Bijlage 1 Ruimtelijke motivering BOPA
Tekst van het document
Datum: 10 oktober 2025 Versie: Concept
Pagina 30 van 46
Ruimtelijke motivering ‘Zandstraat 55, Beneden-Leeuwen’
4.5.2
Toetsing wegverkeerslawaai
In opdracht van Pro Ruimte heeft Ancoor een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. In deze paragraaf worden de resultaten beschreven. Het volledige rapport is als bijlage 2 toegevoegd aan deze ruimtelijke motivering. Resultaten en beoordeling optredende geluidbelastingen Afkomstig van de gezamenlijke gemeentelijke wegen De maximale geluidsbelasting afkomstig van de gemeentelijke wegen bedraagt 58 dB (Lden). Hiermee wordt de toelaatbare standaardwaarde van 53 dB (Lden) op meerdere beoordelingspunten overschreden. De maximale overschrijding is 5 dB. Mogelijk te treffen maatregelen De geconstateerde overschrijding van de standaardwaarde door het verkeer op de gemeentelijke wegen vereist nader onderzoek. Aangezien is vastgesteld dat bron- en overdrachtsmaatregelen geen haalbare optie zijn om deze overschrijding te reduceren, moet de focus worden verlegd. Er dient nu te worden onderzocht in hoeverre de realisatie van de studio’s alsnog mogelijk kan worden gemaakt door het treffen van aanvullende, geluidwerende voorzieningen aan de gevels zelf.
Ruimtelijke inpassing Wanneer er bij het afwijken van het omgevingsplan, sprake is van een overschrijding van een van de standaardwaarden op een van de te toetsen geluidbronsoorten, dan dient om de realisatie van het geprojecteerde bouwplan alsnog mogelijk te maken, eveneens te worden nagegaan in hoeverre dit plan ruimtelijk is in te passen in haar directe omgeving. Dit houdt in dat dient te worden nagegaan in hoeverre er ook na de realisatie van de geprojecteerde bouwplannen nog sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. De omgevingskwaliteit ter plaatse van de maatgevende gevels worden gebaseerd op de optredende gecumuleerde geluidbelastingen, getypeerd als ‘redelijk tot matig’. Middels het aanbrengen van in de regel te hanteren geluidwerende voorzieningen aan de geluidgevoelige bebouwing, kan op basis van een maximaal optredende gezamenlijke geluidbelasting van 58 dB in ieder geval aan de overeenkomstig de bouwwetgeving gestelde minimale binnenwaarde worden voldaan. Realisatie van de geprojecteerde plannen is in deze derhalve mogelijk. Onderzoek ‘Geluidwering gevels’ Om de aanvraag voor de Omgevingsvergunning bij de gemeente West Maas en Waal voor te bereiden, moet eerst worden vastgesteld welke akoestische voorzieningen nodig zijn om in de verblijfsruimtes een binnenniveau van 33 dB te waarborgen.
Dit moet worden aangetoond in een akoestisch onderzoek naar de ‘Geluidwering van gevels’. Dit onderzoek is in het kader van de ETFAL-afweging uitgevoerd en als bijlage 3 bij deze ruimtelijke motivering gevoegd. Overeenkomstig de in het rapport uitgewerkte uitgangspunten, is voor de maatgevende verblijfsgebieden en -ruimten de karakteristieke geluidswering berekend. Uit de berekeningen blijkt dat de karakteristieke geluidswering van de gevel(s), volgens de in het rapport vermelde uitgangspunten, voldoet aan de minimaal hieraan te stellen vereiste karakteristieke geluidswering overeenkomstig het gestelde in het Bbl. Wanneer de voorzieningen zoals omschreven in het als bijlage 3 bij de ruimtelijke motivering opgenomen rapport worden toegepast tijdens de bouwfase, zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de te realiseren studio’s en wordt er voldaan aan de eisen gesteld aan het binnnenniveau conform Bbl. 4.5.2.1 Conclusie wegverkeerslawaai Het aspect ‘wegverkeerslawaai’ vormt geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5.3
Toetsing industrielawaai
Zoals vastgesteld in paragraaf 4.4.3 zijn er in de omgeving van het besluitgebied geen bedrijven of inrichtingen gesitueerd die mogelijk voor geluidhinder ter plekke van de beoogde geluidgevoelige functie aan de Zandstraat 55 kunnen zorgen. Derhalve is onderzoek naar effect van industrielawaai op de beoogde woning niet noodzakelijk. Omgekeerd heeft de woning geen effect op omliggende gevoelige functies.
Datum: 10 oktober 2025 Versie: Concept
Pagina 31 van 46
Ruimtelijke motivering ‘Zandstraat 55, Beneden-Leeuwen’
4.5.3.1 Conclusie industrielawaai Het aspect ‘industrielawaai’ vormt geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5.4
Conclusie
Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6
Geurhinder
4.6.1
Beoordelingskader
De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: • •
Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.
De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Het bevoegd gezag bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Voor geur afkomstig van onder andere het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren gelden vanuit het omgevingsplan geurregels. Voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor gelden conform artikel 22.98 van het omgevingsplan waarden gegeven waaraan voldaan dient te worden bij een geurgevoelig object. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor kan gebruik gemaakt worden van de richtafstanden uit de VNGpublicatie ‘Activiteiten en milieuzonering’. Ook kan industriële bedrijvigheid in bepaalde gevallen tot geurhinder leiden bij geurgevoelige objecten. Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Tuinen vallen dus niet onder de noemer geurgevoelige objecten. In artikel 5.90, tweede lid van het Bkl wordt ‘een geurgevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van minder dan tien jaar’ als niet-geurgevoelig beschouwd. Wel dient er sprake te zijn van een ‘aanvaardbare’ geurhinder.
4.6.2
Toetsing geurhinder
In de omgeving van het besluitgebied zijn geen veehouderijen gesitueerd. Ook zijn er geen bedrijven in de omgeving gesitueerd met een geurcontour die reikt tot over het besluitgebied. Er zal met betrekking tot zowel agrarische als industriële geurhinder derhalve sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het bestaande gebouw.
4.6.3
Conclusie
Het aspect ‘geurhinder’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Luchtkwaliteit
4.7.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. Om de luchtkwaliteit in Nederland te beschermen geeft het Besluit kwaliteit leefomgeving in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10) in acht nemen, behalve als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 Datum: 10 oktober 2025 Versie: Concept
Pagina 32 van 46
Ruimtelijke motivering ‘Zandstraat 55, Beneden-Leeuwen’
niet hoger is dan 1,2 microgram/m 3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren: 1. Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Dit betreffen onder andere projecten voor kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. 2. Middels kwalitatieve beschrijving of berekening (NIBM-tool) aannemelijk maken dat een project niet in betekenende mate bijdraagt. In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in artikel 5.54 Bkl kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
4.7.2
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een tweetal woongebouwen met in totaal tien studio’s. Deze ontwikkeling wordt toegewezen aan de categorieën van gevallen die vallen onder NIBM zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl. Hiertoe is met het realiseren van de voorgenomen woningen geen sprake van een significante bijdrage aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Tevens is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) geraadpleegd om de luchtkwaliteit ter plaatse van het besluitgebied vast te stellen. Hieruit blijkt dat ten aanzien van NO 2, PM10, PM2,5 en EC geen grenswaarden worden overschreden in de omgeving van het besluitgebied. Derhalve kan gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plekke van het besluitgebied. Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8
Gezonde fysieke leefomgeving
4.8.1
Beoordelingskader
De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In de brede belangenafweging weegt het bevoegd gezag het belang van de gezondheidsbescherming samen met andere belangen af. Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen heeft gewogen en wat dit betekent in het omgevingsplan.
4.8.2
Toetsing gezonde fysieke leefomgeving
Met het voorgenomen plan wordt een gebouw met 10 studio’s gerealiseerd op het perceel ten zuiden van de Zandstraat 55 in Beneden-Leeuwen. Hiertoe dient de huidige bebouwing op de locatie te worden verwijderd. In het planvoornemen is er een toename van groen ten opzichte van de huidige situatie. In het ontwerp zijn er aan de zijde van de Beatrixstraat groenstroken opgenomen met een deels groene gevel. Tevens zijn er twee kleine groene patio’s met groene wanden opgenomen achter het trappenhuis aan weerszijden van de buitenberging. Deze groenvoorzieningen hebben een positief effect op het tegengaan van hittestress. Een
Datum: 10 oktober 2025 Versie: Concept
Pagina 33 van 46
Ruimtelijke motivering ‘Zandstraat 55, Beneden-Leeuwen’
leefomgeving die bij warme zomerdagen minder snel opwarmt, leidt tot minder gezondheidsrisico’s voor kwetsbare doelgroepen en daarmee tot een gezondere fysieke leefomgeving. Daarnaast blijkt uit voorgaande paragrafen dat ten aanzien van geluid, luchtkwaliteit en geur (al dan niet onder voorwaarden van aanvullende voorzieningen voor geluid) wordt voldaan aan richtafstanden en grenswaarden, waarmee sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit de afweging voor deze aspecten blijkt dat geen van deze thema’s zorgt voor een verslechtering van de fysieke leefomgeving.
4.8.3
Conclusie
Het aspect ‘gezonde fysieke leefomgeving’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9
Klimaatadaptatie
4.9.1
Beoordelingskader
Klimaatverandering heeft een steeds grotere impact op de gebouwde omgeving en de ruimtelijke ordening. Daarom is aanpassing van de leefomgeving nodig. Het gaat om aanpassing aan de gevolgen van extreme neerslag, hitte, droogte en overstroming. Onder de Omgevingswet kan klimaatadaptatie decentraal worden geborgd. De ‘handreiking decentrale regelgeving klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen, inrichten en beheren’ heeft als doel m aan de hand van concrete voorbeelden te laten zien wat hiervoor binnen decentrale regelgeving mogelijk is. Gemeente West Maas en Waal heeft reeds voorzien in decentraal beleid op gebied van klimaatadaptatie in de vorm van het ‘Beeldkwaliteitsplan Klimaatadaptatie’ (zie voor nadere toelichting paragraaf 3.4.4). Hierin is vastgelegd per kern/deelgebied op welke thema’s bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen punten gescoord dienen te worden om te voldoen aan het beleid op gebied van klimaatadaptatie. Naast het beeldkwaliteitsplan heeft de gemeente West Maas en Waal op 26 juni 2025 ook het ‘Paraplubestemmingsplan Klimaat, water en natuur West Maas en Waal’ vastgesteld. Hierin zijn diverse algemene bouwregels opgenomen die relatie houden met thema’s als grondwateratanden, waterberging maar ook hittestress en innovaties in het kader van duurzaamheid en klimaat. Zowel in deze paragraaf als paragraaf 4.10 wordt nader ingegaan op dit parapluplan.
4.9.2
Toetsing klimaatadaptatie
Het besluitgebied heeft een totaal oppervlak van circa 520 m 2 en valt hiermee in de categorie ‘klein project’ conform het gemeentelijk beleid uit het beeldkwaliteitsplan. Op basis van deze categorisering dient een minimum van 7 punten behaald te worden voor wat betreft toe te passen natuurinclusieve en klimaatadaptieve maatregelen. De scores kunnen hierbij op drie vlakken worden behaald, te weten ‘maatregelen in het gebouw’, ‘maatregelen op of aan het gebouw’ en ‘maatregelen om het gebouw’. Vanuit de mogelijke toe te passen maatregelen is voor het initiatief voor de volgende maatregelen gekozen: Maatregelen in het gebouw • Het toepassen van minimaal 6 nestplekken voor de huismus in de groene gevel; • Het toepassen van minimaal 12 nestplekken voor vleermuizen in de hoekgevel Zandstraat/Beatrixstraat; Maatregelen op of aan het gebouw • De realisatie van circa 15 m2 gevelgroen, met een totale muurlengte van 75 m. Hiermee wordt 20% van de omtrek van het gebouw voorzien van gevelgroen. Er dienen minimaal 20 klimplanten gebruikt te worden. Maatregelen om het gebouw • Geveltuinen: circa 17 m2 aan de zuidoostzijde en circa 3 m2 aan de noordoostzijde; • Aanplant van circa 16 meter haag haaks op de bebouwing (totale lengte kavel is circa 32 meter). Datum: 10 oktober 2025 Versie: Concept
Pagina 34 van 46
Ruimtelijke motivering ‘Zandstraat 55, Beneden-Leeuwen’
Middels de toepassing van voornoemde maatregelen worden in totaal 7 punten behaald, verdeeld over de 3 categorieën. Hiermee wordt voldaan aan het klimaatadaptatiebeleid uit het beeldkwaliteitsplan. Een en ander is ook nader beschreven in de als bijlage 4 bij deze ruimtelijke motivering opgenomen watermemo. Hittestress Het paraplubestemmingsplan voor water en klimaatadaptatie bevat een artikel met betrekking tot het voorkomen van hittestress. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw wordt alleen verleend als: a. Naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende mitigerende maatregelen tegen hittestress als bedoeld in het ‘Klimaatadaptatieplan Gemeente West Maas en Waal 2022’ op de opvolger daarvan worden getroffen; en b. Binnen de bebouwde kom de tuin voor meer dan 50% onverhard is. Ten aanzien van punt a wordt opgemerkt dat de realisatie van gevelgroen een substantiële bijdrage levert aan het tegengaan van hittestress op de locatie. Ook is er ruimte om in de geveltuin aan de noordoostzijde van het besluitgebied een boom te planten die voor schaduwwerking kan zorgen. Voor wat betreft punt b wordt opgemerkt dat het initiatief niet voorziet in private tuinen, aangezien het een complex voor studio’s betreft. Geconcludeerd wordt dat er vanuit dit artikel geen verdere belemmeringen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9.3
Conclusie
Het aspect ‘klimaatadaptatie’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10 Weging van het waterbelang Het doel van de weging van het waterbelang is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten. Ruimtelijke plannen moeten voorzien zijn van een waterparagraaf. Hiervoor moet het waterbelang in de planvorming reeds zijn meegewogen. Het waterschap kijkt of in een plan voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies.
4.10.1 Beleid 4.10.1.1 Beleid waterschap Rivierenland Voor kleinschalige woningbouw binnen de bebouwde kom hanteert Waterschap Rivierenland het wateradviesproces, zodat waterveiligheid en waterberging vanaf het begin worden meegenomen. Bij kleine projecten geldt vaak een vrijstelling: tot 500 m² verharding hoeft niet gecompenseerd te worden. Grotere toevoegingen vragen wel om waterberging, meestal in de vorm van open water of wadi’s. Overstromingsveiligheid blijft altijd leidend, met strenge normen voor stedelijk gebied. Kortom: kleine bouwplannen binnen de kom kunnen vaak eenvoudig doorgaan, zolang ze passen binnen de vrijstellingsgrenzen en de waterveiligheid niet in het geding komt. 4.10.1.2 Waterbeleid gemeente West Maas en Waal De gemeente West Maas en Waal streeft ernaar om haar dorpen toekomstbestendig te maken door natuur en water toe te laten waar eerst vooral steen was; zo wordt door het terugbrengen van groen en het aanleggen van klimaatbuffers een leefomgeving gecreëerd waarin regenwater infiltreert, hittestress afneemt en droogte getemperd wordt. Het gemeentelijk beleid volgt daarbij niet alleen regionale strategieën maar vertaalt die ook lokaal via uitvoeringsplannen, waarin straatreconstructies, afkoppeling van regenwater en het vergroten van biodiversiteit hand in hand gaan met een klimaatbestendige inrichting.
Daarbij wordt samengewerkt met inwoners, waterschap en andere partners om een robuuste, waterbewuste gemeente te worden waarin waterveiligheid, klimaatadaptatie en een prettige leefomgeving samengaan.
Datum: 10 oktober 2025 Versie: Concept
Pagina 35 van 46
Ruimtelijke motivering ‘Zandstraat 55, Beneden-Leeuwen’
4.10.2 Toetsing initiatief In het kader van de planontwikkeling is een watermemo opgesteld waarin de relevante wateraspecten nader zijn toegelicht. De belangrijkste conclusies uit deze memo zijn hieronder opgenomen. De volledige memo is als bijlage 4 bij deze ruimtelijke motivering opgenomen. Veiligheid waterkeringen Het besluitgebied is niet gelegen in de nabijheid van een waterkering en dus ook niet binnen een beschermingszone van een waterkering. De veiligheid van waterkeringen is met het planvoornemen niet in het geding. Voorkomen overlast door oppervlaktewater In de nabijheid van of binnen het besluitgebied bevindt zich in de huidige en toekomstige situatie geen oppervlaktewater. Wel is op circa 745 meter ten noorden van het besluitgebied de Waal gelegen. Het besluitgebied ligt dan ook in een gebied met een risico op overstroming vanuit deze rivier, waarbij een kleine kans bestaat op een overstromingsdiepte tot circa 2,7 meter binnen het besluitgebied (zie onderstaande afbeelding). In dergelijke gevallen is evacuatie het eerste handelingsperspectief. Het beleid en de voorbereidingen bij dergelijke calamiteiten zijn vastgelegd in het beleid van de regio Rivierenlanden het Klimaatadaptatieplan van gemeente West Maas en Waal. Toekomstige bewoners van de studio’s in het besluitgebied zullen conform deze richtlijnen worden geëvacueerd.
Uitsnede kaartbeeld ‘Overstromingsdiepte | kleine kans’, besluitgebied rood omcirkeld (bron: Klimaateffectatlas)
Voorkomen overlast door hemelwater In de bestaande situatie is het besluitgebied reeds nagenoeg volledig verhard, op de zuidwesthoek (als moestuintje in gebruik) en de voortuin aan de Beatrixstraat na (circa 500 m 2 verhard oppervlak). In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak af; in totaal zal er dan circa 458 m2 verhard oppervlak aanwezig zijn. Op basis van het toekomstig verhard oppervlak kan worden geconcludeerd dat de totale verharding in de nieuwe situatie minder bedraagt dan 500 m2. Op basis hiervan kan gebruik gemaakt worden van een eenmalige vrijstelling voor de realisatie van waterberging in de stedelijk gebieden. Op basis van dit gegeven is het realiseren van waterberging niet noodzakelijk. Afvoer hemel- en rioolwater Met gemeente is kortgesloten dat het afvalwater mag worden aangesloten op de bestaande gemengde riolering onder de Beatrixstraat. Het hemelwater dient wel afgekoppeld te worden en zal op eigen terrein infiltreren in de onverharde terreindelen.
Datum: 10 oktober 2025 Versie: Concept
Pagina 36 van 46
Ruimtelijke motivering ‘Zandstraat 55, Beneden-Leeuwen’
Grondwater Op basis van in de nabijheid van het besluitgebied gelegen peilbuizen is de karakteristieke grondwaterstand (hoogste en laagste) voor het besluitgebied afgeleid. Hierbij is een onzekerheidsmarge van 0,10 meter aangehouden. De hoogste karakteristieke grondwaterstand bedraagt + 5,53 m NAP, terwijl de laagste karakteristieke grondwaterstand circa + 3,90 m NAP bedraagt. De hoogte van het bestaande maaiveld binnen het besluitgebied bedraagt circa + 6,56 m NAP. Op basis van de in de als bijlage 4 bij deze ruimtelijke motivering opgenomen watermemo zijn de geadviseerde ontwateringsdieptes niet in het gedrang vanwege de grondwaterpeilen binnen het besluitgebied. Het ophogen van het besluitgebied is derhalve ook niet noodzakelijk. Relatie met eigendom waterbeheerder In of nabij het besluitgebied bevinden zich geen watergangen die in het beheer zijn van het waterschap. Er treedt ten gevolge van de beoogde ontwikkeling geen belemmering op van waterschapsbelangen bij watergangen.
4.10.3 Conclusie Het aspect ‘water’ vormt geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11 Flora en fauna 4.11.1 Beoordelingskader De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming geregeld. Flora- en fauna-activiteiten Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en faunaactiviteiten. De Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als volgt: ‘Activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: • •
Er soorten aanwezig zijn; Welke soorten dat zijn.
Gebiedsbescherming Indien een besluitgebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Ook worden de instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd in artikel 2.44 van de Omgevingswet. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. In Nederland voor ruim 160 gebieden. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie.
Datum: 10 oktober 2025 Versie: Concept
Pagina 37 van 46
Ruimtelijke motivering ‘Zandstraat 55, Beneden-Leeuwen’
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee;
4.11.2 Onderzoek flora & fauna Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend onderzoek (quickscan) flora en fauna uitgevoerd aan de Zandstraat 55 te Beneden-Leeuwen. De volledige rapportage is toegevoegd als bijlage 5 aan deze ruimtelijke motivering. Op basis van de resultaten van dit verkennend onderzoek zijn de belangrijkste conclusies en aanbevelingen als volgt: Gebiedsbescherming De beoogde ruimtelijke ontwikkeling veroorzaakt geen (significante) negatieve effecten op beschermde natuurgebieden als gevolg van directe verstoring (licht, geluid en trillingen). Wettelijk beschermde houtopstanden zijn niet aanwezig. Er geldt geen omgevingsvergunning of plicht tot kapmelding bij de provincie. Een substantieel, negatief effect van de beoogde ontwikkeling op de stikstofemissie en depositie en daarmee op Natura 2000-gebieden is kan niet worden uitgesloten en kan desgewenst nader onderzocht worden d.m.v. een stikstofberekening. De aanwezigheid van (broed)vogels is aannemelijk. Aanvullend soorten-onderzoek hierop en een mogelijke omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit zijn niet nodig mits tenminste één van de daaropvolgende maatregelen wordt toegepast: (Broed)vogels: 1. Verstorende werkzaamheden vinden plaats buiten het broedseizoen, of; 2.
Wanneer werkzaamheden toch binnen het broedseizoen vallen, dienen de aanwezige bosschages/bomen met nesten en de omgeving hiervan niet te worden verstoord, of; 3. Er vindt een broedvogelinspectie plaats door een deskundige ecoloog vóór aanvang van ontwikkeling gerelateerde werkzaamheden. De aanwezigheid van algemene soorten valt niet uit te sluiten. Deze soorten zijn in de provincie Gelderland vrijgesteld. Een aanvullend soortenonderzoek en omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor deze soorten is niet nodig. Desondanks geldt voor deze soorten de zorgplicht. Verstoring van broedende vogels is verboden Verstoring van broedvogels kan voorkomen worden door de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Het broedseizoen is globaal aan te geven tussen 15 maart en 15 juli, afhankelijk van weersomstandigheden en de specifieke soort. Eerdere en latere broedgevallen zijn ook beschermd conform de Omgevingswet. Soortenbescherming De aanwezigheid van essentieel leefgebied van de onderstaande beschermde soorten kan niet worden uitgesloten. Deze soorten zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. Omdat negatieve effecten op deze soorten als gevolg van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling mogelijk zijn en hierdoor wellicht verbodsbepalingen uit de Omgevingswet worden overtreden, is aanvullend soortenonderzoek noodzakelijk.
• Vleermuizen • Huismus • Gierzwaluw
Datum: 10 oktober 2025 Versie: Concept
Pagina 38 van 46
Ruimtelijke motivering ‘Zandstraat 55, Beneden-Leeuwen’
Aanvullend soortenonderzoek Omreden dat de aanwezigheid van enkele door de Omgevingswet beschermde soorten niet kunnen worden uitgesloten, wordt geadviseerd deze soorten definitief vast te stellen, dan wel uit te sluiten door middel van een aanvullend soortenonderzoek (zie paragraaf 4.11.4). Wanneer de aanwezigheid van een soort hiermee wordt vastgesteld, zal blijken welke vervolgstappen mogelijk zijn en/of een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is. Indien geen soortspecifiek, ofwel aanvullend soortenonderzoek wordt uitgevoerd kan er mogelijk geen omgevingsvergunning op basis van een flora- en fauna-activiteit worden verleend.
4.11.3 Stikstofdepositie De voorgenomen ontwikkeling resulteert mogelijk in een verandering van stikstofemissie en -depositie. Om te onderzoeken of er sprake is van een significant negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie, is een berekening van verandering in stikstofemissie en -depositie vereist voor de realisatie- en gebruiksfase. Hiertoe is een AERIUS-berekening uitgevoerd en dit verwerkt in een rapportage. Het rapport is als bijlage 6 bij deze ruimtelijke motivering opgenomen. 4.11.3.1 AERIUS-berekening De realisatie- en gebruiksfase resulteren in een maximale toename van 0,00 mol N/ha/jr op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten als gevolg van de realisatiefase en gebruiksfase. Derhalve is geen vergunning met betrekking tot de Omgevingswet benodigd voor het onderdeel stikstof.
4.11.4 Aanvullend soortenonderzoek Na afronding van de soortspecifieke aanvullende onderzoeken zullen de uitkomsten in deze paragraaf worden opgenomen.
4.11.5 Conclusie Het aspect’ flora en fauna’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.12 Archeologie en cultuurhistorie 4.12.1 Beoordelingskader Algemeen De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekend of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Archeologie Voor archeologie dient de gemeente projecten kleiner dan 100 m 2 in beginsel vrij te stellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). De gemeente kan in een omgevingsplan echter grotere of kleinere vrijstellingsgrenzen vastleggen, bijvoorbeeld in historische binnensteden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is. Archeologisch onderzoek kan in dergelijke gevallen ook al bij projecten kleiner dan 100 m2 vondsten opleveren. In gebieden met een lage verwachtingswaarde kan de gemeente kiezen om een grotere vrijgestelde oppervlakte vast te leggen in het omgevingsplan. Dit om te voorkomen dat de gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is.
Cultuurhistorie Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat gemeenten voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime moeten opnemen in het omgevingsplan. Het Bkl bevat hiervoor instructieregels.
Datum: 10 oktober 2025 Versie: Concept
Pagina 39 van 46
Ruimtelijke motivering ‘Zandstraat 55, Beneden-Leeuwen’
4.12.2 Archeologie Zoals beschreven in paragraaf 2.4 valt het besluitgebied binnen bestemmingsvlak ‘Waarde – Archeologie 1’. Hierin wordt gezegd over vergunningsplicht: • Het is toegestaan om een bodemingreep uit te (laten) voeren. Hierbij geldt dat bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 40 cm of/dan wel ophogen groter dan 100 m 2 en hoger dan 70 cm alleen zijn toegestaan indien een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden en / of een omgevingsvergunning voor het bouwen is verkregen. Deze regeling geldt ongeacht het bepaalde in de regels bij andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen. Bij het planvoornemen wordt de huidige bebouwing inclusief kelder verwijderd. De nieuwe bebouwing zal niet worden voorzien van een kelder en derhalve zal de fundering minder diep reiken. Hiermee behoeft alleen het gedeelte van de nieuwbouw meegerekend te worden die buiten de contour ligt van de bestaande bebouwing. Het nieuw gedeelte van de nieuwbouw gelegen buiten de contour van de bestaande bebouwing overschrijdt de drempelwaarde van 100 m2 voor archeologisch onderzoek niet. 4.12.2.1 Conclusie Archeologie Het aspect ‘archeologie’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.12.3 Cultuurhistorie De verplichting om ook cultuurhistorische waarden te beschermen is in de Omgevingswet meegenomen. De instructieregels uit artikel 5.130 lid 2 van het Bkl geven aan voor welke punten onder meer bescherming benodigd is (o.a. ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en aantasting van de omgeving of karakteristieke stadsgezichten, dorpsgezichten en cultuurlandschappen. 4.12.3.1 Aanwezige cultuurhistorische waarden Binnen het besluitgebied zijn formeel bezien geen bovengrondse cultuurhistorische waardevolle gebouwen of bouwwerken aanwezig. De naastgelegen panden aan de Zandstraat vertegenwoordigen wel een karakteristieke waarde, evenals de Zandstraat in zijn geheel als historisch lint. Het pand aan de Zandstraat 55 doet mee in dit straatbeeld. In dit kader is het bouwplan voorgelegd aan de commissie Beeldkwaliteit van de gemeente West Maas en Waal. Het huidige ontwerp is vanuit de commissie akkoord bevonden.
4.12.4 Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.13 Omgevingsveiligheid 4.13.1 Beoordelingskader Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Omgevingsveiligheid heeft derhalve een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Het Besluit activiteiten leefomgeving omvat met name de regelgeving op het gebied van omgevingsveiligheid als het gaat over het aanwijzen van milieubelastende activiteiten en vergunningplichten (afdeling 5.1.2 Bkl). In het Besluit kwaliteit leefomgeving komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Dit betreffen onder andere regels over het plaatsgebonden risico, brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden, belemmeringengebieden en brand- en explosievoorschriftengebieden. Ook zijn in bijlage 7 van het Bkl activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreffen de volgende activiteiten:
Datum: 10 oktober 2025 Versie: Concept
Pagina 40 van 46
Ruimtelijke motivering ‘Zandstraat 55, Beneden-Leeuwen’
• • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Bovengrondse hoogspanningsleidingen met rekenafstand magneetveldzone.
Aandachtsgebieden Onder de Omgevingswet werken gemeenten met aandachts- en voorschriftengebiedengebieden voor het aspect omgevingsveiligheid. Hiermee is beoogd dat het gemeentebestuur omgevingsveiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen.
4.13.2 Toetsing Middels onderstaande uitsnede van de Atlas leefomgeving zijn de volgende aspecten van omgevingsveiligheid onderzocht: • • • •
bedrijven met milieubelastende activiteiten; transport over weg, water en spoor; buisleidingen met gevaarlijke stoffen; bovengrondse hoogspanningslijnen.
Bij de toetsing dient te worden aangemerkt dat het beoogde gebouw met 10 studio’s aan de Zandstraat 55 in Beneden-Leeuwen in het kader van omgevingsveiligheid dient te worden aangemerkt als kwetsbaar gebouw vanwege de langdurige verblijfsfunctie. In onderstaande uitsnede van de risicokaart Nederland is te zien dat er in de nabijheid van het besluitgebied geen aandachtsgebieden bevinden.
Datum: 10 oktober 2025 Versie: Concept
Pagina 41 van 46
Ruimtelijke motivering ‘Zandstraat 55, Beneden-Leeuwen’
Uitsnede risicokaart met het besluitgebied rood omlijnd (bron: www.risicokaart.nl)
4.13.3 Conclusie Het aspect ‘omgevingsveiligheid’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.14 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De wettelijke basis voor de m.e.r. ligt in Europa: • De mer-richtlijn regelt de milieueffectrapportage voor projecten; • De smb-richtlijn regelt de milieueffectrapportage voor plannen en programma’s. Daarnaast geldt het verdrag van Espoo, inclusief het SEA-protocol, als er grensoverschrijdende milieueffecten kunnen zijn. De eisen van de bovengenoemde richtlijnen en het verdrag zijn nationaal omgezet in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De Commissie m.e.r. is geregeld in artikel 17.5 van de Omgevingswet en hoofdstuk 12 van het Omgevingsbesluit. Voor het bepalen of een plan eventueel mer-plichtig is, is artikel 16.36, lid 3 en 4 van de Omgevingswet van toepassing. Er zijn bij de zogenaamde plan-mer-beoordeling twee mogelijke resultaten: 1. Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. 2.
Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt. Er zijn twee situaties waarin een plan-mer-beoordeling aan de orde kan komen: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het betreft geen project dat in bijlage 5 bij het Omgevingsbesluit staat. Het plan is derhalve niet direct plan-mer-plichtig. In dit geval dient een plan-mer-beoordeling te worden uitgevoerd. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage 5 Omgevingsbesluit, maar komt niet boven de drempelwaarden van kolom 2 uit bijlage 5 van het Omgevingsbesluit. Een plan-mer-beoordeling is aan orde indien: a. Het plan een kleine wijziging van een plan of programma betreft; b. Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is.
4.14.1 Toetsing Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het project aan de Zandstraat 55 heeft mogelijk betrekking op een activiteit die voorkomt in kolom 3 van bijlage V van het Omgevingsbesluit; het kan immers de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject [J11] betreffen. Voor m.e.r.-plicht zijn drempelwaarden vastgesteld in kolom 2. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: • • •
Een oppervlakte van 100 hectare of meer, Een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of, Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
In hoeverre voorliggend project valt te kwalificeren als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van categorie J11, kan niet generiek worden beantwoord. Jurisprudentie biedt wel aanknopingspunten die gebruikt kunnen Datum: 10 oktober 2025 Versie: Concept
Pagina 42 van 46
Ruimtelijke motivering ‘Zandstraat 55, Beneden-Leeuwen’
worden of er al dan niet sprake zal zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject. Onderstaand wordt betreffende jurisprudentie beknopt uiteengezet. Volgens de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2414) hoeft een wezenlijke wijziging niet per definitie aangemerkt te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject. Het begrip laat ruimte voor afweging en interpretatie en is afhankelijk van situatiespecifieke kenmerken; onder meer de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling spelen een belangrijke rol bij het bepalen of er daadwerkelijk sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Hierbij is niet doorslaggevend of er sprake is van aanzienlijke negatieve milieugevolgen (ECLI:RVS:2017:694 en ECLI:RVS:2018:348). In aanvulling hierop geldt wel dat het volgende kan worden meegenomen in de afweging of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: • Beperkte milieugevolgen van een project (ECLI:NL:RBOBR:2017:5778); • Wel/geen sprake van een functiewijziging (ECLI:NL:RVS:2018:348); • Toename in bebouwd oppervlak (ECLI:RVS:2018:1297). In onderhavige situatie wordt voorzien in de nieuwbouw van twee woongebouwen bestaande uit 10 studio’s.
Functioneel is dit project niet passend binnen de kaders van het omgevingsplan die gelden voor het besluitgebied; het aantal woningen overschrijdt namelijk het maximaal toegestane woningen op deze locatie (het bestaande aantal). Er wordt hiermee voorzien in nieuw planologisch ruimtebeslag voor wat betreft de woonfunctie. Een planologische uitbreiding aan toegestane bebouwing is echter niet aan de orde; het bouwplan is passend binnen het bouwvlak en de maatvoeringen die van toepassing zijn voor het besluitgebied. Niettemin is hiermee aannemelijk dat er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in categorie [J11]. Daarom moet beoordeeld worden of er voldaan wordt aan de drempelwaarden, waarboven een formele project-m.e.r.-plicht van toepassing is. De oppervlakte van het besluitgebied als geheel ligt ver beneden de genoemde drempelwaarde van 100 hectare. Ook worden er niet meer dan 2.000 woningen gerealiseerd noch is er sprake van uitbreiding van bedrijfsvloeroppervlakte met meer dan 200.000 m2. In beginsel is daarom geen sprake van een formele project-m.e.r.plicht. Niettemin kunnen ook kleinere projecten wezenlijke gevolgen hebben voor het milieu. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn in Hoofdstuk 4 ‘Fysieke leefomgeving’’ diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen.
Uit de afweging is gebleken dat er geen negatieve milieueffecten zijn te verwachten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling of MER niet aan de orde is. Het potentiële effect door de voorgenomen ontwikkeling kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een m.e.r. voor de aangevraagde activiteit noodzakelijk maakt.
4.14.2 Conclusie Het aspect ‘milieueffectrapportage’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.15 Conclusie fysieke leefomgeving Met inachtneming van hetgeen omschreven in dit hoofdstuk en de bijbehorende onderzoeksrapportages en resultaten uit eventuele vervolgonderzoeken, is er met uitvoering van voorliggend plan sprake van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, en daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Datum: 10 oktober 2025 Versie: Concept
Pagina 43 van 46
Ruimtelijke motivering ‘Zandstraat 55, Beneden-Leeuwen’
5 Uitvoerbaarheid 5.1
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan besproken.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
5.2.1
Financieel-economische haalbaarheid
In deze motivering is onderbouwd dat met het verlenen van de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ten behoeve van dit initiatief een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen en zullen worden gerealiseerd.
5.2.2
Kostenverhaal
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat om zogenaamde kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (hierna: ‘een aangewezen bouwactiviteit’). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit. De gemeente zal een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer sluiten. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. Het kostenverhaal is hiermee gedekt.
5.2.3
Nadeelcompensatie
De gemeente West Maas en Waal zal een anterieure overeenkomst met de aanvrager sluiten, waarin is vastgelegd dat de kosten voor de procedure en eventuele kosten voor nadeelcompensatie volledig voor zijn rekening komen.
5.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.3.1
Participatie
De gemeente West Maas en Waal hanteert een eigen participatiebeleid. In het kader van wonen stelt de gemeente in de volgende situaties participatie verplicht: a. Het toevoegen van 5 of meer woningen binnen de bebouwde kom; b. Het toevoegen van een woongebouw met meer dan 3 bouwlagen; c. Het toevoegen of bouwen van 1 of meer woningen buiten de bebouwde kom. In het planvoornemen worden 10 woningen binnen de bebouwde kom gebouwd in een gebouw met 3 bouwlagen. Hiermee is participatie verplicht. De vormgeving van het participatieplan is voorafgaand aan het proces vastgelegd in een beknopt participatieplan. Hieruit volgend is één informatieavond voor omwonenden gehouden. Deze informatieavond heeft plaatsgevonden op donderdag 18 september 2025. Belanghebbenden zijn voorafgaand per brief uitgenodigd, in totaal 35 adressen rondom het besluitgebied.
Datum: 10 oktober 2025 Versie: Concept
Pagina 44 van 46
Ruimtelijke motivering ‘Zandstraat 55, Beneden-Leeuwen’
Op de avond zelf zijn geïnteresseerden van 8 adressen langsgekomen. Uit de reacties tijdens deze avond zijn geen bezwaren tegen de plannen naar voren gekomen; de aanwezigen zijn positief over de plannen. Gezien de beperkte opkomst tijdens de informatieavond en de reacties die daar zijn gegeven, wordt geconcludeerd dat er weinig tot geen bezwaren bestaan bij omwonenden tegen de voorgenomen bouwplannen. Het participatievoorstel, het verslag van de informatieavond en de brief aan omwonenden zijn als bijlage 8 bij deze ruimtelijke motivering opgenomen.
5.3.2
Advies en instemming
De gemeenteraad heeft een lijst opgesteld waarin de gevallen zijn aangegeven waarvoor (bindend) advies moet worden gevraagd; met daarbij aandacht voor de wijze waarop deze advisering kan worden ingepast in het besluitvormingsproces bij bopa’s. Op basis van het artikel 16.15a Omgevingswet heeft de gemeenteraad de mogelijkheid om zichzelf als adviseur aan te wijzen met recht van instemming. In de regeling ‘Adviesrecht en participatie Omgevingswet 2022’ wordt onder andere aangegeven dat voor wonen geldt dat bindend advies van toepassing is voor plannen waarbij 5 of meer woningen binnen de bebouwde kom worden toegevoegd. In onderhavige situatie worden 10 studio’s gerealiseerd. Voor dit plan geldt, naast verplichte participatie, ook bindend advies van de gemeenteraad.
5.3.3
Vaststellingsprocedure
De aanvraag om de omgevingsvergunning heeft onder andere betrekking op het toestaan van een gebruik in afwijking van het geldend omgevingsplan. Op de onderhavige aanvraag is conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken. In sommige gevallen kan het college echter wel bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten de uitgebreide procedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaren.
5.3.4
Bezwaar/beroep
In de reguliere procedure is er uitsluitend de mogelijkheid om bezwaar/beroep tegen het besluit in te dienen. In een beroepsprocedure geeft de rechter een oordeel over een besluit van het bevoegd gezag. In beginsel zal de rechtbank zich hierover buigen. Daarna kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. In bijlage 2 artikel 2 van de Algemene wet bestuursrecht staan besluiten opgenomen waarbij er geen beroepsmogelijkheid is. Belanghebbenden kunnen eventueel ook een voorlopige voorziening vragen tegen de omgevingsvergunning.
Datum: 10 oktober 2025 Versie: Concept
Pagina 45 van 46
Ruimtelijke motivering ‘Zandstraat 55, Beneden-Leeuwen’
Bijlagen Bijlage 1: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 2: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3: Onderzoek geluidwering gevels Bijlage 4: Watermemo Bijlage 5: Quickscan flora & fauna Bijlage 6: Rapportage AERIUS-berekeningen Bijlage 7: Aanvullende soortenonderzoeken huismus, gierzwaluw en vleermuis Bijlage 8: Participatieverslag
Datum: 10 oktober 2025 Versie: Concept
Pagina 46 van 46