de verschillende factoren die de leefbaarheid doen veranderen.
Dit, om ervoor te zorgen dat de leefbaarheid van Wamel niet in het geding komt. De leefbaarheid zal in hoofdstuk 5 nader worden geanalyseerd. 3.3.3 Dorpskwaliteitsplan en dorpspaspoort De gemeente West Maas en Waal heeft, met de structuurvisie in het achterhoofd, een dorpskwaliteitsplan opgesteld waarin de ruimtelijke kwaliteit van de dorpen in de gemeente worden gewaarborgd. Het is een gespecificeerde uitwerking van de visie waarin richtlijnen en spelregels staan, en biedt bovendien inspiratie bij nieuwe ontwikkelingen. Het dorpskwaliteitsplan voorziet voornamelijk in de realisatie van nieuwe bouwwerken, maar
15
vindt ook haar toepassing in bijvoorbeeld de herontwikkeling van panden. Het plan bestaat uit (A) een algemeen deel en (B) een dorpspaspoort, dat per kern is uitgewerkt. Het dorpspaspoort van Wamel heeft vier thema's, waarin wordt uitgelegd hoe deze kunnen worden ingezet: (1) Een levendig, historisch centrum, (2) Dicht bij de Waal, (3) Een divers woningen- en voorzieningenaanbod en (4) Zuidelijke dorpsrand: groen en bedrijvigheid. Doorwerking planinitiatief De waarde van de Dorpsstraat en de Varkensmarkt staan centraal in thema 1. Deze plekken liggen dicht bij het plangebied. Met het oog op het versterken van de levendigheid van het dorp en het behouden van de historische waarden in het dorp, kan het herbestemmen van de villa een goede bijdrage leveren. Dit, om verloedering van zowel het pand als de directe omgeving tegen te gaan. Aansluitend op thema 1 beschrijft thema 3 het belang van een divers woningen- en voorzieningenaanbod. In dit thema wordt herontwikkeling aangemoedigd, waar de voorliggende scenario's op toezien. Herontwikkeling is een goede manier om binnen een bestaand bebouwingslint leefruimte toe te voegen, zonder dat dit een zeer ingrijpende maatregel hoeft te zijn. Voorliggende ontwikkeling heeft weinig raakvlak met thema's 2 en 4. Deze thema's gaan vooral over hoe landelijk gebied haar waarde kan behouden.
Aangezien voorliggend plan een ontwikkeling betreft in stedelijk gebied, zullen zich hier geen problemen voordoen met betrekking tot deze thema's. 3.3.4 Erfgoedverordening De gemeente heeft haar erfgoedverordening met ingang van 2024 vernieuwd. De verordening voorziet in de bescherming en instandhouding van de cultuurhistorische waarden van gemeentelijke monumenten. Doorwerking planinitiatief Het pand waarop de ontwikkeling van toepassing is, is bestempeld als gemeentelijk monument. Bij het herbestemmen van een monument wordt er gekeken naar een balans tussen het gebouw en ingrepen die nodig zijn voor de nieuwe functie. Om dit te beoordelen is een bouwhistorisch onderzoek noodzakelijk. Bovendien heeft de monumentencommissie de bouwtechnische indeling nodig. Hierin staat hoe het pand wordt opgedeeld in appartementen. Pas als duidelijk is waar de waarden liggen en wat behouden moet blijven, kan er gekeken worden naar de beste indeling van de appartementen. Derhalve is de erfgoedverordening van toepassing en zal erop moeten worden gelet dat de cultuurhistorische waarden van het pand behouden blijven. Met een cultuurhistorisch waarde-onderzoek worden de monumentale waarden nauwkeurig in kaart gebracht. Dit is dan ook noodzakelijk bij de uiteindelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning.
In dit onderzoek staat bijvoorbeeld aangegeven welke onderdelen van het pand een hoge of lage monumentale status hebben. In de jaren ‘70 is de villa voor een gedeelte intern aangepast, waardoor eventuele monumentale delen zijn verdwenen. 3.3.5 Welstandsnota In de welstandsnota, vastgesteld in 2012, staat de gemeentelijke visie op het ruimtelijke kwaliteitsbeleid. De gemeente heeft een welstands- en monumentencommissie die adviseert op bouwplannen. De nota geeft inzicht in de wijze waarop deze adviezen tot stand komen. In de beleidsnota zijn de toetsings- en beoordelingscriteria weergegeven waarop alle binnengekomen verzoeken/bouwvergunningen worden beoordeeld. Overkoepelend heeft de gemeente een dorpskwaliteitsplan. Dit plan geeft richtlijnen en spelregels en biedt inspiratie 16
bij nieuwe ontwikkelingen. Het plan heeft als doel om de ruimtelijke kwaliteit van de dorpen in de gemeente West Maas en Waal te waarborgen. Doorwerking planinitiatief Het bouwwerk waarop het plan van toepassing is, is een gemeentelijk monument. Ongeacht of er gevelwijzigingen plaatsvinden of niet, is de welstandsnota van toepassing. Bij de uitwerking van het plan moet rekening worden gehouden met de redelijke eisen van welstand, die in de welstandsnota zijn omschreven. Met het plan voor het tijdelijk opvangen van Oekraïense ontheemden is het mogelijk dat de uitstraling van het bouwwerk enigszins zal wijzigen. Het is echter nog niet bekend in welke hoedanigheid dit zal gebeuren. De bestaande bebouwing blijft in ieder geval behouden en het dorpslint zal daarmee hetzelfde blijven. 3.3.6 Woonvisie 2022-2026 Het woningbouwprogramma van de gemeente West Maas en Waal is met omliggende gemeenten afgestemd in de 'Regionale woningbouwagenda Rivierenland 2020-2030'. Hierin zijn afspraken gemaakt over de kwantitatieve en de kwalitatieve nieuwbouwopgave. Regionale afstemming moet zorgen voor voldoende woningen, voor de juiste doelgroepen en op de goede plek.
In de Woonvisie staan vier thema's centraal: • Aandacht voor kwaliteit • Onbezorgd wonen • Goed wonen voor alle doelgroepen • Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad Voor de gemeente West Maas en Waal is de woningbehoefte tussen 2021 en 2030 geraamd op minimaal 870 extra woningen. De Woonvisie van West Maas en Waal benadrukt de groeiende vraag naar woningen voor ouderen, één- en tweepersoonshuishoudens en grondgebonden woningen. De gemeente wil ook buitenstaanders aantrekken om de dorpen te versterken. Er is vooral behoefte aan betaalbare woningen voor middeninkomens, statushouders en kleine huishoudens. Doorwerking planinitiatief Voorliggende scenario's voorzien in het tijdelijk huisvesten van Oekraïense ontheemden of AMV’s. Dit is een doelgroep die niet direct wordt benoemd in de visie, maar is desondanks een groep die aandacht vereist. Immers kunnen deze ontheemden in verloop van tijd een statushouder worden. De woonvisie schrijft over statushouders dat er voor deze doelgroep een behoefte is aan sociale huurwoningen, iets waar scenario's 1 t/m 3 goed op zouden kunnen inspelen na de tijdelijke vergunning. Scenario 4 kan, na de tijdelijke vergunning goed inspelen op bijvoorbeeld een zorgfunctie, omdat hier kamers worden gerealiseerd. Na het tijdelijk huisvesten zullen de appartementen beschikbaar komen voor senioren en starters (tweepersoonshuishoudens).
In de woonvisie wordt de groeiende vraag naar woningen voor deze twee doelgroepen benadrukt. Deze ontwikkeling zal dus aanbod leveren voor deze vraag. Hoe dan ook is het belangrijk dat de beoogde ontwikkeling goed rekening houdt met de speerpunten van de woonvisie, met name het punt ‘goed wonen voor alle doelgroepen’. Datzelfde geldt voor de ‘toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad’. Bij ieder scenario zal in ieder geval het woonaanbod, vergeleken met de bestaande situatie, diversificeren. 17
3.3.7 Nota parkeren 2019 De Nota Parkeren 2019 is sinds 1 februari van dat jaar van kracht. De gemeente geeft in deze nota invulling aan haar wens om zorgvuldig om te gaan met de beschikbare parkeergelegenheid in de gemeente. In deze beleidsnota zijn een aantal parkeernormen verhoogd omdat er een hogere parkeerdruk is. Bovendien voert de gemeente een vraagvolgend beleid. Doorwerking planinitiatief Dit plan voorziet in de tijdelijke huisvesting van Oekraïense ontheemden. Het is goed voorstelbaar dat deze personen zich willen verplaatsen per fiets of auto, daardoor zal de parkeervraag groeien. Er moet rekening gehouden worden met deze behoefte. Daarom moet de Nota parkeren 2019 toegepast worden. Deze nota wordt verder behandeld in hoofdstuk 4 onder de paragraaf parkeren.
18
4 Ruimtelijke haalbaarheidsaspecten Dit hoofdstuk is onderverdeeld in haalbaarheidsaspecten die als onveranderlijk (invariabel) of veranderlijk (variabel) worden gemeten per scenario. Onveranderlijke aspecten zijn aspecten die niet wijzigen in resultaat (over het wel of niet ondergaan van onderzoek) op het moment dat het plan van scenario verandert. De invariabele aspecten zijn in de volgende volgorde omschreven: bodem, archeologie, geluid, milieuzonering, externe veiligheid, milieueffectrapportage, ecologie, water, luchtkwaliteit, duurzaamheid en monumentale status. De variabele aspecten verschillen wel in resultaat per scenario. De variabele aspecten zijn stikstof, kabels en leidingen, verkeersbewegingen en parkeren. Update: de onderzoeken die uit de acties voortkomen, zullen binnen een korte termijn worden uitgezet en als opdracht worden gegeven aan onafhankelijke onderzoeksbureaus.
4.1 Onveranderlijke aspecten 4.1.1 Bodem In het kader van de Omgevingswet dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Er zijn mogelijk in het verleden bronnen aanwezig geweest welke een bodemverontreiniging hebben veroorzaakt. Er dient ook aangegeven te worden hoe eventuele toekomstige bodemverontreiniging kan worden voorkomen. Ten aanzien van eventuele toekomstige ontwikkelingen geldt in het algemeen dat een bodemonderzoek noodzakelijk is bij het wijzigen van de bestemming of bij graafwerkzaamheden. Indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging zal op basis van de Wet bodembescherming en de Wabo (art 6.2c) pas gebouwd/ontwikkeld mogen worden wanneer bij de omgevingsaanvraag een door het bevoegd gezag goedgekeurd saneringsplan/BUS-melding is gevoegd. Doorwerking planinitiatief De bestemming van de locatie zal wijzigen van de bestemming wonen voor één huishouden naar een bestemming voor meerdere wooneenheden. Bovendien is niet eerder een bodemonderzoek uitgevoerd voor dit perceel. Voor het aspect bodem is een verkennend bodemonderzoek nodig volgens de NEN 5740. 4.1.2 Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven.
Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Als ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Doorwerking planinitiatief Het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Hierbij geldt een onderzoeksplicht met een bodemingreep groter dan 100 m² en dieper dan 40 cm. Dit zal bij de beoogde functiewijziging niet van toepassing zijn. 19
4.1.3 Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd: • • •
woningen; geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB en een bovengrens van 63 dB (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Doorwerking planinitiatief Het plangebied is gelegen aan de Wilhelminastraat. Zowel deze straat als omliggende wegen liggen in een 30 km/u zone. Op grond van artikel 72 lid 2 van de Wgh hebben deze wegen geen onderzoekszone en zijn niet onderzoeksplichtig. De verkeerintensiteiten geven ook geen aanleiding om een akoestisch onderzoek te doen. Het plangebied ligt op ongeveer 200 meter van de provinciale weg N322 (van Heemstraweg). Daarmee ligt het binnen de geluidzone van 250 meter. Echter blijkt dat de voorkeursgrenswaarde hier niet wordt overschreden. Uit oogpunt van geluid is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Industrielawaai of spoorweglawaai zijn hier niet aan de orde. Bovendien wordt het aspect ‘geluidsoverlast’ gecreëerd door zowel de omliggende bewoners als door de toekomstige bewoners van het perceel, in het sociale onderdeel van de analyse behandeld.
Deze paragraaf bespreekt enkel de milieutechnische kans van geluid, namelijk het geluid van industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. 4.1.4 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag, nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen.
In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. 20
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Doorwerking planinitiatief Het plangebied ligt in de dorpskern van Wamel. Van oudsher is er een menging van functies aanwezig; naast woningen zijn er ook enkele kleinschalige bedrijven, horeca en maatschappelijke functies aanwezig. Dit zijn functies die goed samengaan en zorgen voor levendigheid in het dorp. In de directe omgeving van het plangebied liggen de volgende bedrijven en functies: Adres
Functie
Richtafstand
Werkelijke afstand
Wilhelminastraat 5-7
bedrijf van categorie 1 of 2
30 m
60 m
Dorpsstraat 43 - 51A
horeca categorie 3
10 m
140 m
Koningsstraat 7
bedrijf - nutsvoorziening
-
75 m
Tabel 4: Milieuzonering adressen
Ten westen van het plangebied ligt op de hoek met de Koningsstraat een bedrijfsbestemming waar bedrijven van categorie 1 en 2 toegestaan zijn. Het bedrijf heeft reeds rekening te houden met naastgelegen woonbestemmingen, die op kortere afstand liggen dan het plangebied. Ten noorden van het plangebied ligt een horecabedrijf van categorie 3 aan de Dorpsstraat. Hieronder wordt begrepen o.a. een café, bar of eetcafé. Ook voor dit bedrijf geldt dat er woonbestemmingen op kortere afstand liggen waar rekening mee gehouden moet worden. Aangenomen mag worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De bouw van drie woningen aan de Koningsstraat legt geen extra beperkingen op aan de bedrijfsvoering of de ontwikkelingsmogelijkheden van genoemde functies. Schuin aan de overzijde aan de Koningsstraat ligt een nutsvoorziening, een KPN-huisje. Hier zijn in de Staat van Bedrijfsactiviteiten geen richtafstanden voor opgenomen. Aangezien het telecomhuisje tussen bestaande woningen staat en de afstand tot de nieuw te realiseren woningen meer dan 15 meter bedraagt, zal deze geen belemmeringen tot gevolg hebben. Geconcludeerd wordt dat uit oogpunt van milieuzonering sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor alle hierboven genoemde bedrijven geldt bovendien dat er andere woningen nabijer gelegen zijn dan de Wilhelminastraat 9.
Er is naar aanleiding van bovengenoemde gegevens sprake van een goed woon-en leefklimaat. 4.1.5 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Hiermee wordt bedoeld dat gemeenten aandacht moeten besteden aan mogelijke alternatieven en risico reducerende maatregelen. Daarnaast moet de gemeente ook aandacht besteden aan mogelijkheden voor rampenbestrijding en haar bewoners inlichten over hulpverlening. 21
Voor de beoordeling van een initiatief moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi), het ‘Besluit externe veiligheid transportroutes’ (Bevt) en het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen moeten worden aangehouden.
Figuur 4: Kaart met externe veiligheidslagen in Wamel
Doorwerking planinitiatief betreft buisleidingen Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Hieruit is op te maken dat ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 180 meter een buisleiding ligt voor het transport van gevaarlijke stoffen. De 1%-letaliteitscontour (waar 1% van de onbeschermd blootgestelde personen dodelijk letsel oploopt) van deze leiding ligt op 140 meter (zie figuur 4). Het plangebied ligt dus niet binnen het invloedsgebied van deze buisleiding. Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid op risicokaart.nl blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig voor buisleidingen (Bevb). Doorwerking planinitiatief betreft risicovolle inrichtingen Binnen de woonbestemming van het perceel passen geen risicovolle activiteiten, zoals Beviactiviteiten. De vestiging van een Bevi-inrichting binnen het plangebied is daarmee uitgesloten.
Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid op risicokaart.nl blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig voor risicovolle inrichtingen. Doorwerking planinitiatief betreft transport gevaarlijke stoffen Ten noorden van Wamel ligt de rivier de Waal. De Waal is een belangrijke vaarweg. Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid wel relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en de Waal. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroutes, waarbij
22
personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in ieder geval worden ingegaan op de mogelijkheden voor: • de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroutes; en • de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige kwetsbare personen of bestemmingen binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid hier advies over uitbrengen. Doorwerking planinitiatief tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NLalert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Echter zal er meer aandacht moeten worden gegeven aan de zelfredzaamheid van verminderd zelfredzame personen of kwetsbaardere groepen. In het bijzonder voor de Oekraïense ontheemden en AMV’s omdat zij de Nederlandse taal niet of minder goed spreken en de WAS-palen mogelijk niet kennen.
Het aspect externe veiligheid is relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en de Waal. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er in plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes (wel met extra aandacht voor de kwetsbare doelgroep). Een opvang van ontheemden of vluchtelingen is mogelijk mits er goede instructies worden gegeven, waarna ontheemden/vluchtelingen gezien worden als voldoende zelfredzaam. 4.1.6 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-01-2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en de bosopstanden in Nederland. In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'.
Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Er moet bekeken worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor 23
een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Doorwerking planinitiatief Ten behoeve van het plan is een verkennend ecologisch onderzoek (Quick-Scan Flora en fauna) benodigd. Met een verkennende studie kan namelijk worden nagegaan of er bijvoorbeeld nesten van beschermde diersoorten in het gebouw aanwezig zijn. Er moet zorgvuldig worden omgegaan met alle diersoorten en er zullen passende maatregelen moeten worden gevonden om de diersoorten te beschermen. 4.1.7 Water Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hooggehouden worden. Op Rijks- en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Met ingang van 22 december 2021 is het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken. Verbinden.
Vergroenen.' van Waterschap Rivierenland bepalend voor het waterbeleid. In dit Waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap wat het in de planperiode tot 2027 wil bereiken. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Het Waterschap Rivierenland hanteert de beleidsregel 'Nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak'. Deze heeft als doel de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak te beperken tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet vanuit waterhuishoudkundig opzicht dus waterbalans-neutraal plaatsvinden. Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied.