Bijlage 1. Ruimtelijke motivering Appeltern, Lutenkampstraat 2
Tekst van het document
Gemeentelijk geluidsbeleid
Volgens de APV van West Maas en Waal is het verboden om buiten geluidsapparatuur of machines te gebruiken die hinder voor de omgeving veroorzaken. Voor incidentele geluiden (bijvoorbeeld
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Appeltern, Lutenkampstraat 2 Definitief bouwactiviteiten of onderhoud) kan een ontheffing worden aangevraagd. Voor langdurige activiteiten gelden de normen van het Bal zoals hierboven genoemd. De normen liggen gemiddeld op een dag tussen 45 en 50 decibel. Deze normen gelden buiten de inrichting, richting geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen van derden. Binnen de eigen camping zijn deze normen niet strikt van toepassing tussen recreatieverblijven, tenzij er sprake is van structurele overlast. 8.1.3
Situatie projectgebied
Het projectgebied bevindt zich binnen camping ‘Het Groene Eiland’ in Appeltern. De ontwikkeling betreft de realisatie van zwembaden, uitsluitend bedoeld voor gebruik door verblijvende parkgasten. Er is geen sprake van nieuwe geluidgevoelige functies (zoals woningen of onderwijs), en ook geen geluid producerende inrichting in de zin van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Volgens de regels van het Bal vallen normale recreatieve activiteiten op bestaande parken onder de algemene rijksregels, waarvoor geen afzonderlijke akoestische onderbouwing verplicht is, mits wordt voldaan aan de algemene zorgplicht en de activiteiten geen hinder op de omgeving veroorzaken. De beoogde functie is recreatief en past binnen het bestaande gebruik. De ligging van het zwembad midden op het park zorgt ervoor dat geluidverspreiding naar de omgeving beperkt blijft. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: • • •
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.
Er wordt geen nieuwe geluidgevoelige functie (zoals woning) gerealiseerd. Daarom is weg- en railverkeerslawaai niet aan de orde. Daarnaast is het projectgebied omringd door water en ligt de dichtstbijzijnde spoorweg op meer dan 7 kilometer afstand, dit zal dus geen probleem vormen voor geluidsoverlast. Industrielawaai en solitaire bedrijvigheid De ontwikkeling betreft de realisatie van een overdekt zwembad binnen camping ‘Het Groene Eiland’ in Appeltern. In de omgeving van het projectgebied is geen sprake van nabijgelegen solitaire bedrijven of industrieterreinen die in de zin van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) als geluidbronnen worden aangemerkt. Het dichtstbijzijnde bedrijvigheid bevindt zich op ruim voldoende afstand en heeft geen geluidszones met invloed op het projectgebied. De camping zelf betreft een recreatieve functie zonder akoestisch relevante bedrijfsactiviteiten. De beoogde ontwikkeling (zwembad met bijbehorende voorzieningen) valt niet onder milieubelastende activiteiten waarvoor een geluidszone geldt. Er is dus geen sprake van industrielawaai in de zin van het Bkl of de voormalige geluidszonering volgens de Wet geluidhinder. 8.1.4
Conclusie
De voorgenomen activiteiten houden in voldoende mate rekening met het aspect geluid.
8.2
Bodemkwaliteit
8.2.1
Algemeen
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Appeltern, Lutenkampstraat 2 Definitief landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. 8.2.2
Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •
Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.
Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Bodemgevoelig gebouw Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. De term gebouw is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gedefinieerd als: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 8.2.3
Situatie projectgebied
Gelet op de huidige functie van de gronden kan worden gesteld dat de bodem geschikt is voor dergelijk recreatief gebruik. In de beoogde situatie is tevens geen sprake van een langdurig verblijf van personen. Een bodemonderzoek kan daarom achterwege blijven. 8.2.4
Conclusie
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
8.3
Luchtkwaliteit
8.3.1
Algemeen
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Appeltern, Lutenkampstraat 2 Definitief fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL met de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.
Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 8.3.2
Situatie projectgebied
Het zwembad is uitsluitend bedoeld voor gebruik door verblijvende parkgasten en zal dus geen significante extra verkeersstromen aantrekken. De beperkte toename van interne verkeersbewegingen en incidentele bevoorrading leidt niet tot een relevante stijging van luchtverontreiniging. Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging in de zin van artikel 5.54 Bkl. Het valt ruim onder de NIBM-drempelwaarden, omdat er geen sprake is van een grootschalige toename van verkeersbewegingen, en het gebruik intern en recreatief blijft. Toetsing met de NIBM-tool of rekenkundig onderzoek is niet noodzakelijk. 8.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Appeltern, Lutenkampstraat 2 Definitief
8.4
Geur
8.4.1
Algemeen
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •
Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • • 8.4.2
Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden Situatie projectgebied
De ontwikkeling betreft de realisatie van zwembaden binnen een bestaande camping. Een zwembad valt niet onder de categorie geurgevoelig object, zoals bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Eventuele chloorlucht is vluchtig van aard en blijft beperkt tot de directe zwembadzone. Aangezien het gebruik uitsluitend bestemd is voor parkgebruikers en de afstand tot andere voorzieningen binnen het park voldoende is, is geen sprake van hinderlijke geurverspreiding. Nadere toetsing van het aspect geur is daarom niet nodig. 8.4.3
Conclusie
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Appeltern, Lutenkampstraat 2 Definitief
8.5
Trillingshinder
8.5.1
Algemeen
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.
Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 8.5.2
Situatie projectgebied
Het vakantiepark ‘Het Groene Eiland’ ligt op een afstand van circa 7 kilometer van de dichtstbijzijnde spoorweg. Gezien deze afstand is er geen sprake van trillingshinder door railverkeer op het projectgebied. Er is ook geen directe invloed op de veiligheid of de fysieke leefomgeving als gevolg van spoorgebonden activiteiten. 8.5.3
Conclusie
Vanuit het aspect spoorweginfrastructuur zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
8.6
Gezondheid
8.6.1
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • •
het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Appeltern, Lutenkampstraat 2 Definitief paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. 8.6.2
Situatie projectgebied
Het project betreft een uitbreiding van recreatieve voorzieningen binnen een bestaand vakantiepark. De ontwikkeling draagt bij aan het verbeteren van de leefomgeving doordat het:
• • •
de gebruikskwaliteit van de camping vergroot; bijdraagt aan gezonde recreatie en beweging; goed wordt ingepast in het landschap zonder hinder voor de omgeving.
De ontwikkeling sluit aan bij de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, waaronder:
• • •
het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving, het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving.
Er is geen sprake van nieuwe of gevoelige functies zoals woningen of zorgvoorzieningen, en de ontwikkeling leidt niet tot onevenredige hinder voor mens of milieu. Geluid, geur en luchtkwaliteit zijn beoordeeld en blijven ruim binnen aanvaardbare grenzen. 8.6.3
Conclusie
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
8.7
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
8.7.1
Algemeen
In het kader van de Omgevingswet is het streven naar een duurzame en klimaatbestendige inrichting van de leefomgeving een belangrijk uitgangspunt. De gemeente West Maas en Waal onderschrijft deze doelen in haar omgevingsvisie, onder andere door het stimuleren van duurzame energie, beperking van verhard oppervlak en klimaatadaptieve oplossingen. 8.7.2
Situatie projectgebied
Bij de ontwikkeling van het zwembad is bewust gekozen voor:
• • • •
een compacte bouwvorm binnen bestaand ruimtegebruik; afname van verhard oppervlak door gebruik van kunstgras rondom het gebouw; de mogelijkheid tot infiltratie van hemelwater op eigen terrein; het toepassen van energiezuinige installaties (zoals warmtepomptechniek en ledverlichting, indien van toepassing).
De ontwikkeling heeft daarmee een beperkte ecologische voetafdruk en draagt bij aan een klimaatbestendige inrichting van het park. Er wordt geen schade toegebracht aan groenstructuren, waterhuishouding of biodiversiteit. Bovendien worden er groen daken en levende muren toegepast op het installatie gebouw om de biodiversiteit te bevorderen, hittestress te verlagen en visuele impact te minimaliseren. 8.7.3
Conclusie
De ontwikkeling sluit aan bij de duurzaamheidsambities van de gemeente en is klimaatadaptief van aard. Er wordt efficiënt omgegaan met ruimte, energie en water, en de impact op het milieu blijft minimaal. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Appeltern, Lutenkampstraat 2 Definitief
HOOFDSTUK 9
BESCHERMING VAN DE NATUUR
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.
9.1
Gebiedsbescherming
9.1.1
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •
9.1.2
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 9.1.3
Situatie projectgebied
Natura 2000-gebieden De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van meerdere zwembaden en bijbehorende voorzieningen binnen camping ‘Het Groene Eiland’ in Appeltern. Ter onderbouwing van de effecten op Natura 2000-gebieden is door BJZ.nu een AERIUS-berekening uitgevoerd (bijlage 2) voor zowel de aanleg- als gebruiksfase van het project. Onderstaand zijn de onderzoeksresultaten opgenomen. Onderzoeksresultaten Het projectgebied bevindt zich op circa 8,9 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000gebieden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Appeltern, Lutenkampstraat 2 Definitief Op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet is er derhalve geen sprake van een Natura 2000activiteit en is geen vergunning vereist op grond van de Wet natuurbescherming. NNN-gebieden Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk ligt buiten het projectgebied. De ontwikkeling vindt plaats binnen een reeds ontwikkelde camping en valt niet binnen een beschermd natuurgebied. Er is sprake van functiebehoud met een lichte interne uitbreiding, waardoor de ecologische waarden van het GNN niet worden aangetast. Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het netwerk en vormt ook geen ecologische verbindingszone.
9.2
Soortenbescherming
9.2.1
Algemeen
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 9.2.2
Situatie projectgebied
Op basis van het uitgevoerde natuurwaardenonderzoek (bijlage 3) is vastgesteld dat de voorgenomen ontwikkeling geen schadelijke handelingen flora- en fauna-activiteit oplevert in de zin van de Omgevingswet. Er zijn geen beschermde soorten of verblijfplaatsen aangetroffen op de planlocatie en ook in de omgeving zijn geen indicaties voor soorten die door de werkzaamheden worden beïnvloed. De projectlocatie kent geen ecologische functie als leefgebied voor beschermde flora, vogels, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren of amfibieën. Wel geldt ten allen tijde de specifieke zorgplicht (artikel 11.27 Bal), waarmee zorgvuldig handelen bij uitvoering wordt geborgd.
9.3
Conclusie
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Appeltern, Lutenkampstraat 2 Definitief
HOOFDSTUK 10
10.1
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE
Wettelijk kader
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
10.2
Archeologie
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Volgens de gemeentelijke en provinciale archeologische beleidskaart ligt het projectgebied binnen een zone met lage tot middelhoge archeologische verwachting. Binnen camping ‘Het Groene Eiland’ zijn eerder grondroerende werkzaamheden uitgevoerd, en het terrein is reeds grotendeels in gebruik als verblijfsrecreatiegebied. Situatie projectgebied In het vigerende bestemmingsplan “bestemmingsplan archeologie West Maas en Waal” is het projectgebied echter aangemerkt als archeologisch verstoord gebied. Dit betekent dat uit eerder onderzoek of gemeentelijk archeologiebeleid is gebleken dat de bodem in het projectgebied zodanig is geroerd of aangetast, dat de kans op het aantreffen van archeologische resten als verwaarloosbaar wordt beschouwd.
10.3
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het projectgebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •
ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Appeltern, Lutenkampstraat 2 Definitief Situatie projectgebied Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht en valt buiten door het Rijk of de provincie aangewezen cultuurhistorisch waardevolle gebieden. Ook zijn er geen Rijks- of gemeentelijke monumenten direct gelegen in of grenzend aan het projectgebied. De ontwikkeling wordt volledig ingepast binnen de bestaande camping en heeft geen visuele of ruimtelijke impact op cultuurhistorische structuren in de omgeving.
10.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Appeltern, Lutenkampstraat 2 Definitief
HOOFDSTUK 11
11.1
M.E.R.- BEOORDELING
Algemeen
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •
In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.
Bij de project-mer-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, met de bijbehorende motivering, op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit). In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar: 1. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en 2. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: a. 1˚. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en b. 2˚. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob. Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1. het project, met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten; b.
de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; 2. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en 3. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.
11.2
Situatie projectgebied
Voor de activiteit zoals hier aan de orde – de realisatie van een overdekt zwembad op de bestaande camping – is geen sprake van een activiteit die als zodanig is opgenomen in de categorieën van bijlage V, onderdeel C (m.e.r.-plichtig) of onderdeel D (m.e.r.-beoordelingsplichtig).
• • •
Het betreft geen uitbreiding van een vakantiepark met 250+ standplaatsen (D10.1); Het betreft geen zwemparadijs of attractiepark met regionale impact of bovenlokale verkeersaantrekkende werking (D11.3); Het gaat om een interne voorziening op eigen terrein, zonder functiewijziging of grote toename van bezoekers of verkeer.
Daarmee valt het initiatief buiten de werkingssfeer van de m.e.r.-(beoordelings)plicht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Appeltern, Lutenkampstraat 2 Definitief
11.3
Conclusie
Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Appeltern, Lutenkampstraat 2 Definitief
HOOFDSTUK 12
12.1
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Algemeen
In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
12.2
Kostenverhaal
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
12.3
Situatie projectgebied
In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Appeltern, Lutenkampstraat 2 Definitief
HOOFDSTUK 13
13.1
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
Participatie
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Het initiatief betreft een voorziening binnen een afgesloten campingterrein en heeft geen directe invloed op omwonenden. Participatie is daarom niet toegepast. Indien de gemeente dit wenselijk acht, is de initiatiefnemer bereid tot overleg.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Appeltern, Lutenkampstraat 2 Definitief
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE MOTIVERING
Bijlage 1
Watertoets
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Appeltern, Lutenkampstraat 2 Definitief
Bijlage 2
AERIUS-berekening
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Appeltern, Lutenkampstraat 2 Definitief
Bijlage 3
Natuurwaardenonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40