CConstaterende datWest Maas en Waal
Koppel je AI →
Document · PDF

9.5 Beneden Leeuwen, Zandstraat 70 Bijlagen bij de toelichting Bijlage 5 Quickscan flora en fauna incl. dakinspectie

Gemeenteraad 16 september 2021, gemeente West Maas en WaalBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ‘Beneden-Leeuwen, Zandstraat 70’14.357 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verkennend Flora- en faunaonderzoek ten aanzien van project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF19.255,  2020

advisering  architectuur  ruimtelijke ontwikkeling  milieu



Verkennend Flora- en fauna onderzoek ten aanzien van project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF19.255, augustus 2020

OPDRACHTGEVER

Fam. Cruysen



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

Inhoud 1. Inleiding ............................................................................................... 3 1.1. Aanleiding en doel ..........................................................................................3 1.2. Opzet onderzoek .............................................................................................3 1.3. Plangebied en ingreep ....................................................................................4 2. Wettelijk kader ..................................................................................... 5 2.1. Inleiding...........................................................................................................5 2.2. Soortenbescherming.......................................................................................5 2.3. Gebiedsbescherming ......................................................................................7 2.3.1. Natura 2000 gebieden....................................................................8 2.3.2. Natuurnetwerk Nederland ...........................................................10 2.3.3. Programma Aanpak Stikstof........................................................11 2.4. Bescherming houtopstanden ......................................................................12 3.

Onderzoek .......................................................................................... 13 3.1. Soorten bescherming ...................................................................................13 3.2. Gebiedsbescherming ....................................................................................14 3.3. Veldonderzoek...............................................................................................15 3.4. Dakinspectie verblijfplaatsen ......................................................................21 Advies en conclusies ................................................................................. 29

Bijlage A. Beleidsregels provincie Gelderland Bijlage B. Geraadpleegde literatuur Bijlage C. NDFF-rapport OHNL-2019-18 Bijlage D. Aerius berekening

Pagina 2 van 28

Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020



1.

Inleiding

1.1.

Aanleiding en doel

Op het perceel Zanddijk 70 te Beneden-Leeuwen is men voornemens het huidige karakteristieke vervallen pand op te knappen en weer bewoonbaar te maken. De bedoeling is om binnen dit pand 4 wooneenheden te creëren en de aanwezige schuur om te zetten tot wooneenheid. Daarnaast worden vier siertuinkavels gerealiseerd op het achtererf. Een dergelijke herontwikkeling is niet direct uitvoerbaar op basis van het vigerende bestemmingsplan en dient bij ruimtelijke ingrepen onder andere rekening te worden gehouden met beschermde soorten en gebieden. Wet- en regelgeving omtrent deze soorten en gebieden is vastgelegd in de Wet natuurbescherming 2017. Het onderhavige rapport beschrijft de resultaten van een zogenaamde quick scan van beschermde natuurwaarden in en rond het plangebied en geeft daarbij inzicht of door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling mogelijk sprake kan zijn van het verstoren van beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en of als gevolg daarvan nader onderzoek of planaanpassingen noodzakelijk zijn.

1.2.

Opzet onderzoek

Een quick scan betreft een beoordeling van de aanwezige natuurwaarden in en rond het plangebied. Bronnenonderzoek, een terreinbezoek en ecologische kennis vormen de basis van de beoordeling. De quick scan is een momentopname en geen standaard veldinventarisatie waarbij meerdere veldrondes in een seizoen worden uitgevoerd. Een quick scan geeft daardoor een beperkter beeld dan een standaard veldinventarisatie. Omdat het onderzoek een momentopname betreft kan geen rekening worden gehouden met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderd terreingebruik en –beheer na afloop van het onderzoek. Bij de beoordeling van het plangebied is een bronnenonderzoek verricht naar het voorkomen van beschermde soorten en de ligging van beschermde gebieden in de regio. Daarvoor is gebruik gemaakt van verspreidingsatlassen en de website van het Natuurloket waarop een (niet soortspecifiek) overzicht wordt gegeven van actuele verspreidingsgegevens. Voor de ligging van beschermde gebieden is gebruik gemaakt van diverse overheidswebsites en zijn relevante literatuur geraadpleegd. Bijlage A vermeldt de geraadpleegde bronnen. Op 21 augustus 2019 is het plangebied en de directe omgeving verkend. Doel van deze veldverkenning is om een indruk te krijgen van de habitats ter plaatse.

Daarbij is gelet op de daadwerkelijke aanwezigheid van beschermde soorten en indirecte aanwezigheid in de vorm van sporen (verblijfplaatsen, wissels, pootafdrukken en dergelijke). Verder is het terrein beoordeeld op de geschiktheid voor beschermde soorten (habitatbeoordeling). Aansluitend hierop heeft op 27 augustus 2020 een intensieve in- en uitwendige dakinspectie plaatsgevonden.

Pagina 3 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

1.3.

Plangebied en ingreep

Het projectgebied is gelegen in de woonkern van Beneden-Leeuwen. De herontwikkeling betreft het opknappen van de opstallen en het erf, het realiseren van vier siertuinkavels en het herinrichten van het huidige karakteristieke pand met schuur tot in totaal 5 wooneenheden.

Foto 1: indruk van het plan

Pagina 4 van 28

Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020



2.

Wettelijk kader

2.1.

Inleiding

Per 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming de Flora- en Faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. In de Wet natuurbescherming zijn verschillende verboden opgenomen. Zo is het bijvoorbeeld verboden om bepaalde planten en bloemen te plukken, beschermde dieren te verontrusten of doden, hun nesten te verstoren. In sommige situaties en onder bepaalde voorwaarden mag dit wel. De Wet natuurbescherming is een 'kaderwet'. Dat betekent dat er alleen algemene principes en verantwoordelijkheden in staan. De details zijn geregeld in een groot aantal algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. Sommige bepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn het gevolg van afspraken op internationaal en Europees niveau, zoals de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en het CITES-verdrag. Of dieren en planten nu beschermde soorten zijn of niet: de Wet natuurbescherming schrijft voor dat we nadelige gevolgen voor planten en dieren moeten voorkomen. We moeten dus zorgvuldig omgaan met onze omgeving. Deze zogenoemde zorgplicht geldt voor iedereen. Voor de uitvoering van de Wet natuurbescherming heeft de provincie de bevoegdheid om vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen te verlenen voor gebiedsbescherming, soortenbescherming, schadebestrijding en behoud van houtopstanden. Voor een aantal specifieke taken is het Rijk bevoegd.

Daarnaast heeft de provincie de rol van toezichthouder en handhaver. De provincie controleert het naleven van de wet (toezicht) en het nakomen van voorwaarden (handhaver). Bij de uitvoering hiervan wordt samengewerkt met de FUMO, terreinbeherende organisaties en de politie. De wet regelt de volgende onderwerpen: x Houtopstanden (voormalige Boswet) x Soortenbescherming (voormalige Flora & Faunawet) x Gebiedsbescherming (voormalige Natuurbeschermingswet) x Gebiedsbescherming en Programma Aanpak Stikstof PAS Daarbij is in provinciale verordeningen gebiedsbescherming vastgelegd, waaronder de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland.

2.2.

Soortenbescherming

Voor een aantal soorten is in de Wet natuurbescherming door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (artikelen 3.1-3.4), voor Habitatrichtlijnsoorten (artikelen 3.5-3.9) en voor andere soorten (artikelen 3.10 en 3.11). Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voor al de in het wild levende soorten ook Pagina 5 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Verbodsbepalingen x Het plukken, verzamelen, afsnijden, vernielen, beschadigen, ontwortelen of op andere wijze van de groeiplaats verwijderen van beschermde planten x Het doden, verwonden, vangen of bemachtigen of met het oog daarop opsporen van beschermde dieren. x Het opzettelijk verontrusten van beschermde dieren. x Het beschadigen, vernielen, uithalen, wegnemen of verstoren van nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde dieren. x Het zoeken, beschadigen of uit het nest halen van eieren van beschermde dieren. De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: 1.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant: het is verboden om van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen, het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze soorten te beschadigen of te vernielen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden deze soorten opzettelijk te storen wanneer dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. De verboden in de wet zorgen voor een goede bescherming van nesten van alle in het wild levende vogelsoorten tijdens het broedseizoen. Het vernielen van nesten is verboden en het verstoren van nesten is enkel toegestaan indien geen sprake is van een negatieve invloed op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoorten. Globaal loopt het broedseizoen van half maart tot half augustus, maar ook de nesten van broedende vogels buiten deze periode zijn beschermd. Daarnaast zijn van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd, dus ook als ze niet als broedlocatie worden gebruikt. Het betreft dan over het algemeen soorten die hun nest het gehele jaar als verblijfplaats gebruiken of soorten die niet in staat zijn om een eigen nest te bouwen.

2.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant: het is verboden om soorten van de Habitatrichtlijn en van de verdragen van Bonn en Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eieren opzettelijk te vernielen, om voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om planten van de Habitatrichtlijn en van het verdrag van Bern opzettelijk te ontwortelen of te vernielen

Pagina 6 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

3.

Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Naast de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten worden in de wet een aantal diersoorten en plantensoorten beschermd. Voor deze soorten zijn bij ruimtelijke ingrepen de volgende verboden relevant: het is verboden deze soorten opzettelijk te doden of te vangen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om de plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen.

De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten. Voor de provincie Gelderland is dit vertaalt naar de beleidsnota Active soortenbescherming Gelderland en is van toepassing 2015-2020. In bijlage A is de beleidsnota opgenomen. Samengevat: De provincie Gelderland heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker. Daarnaast zijn de in eerdergenoemde beschreven verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode.

Gedragscodes kunnen daarbij zowel gebruikt worden voor de omgang met de Vogelrichtlijnsoorten, de Habitatrichtlijnsoorten als de andere beschermde soorten. Wel geldt voor de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten de aanvullende eis dat de handelingen die men uitvoert een wettelijk belang dienen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het gaat dan onder meer om handelingen in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden. Ook hierbij geldt voor Vogelrichtlijnsoorten en Habitatrichtlijnsoorten dat aan de handelingen die men verricht een wettelijk belang van de Vogelrichtlijn respectievelijk de Habitatrichtlijn ten grondslag dient te liggen.

2.3.

Gebiedsbescherming

De gebiedsbescherming in de Wet natuurbescherming heeft als doel de bescherming en instandhouding van natuurgebieden met een hoge ecologische waarde in Nederland. Daartoe zijn door de Minister gebieden aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn (VR-gebieden) en Habitatrichtlijn (HR-gebieden). Verder zorgt Gedeputeerde Staten om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk: Natuurnetwerk Nederland.

Pagina 7 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

2.3.1.

Natura 2000 gebieden

De VR- en HR-gebieden worden samengevat onder de noemer Natura 2000 gebieden. Voor alle Natura 2000-gebieden (en bijzondere nationale natuurgebieden) geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze gebieden. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor deze gebieden zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Uit de Memorie van Toelichting blijkt, dat de Wet natuurbescherming, buiten de zorgplicht, al voldoende instrumenten bevat om schadelijke handelingen in Natura 2000-gebieden te beperken. Deze zorgplicht is daarmee primair bedoeld om de eigen verantwoordelijkheid vast te leggen, die een ieder heeft voor een zorgvuldige omgang met de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Om een indicatie te krijgen van mogelijke negatieve gevolgen van projecten en plannen op Natura 2000-gebieden, vindt eerst een globale toetsing plaats, de voortoets of oriëntatiefase. Als in deze fase al duidelijk wordt dat er zeker geen negatieve effecten zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht. Als uit de voortoets blijkt dat een negatief effect optreedt en het niet duidelijk is of het effect significant van aard is, dan treedt het voorzorgsbeginsel in werking.

In dat geval moet ervan uitgegaan worden dat er sprake is van een significant effect. Als de kans op significante effecten niet kan worden uitgesloten dan moet een passende beoordeling worden gemaakt van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen. In dit geval wordt een plan eveneens m.e.r.-plichtig. Blijkt uit de passende beoordeling dat er geen aantasting plaatsvindt van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000gebied, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld of kan voor de projecten door gedeputeerde staten een vergunning worden verleend. Het woord ‘significant’ speelt een centrale rol in de wetgeving over de Natura 2000-gebieden. Significantie is een Europees rechterlijk begrip dat niet nader in nationale wetgeving kan worden gedefinieerd. Een definitie is dan ook niet opgenomen in de Wet natuurbescherming, maar de interpretatie van dit begrip is aan het Europese Hof van Justitie voorbehouden. Het Hof heeft in de uitspraak over kokkelvisserij een nadere duiding van het begrip significantie gegeven: “een plan of project dat de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken gebied in gevaar dreigt te brengen, noodzakelijkerwijs moet worden beschouwd als een plan of project dat significante gevolgen kan hebben voor het betrokken gebied.

In het kader van de inschatting van de effecten die dit plan of project kan hebben, moet de significantie van die gevolgen met name worden beoordeeld in het licht van de specifieke milieukenmerken en omstandigheden van het gebied waarop het plan of project betrekking heeft”.

Uit deze uitspraak volgt dat ‘significantie’ beoordeeld moet worden in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen die gelden voor de aangewezen habitats en soorten. Deze instandhoudingsdoelstellingen zijn in verschillende termen beschreven, zoals oppervlakte of omvang en kwaliteit van een leefgebied. Pagina 8 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

Het aspect oppervlakte is zowel bij habitattypen als bij leefgebied van soorten van belang. Er kan sprake zijn van een significant gevolg wanneer de oppervlakte van een habitattype of de omvang van een leefgebied in de toekomst, gemiddeld genomen, lager zal zijn dan bedoeld in de instandhoudings doelstelling. Daarbij kan rekening worden gehouden met de veerkracht van het gebied. Vervolgens moet bepaald worden of de beoogde oppervlakte wordt gehaald of niet. Indien deze oppervlakte afneemt vormt dit een indicatie dat er sprake kan zijn van significante gevolgen. Verlagingen die kleiner zijn dan de minimum-oppervlakte van het habitattype of het leefgebied worden beschouwd als niet meetbaar. Daarbij moet ook in het licht van de specifieke bijzonderheden en milieukenmerken van het beschermde gebied worden beoordeeld of de instandhoudingsdoelstelling vanwege de activiteit in het geding komt. Ditzelfde geldt voor de bepaling of er sprake is van een significant effect op populaties van soorten. Ook kwaliteitsaspecten spelen een rol bij het bepalen of effecten al dan niet significant zijn. De kwaliteit van een habitattype zijn de kenmerken ervan, waarbij de oppervlakte niet wordt meegerekend. Ook hier is de beoordeling gelijk aan de wijze waarop dat is beschreven bij ‘oppervlakte’. In de Leidraad bepaling significantie (7 juli 2009) is bovenstaande schematisch weergegeven:

Pagina 9 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

2.3.2.

Natuurnetwerk Nederland

Ter bescherming van vogelsoorten, van soorten van de Habitatrichtlijn en van rode lijstsoorten dienen provincies, op basis van artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming, zorg te dragen voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur, EHS). De bescherming van dit netwerk gebeurt bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale

Pagina 10 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, zoals weidevogelgebieden of ganzenfoerageergebied. Voor Natuurnetwerk Nederland geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, dat ontwikkelingen niet mogen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. Daarnaast mogen de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden niet significant worden beperkt. De provincie Gelderland spreekt niet van Natuurnetwerk Nederland maar van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Binnen het GNN en de GO staat de bescherming van de kernkwaliteiten centraal. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en omgevingscondities. Per saldo moet elke ontwikkeling in het GNN een verbetering van de betreffende kernkwaliteiten opleveren. In dat saldo zijn vergroting van de oppervlakte natuur en versterking van de ecologische samenhang belangrijke randvoorwaarden.

In een nieuw bestemmingsplan dat ligt binnen het GNN zijn geen nieuwe functies mogelijk, tenzij: x geen reële alternatieven aanwezig zijn; x sprake is van redenen van groot openbaar belang; x de negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; en x de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd. De GO heeft een dubbeldoelstelling. Er is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de ecologische samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden. Beschermde weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden liggen voornamelijk in de GO (en voor het overige deel in het GNN). Door de samenhang met de aangrenzende en inliggende natuur van het GNN herbergt de GO ook kenmerkende natuurwaarden. Bij ruimtelijke ingrepen in de GO wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwvestiging, uitbreiding van bestaande (en reeds in de GO gelegen) bestemmingen en de schaal/omvang van de ingreep (en daarmee het effect op de kernkwaliteiten). De provincie Gelderland vindt het verder van belang dat rustgebieden voor winterganzen geschikt blijven voor ganzen. De provincie stuurt daarom op het behoud van de openheid en de rust in deze gebieden.

De provincie wil in de beschermde weidevogelgebieden een landbouwpraktijk stimuleren en in stand houden die rekening houdt met weidevogels.

2.3.3.

Programma Aanpak Stikstof

Op 1 juli 2015 is het PAS in werking getreden. De bedoeling van het programma is om een vermindering van de stikstofbelasting van voor stikstof gevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden te realiseren, welke ruimte gedeeltelijk wordt gebruikt voor nieuwe economische ontwikkelingen die stikstof veroorzaken op Natura 2000-gebieden.

Pagina 11 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

Het Besluit natuurbescherming onderscheidt twee soorten grenswaarden. Er is een algemene grenswaarde, uitgedrukt in de hoeveelheid stikstofdepositie per hectare per jaar en een specifieke grenswaarde voor categorieën projecten of andere handelingen die is uitgedrukt in de afstand tussen een project of andere handeling en een Natura 2000-gebied. Deze laatste grenswaarde is bedoeld voor infrastructurele projecten en handelingen van het Rijk. Indien een project een stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats, die lager is dan of gelijk is aan deze grenswaarde, dan is het project uitgezonderd van de vergunningplicht van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming. In het Besluit natuurbescherming was een algemene grenswaarde van 1 mol stikstofdepositie per hectare per jaar (mol/ha/jr) op een voor stikstof gevoelig habitat vastgesteld. Op 29 mei 2019 is het toetsingskader van het PAS door de rechter vernietigd en zijn door de provincie nieuwe beleidsregels voorgesteld. Het project is vergunningplichtig voor de Wet natuurbescherming indien sprake is van een depositie in de realisatiefase en gebruiksfase van meer dan 0,00 mol/ha/jaar op natuurgebieden. Als blijkt dat hier niet aan wordt voldaan zullen de ecologische effecten beoordeeld moeten worden door de provincie.

2.4.

Bescherming houtopstanden

De bescherming van houtopstanden is geregeld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen, op fruitbomen, op windschermen om boomgaarden, op naaldbomen bedoeld om te dienen als kerstbomen, op kweekgoed, op bepaalde beplantingen van wilgen of populieren, op bepaalde beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet. De provincie kan regels stellen ten aanzien van de meldingsplicht en de plicht tot herbeplanting. Ook kan de provincie een ontheffing verlenen ten behoeve van herbeplanting op andere grond.

Verder kan de provincie ontheffing verlenen en kan de provincie bij verordening vrijstelling verlenen van zowel de meldingsplicht als de plicht tot herbeplanting.

Pagina 12 van 28

Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020



3.

Onderzoek Bij het opstellen van onderhavig onderzoek is gebruik gemaakt van de meest recente verspreidingsgegevens van soorten uit de Nationale Databank Flora en Fauna en is relevante literatuur geraadpleegd. In bijlage B zijn de geraadpleegde bronnen opgenomen. Vervolgens is op 21 augustus 2019 het plangebied verkend en heeft op 27 augustus 2020 een intensieve dakinspectie plaatsgevonden en gezocht naar mogelijke sporen in kieren, naden en onder dakpannen.

3.1.

Soorten bescherming

In bijlage B is rapport HNL-2019-187 uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgenomen. In dit rapport wordt per soortgroep weergegeven of er in het kilometerhok waar het plangebied binnen valt, beschermde soorten zijn aangetroffen. De gegevens hebben dus betrekking op het hele kilometerhok en niet op het plangebied in het bijzonder. De meeste soortgroepen in het betreffende kilometerhok zijn niet of niet goed onderzocht. De weergave kan dan alleen worden beschouwd als indicatie voor de mogelijke aanwezigheid van beschermende soorten

De projectlocatie bevindt zich in kilometerhok 163-432.

Pagina 13 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

Conclusie uit de verspreidingsgegevens van de NDFF: Uitgesloten de aanwezigheid van: - beschermde vaatplanten - reptielen - beschermde insecten en andere ongewervelden Mogelijk aanwezig: - grondgebonden zoogdieren: bever en de steenmarter - vleermuizen: dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis - beschermde vogelnesten: buizerd, gier, zwaluw, huismus, ransuil, roek en slechtvalk - amfibieën: kamsalamander - vissen: de grote modderkruiper

3.2.

Gebiedsbescherming

In onderstaand figuur zijn voor de omgeving van het projectplan de gebiedsbeschermende objecten aangegeven. Uit dit figuur volgt dat het plangebied buiten beschermende gebieden is gelegen. Het Natura 2000 gebied De Rijntakken op ongeveer 700 meter afstand van het plangebied valt samen met het Gelders natuurnetwerk GNN en de Groene ontwikkelingszone GO. Rustgebieden voor (winter)ganzen en weidevogels liggen eveneens op zo’n 900 meter afstand tot het projectplan.

plangebied

Figuur 1: aanduiding natuurgebieden omgeving Beneden Leeuwen Pagina 14 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

Geel: Natura 2000 In het projectgebied is een relatief kleinschalige ontwikkeling voorzien. Onderzoek naar storingsfactoren, zoals oppervlakteverlies, verstoring door licht en geluid en versnippering, is niet noodzakelijk. Door de aanzienlijke afstand tot Natura 2000-gebieden en door de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn negatieve effecten van dergelijke storingsfactoren op de instandhoudings doelstellingen van Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Verstoring door stikstofdepositie kan nog op grote afstand van een ontwikkeling plaatsvinden. Belangrijke bronnen van stikstofemissie zijn de landbouw, gemotoriseerd verkeer en de industrie. Maar ook als bij de verwarming van huizen fossiele brandstof wordt gebruikt, leidt dit tot stikstofemissie. Stikstof heeft in natuurgebieden zowel een verzurende als vermestende werking. In het nabij gelegen Natura 2000- gebied zijn verschillende leefgebieden en habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor verstoring door stikstof. Vanwege de relatief beperkte afstand tot het Natura 2000-gebied Rijntakken en vanwege de aanwezigheid van stikstofgevoelige habitattypen in dit Natura 2000-gebied, zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van dit nabijgelegen Natura 2000-gebied als gevolg van stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. Daarom is een AERIUS-berekening uitgevoerd.

Met dit rekenprogramma kunnen de stikstofdeposities in Natura 2000-gebieden als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen in beeld worden gebracht. In bijlage D zijn de Aeriusberekeningen opgenomen. Uit de Aerisuberekeningen volgt dat er geen stikstofemissie is te verwachten (de depositie is 0,00 ml/ha/jaar).

3.3.

Veldonderzoek

Op 21 augustus 2019 (ca. 20 ºC, onbewolkt en droog) is het plangebied en directe omgeving afgezocht naar (tekenen van aanwezigheid van) beschermende planten, zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën. Vogels worden herkend aan de hand van hun zang en op zicht. Met betrekking tot zoogdieren wordt speciaal gelet op pootafdrukken, krabsporen, wissels, uitwerpselen, haren, graafsporen, holen en potentieel geschikte verblijfplaatsen. Het plangebied is summier onderhouden. De siertuin is in matige staat, het terrein rondom de opstallen bestaat deels uit betonplaten, klinkerverharding, weidegrasland en wat ruigte. Onderstaande foto’s geven een impressie van het perceel tijdens het locatiebezoek op 21 augustus 2019.

Pagina 15 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

Vaatplanten Tijdens het veldonderzoek zijn geen beschermde planten aangetroffen. Gezien het feit dat het perceel regelmatig wordt bewerkt en gedeeltelijk is voorzien van verharding en tuinen is het plangebied ook niet geschikt als groeiplaats. Beschermde vaatplanten hebben zeer specifieke habitateisen en groeien voornamelijk in habitats met een voedselarme en kalkhoudende bodem. In een verstoorde omgeving zoals in het projectgebied zijn beschermde vaatplaten niet Pagina 16 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

te verwachten. Daarnaast wijzen soorten als brandnetel en braam op een verzuurde, voedselrijke bodem. Nader onderzoek naar beschermde vaatplanten wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Zoogdieren Alle inheemse soorten zoogdieren worden beschermd. In het plangebied werden geen zoogdieren of sporen daarvan aangetroffen. De vegetatie op de erfscheidingen en het plangebied is niet bijzonder geschikt voor zoogdieren. Hoogstens de minst kritische soorten zoals een huisspitsmuis en veldmuis zouden daar kunnen verblijven. Dergelijke soorten zijn niet ontheffingsplichtig in geval van ruimtelijke ingrepen. Volgens de verpreidingsgevens van de NDFF zouden de bever en steenmarter voor kunnen komen. Bevers zijn knaagdieren die leven in en nabij het water, waar ze hun voedsel zoeken en hun schuilplaatsen maken. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste. Als schuilplaats wordt een hol gegraven of een burcht van takken en modder gemaakt. Daarnaast gebruiken bevers regelmatig legers om de dag door te brengen. In het projectgebied is door de afwezigheid van zowel bossen als oevers geen geschikt habitat voor de bever aanwezig. De bever is daarom uit te sluiten in het projectgebied. De steenmarter leeft in steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. De steenmarter is ook in de grote steden te vinden, daarbij is de aanwezigheid van groenstroken, heggen en bosjes van belang voor het vinden van voedsel. Het projectgebied is door de gebouwen en het groengebied een geschikte leefomgeving voor de steenmarter.

Het projectgebied is daarom gecontroleerd op openingen die toegang tot het gebouw kunnen geven en op sporen van de steenmarter zoals loopsporen, vraatsporen en latrines. In het projectgebied zijn zowel mogelijke verblijfplaatsen als martersporen niet aangetroffen. Daarom is de marter niet in het projectgebied te verwachten. Nader onderzoek naar de steenmarter wordt niet noodzakelijk geacht.

Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis in de buurt van het projectgebied voor. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn strikt beschermd volgens de Wet natuurbescherming. Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis. Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de Pagina 17 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten. Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot en in schoorstenen. De bebouwing in het projectgebied is gecontroleerd op openingen die gebouwbewonende vleermuizen als verblijfplaats kunnen gebruiken. De gebouwen kennen wat openingen zoals kieren onder het dak en wat openingen rond kozijnen van het bijgebouw waar vleermuizen toegang zouden kunnen krijgen. Deze gebouwen zijn tijdens het veldonderzoek binnen uitgebreid onderzocht naar vleermuisverblijfplaatsen. Er is niets aangetroffen. Ook geen uitwerpselen van vleermuizen. Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een minimale diameter van 30 centimeter te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Vanaf deze diameter maken spechten ook holen in bomen, waarvan vleermuizen gebruik kunnen maken. Ook moeten de bomen dermate oud zijn, dat holtes door rotting ontstaan. In het projectgebied zijn voornamelijk struiken en kleine bomen aanwezig.

Enkel de boom aan de voorzijde van de woning is groot genoeg om als verblijfplaats te kunnen dienen. Deze boom is tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op geschikte holtes en loszittend schors. Deze zijn niet aangetroffen. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn daarom niet in het projectgebied te verwachten. Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is strikt beschermd. De tuinpercelen in het projectgebied vormen voor vleermuizen geschikt foerageergebied. Echter zijn er geen verblijfplaatsen binnen de gebouwen aangetroffen en daardoor is ook niet te verwachten dat de tuinpercelen een belangrijke functie vervullen als foerageergebied.

In de omgeving van het projectgebied zijn bovendien voldoende alternatieve locaties aanwezig waar vleermuizen voedsel kunnen vinden. Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben. Daarom zijn Pagina 18 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

dergelijke vliegroutes strikt beschermd. In het projectgebied zijn geen doorlopende lijnvormige elementen aanwezig. Derhalve is niet te verwachten dat het projectgebied een belangrijke functie als vliegroute vervuld

Vogels Het onderzoek vond buiten het broedseizoen plaats en geeft daarom geen nauwkeurig beeld van broedvogels op locatie. In principe zijn geen broedgevallen mogelijk gezien de bedrijvigheid (verstoring). Om te voorkomen dat bij de werkzaamheden eventueel aanwezige nesten van broedende vogels worden beschadigd, adviseren wij deze werkzaamheden buiten de broedperiode te starten. Als vogels op zoek gaan naar een geschikte broedlocatie en merken dat het projectgebied en de directe omgeving te verstorend zijn, zullen ze een andere locatie zoeken. Daarnaast kan ook in de broedperiode gestart worden met de werkzaamheden. Dan dient aantoonbaar te worden vastgesteld door een expert op het gebied van vogels dat met de ruimtelijke ontwikkeling geen nesten vernield worden en dat er geen verstoring optreedt die van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding van een vogelsoort. De broedperiode van vogels loopt globaal van half maart tot half augustus, maar de nesten van vogels die buiten deze periode broeden zijn ook beschermd. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen er soorten met jaarrond beschermde nesten in de buurt van het projectgebied voor. Het betreft de buizerd, gierzwaluw, huismus, ransuil, roek en slechtvalk. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor betreffende soorten.

Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (ronde) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen. Deze mogelijke verblijfplaatsen blijven bij de toekomstige ontwikkeling aanwezig. De toekomstige ontwikkeling laten de groenblijvende struiken onaangeroerd. Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie geschikt te zijn. De openingen in het bijgebouw zijn voor gierzwaluwen een geschikte toegang tot het gebouw waardoor nestlocaties van gierzwaluwen niet zijn uit te sluiten.

Echter zijn geen nesten aangetroffen binnen en rondom het gebouw

Pagina 19 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge gebouwen (slechtvalk) in hoge bomen in bos of boomgroepen (buizerd en roek) of in oude nesten van kraaien en roofvogels in naaldbomen (ransuil). Deze elementen zijn niet in het projectgebied aanwezig. Nesten van deze vogelsoorten zijn daarom niet in het projectgebied te verwachten

Reptielen Reptielen komen voornamelijk voor in overgangsvegetaties van bijvoorbeeld bos naar heide. Een dergelijk leefgebied is in het projectgebied niet aanwezig. Enkel de ringslang laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. Een nagenoeg volledig verharde omgeving in een woonwijk is echter ook voor de ringslang geen geschikte leefomgeving. Reptielen zijn daarom niet in het projectgebied te verwachten

Amfibieën Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF komt de kamsalamander in de omgeving van het projectgebied voor. De kamsalamander komt voor in kleinschalige landschappen met bossen, heggen en struwelen. Het voorplantingsbiotoop (bezet vanaf half maart) bestaat uit matig voedselrijke tot voedselrijke stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. De poel mag niet geheel beschaduwd zijn en moet permanent water bevatten. In het projectgebied zijn geen poelen of watergangen aanwezig. Derhalve is de kamsalamander niet in het projectgebied te verwachten. Beschermde amfibieën komen voornamelijk voor in schone poelen en vijvers in heide of veengebieden en in uiterwaarden. Dergelijke omgeving is niet in het projectgebied aanwezig. Ook andere beschermde amfibieën zijn daarom niet in het projectgebied te verwachten Vissen De grote modderkruiper komt in de omgeving van het projectgebied voor aldus de verspreidingsgegevens van de NDFF. In het projectgebied zijn geen permanent watervoerende elementen aanwezig. De aanwezigheid van strikt beschermde vissen in het projectgebied is daarmee uitgesloten

Insecten en overige ongewervelden (kevers, weekdieren en kreeftachtigen) Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden eisen een zeer specifiek habitat. Deze soorten komen in stabiele habitattypen voor zoals heiden en venen. In het betreffende projectgebied is geen sprake van een dergelijke stabiele leefomgeving en de juiste leefomstandigheden voor dergelijke soorten. Beschermde insecten en andere ongewervelden zijn daarom niet te verwachten in het projectgebied.

Pagina 20 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

3.4.

Dakinspectie verblijfplaatsen

Op 27 augustus 2020 heeft in vervolg op de veldinventarisatie een intensieve in- en uitwendige dakinspectie plaatsgevonden om eventuele verblijfplaatsen van vleermuizen, huismussen en/of gierzwaluwen tussen en onder de pannen, kieren, naden e.d. te ontdekken. Onderstaande foto’s geven een impressie van de dakinspectie en waaruit is gebleken dat er geen vogelverblijfplaatsen aanwezig zijn. Ook zijn er geen oude sporen van verblijfplaatsen aangetroffen.

Pagina 21 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

Oostzijde hoofdgebouw

Pagina 22 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

Zuidzijde hoofdgebouw

Pagina 23 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

Westzijde hoofdgebouw

Pagina 24 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

Noordzijde hoofdgebouw

Pagina 25 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

Aanbouw achterzijde hoofdgebouw

Pagina 26 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

Bijgebouw / schuur

Pagina 27 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

vervolg details bijgebouw/schuur

Pagina 28 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

Advies en conclusies

Het Natura 2000 gebied de Rijntakken is het meest nabijgelegen beschermde natuurgebied. De voorgenomen kleinschalige ontwikkelingen in relatie tot de afstand tussen het projectplan en het gebied (zo’n 900 meter) heeft in de toekomstige situatie geen nadelige invloed op het natuurgebied. Ook treden geen negatieve effecten op door stikstofdepositie als gevolg van het projectplan. Volgens de verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna zou sprake kunnen zijn van beschermde flora en fauna in het plangebied. Door het uitgevoerde veldonderzoek en uitgebreide dakinspectie is duidelijk geworden dat het plangebied zich niet leent voor beschermde diersoorten. Geadviseerd wordt om even wel buiten het broedseizoen de werkzaamheden uit te voeren. De in de wet genoemde “algemene zorgplicht” is van toepassing op alle beschermende en onbeschermde dier- en plantensoorten. Op grond hiervan dient eenieder zoveel als redelijkerwijs mogelijk te handelen op een wijze zodat nadelige gevolgen voor flora en fauna kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk worden beperkt of ongedaan worden gemaakt. Aanbevolen wordt dan ook om in ieder geval de zorgplicht in acht te nemen en daarbij de door het ministerie goedgekeurde Gedragscode voor de bouw- en ontwikkelsector.

Geconcludeerd kan worden dat in het huidige gebruik van het plangebied de aanwezigheid van beschermende planten en diersoorten onwaarschijnlijk is en derhalve geen sprake is van verstoring. Gesteld kan dan ook worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op beschermende soorten en beschermende natuurgebieden.

Grave, 31 augustus 2020

Pagina 29 van 28



Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Zandstraat 70, Beneden-Leeuwen Rapport FF 19.255, versie 3; laatst gewijzigd augustus 2020

Bijlage A: Beleidsregels provincie Gelderland (bijlagen) Deze bijlage bestaat uit 2 pagina’s, inclusief voorliggende

Bijlage 1. Kaart Gelderse natuurparels.

11

12 Nummer Natuurparel 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 42 43 44 45 46 47 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 66 67 68 69 70 71 72

Arkemheen en Putterpolder Oldenaller - Halvinkhuizerveld Appelsche Heide Kruishaarsche Heide De Bunt (Zwartebroek) Blauwgraslanden bij Zwartebroek Kallenbroek en Erica Schaffelaarsche Bosch Scherpenzeel, Groot Wolfswinkel Allemanskamp, Doesburger Achterveen (Ederveen) Bennekomse Meent Blauwe Kamer Bovenste polder Wageningen en Randwijckse uiterwaarden Wageningse Berg Meinerswijk Rijnstrangen De Bijland, Tolkamerdijk Ooypolder, Bemmelse Waard en Klompenwaard Polder van Ubbergen Waaluiterwaarden Ewijk Waaluiterwaarden Druten Waaluiterwaarden Dreumel-Ophemert Maasuiterwaard Moordhuizen Hurwensche uiterwaard, Rijswaard en Heesselsche uiterwaarden Lieskampen Waaluiterwaarden Haaften Loevenstein Nieuwe Zuiderlingedijk en Lingense uiterwaarden Lekuiterwaarden Culemborg Kleiputten Buren Overasselsche en Haterse Vennen Heumensoord Stuwwal van Beek, Duivelsberg St.

Jansberg De Bruuk De Horst, Groesbeek De Byvanck Diefdijk Hooge Heide, Bergherbos Bergherbos, popmpstation Het Heekenbroek Kruisbergse bossen Velswijker Broek De Zumpe, Doetinchem Slangenburg Heidenhoekse Vloed Veengoot Wolfersveen, Konijnendijk Vennebulten Korenburgerveen Wooldse Veen Nonnenven, Wooldse Veen Bekendelle Bovenslinge Adamskamp en Veldkamp Willinkbeek Lintum Damkot Masterveld Englum Lievelderveld Koolmansdijk (Lievelde) Nijkampsheide Beekvliet Leunk, Barchem Wildenborch 't Medler / De Wierse Hoones bos De Broken Rekken

13 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143

Needse Achterveld Noordijkerveld Velhorst Veldwijk / Den Bramel Landgoed de Voorst, Warnsveld Vorden Cortenoever Lichtenbeld Engelenburg Leusveld Huis Voorstonden Empesche en Tondensche Heide De Overmarsch Braamhoeve, Tonden Loenensche Hooilanden Huize Dorth Gorsselsche Heide De Pol (Wilp) Ravenswaarden (Gorssel) Beekbergerwoud, Oude Beek Het Woudhuis (Apeldoorn) Smallertsche Beek, Kievitsveld (Vaassen) Veesser uiterwaarden (Veessen) Oldenbroeksche Heide Render Klippen (Heerde) Tongerensche Heide en Wisselse Veen Verloren beek (Epe) De Zoom (Nunspeet) Woldberg Heide Doornspijksche Heide Polder Oosterwolde Oeverlanden Elburg Hulshorster Zand Mosterdveen (Vierhouten) Hendrik Mouwenveld (Vierhouten) Gortelse en Vierhouter Bos Motketel, Geelmolensche Beek, Egelbeek (Vaaasen) Elspeetsche Heide, Stakenberger Heide Elspeter Bos Kroondomein Paleispark 't Loo (Apeldoorn) Uddelsche Buurtveld (Udddel) Hoog-Soerensche Veld Houtdoperveld Hierdense beekdal / Staverden Cyriasische Veld Groevenbeekse Heide (Ermelo) Nieuw-Milligsche Zand, Kootijkerveen en Kootwijkerduinen Kootwijkerzand, Regelbergen en Steenberg Asselsche Heide Hoog Buurlosche Heide Harschkampsche Zand Koppensprengen, Ugchelse Beek en Het Leesten (Ugchelen) Reeenberg Ramenberg (Loenen) Loenmerkse Heide en Zilvensche Heide Deelerwoud en Arnhemsche Heide Otterlosche Zand Deelense Veld (Hoge Veluwe) Hoge Veluwe noord Hoge Veluwe

/ Vliegveld Deelen Hoge Veluwe Schaarsbergen Oud-Reemsterveld (Hoge Veluwe) Planken Wambuis Worth-Rheder heide en Posbank Duno (Doorwerth) Beekhuizen Rozendaal Kooibosch Middachten Sprengen Laag-Soeren Terletsche Heide en De Stompen

14 144 145 146 147 148 149 150 151 152 153 154 155 156 157 158 159 160 161 162 163 164 165 166 167 168

Velperwaarden Sonsbeek en Zijpendaal Warnsborn Renkums beekdal Doorwerthse en Wolfhezer Heide Doorwerthse waarden Hertenbos (Renkum) Ginkelse Heide Hoophuizen Kiefskamp/Vorden Galgengoor / Groote Veld Warkensche Veld Landgoed Nijenhuis Landgoed Verwolde Gulbroek (paddenstoelen) Korrenbergweg / Landgoed Welna Hoog en Laag Oorsprong (Oosterbeek) Kasteel Biljoen Wekeromsche Zand Kootwijksche Veld De Regulieren Ermelosche Heide Woold Ratumsche Beek Wilperwaarden

Bijlage 2 Belangrijkste leefgebieden voor soorten buiten het GNN

15

Knoflookpad

Boomkikker

Adder

Amfibieën

Amfibieën

Reptielen

Vipera berus

Hyla arborea

Pelobates fuscus

Triturus cristatus

Wetenschappelijke naam

kwetsbaar

bedreigd

bedreigd

kwetsbaar

Rode lijst

Voorkomen in Gelderland

29% Veluwe (Veluwemassief, Kootwijk, Gerritsfles, Hoog Buurlo, Hoge Veluwe, Ermelose Heide)

>50% Achterhoek, GLD herbergt ruim 50% van landelijke populatie. Na sterke groei door habitatherstel lijkt nu stand weer(plaatselijk) af te nemen

38% Rivierengebied (Waal, Rijn, IJssel, Maas), Achterhoek, plaatselijk op Veluwe. De populaties op de Veluwe zijn alle geïsoleerde populaties. 35% Kernpopulaties: Overasseltse en Hatertse vennen; Gorssel; Landgoed de Pol. Geïsoleerde populaties: Ewijk, Zieuwent, Wilhelminahoeve, Sterrebos, Groot Soerel, De Ziele, Hattem

% Gld12

Natte heiden, hoogveen en open bos

Landgoederen, beekdalen, (half)cultuurlandsc hap, kleindschalig extensief agrarisch landschap

Randen van beeken rivierdalen en agrarische gebieden met zandige bodems

Landgoederen, beekdalen, rivierengebied

Habitat

Ontginning en bebossing van heide en venen, verdroging, vervolging, te grootschalig heidebeheer, overbegrazing en versnippering.

Isolatie door verlies van leefgebied; verdwijnen voortplantingswateren en landhabitat. Is pioniersoort en door successie en onjuist (vervolg)beheer vertonen populaties na enige tijd dalende trend

Isolatie; verlies van geschikte voortplantingswateren en verdwijnen van het kleinschalig agrarische landschap

Isolatie door verlies van leefgebied; verdwijnen voortplantingswateren en landhabitat

Bedreiging/probleem

Ontwikkelen van metapopulaties door doordachte aanleg en herstel van voortplantingsplaatsen en realisatie van landhabitat in de vorm van houtwallen, hagen, struwelen en bosjes in de directe omgeving van de voortplantingswateren. Bijplaatsing van eigen genetisch materiaal in zeer kleine populaties om genetische variatie te vergroten. Aanleg en herstel van voortplantingswateren en realisatie van geschikt landhabitat met vergraafbare bodems in de directe omgeving van voortplantingswateren. Dit door aanleg van kruidenrijke graanakkers in agrarische gebieden met houtwallen en meer dynamiek op oude rivierduinen. Lokaal kan visbezetting van wateren een probleem zijn (periodiek doogleggen/leegvissen zijn dan optionele maatregelen). Ontwikkelen van metapopulaties door doordachte aanleg en herstel van voortplantingsplaatsen en realisatie van landhabitat in de vorm van houtwallen, hagen, struwelen en bosjes in de directe omgeving van de voortplantingswateren. Ook juiste vervolgbeheer om pionierstadium te behouden is van cruciaal belang. Tegengaan van verdroging en versnippering; kleinschalig beheer zonder of met zeer extensieve begrazing; tegen gaan verbossing van heide.

Concrete, soortgerichte plaatselijke maatregelen

% Gld = belang van de Gelderse populatie voor Nederland uitgedrukt in percentage van de Nederlandse populatie voorkomend in Gelderland

Kamsalamander

Amfibieën

12

Nederlandse naam

Soortgroep

Bijlage 3 Prioritaire soorten Gelders soortenbescherming

Poelkikker, Kamsalamander

Meeliftende soorten

16

Nederlandse naam

Gladde slang

Speerwaterjuffer

Bosbeekjuffer

Soortgroep

Reptielen

Libellen

Libellen

Calopteryx virgo

Coenagrion hastulatum

Coronella austriaca

Wetenschappelijke naam

bedreigd

ernstig bedreigd

bedreigd

Rode lijst

Voorkomen in Gelderland

25% Verschillende beken in de Achterhoek, met name Slinge, Willinkbeek en Ratumsebeek

40% Kernpopulaties op de Veluwe (park de Hoge Veluwe, Veluwezoom en Kroondomeinen. Geïsoleerde populaties op de stuwwal NijmegenGroesbeek, Montferland en Wooldse veen 50% Korenburgerveen, Meddosche Veen

% Gld12

schone, beschaduwde bovenlopen (soms middenlopen) van beken

randen van hoogvenen en (zeer) zwak gebufferde vennen

droge heide terreinen, hoogveenrestante n, open bossen en jonge aanplant op zandgrond

Habitat

Organische watervervuiling, verdroging, normalisering en te intensieve schoning van beken.

Stikstofdepositie en verdroging. Leidt tot afname van zwak gebufferde omstandigheden en daarmee tot het verdwijnen van belangrijke vegetatiestructuren

Afname en versnippering van het heide- en hoogveenareaal; intensief grootschalig heidebeheer; isolatie

Bedreiging/probleem

(Gefaseerd) opschonen van vennen die de potentie hebben om zich te ontwikkelen tot (zeer) zwak gebufferde vennen (periodieke lokale of regionale grondwatertoevoer). Hoogveenherstel, d.m.v. herstel regionaal hydrologisch systeem (antiverdrogingsmaatregelen, vaak ook in omliggende landbouwgronden). Soms bos verwijderen. Doel is dat de van nature aanwezige randzone van het hoogveen (met een gradiënt van zuur, oligotroof regenwater naar meer gebufferd, mesotroof grondwater) hersteld wordt. Inbrengen van bv dood hout in beken ten behoeve van verhogen variatie in stroming. Anti-verdrogingsmaatrgelen, zodat er voldoende koud, schoon grondwater in de beek komt en de beek ook in de zomer goed blijft stromen. Terugdringen meststoffen. Realiseren meer stroomvariatie in beken.

Onwikkelen van structuurrijke en gevarieerde heideterreinten; ontwikkelen van verbindingszones (door bossen) om isolatie op te heffen.

Concrete, soortgerichte plaatselijke maatregelen

Waterlobelia, Gesteeld glaskroos

Stekende wolfsklauw, Dennenwolfsklauw

Meeliftende soorten

17

Nederlandse naam

Hoogveenglanslibel

Kleine heivlinder

Soortgroep

Libellen

Vlinders

Hipparchia statilinus

Somatochlora arctica

Wetenschappelijke naam

ernstig bedreigd

ernstig bedreigd

Rode lijst

Voorkomen in Gelderland

100% Kootwijkerzand

66% Vragenderveen, Meddosche Veen, Mosterdveen, Wooldse Veen, (Lankheet, Gld)

% Gld12

stuifzand

hoogveen

Habitat

Stikstofdepositie; Dichtgroeien stuifzand en toename grijs kronkelsteeltje (invloed op overwintering rupsen)

Verleden: habitatdestrcutie door vergraven, ontginnen en droogleggen van hoogevenen. Actueel: stikstof depositie en verdroging. Leidt tot ongunstige omstandigheden voor hoogveenvorming.

Bedreiging/probleem Hoogveenherstel, d.m.v. herstel regionaal hydrologisch systeem (antiverdrogingsmaatregelen, vaak ook in omliggende landbouwgronden). Soms bos verwijderen en kleine nieuwe veenputjes graven die snel volledig dichtgroeien met veenmossen. Bij vernatting oppassen dat dit niet te snel gebeurt i.v.m. risico resterende hoogveenvegetatie en vestiging van concurrerende libellensoorten en vissen in open water. Hoogveenglanslibel komt met name voor in veensystemen met enige minerale aanrijking. Vaak zijn dit doorstroomveentjes waar oppervlakkige beweging van water zorgt voor die aanrijking. Deze veentjes zijn over het algemeen ook soortenrijker en zijn vaak te herkennen aan de aanwezigheid van helofyten in het veen. Ook gagel is een goede indicatorsoort. Duurzaam herstel van populaties van hoogveenglanslibel kan alleen door herstel van hydrologie. Maximaal vasthouden van water kan de doorstroomsituaties laten stagneren en leidt tot verslechtering van leefgebied (en verlechtering van de gehele overgansveensituatie).

Herstel stuifzanden: - tot op het kale zand plaggen en verwijderen van de organische laag, verwijderen van jonge opslag, maar wel rekening houden met de ontwikkeling van kleine boomgroepen in de toekomst), bestrijding grijs kronkelsteeltje, bevorderen mozaïekvegetatie van bunt/schapengras - open zand - een enkele boom en struikheide) - zuidelijke bosrand terugzetten om inzijggebied te vergoten (N depositie terugdringen) - gefaseerd nieuwe kleine stuifplekken van 50m x 50m aanleggen.

Concrete, soortgerichte plaatselijke maatregelen

Kleine wolfsklauw, Blauwvleugelsprinkhaan

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10505963/1