CConstaterende datWest Maas en Waal
Koppel je AI →
Document · PDF

3.1 Inkoopstrategie Wmo en Jeugd Regio Rivierenland

Gemeenteraad 16 september 2021, gemeente West Maas en WaalBij agendapunt: a. Ingekomen stukken college en raadscommissies/werkgroepen23.990 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Inkoopstrategie Wmo en Jeugd Regio Rivierenland

Versie 3.3 Concept: versie ter besluitvorming in colleges B&W Datum: 21 mei 2021

Inhoud Samenvatting PM ................................................................................................................................. 4 1.

Inleiding......................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ................................................................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 1.2 Opbouw inkoopstrategie ................................................................................................................... 7

2.

Landelijke en bovenregionale ontwikkelingen ............................................................................. 8 2.1 Landelijke en bovenregionale ontwikkelingen .................................................................................. 8 2.2 Regionale ontwikkelingen ................................................................................................................ 11

3.

Huidige situatie ........................................................................................................................... 13 3.1 Regio................................................................................................................................................. 13 3.2 Huidig inkoopsysteem ...................................................................................................................... 13 3.3 Marktanalyse.................................................................................................................................... 14

4.

Uitgangspunten, inkoopdoelen en segmenten .......................................................................... 18 4.1 Uitgangspunten ........................................................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 4.2 Inkoopdoelstellingen................................................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 4.3 Segmenten .................................................................................. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.

5.

Vier samenhangende sturingsinstrumenten ........................ Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 5.1 Toegangsmanagement................................................................ Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 5.2 Leveranciersmanagement........................................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 5.3 Bekostigingssystematiek ............................................................. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 5.4 Samenhang sturingsinstrumenten .............................................. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 5.5 Groeimodel voor de regio ........................................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 5.6 Gedifferentieerde inkoopstrategie per segment ........................ Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.

6.

Implementatie....................................................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 6.1 Inkoopvormen ............................................................................. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 6.2 Risico’s en beheersmaatregelen ................................................. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 6.3 Inkoopsporen .............................................................................. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 6.4 Implementatieprogramma.......................................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.

Bijlage 1 Begrippenlijst (werkdocument) ..................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Bijlage 2 Overzicht (Boven)regionale ontwikkelingen & werkgroepen .............. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Bijlage 3 Gedifferentieerde inkoop per segment ........................ Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Bijlage 4 Toelichting criteria inkoopvormen ................................ Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Bijlage 5 Juridische context pilots en inkoop 2023 ...................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 2

3

4

Samenvatting PM

5

1. Inleiding 1.1 Waarom een nieuwe inkoopstrategie? Sinds de decentralisaties in het sociaal domein in 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo2015), Jeugdwet en de Participatiewet. De Nederlandse gemeenten dienen aan hun inwoners passende zorg aan te bieden. De gemeenten Buren, Culemborg, Neder- Betuwe, Tiel, West- Betuwe en West Maas en Waal werken samen bij de inkoop en het contractmanagement in het kader van de Wmo2015 en de Jeugdwet. Deze samenwerking is georganiseerd binnen de Gemeenschappelijke Regeling Regio Rivierenland door middel van een Dienstverlening overeenkomst (DVO). De Regio Rivierenland heeft de uitvoering van de DVO belegd bij het team Wmo/Jeugd van de afdeling Contractgestuurde Dienstverlening (CgD).1 Eind 2021 lopen de huidige overeenkomsten met de zorgaanbieders af.2 De gemeenten moeten dus nieuwe contracten afsluiten. Als zes samenwerkende gemeenten willen wij de inkoop van zorg uiteraard aan laten sluiten op onze lokale doelen. We hebben samen de regionale uitgangspunten geformuleerd die passen bij de beleidsmatige en financiële kaders van de zes gemeenten. Die uitgangspunten zijn de basis van de gezamenlijke inkoopstrategie Wmo2015 en Jeugdwet, die u nu in handen heeft.

Doel van deze inkoopstrategie Deze inkoopstrategie beschrijft voor de inkoop van het zorglandschap: -

de ambities; de uitgangspunten; de inkoopdoelen; hoe de inkoop van jeugdhulp en de ondersteuning vanuit de Wmo2015 bijdragen aan het realiseren van deze ambities en inkoopdoelen.

Deze inkoopstrategie is dus het spoorboekje voor het volledige inkooptraject van zorg in het kader van Wmo 2015 en Jeugdwet in 2021 en verder.

1 Twee uitzonderingen hierbij: 1. De gemeenten Zaltbommel en Maasdriel hebben aangegeven niet deel te nemen in deze inkoop. 2. Voor diensten

op vlak van huishoudelijke ondersteuning en hulpmiddelen lopen de overeenkomsten nog niet af. 2 Bestuurlijk is besloten om de bestaande overeenkomsten te verlengen tot 1 januari 2023.

6

Scope van deze inkoopstrategie Deze inkoopstrategie richt zich primair op alle zorgdiensten die de zes gemeenten op regionaal niveau willen inkopen in het kader van de Wmo2015 en de Jeugdwet. Concreet gaat het om de inkoop van extramurale ondersteuning. Toch besteden we in hoofdstuk 2 ook aandacht aan de inkooptrajecten die reeds hebben plaatsgevonden (huishoudelijke ondersteuning en hulpmiddelen en Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang) of die op bovenregionaal niveau zijn of zullen worden ingekocht. De Regio moet immers zorgen voor voldoende samenhang op vlak van inkoop binnen het Sociaal domein. Daarom kijken we voor de inkoopstrategie voor extramurale diensten wel degelijk naar het grote plaatje: enerzijds de reeds ingekochte onderdelen (zoals huishoudelijke ondersteuning en hulpmiddelen), anderzijds de bovenregionale inkoop (Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang). Voor de nog te ontwikkelen regionale visie op de intensieve en specialistische jeugdzorg geldt dit principe ook.

Het proces van totstandkoming van deze inkoopstrategie Na een verkenning en reflectie op het huidige inkoopsysteem, hielden we interviews met ambtelijke en bestuurlijke vertegenwoordigers van de zes samenwerkende gemeenten en de regio Rivierenland. We spraken over hun ervaringen met de zorginkoop in de afgelopen jaren en zetten alle verbeterwensen op papier. We kregen veel inzicht in de zaken die goed lopen. Gestaafd met achterliggende cijfers vanuit een marktanalyse per gemeente hadden we zo een sterkt startpunt voor de inkoop van zorg voor de komende jaren. In een intensief en nauwgezet proces formuleerden we de uitgangspunten en vertaalden deze naar inkoop. De inkoopdoelen vormen samen met deze uitgangspunten het kader voor de juridische en praktische vertaling in de inkoopdocumenten. Tijdens dit proces inventariseerden we zowel de ambtelijke als bestuurlijke uitgangspunten, wensen en voorkeuren voor de inkoop van Wmo2015 en Jeugdhulp. De inkoopstrategie bouwt voort op de bestaande beleidsplannen van de gemeenten. Deze inkoopstrategie is dus het resultaat van een solide samenwerking tussen de zes samenwerkende gemeenten in de regio Rivierenland.

7

1.2 Opbouw inkoopstrategie De opbouw van dit document volgt het VNG-Inkooppiramidemodel (zie Figuur 1) met daarin de elementen voor een inkoopstrategie. Het biedt ons een logisch stappenplan om vanuit visie en analyse de keuze te maken voor de inkoopinstrumenten. Inkoopstrategie Uitgangspunten (transformatie Sociaal Domein)

Analyse

Instrumenten

Uitvoering

Contracteren

Marktanalyse

Inkoopdoelen

Leveranciersmanagement

Toegangsmanagement

Bekostigingsmodel

Contractvormen

Contract- en Leveranciersmanagement

Materiële controle

Prestatie-meting

Toegangsmanagement

Projecten

Figuur 1: VNG-Inkooppiramidemodel

Redeneerlijn en leeswijzer De inkoopstrategie is feitelijk een redeneerlijn die als volgt is opgebouwd: Stap 1 Welke uitgangspunten zijn voor de afzonderlijke gemeenten van belang en welke gemeenschappelijke noemer is hierin te onderkennen? Wat is de scope van de nieuwe inkoop? Stap 2 Analyse van de huidige inkoop en de markt van aanbieders in de regio Rivierenland Stap 3 Welke inkoopdoelen hanteren de samenwerkende gemeenten? Stap 4 Welke keuzes uit de mix van sturingsinstrumenten wordt gemaakt? Stap 5 Hoe ziet de implementatie van de inkoopstrategie er op hoofdlijnen uit en welke randvoorwaarden en risico’s zijn aan de orde? Bovenstaande stappen leiden tot de volgende indeling van dit document: Hoofdstuk 2: Landelijke en bovenregionale ontwikkelingen Hoofdstuk 3: Huidige inkoop en marktanalyse Hoofdstuk 4: Uitgangspunten, inkoopdoelen en segmenten Hoofdstuk 5: Vier samenhangende sturingsinstrumenten Hoofdstuk 6: Implementatie, randvoorwaarden en risico’s In het document komen veel termen en begrippen voor die om een definitie of nadere omschrijving vragen. In bijlage 1 is deze begrippenlijst opgenomen.

8

2. Landelijke en bovenregionale ontwikkelingen 2.1 Landelijke en bovenregionale ontwikkelingen De context rond deze inkoopstrategie is volop in ontwikkeling. Zoals het SCP het stelt1 (zie ook kader hieronder) gaat het in het sociaal domein om ‘een continu, dynamisch langdurig proces dat nog volop in ontwikkeling is’. In haar terugblik op de afgelopen vijf jaar concludeert het SCP dat de verwachtingen van het decentraliseren van taken naar gemeenten in het sociaal domein te hoog gespannen waren. De gewenste verbeteringen op vlak van de zelfredzaamheid van mensen en een zorgzamere samenleving zijn vaak nog ver te zoeken. Er zijn nog steeds knelpunten in de jeugdzorg. Gemeenten behalen nog geen betere resultaten dan het rijk.

‘Sociaal domein op koers? Verwachtingen en resultaten van vijf jaar decentraal beleid.’ Sociaal Cultureel Planbureau (november 2020) Hoofdlijnen • Sociale (wijk)teams bieden laagdrempelige toegang maar te weinig tijd voor proactief/outreachend werken • Verschuiving in gebruik van individuele naar algemene voorzieningen blijft onduidelijk • Geen verschuivingen van zware naar lichte individuele Wmo2015- en Jeugdwetvoorzieningen • Integraal werken is van belang voor kleine groep cliënten, maar kent belemmeringen • Samenwerking gemeenten met partijen (zoals zorgverzekeraars, aanbieders van (jeugd)zorg en welzijn, werkgevers, onderwijsinstellingen en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)) is toegenomen, maar blijft lastig • Ruimte voor gemeentelijk beleid op onderdelen is vergroot • Professionals in de uitvoering ervaren spanningsveld tussen procedures en maatwerk • Innovatie in de uitvoeringspraktijk blijft achter • Beroep op eigen kracht en netwerk blijkt niet altijd mogelijk • De bijdrage van jeugdzorg lijkt beperkt • Samenleving lijkt niet zorgzamer geworden • Stelsel van voorzieningen in het sociaal domein wordt niet minder complex Aanbeveling: Wees realistisch en denk breed • Wees realistisch over redzaamheid en de zorgzame samenleving • Reken jezelf niet rijkZorg voor integraal rijksbeleid • Hanteer een brede definitie van het sociaal domein Aanbeveling:

Denk vanuit de burger • Geef meer prioriteit aan kwetsbare groepen • Verminder complexiteit van regelgeving Vanuit het Rijk en de Tweede Kamer, maar ook door de gemeenten zelf, worden de ontwikkelingen rond de uitvoering van de gedecentraliseerde taken in het sociaal domein nauwgezet gevolgd. De in 2019 door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in het leven geroepen Visitatiecommissie financiële beheersbaarheid sociaal domein ondersteunt gemeenten om grip houden op de financiën in het sociaal domein door middel van visitaties. Eerder dit jaar publiceerde de commissie haar meest recente bevindingen in een derde rapportage. Ze constateert dat door de verhoogde kosten gemeenten vaak moeten bezuinigen en zij geen financiële ruimte meer hebben om te investeren in de echte transformatie. Ook hebben gemeenten niet altijd een beslissende rol rondom het bieden van hulp en ondersteuning en

9

kunnen zij hier maar beperkt (of niet) op sturen. Zo wordt hulp en ondersteuning ook toegewezen door andere verwijzers zoals bijvoorbeeld huisartsen en rechters. VNG Visitatiecommissie sociaal domein - Hoofdlijnen derde tussenrapportage oktober 2020) Mate van grip en sturing: • Gat tussen visie en stuurinformatie veelal merkbaar • Bewustzijn van gemeenten rondom budgetten sociaal domein, moeten keuzes maken en • Door verschuiving naar operationele uitvoering blijkt strategisch en structureel investeren in het stelsel lastig (bijvoorbeeld in preventie) • Onduidelijkheid over verdeelmodellen laat gemeenten in onzekerheid Veelvoorkomende thema’s: • Samenspel tussen bestuur, toegang en uitvoering verdient aandacht • Kostenbewustzijn toegangsmedewerkers (sturen op hoge cliëntentevredenheid leidt tot toewijzen best mogelijke zorg. Toegangsmedewerkers niet altijd op de hoogte van de kosten) • Meest uitgebreide hulpverlening is niet altijd de meest passende hulpverlening • Organisatorische veranderingen en transformatie gaan lastig samen [maar brengen ook energie en ruimte voor een nieuwe koers] Systeem: • Ongewenste rol Wmo-abonnementstarief op groei instroom • Verwijsstromen buiten de gemeente om terwijl zij wel financieel verantwoordelijk zijn (huisartsen, GI) • Grote impact van dure casussen op begroting kleine gemeenten

Ook nam de VNG tijdens haar leden Algemene Ledenvergadering in juni 2020 de resolutie ‘Norm van opdrachtgeverschap’ aan (zie kader hieronder) waarin gemeenten zich collectief uitspreken dat en hoe ze willen samenwerken bij de inkoop van jeugdhulp, Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang. De norm schetst hoe gemeenten voor sommige vormen van zorg regionale en bovenregionale samenwerking willen regelen. Daarbij gaat het vooral om de beschikbaarheid van weinig voorkomende en specialistische vormen van hulp. VNG - Resolutie Norm voor opdrachtgeverschap (Jeugd, Beschermd Wonen, Maatschappelijke Opvang) (juni 2020) De ambitie is kwalitatief goede zorg bieden die aansluit bij de behoeften en mogelijkheden van jeugdigen, ouders en gezin. Zorg die bovendien betaalbaar is, niet alleen nu, maar ook in de toekomst. Om die ambitie waar te maken is een duurzame oplossing nodig. Samenwerking is daarbij cruciaal. Gemeenten erkennen hiermee dat op onderdelen regionale en bovenregionale samenwerking essentieel is voor: • de beschikbaarheid van de benodigde zorgfuncties • een zorgvuldige transformatie van het zorglandschap • verminderde bureaucratie Op basis van diverse evaluaties en rapporten en haar systeemverantwoordelijkheid werkt het Rijk aan de wet verbetering zorg voor jeugdigen, die eind dit jaar naar de Raad van State voor advies gaat.

Met deze wet beoogt het Rijk dat: • gemeenten hun opdrachtgeverschap verstevigen door regionale samenwerking • gemeenten hun toegang tot jeugdhulp versterken 10

• •

Jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen hun opdrachtnemer- en werkgeverschap en goed bestuur versterken het inzicht en het toezicht op zorg voor jeugdigen wordt versterkt

De norm verplicht gemeenten om binnen hun regio dezelfde contractvoorwaarden te hanteren en zich te houden aan dezelfde zorgvuldigheidseisen bij de inkoop. Ook willen de gemeenten reële tarieven hanteren In de norm staat dat gemeenten in regionaal verband een regiovisie opstellen, in overleg met onder meer jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen, jongeren en ouders. In deze visie moeten zij helderheid bieden over: • beschikbaarheid en continuïteit van specialistische jeugdhulp • hoe de toegang tot de gecontracteerde hulp geregeld is • voor welke functies gemeenten bovenregionaal samenwerken (bv bovenregionaal expertisecentra).

Figuur 2: In Figuur 2 is de routekaart en volgordelijkheid voor het opstellen van de Norm voor Opdrachtgeverschap opgenomen.

Ondertussen ligt er een conceptwetsvoorstel ‘Verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen’ klaar. Tijdens de internetconsultatie hebben de gemeenten zich kritisch uitgelaten. Het Rijk geeft in de memorie van toelichting aan dat “de zich ontwikkelende, verbeterde praktijk wordt meegenomen in dit wetsvoorstel zodat deze zo veel mogelijk de praktijk codificeert”. Gemeenten geven aan dat het Rijk te grote nadruk legt op specialistische jeugdhulp. Hierdoor ontstaat een gebrek aan samenhang, wordt de noodzaak om hulp dicht bij de inwoners te bieden miskend. Bovendien, zo stellen de gemeenten, gaat het Rijk te veel op hun stoel zitten, erkent zij gemeenten onvoldoende als medeoverheid en doet ze onvoldoende recht aan de regionale diversiteit en de ontwikkelende gemeentepraktijk, zoals blijkt uit de Norm voor Opdrachtgeverschap (zie bovenstaand kader). Inmiddels heeft het kabinet in een brief aan de Eerste Kamer geschetst hoe organisatie van de jeugdzorg verbeterd kan worden3. Daarin werken gemeenten regionaal samen om het opdrachtgeverschap te verstevigen.

3

Brief aan de Eerste Kamer, d.d. 20 april 2021, kenmerk 1672852-204132-J

11

Rijk - Hoofdlijnen conceptwetsvoorstel 'Verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen’ (2020) • Gemeenten in een jeugdregio stellen (aanvullend op hun lokale beleid) een regiovisie op waarin de gewenste ontwikkeling van het zorglandschap is beschreven. De regiovisie wordt toegevoegd aan het lokale beleidsplan dat volgens artikel 2.2 van de Jeugdwet moet worden opgesteld. • In de regiovisie wordt ten minste ingegaan op de gezamenlijke organisatie van kinderbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering en bij of krachtens AMvB te bepalen vormen van jeugdhulp. Dit betekent dat er regionaal wordt ingekocht (door de regionale entiteit) en dat de verantwoording plaatsvindt op een eenduidige manier per product. Daarnaast stemmen gemeenten bovenregionaal af, middels een op overeenstemming gericht overleg (OOGO), over (bij of krachtens AMvB te bepalen) specifieke specialistische vormen van jeugdhulp. • Gemeenten treffen voor bovenstaande taken een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Op grond van die gemeenschappelijke regeling richten ze een openbaar lichaam of een bedrijfsvoeringsorganisatie op of wijzen ze een centrumgemeente aan die wordt belast met bovenbedoelde inkoop en de bovenregionale afstemming. Deze regionale entiteit noemen we ‘Jeugdregio’.

In nadere regelgeving wordt vastgelegd welke gemeenten samenwerken in welke Jeugdregio.

De hierboven genoemde ontwikkelingen zullen grote invloed hebben op de organisatie en uitvoering van gemeentelijke taken in het sociaal domein, specifiek op het gebied van gespecialiseerde jeugdhulp.

2.2 Regionale ontwikkelingen Op het gebied van Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang is veel in beweging, met onder andere een doorgedreven decentralisatie van centrumgemeenten naar gemeenten. Centrumgemeente Nijmegen heeft de taken op het gebied van Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang tot 2023 ingekocht. Vanaf 2022 gaat Beschermd Wonen gefaseerd over 10 jaar over naar individuele gemeenten. Maatschappelijke Opvang (en de taken op het gebied van OGGZ en verslavingsbeleid) wordt waarschijnlijk ook verder gedecentraliseerd. In voorbereiding op deze ontwikkelingen hebben alle gemeenten uit de BW/MO-centrumgemeenteregio Nijmegen en Rivierenland in 2017 het beleidskader ‘Samen Dichtbij’ vastgesteld. In dit beleidskader beschrijven de regio’s hun gezamenlijke ambitie en visie voor de toekomst van Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang en werken ze de transformatie en ambulantisering verder uit. In het portefeuillehouders-overleg is gekozen voor één centrale toegang voor Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang. Daarmee blijft Beschermd Wonen een bovenregionale voorziening. Voor de lokale inrichting van zelfstandig wonen met begeleiding/beschermd thuis wonen is een groeipad van één jaar uitgetekend. De diensten die centrumgemeente Nijmegen nu nog inkoopt en contracteert, zullen mogelijk op termijn naar het sub-regionale niveau gaan.

De ambulante begeleiding van mensen die uit een vorm van Beschermd Wonen komen, behoort tot de reguliere inkoop.

Bovenregionale afstemming/inkoop In deze inkoopstrategie anticiperen de gemeenten al zoveel mogelijk op deze ontwikkelingen. In een aantal gevallen hebben de zes samenwerkende gemeenten reeds stappen gezet op (boven)regionaal niveau (zie Bijlage 2). In onderstaande afbeelding is deze ontwikkeling voor de essentiële jeugdhulpfuncties weergegeven.

12

Figuur 3: Bovenregionale samenwerking (Gelderse Jeugdhulpregio’s) op essentiële jeugdhulpfuncties In navolging van de kabinetsbrief Perspectief voor de Jeugd zijn de volgende bovenregionale vormen van jeugdhulp onderwerp van afstemming tussen gemeenten in andere regio’s: -

-

(gesloten) woonvoorzieningen voor jeugdigen met complexe problemen (gesloten jeugdhulp, 3milieusvoorziening, zware intramurale GGZ, Wvggz- en Wzd-plaatsen) in samenhang met het onderwijs, inclusief intensieve ambulante vormen ter vervanging van verblijf; de expertisecentra voor jongeren met weinig voorkomende ernstige psychiatrische en/of anderszins complexe problematiek; jeugdhulp vanuit het gedwongen kader en strafrechtelijke beslissingen (forensische hulp); jeugdbescherming, jeugdreclassering en Veilig Thuis.

Daarnaast hebben de zes samenwerkende gemeenten onlangs de inkoop van huishoudelijke ondersteuning en hulpmiddelen afgerond. Tot slot denkt ieder van de zes samenwerkende gemeenten momenteel individueel na over of zet zelfs al stappen rond de (inrichting en positionering van) toegang, transformatie en (versterking van) de sociale basis. Kortom: de inkoopstrategie begint niet vanaf nul, maar bouwt voort en sluit aan bij ontwikkelingen die reeds in gang zijn gezet.

13

3. Huidige situatie In dit hoofdstuk schetsen we de context van de inkoopstrategie vanuit een regionaal en cijfermatig perspectief. De gepresenteerde beelden van de regio komen uit verschillende bronnen. De door de gemeenten aan Regio Rivierenland toegeleverde cijfers zijn verwerkt in dit document.

3.1 Regio De regio Rivierenland is een uitgestrekt geografisch gebied, afgebakend door meerdere rivieren en in nauwe verbinding met andere regio’s via de A15 en de A2. De regio heeft een landelijk karakter en kent veel kernen van wisselende grootte en enkele grotere steden met hun eigen lokale context en identiteit. De totale regio bestaat uit acht gemeenten met in totaal bijna 250.000 inwoners. De grotere gemeenten vertonen enkele grootstedelijke kenmerken en problematieken. De overige gemeenten kennen een meer landelijk karakter. De gemeente West Betuwe is binnen de regio de grootste gemeente in termen van inwonertal. Tiel is daarbinnen een stedelijke kern met de meeste zorg- en ondersteuning-behoevende inwoners. De gemeenten Zaltbommel en Maasdriel maken onderdeel uit van de regio Rivierenland, maar hanteren een eigen inkoopstrategie.

Ontwikkeling bevolking Voor alle gemeenten binnen de regio wordt een bevolkingsgroeigroei geprognosticeerd in de periode 20202030 tussen 1% (West Maas en Waal) en 7,5% (Culemborg).4 Tegelijkertijd neemt het aandeel inwoners boven de pensioengerechtigde leeftijd relatief toe ten opzichte van de totale bevolking. Naar verwachting bevindt in 2035 ruim 20% van de bevolking zich in de pensioengerechtigde leeftijdscategorie5. Het aandeel 75+’ers zal stijgen, van 8% in 2019 naar een geschatte 17% in 2050.6 In de afgelopen jaren zag men het aantal ouderen met ondersteuning, huishoudelijke ondersteuning en hulpmiddelen al stijgen. Alles wijst erop dat deze trend zich in de toekomst doorzet.

3.2 Huidig inkoopsysteem Voor de uitvoering van de taken uit de Wmo 2015 en Jeugdwet in de huidige contractperiode was keuzevrijheid voor inwoners het centrale uitgangspunt. De zes gemeenten streefden naar een breed aanbod aan zorgaanbieders. Dat leidde tot de huidige ‘open house’ inkoopsystematiek. Dit betekent dat zorgaanbieders, zonder selectie en gunning, vrij kunnen inschrijven op een perceel en dat inwoners met een beschikking zorgovereenkomsten met deze zorgaanbieders kunnen aangaan.

4 PBL/CBS regionale bevolkings- en huishoudensprognose 2019 5 ABF Research - Primos prognose 2020 6 Mura Zorgadvies, Regiobeeld Ouderen Rivierenland 2019: Programma ‘Samen… Oud in Rivierenland’, 2020.

14

Segment

Persoonlijke verzorging

Begeleiding Individueel

Begeleiding Groep/Dagbest eding

Kortdurend verblijf/Logeren

Persoonlijke verzorging

Ambulante begeleiding

Ambulante behandeling

Logeren

Wonen zonder behandeling

Behandeling met verblijf

Inkoopsystematiek

Open house

Open house

Open house

Open house

Open house

Open house

Open house

Open house

Open house

Open house

Perceel

Perceel 1: Persoonlijke verzorging

Perceel 2: Begeleiding Individueel

Perceel 3: Begeleiding Groep/Dagbest eding

Perceel 4: Kortdurend verblijf/Logeren

Perceel 1: Persoonlijke verzorging

Perceel 2: Ambulante begeleiding

Perceel 3: Ambulante behandeling

Perceel 4: Logeren

Perceel 5: Wonen zonder behandeling

Perceel 6: Behandeling met verblijf

Bekostiging

Inspanningsgericht (PxQ)

Inspanningsgericht (PxQ)

Inspanningsgericht (PxQ)

Inspanningsgericht (PxQ)

Inspanningsgericht (PxQ)

Inspanningsgericht (PxQ)

Inspanningsgericht (PxQ)

Inspanningsgericht (PxQ)

Inspanningsgericht (PxQ)

Inspanningsgericht (PxQ)

Contractvorm

Taakgericht

Taakgericht

Taakgericht

Taakgericht

Taakgericht

Taakgericht

Taakgericht

Taakgericht

Taakgericht

Taakgericht

Leveranciersmanagement

Regio Rivierenland

Regio Rivierenland

Regio Rivierenland

Regio Rivierenland

Regio Rivierenland

Regio Rivierenland

Regio Rivierenland

Regio Rivierenland

Regio Rivierenland

Regio Rivierenland

Toegang

Lokaal

Lokaal

Lokaal

Lokaal

Lokaal

Lokaal

Lokaal

Lokaal

Lokaal

Lokaal

• •

Producten

•

Persoonlijke verzorging, regulier Persoonlijke verzorging, specialistisch

•

•

Begeleiding individueel, regulier Begeleiding individueel, specialistisch

• • • •

Begeleiding Groep, Licht Begeleiding Groep, Midden Begeleiding Groep, Zwaar Vervoer Regulier Vervoer Rolstoel

• •

Kortdurend verblijf, basis Kortdurend verblijf, intensief

•

pm

•

pm

•

pm

•

pm

•

pm

•

pm

Figuur 4: Overzicht kenmerken huidig inkoopsysteem per segment Figuur 4 vat de eigenschappen en karakteristieken samen van de percelen en segmenten in het huidige inkoopsysteem. De rode vlakken zijn de Wmo-segmenten, de blauwe de segmenten in de Jeugdwet. De gepresenteerde blokken betreffen extramurale ondersteuning en jeugdhulp. De zes betrokken gemeenten hebben hun inkoop voor alle segmenten op gelijke wijze georganiseerd. Inwoners met een ondersteunings- of zorgvraag kunnen via de toegang in de gemeente ((sociaal) team, consulent of andere verwijzer) vragen om een indicatie die leidt tot een beschikking van de gemeente. Na toekenning via de beschikking voor een individuele voorziening kan de inwoner een vrije keuze maken uit een zorgaanbieder die aan de ‘open house’ deelneemt. Inwoners kunnen online een aanbieder kiezen; de gemeente heeft in het huidige systeem beperkte invloed op deze keuze.

3.3 Marktanalyse Binnen de regio is een grote verscheidenheid aan grote en kleinere zorgaanbieders actief. De ‘open house’ systematiek heeft in de afgelopen jaren geleid tot een hoog aantal inschrijvingen van zorgaanbieders. In deze analyse is niet gekeken naar de bedrijfseconomische resultaten van deze zorgaanbieders. Voor een algemeen beeld in de regio hebben we de cijfers en kengetallen over het jaar 2019 geanalyseerd. Dit zijn cijfers over extramurale en intramurale ondersteuning in de Wmo en jeugdhulp. Deze cijfers tonen daarmee niet alle uitgaven: in de cijfers zijn de kosten van de maatwerkvoorzieningen niet opgenomen, zoals huishoudelijke ondersteuning, woonvoorzieningen (zoals Trapliften), hulpmiddelen (zoals rolstoelen, scootmobielen en kindervoorzieningen) en het collectief vraagafhankelijk vervoer.

Aantal zorgaanbieders en zorgafnemers In het jaar 2019 schreven 268 Wmo-aanbieders en 410 jeugdhulpaanbieders zich in op de Wmo- en jeugdhulppercelen van de gemeenten. Samen hielpen zij in totaal 8.428 jeugdige cliënten in het kader van de Jeugdwet en 2.457 inwoners in het kader van de Wmo2015 (exclusief huishoudelijke ondersteuning). Deze inwoners hebben een beschikking ontvangen voor een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo2015 of Jeugdwet. De geleverde zorg wordt door de gemeenten afgerekend aan de hand van de zogenaamde P*Q-formule: per geleverd product wordt een vooraf afgesproken prijs betaald. 15

Absolute en relatieve uitgaven per gemeente In Figuur 5 zijn de absolute en relatieve uitgaven per gemeente opgenomen. De totale omvang van goedgekeurde declaraties bedroeg in 2019: € 12.932.137,- voor Wmo en € 35.579.997,- voor Jeugdhulp. Gemeente Tiel zag de hoogste uitgaven in het kader van Jeugd en Wmo. Gemeente West Betuwe volgt op een tweede plek. De uitgaven van gemeenten Buren, Culemborg, Neder-Betuwe en West Maas en Waal vallen lager uit. De van kosten voor Wmo en Jeugdhulpproducten per inwoner laat zien dat gemeente Tiel de hoogste gemiddelde kosten per inwoner heeft (circa €350 per inwoner). Gemeente West-Betuwe heeft de laagste kosten per inwoner (circa €200 per inwoner). De kosten van Wmo en Jeugdhulp verklaren in hoge mate de gemeentelijke financiële prestaties in het sociaal domein. € 16.000.000

€ 400

€ 14.000.000

€ 350

€ 12.000.000

€ 300

€ 10.000.000

€ 250

€ 8.000.000

€ 200

€ 6.000.000

€ 150

€ 4.000.000

€ 100

€ 2.000.000

€ 50

€-

€Buren

Culemborg

Neder-Betuwe

Totale uitgaven ingekochte Wmo en Jeugdhulp

Tiel

West Betuwe

West Maas en Waal

Gemiddelde kosten per inwoner

Figuur 5: Totale en gemiddelde kosten per inwoner Wmo en Jeugdhulp naar gemeente (2019) Figuur 6 en Tabel 1 tonen de hoogte van goedgekeurde bedragen per segment. Uit deze figuren blijkt dat met name ‘Begeleiding’, ‘Behandeling’ en de intramurale producten ‘Wonen zonder Behandeling’ en ‘Behandeling met verblijf’ een groot gedeelte van de totale uitgaven betreffen. De uitgaven voor ‘Persoonlijke verzorging’, ‘Kortdurend verblijf’ en ‘Logeren’ bedragen een fractie op het totale aantal uitgaven.

16

€ 18.000.000 € 16.000.000 € 14.000.000 € 12.000.000 € 10.000.000 € 8.000.000 € 6.000.000 € 4.000.000 € 2.000.000 €0

Figuur 6: Goedgekeurde bedragen per perceel (2019)

Wet

Wmo2015

Jeugdwet

Perceel

Goedgekeurd bedrag

Persoonlijke verzorging Individuele begeleiding Begeleiding (groep)/Dagbesteding Kortdurend verblijf Persoonlijke verzorging Ambulante begeleiding Ambulante behandeling Logeren Wonen zonder behandeling Behandeling met verblijf Gecertificeerde instelling Landelijk ingekochte zorg Jeugdzorg plus

€ 52.875 € 8.802.420 € 4.038.870 € 37.972 € 172.391 € 7.049.016 € 16.511.447 € 560.158 € 3.718.607 € 7.568.379 € 3.172.637 € 2.753.885 € 455.461

Totaal ingeschreven aanbieders 27 130 83 28 16 140 115 36 28 34 3 34 3

Aantal cliënten 16 1656 775 10 43 1452 5686 110 262 160 539 148 9

Aandeel top-3

Aandeel top-10

n.v.t.

n.v.t.

32,46% 39,31%

64,89% 67,47%

n.v.t. n.v.t.

n.v.t. n.v.t.

34,16% 40,26% 37,59% 66,10% 67,72%

53,96% 66,16% 76,43% 91,05% 85,99%

n.v.t. n.v.t. n.v.t.

n.v.t. n.v.t. n.v.t.

Tabel 1: Kengetallen per perceel (2019)7 Voor alle Wmo- en jeugdhulppercelen bestaat er een dekkend zorgaanbod met inschrijvingen van kleinere en grotere zorgaanbieders. Uit nadere analyse blijkt dat voor de meeste percelen een gebruikelijke marktconcentratie geldt: de top 3 van zorgaanbieders verzorgt circa 30-40% van de zorg in deze percelen en de top 10 verzorgt grofweg 65% van de totale zorg. Het aandeel van de top 10 is iets lager voor ambulante begeleiding (circa 54%) en hoger voor ‘Logeren’ (circa 76%), ‘Wonen zonder behandeling’ (circa 91%) en ‘Behandeling met verblijf’ (circa 86%). Uit vergelijking van de aandelen top 3 en top 10 voor de intramurale jeugdhulp (‘Wonen zonder behandeling’ en ‘Behandeling met verblijf’) valt vooral op dat de top 3 zorgaanbieders ruim twee derde van deze percelen bedient. De resterende partijen in de top-10

7 De gepresenteerde cijfers over het jaar 2019 zijn afkomstig van de Regio Rivierenland. Regio Rivierenland ontvangt haar cijfers periodiek van de gemeenten. De gehanteerde cijfers zijn gebaseerd op peildatum 22-06-2020. Mogelijke verschuivingen kunnen veroorzaakt worden door latere verwerking van gegevens in deze overdracht tussen gemeenten en Regio Rivierenland.

17

bedienen slechts een fractie vergeleken met de top 3 partijen. Deze hoge percentages voor intramurale jeugdhulp zijn een mogelijke indicatie van beperkte keuzemogelijkheden voor inwoners in deze percelen. Indien het aantal zorgaanbieders in deze percelen inderdaad te krap is, dan kan dit een verklaring zijn voor een tekort aan capaciteit en dus de aanwezigheid van wachtlijsten. Uit Tabel 1 volgt dat de uitgaven van de percelen een grote spreiding kennen. Binnen de Wmo heeft het perceel ‘Kortdurend verblijf’ de laagste uitgaven (circa € 37.000,-) en het perceel individuele begeleiding de hoogste uitgaven (circa € 8.800.000,-). Voor de Jeugdwet is het beeld vergelijkbaar. De laagste uitgaven kent het perceel persoonlijke verzorging (circa € 172.000,-) en het perceel ambulante behandeling de hoogste (circa € 16.500.000,-) . De percelen ‘Persoonlijke verzorging’ onder de Wmo en Jeugdhulp zijn zeer kleine binnen het totaal aantal afgenomen zorgproducten. Deze percelen bestaan nog sinds de taakoverheveling vanuit de decentralisaties, maar de meeste cliënten voor persoonlijke verzorging doen een beroep op dit product vanuit de Wet langdurige zorg en de Zorgverzekeringswet. De groep cliënten die op basis van bestaande rechten gebruik maakt van deze regeling is beperkt tot enkele tientallen en zal niet toenemen in de komende jaren.

Verschillen in zorgaanbod tussen gemeenten Er zijn enkele lokaal georiënteerde zorgaanbieders, die exclusief een substantieel deel van zorg leveren voor één of een groep van gemeenten (bijvoorbeeld Zorggroep Maas en Waal voor het leveren van dagbesteding). In de komende inkoop moeten we als gemeentes rekening houden met de rol van identiteitsgebonden zorg. De Wmo2015 en Jeugdwet bevatten immers passages waarin is beschreven dat de gemeente rekening dient te houden met voorkeuren van cliënten bij het aanbieden van voorzieningen die burgers ondersteuning bieden. De overlap tussen de aanbieders van jeugdhulpproducten van de Jeugdwet en de ondersteuningsproducten van de Wmo is beperkt. De doelgroepen van beide regelingen zijn anders en tonen, ondanks enkele gedeelde kenmerken, slechts beperkte mogelijkheden voor combinaties van zorgarrangementen. De top 10 van de twee wettelijke regelingen kent weinig dezelfde zorgaanbieders. Het marktaandeel van de top 10 aanbieders in de Wmo en Jeugdwet is ieder 55%. Het is onwaarschijnlijk dat deze overlap wel bestaat in de overige 45% van de aanbieders, die bovendien een veel kleinere omvang in marktaandeel hebben. Als er in de praktijk een verregaande overlap van de dienstverlening aan jeugd en volwassen zou bestaan, dan zou dat moeten blijken uit de omvang van deze marktaandelen. Dit blijkt op basis van de bestudeerde gegeven niet het geval.

Bevindingen op hoofdlijnen De regio kent een ruim aanbod van zorgproducten met goede dekking van alle gemeenten. In deze analyse is niet nader gekeken naar de omzetten, uitgaven en winsten van de zorgaanbieders. Uit de cijfers blijkt dat voor de meeste segmenten een ruim aanbod van zorg beschikbaar is. Vooral voor de extramurale ondersteuning en jeugdhulp is een breed scala aan zorgaanbieders actief. Het gaat daarbij ook om vele kleinere zorgaanbieders, waardoor het moeilijker is om efficiënt contractmanagement te voeren. Tegelijkertijd blijkt duidelijk dat intramurale jeugdhulp (te weten de producten ‘Wonen zonder behandeling’ en ‘Behandeling met verblijf’) vooral belegd is bij een beperkt aantal grotere zorgaanbieders. Dit bevestigt de bestaande beelden ten aanzien van het achterblijvende aanbod, te weinig capaciteit en wachtlijsten binnen deze percelen. De vele aanbieders maken het ook niet eenvoudig om de gericht met enkele cruciale partners te werken aan de transformatie.

18

4. Uitgangspunten, inkoopdoelen en segmenten 4.1 Uitgangspunten De inkoop is samen met de toegang een belangrijk instrument voor gemeenten om de transformatie in het sociaal domein te realiseren. Voor de regionale inkoopstrategie voor het sociaal domein heeft de regio acht gemeenschappelijke uitgangspunten geformuleerd – uiteraard met lokale accentverschillen. Deze principes nemen we in hun geheel op in dit hoofdstuk. Zij zijn geschreven vanuit het gezamenlijk perspectief van de zes samenwerkende gemeenten. Uitgangspunt 1: Zelfredzaamheid Hiermee bedoelen we dat mensen het vermogen hebben om zichzelf te redden op alle terreinen in het dagelijks leven. Professionele ondersteuning en zorg is er alleen voor mensen die het echt nodig hebben. Iedere inwoner van de regio is gebaat bij het (zo snel mogelijk weer verkrijgen van) het vermogen om dagelijkse activiteiten zelfstandig te kunnen doen. Wanneer een inwoner een ondersteuningsvraag heeft, kijken we eerst naar wat de inwoner en zijn netwerk zelf kunnen. De inwoner houdt zoveel mogelijk zelf de regie. Het gaat dus niet alleen om de eigen kracht van een individu, maar ook om de kracht van zijn omgeving (de zogenaamde “samen kracht”). Daarna kijken we welke algemene voorzieningen of voorzieningen uit de sociale basis we kunnen inzetten. Deze voorzieningen zetten inwoners meer in de eigen kracht en dragen bij aan normaliseren.

Indien nodig zetten we geïndiceerde zorg in, met als leidend principe dat ondersteuning zo dichtbij mogelijk is en de zorg aansluit op het dagelijks leven. Daarbij staat de leefwereld van de inwoners centraal in plaats van de systeemwereld van de overheid of de aanbieder. Lokaal wat lokaal kan. Inwoners en gemeenten zijn gebaat bij een integrale benadering en adequate afstemming tussen professionals en betrokkenen vanuit het sociale netwerk of de algemene voorzieningen. Daarmee vormt de regionale inkoop van ondersteuning Wmo en Jeugd een aanvulling op hetgeen de inwoner, het gezin/systeem zelf kan en op algemene en voorliggende voorzieningen die benut kunnen worden in de lokale context. Uitgangspunt 2: Toegang Onze gemeenten kiezen ervoor om zelf in te staan voor de toegang tot maatwerkvoorzieningen8. De lokale toegang verschilt per gemeente en dat koesteren we, omdat we zo rekening kunnen houden met specifieke lokale omstandigheden. Bij het afgeven van een beschikking voor maatwerkvoorzieningen is het zaak om eenduidige afspraken te maken tussen lokale toegang en de aanbieders. De toegang verschilt, maar de werkwijze voor inzet van gespecialiseerde ondersteuning is zoveel mogelijk gelijk.

In de lokale toegang zorgen deskundige medewerkers voor de triage en een ondersteuningsplan> Dit plan houdt rekening met voorliggende voorzieningen, het netwerk van de cliënt, de mogelijkheid van geïndiceerde of verwezen zorg en de monitoring van de effecten. Het belang van een goede diagnose in de toegang en dus ‘aan de voorkant’ onderschrijven en maken we mogelijk. Waar sprake is van andere verwijzers (zoals bijvoorbeeld huisartsen) maken we concrete afspraken. De procesregie is belegd bij de lokale toegang. Medewerkers van de toegang kennen de sociale kaart van de gemeenten goed, houden regie en kijken gericht naar waar en wanneer afschalen van zorg mogelijk is. Uitgangspunt in de werkwijze van de medewerkers in de toegang is in de eerste plaats: normaliseren. We hechten veel belang aan de expertise van onze betrokken professionals in de gemeentelijke toegang. We zetten in op hun permanente

8 Dat geldt in ieder geval voor de Wmo-voorzieningen, voorzieningen in het kader van Jeugdhulp kan ook door andere verwijzers (o.a. huisartsen)

worden ingezet.

19

kennisontwikkeling. Deze medewerkers voeren immers met het gezin of de inwoner de regie op de zorg en ondersteuning. Uitgangspunt 3: Normaliseren Iedereen heeft op enig moment hulp nodig in zijn of haar leven. De ondersteuning die de eigen omgeving, familie, vrienden of buren bieden is vaak voldoende. Vanuit de transformatiegedachte en de zogeheten ‘Beweging naar de voorkant’ gaan we onnodig problematiseren en etiketteren zo veel mogelijk tegen. Dat betekent dat we toewerken naar zelfredzaamheid en de kracht van de sociale omgeving van de inwoners. We zetten indien nodig algemene voorzieningen of de lokale sociale basis in en we schalen zwaardere zorg af wanneer dit verantwoord is. We houden rekening met specifieke gedragingen van de inwoners en jongeren en zetten specialisten en ervaringsdeskundigen in de sociale basis/1e-lijn in (zoals huisarts, praktijkondersteuner, leerkracht, sportcoach etc.) in om gedragsproblemen te voorkomen of tijdig om te buigen. Normaliseren vraagt om een brede maatschappelijke verandering. Aanbieders, maatschappelijke organisaties, onderwijs, inwoners, gezinnen, kinderen en gemeenten spelen allemaal een rol bij het omgaan met gedragsproblemen. De manier waarop ouderen, kinderen, gezinnen en professionals met elkaar omgaan in probleemsituaties, is allesbepalend. Situaties simpelweg bestempelen als een ‘probleem’ werkt vaak averechts.

Professionals, inwoner en zijn omgeving moeten samen nieuwe manieren vinden om situaties positief te benaderen, vertrekkend vanuit de kracht van het individu. Uitgangspunt 4: Preventie Preventie heeft in eerste instantie betrekking op groepen die (nog) geen hulpvraag hebben. Door in te zetten op preventie bij risicogroepen voorkomen we een beroep op gespecialiseerde zorg of weten we het beroep op gespecialiseerde zorg te verminderen. Naast preventie gericht op risicogroepen is aandacht voor preventie nodig bij alle inwoners. Daarmee voorkomen we beroep op professionele hulp of maken we die minder urgent. We willen preventieve initiatieven laagdrempelig en dicht bij het normale leven organiseren: thuis, in de buurt, op school, in verenigingen of bij de huisarts. We proberen fysieke en sociaal maatschappelijke problemen en de verergering van ongemakken te voorkomen door er zo vroeg mogelijk bij te zijn. Ook hier speelt de eigen kracht van de inwoner en diens netwerk de hoofdrol. We onderscheiden verschillende soorten van preventie (zowel collectief als individueel). We werken samen met allerlei maatschappelijke organisaties: onderwijs, zorgverzekeraars, zorgaanbieders, welzijnsorganisaties, woningbouwcorporaties, etc. We ontplooien samen alle mogelijke vormen van preventieve maatregelen, zoals voorlichting, educatie, signalering en advies.

Om zwaardere zorg te voorkomen is het van belang dat zorgaanbieders tijdig signaleren en ook gebruik maken van bewezen (‘evidence’ of ‘practice based’) interventies. Samenwerking in de keten tussen maatschappelijke voorzieningen, toegang en gespecialiseerde ondersteuning is hierbij cruciaal. Uitgangspunt 5: Grip op kosten De middelen die onze gemeenten ontvangen van het Rijk, willen we maximaal inzetten voor ondersteuning en zorg voor onze inwoners. Als gemeenten in de regio zijn wij verantwoordelijk voor een betaalbare, effectieve en efficiënte inkoop, zodat ook in de toekomst de inwoners in de regio specialistische ondersteuning kunnen krijgen als dit nodig is. De opdracht aan aanbieders om passende ondersteuning te bieden aan inwoners, moet natuurlijk passen binnen het financiële kader van de gemeentelijke begrotingen. Grip op de kosten betekent drie dingen: 1. dat we zorgaanbieders een reëel tarief moeten bieden; 2. dat we een goede sturing hebben op de uitnutting van contracten en; 3. dat wij erop toe zien dat zorgaanbieders efficiënt met deze middelen omgaan. We houden dus grip voor slim in te kopen (met oog voor scherpe tarieven), door heldere afspraken te maken over indexering van kosten en door rekening te houden met de uitvoeringskosten voor het 20

contractmanagement. De inkoop moet aanbieders in staat stellen om de benodigde kwaliteit te leveren, zonder dat dit leidt tot uitzonderlijke winstmarges. Als we signalen ontvangen van oneigenlijk gebruik van zorg en ondersteuning zijn, onderzoeken we deze. Ook dit draagt bij aan een doelmatige en rechtmatige uitvoering. Een andere manier om grip te houden op de kosten, is afschalen van zorg en ondersteuning, waarbij alternatieve, lichtere en dus goedkopere zorg geboden wordt. Een voorbeeld hiervan zijn combinaties van verschillende soorten ondersteuning bieden voor complexe vraagstukken in zogenaamde zorgarrangementen. Een ander voorbeeld betreft het bieden van groepsgewijze hulp en ondersteuning in plaats van individuele aanpak daar waar dat passend kan zijn. Het vereenvoudigen en digitaliseren van processen en het verminderen van administratieve lasten voor inwoners, zorgaanbieders én gemeenten is ook van groot belang om grip te houden op de kosten. Uitgangspunt 6: Resultaat en kwaliteit Gebruikers van gespecialiseerde ondersteuning mogen ervan uitgaan dat deze gericht is op het verbeteren van hun leven. Toch mogen zij zich ook bewustzijn van de doelstellingen van de gemeenten daar waar het gaat om een minimaal kwaliteitsniveau tegen een passende prijs.

Wij definiëren kwaliteit dusdanig dat de geleverde zorg moet passen binnen de wettelijke kaders van de Jeugdwet en Wmo (rechtmatig) en binnen het ontwikkelingsperspectief van een inwoner (doelmatig). We willen sturen op samenwerking tussen zorgaanbieders onderling en met de sociale basis en algemene voorzieningen. Het resultaat van de ondersteuning staat steeds voorop. Dit resultaat draagt bij aan de maatschappelijke effecten die we als gemeente willen bereiken. Opdrachtgeverschap en inkoop moeten de gemeente in staat stellen beter te sturen op resultaat en kwaliteit. Prestaties in het sociaal domein willen we beter monitoren. Bereiken we de maatschappelijke effecten die we nastreven? Draagt de ingezette zorg bij aan het bereiken van het individuele resultaat voor de inwoner of jongere? Om deze monitoring op te zetten, maken we in regionaal verband afspraken over uniforme instrumenten, waarbij we bij voorkeur aansluiten op landelijke standaarden. Aanbieders die hun meerwaarde voor cliënten niet kunnen aantonen, spreken we hierop aan. Bij uitblijvende verbetering sluiten we ze uit. Uitgangspunt 7: Partnerschap Gemeenten en aanbieders zijn partners en moeten samen ontwikkelen en innoveren. We geloven dat zulke sterke partnerschappen de enige manier zijn om =de gewenste transformatie in het Sociaal domein mogelijk te maken.

Een waarachtig partnerschap gaat over meerjarige afspraken. We streven naar partnerschappen met hoogwaardige zorgaanbieders met voldoende diversiteit. Partners die ontwikkelingen signaleren en vertalen naar nieuwe vormen van hulp en ondersteuning. Van aanbieders vraagt partnerschap een pro-actieve houding: zij signaleren ontwikkelingen en doen actief voorstellen om hierop in te spelen en de maatschappelijke doelstellingen van de gemeenten te realiseren. We willen partnerschappen aangaan met aanbieders die een bijdrage leveren aan de innovatie en transformatie in het sociaal domein. Partners die ons helpen om de administratieve rompslomp te beperken. Als zakelijk partner willen gemeenten in een professionele sfeer samenwerken met aanbieders waarbij afspreken en aanspreken normaal is. Daarbij hoort ook het meten van kwaliteit en het transparant maken van de resultaten. Van gemeenten vraagt partnerschap het aangaan van langdurige samenwerking. We blijven inspelen op landelijke trends en ontwikkelingen en de transformatie verder vormgeven. Een mooi voorbeeld hiervan is de Norm voor Opdrachtgeverschap die op regionaal niveau ingevoerd moet worden. Dat doen we in samenspraak met aanbieders. Transformatie en innovatie is een doorlopend

21

proces, waar een gezamenlijke verantwoordelijkheid van betrokken aanbieders, gemeenten en inwoners bij hoort. Dit vraagt tijd en rust, maar ook meerjarige afspraken en flexibiliteit. Het partnerschap komt ook tot uitdrukking in de manier waarop de samenwerking tussen de gemeentelijke toegang en de zorgaanbieders vorm krijgt. De procesregie ligt bij de verschillende toegangen in de gemeenten, maar gaat uit van een actieve samenwerking. Uitgangspunt: Data-gedreven werken Een belangrijke innovatie die we willen realiseren is inzet van data bij het verbeteren van zicht op de geboden zorg en ondersteuning. Data-analyse helpt om het effect van de zorg beter te meten en om proactief in te kunnen spelen op ontwikkelingen in het zorglandschap. Door middel van het systematisch verzamelen, beheren, analyseren en interpreteren van data kunnen de gemeenten informatie-gestuurd handelen en daarmee grip krijgen. Dit doen zij op verschillende niveaus: - Beleidsniveau (signaleren van trends, afwegen van interventies, formuleren van nieuw beleid, evaluaties, begroting en verantwoording); - Uitvoeringsniveau (formuleren programma’s van eisen inkoop, prestatieafspraken, inrichting toegang/samenstelling teams); - Productniveau/Cliëntniveau (efficiëntie, inrichting sociale basis of voorliggend veld in bepaalde wijken); - Aanbiedersniveau (monitoring uitvoering contracten).

Data gedreven werken betekent periodieke informatie-uitwisseling volgens vooraf afgesproken standaarden. We moeten dus systematisch het gesprek voeren met aanbieders over de geleverde zorg en de bereikte resultaten, en bijsturen waar nodig. Ook kunnen we dan de samenwerking en het aanbod door ontwikkelen waar de gemeenten en aanbieders kansen zien. Passend binnen de kaderstellende rol van gemeenteraden worden zij ook geïnformeerd over de bereikte maatschappelijke effecten. Deze aanpak vraagt om vooraf en in samenspraak met aanbieders te komen tot zorgvuldig ingerichte dataverzameling en dataverwerking. Een goede data-strategie helpt ons om de behoefte naar zorg en ondersteuning scherper in beeld te brengen, en om de maatschappelijke effecten te monitoren. De bovenstaande uitgangspunten geven een beeld hoe onze gemeenten hun maatschappelijke opgaven voor de uitvoering van de Wmo2015 en de Jeugdwet willen benaderen. Bij de uitwerking van de doelen in de inkoopstrategie zijn bovenstaande uitgangspunten richtinggevend.

4.2 Inkoopdoelstellingen De zes samenwerkende gemeenten zetten volop in op de transformatie van hun sociaal domein. De uitgangspunten die we hierboven hebben opgenomen, vatten de koers voor de komende jaren samen. De gemeenten beseffen dat de transformatie enkel kan slagen in gezamenlijkheid met zorgaanbieders, verwijzers, verbonden partijen en partners. De inkoop van Wmo en Jeugdhulp is een belangrijk platform voor de verschillende partijen om vanuit de gezamenlijke doelen de samenwerking vorm te geven en hun commitment te tonen. De gemeenten zien verscheidene kansen om het sociaal domein te versterken met de inkoop. Sommige punten richten zich specifiek op enkele segmenten, andere zijn algemener van aard. Voor het nader bepalen van een scherpe inkoopstrategie zijn twee overkoepelende inkoopdoelen aan de orde. Inkoopdoel 1: Verbeterde kwaliteit en resultaten van de ingekochte zorg Kwaliteit van het zorgaanbod staat voorop. Kwaliteit komt tot uiting in zowel leef- als systeemwereld.

22

A) Kwaliteit van de zorgverlening in de leefwereld van de bewoner: zorg wordt als kwalitatief ervaren als ze aan de kernwaarden voldoet die aansluiten bij de leefwereld van de inwoner. Staat de inwoner centraal? Is er ruimte voor professionals? Loopt de samenwerking soepel en is er een goede samenhang in de aanpak? Leren de partijen van gegevens en casuïstiek, en spelen zij erop in? B) Kwaliteit van de zorgverlening vanuit de systeemwereld: voldoet de zorg aan de wettelijke eisen, standaarden, ‘evidence based’ methodieken en certificeringen die de kwaliteit van zorginkoop borgen? Het primaire doel van de inkoop is dat de inwoner de kwalitatief hoogwaardige zorg krijgt die hij of zij op dat moment nodig heeft. Kwaliteit kan bekeken worden via vele facetten en invalshoeken. Er is bijvoorbeeld sprake van kwaliteit van de ingekochte zorg als ze naadloos aansluit op de zorgvraag en tijdig en juist wordt ingezet, waarbij helder wordt toegewerkt naar een vooraf met de inwoner, jeugdige of gezin besproken resultaat. Ook heeft kwaliteit betrekking op het werken aan verbetering van de geleverde dienstverlening. Wat is goed, wat kan beter, wat is hiervoor nodig en hoe zorgen we ervoor dat de verbetering ook langere periode standhoudt? Daarbij sluiten we ons aan bij de thema’s en onderwerpen die de VNG9 op dit vlak heeft geformuleerd.

Kwaliteit heeft ook betrekking op inzet van de juiste professional op het juiste moment. Bij de inkoop streven we naar voortdurend leren en verbeteren bij aanbieders en gemeenten. We letten in het bijzonder op de gemeentelijke toegang. Bij de realisatie van de inkoopstrategie vertalen we de wens om kwalitatieve zorg en ondersteuning te organiseren ook in kwaliteitseisen. Deze kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de professionele standaarden waaraan medewerkers van aanbieders moeten voldoen, of de wijze waarop aanbieders leren en verbeteren in hun dienstverlening en bedrijfsvoering vormgeven. Betekenis voor de inkoop: Flexibele afspraken sluiten aan bij wat (lokaal) nodig is De inkoop van zorg en ondersteuning moet natuurlijk aansluiten op de lokale/regionale marktvraag. Aanbieders moeten daarom enerzijds goed inzicht hebben in wat de zorg- of ondersteuningsvraag is, en anderzijds zorgen voor flexibiliteit in hun aanbod. Niet alleen flexibiliteit in de omvang, maar ook in de inhoud van het aanbod van zorg. We willen een divers aanbod per aanbieder en/of een combinatie van aanbieders. Daarom zetten we stevig in op het ‘first time right’ principe. Waarmee we bedoelen dat de geboden hulp en ondersteuning in één keer voldoet aan de verwachtingen en passend is bij de vraag van onze inwoners. Daartoe is een nauwe samenwerking en gericht afstemming tussen partijen nodig.

Betekenis voor de inkoop: Vergroten flexibiliteit inzet extramurale ondersteuning Dit thema sluit aan bij het vorige. Bij aanvang van een behandeling of voorziening voor inwoners met een zorg- of ondersteuningsvraag wordt vaak een inschatting afgegeven over de duur en zwaarte van de ondersteuning. Het is niet altijd eenvoudig aan de voorkant te bepalen wat de passende duur en zwaarte van de geleverde zorg moet zijn. Na de start van een behandeling willen we snel kunnen beoordelen of de inzet passend is en eventueel op- of afgeschaald moet worden. De afspraken in de inkoop moeten we zo inrichten dat hier meer ruimte voor bestaat. Flexibiliteit vertaalt zich ook in gericht aanbod dat voldoende flexibel is om tijdelijk op te schalen en daarna weer afschalen, met als doel om de zelfredzaamheid van de cliënt maximaal te versterken. Betekenis voor de inkoop: Gecombineerd aanbod door aanbieders De uitvoering van de taken op het terrein van Wmo2015 en Jeugdhulp vindt idealiter in een brede coalitie van partners (voorliggend veld, zorgaanbieders, verbonden partijen, maatschappelijke organisaties, onderwijs, et cetera) plaats. De inkoop van zorg is echter nog vooral per aanbieder en op specifieke

9

Werkgroep kwaliteit sociaal domein, VNG. Online raadpleegbaar via deze link.

23

producten georganiseerd. We willen meer met integrale zorgarrangementen te werken passend bij de brede ondersteuningsvraag van de inwoners. Na de inkoop worden zorgaanbieders betrokken bij de lokale en regionale zorg om verdere samenwerking mogelijk te maken. Dit kan een gecombineerd aanbod van maatwerkvoorzieningen zijn, maar ook in wisselwerking met algemene en voorliggende voorzieningen. Betekenis voor de inkoop: Ketensamenwerking vanuit sterk lokaal aanbod en inzet van de sociale basis In kader van preventie, normaliseren en goed kunnen afschalen moet de sociale basis op orde en voldoende beschikbaar zijn. We verwachten van de aanbieders dat ze goed zicht hebben op wat er in de sociale basis en het lokaal aanbod beschikbaar is. Zij moeten goed kunnen inschatten of de sociale basis of lokaal aanbod een serieus alternatief is voor hun zorg en ondersteuning. De afspraken in de uiteindelijke inkoop moeten prikkels bevatten om aanbieders te stimuleren de afstemming en samenwerking met het lokale aanbod te zoeken en, waar mogelijk, hun aanbod af te schalen. Het inkoopdoel kwaliteit en resultaat gaat immers ook over de wijze waarop de gecontracteerde aanbieders voor Wmo/Jeugd bijdragen aan de versterking van de lokale basis. Een belangrijk uitgangspunt is immers dat we de lokale basis inzetten voor preventie, normaliseren en afschalen van zorg en ondersteuning.

De wijze waarop deze lokale basis vorm krijgt door (lokale) maatschappelijke organisaties, is een verantwoordelijkheid van de afzonderlijke gemeente. Kansen liggen er ook om het voorzieningenaanbod (in de keten) beter op elkaar af te stemmen. De gemeenten betrekken de partners op casusniveau bij het inzetten van zorgproducten, zodat zij vanuit gedeelde verantwoordelijkheid kunnen zoeken naar de meest passende, effectieve en efficiënte (combinatie van) voorzieningen. Daarbij moet duidelijk zijn wie de regie voert met het gezin of de bewoner. Samenwerking in de keten moet ook bijdragen aan preventie gericht op risicogroepen en alle inwoners. We vragen van aanbieders om hier ook een rol in te spelen en in hun aanbod daar aandacht voor te hebben. Betekenis voor de inkoop: Kwaliteit en snelheid in resultaat Deze benadering kan leiden tot bewustere keuzes in de inkoop. De huidige zorgarrangementen worden bijvoorbeeld ingekocht en afgerekend op basis van een tijdseenheid of per traject. De nieuwe wijze van inkopen moet uitnodigen tot het snel op de juiste manier inzetten van zorg, die bijdraagt aan de gewenste maatschappelijke effecten. Daarbij is het – weer – bereiken van de zelfredzaamheid een belangrijk resultaat. We stimuleren aanbieders om in hun zorgaanbod de behandel- en begeleidingsduur zo kort mogelijk te houden, waarna inwoners op eigen kracht verder kunnen.

We willen onderzoeken of er snellere resultaten voor de inwoners te bereiken zijn met gerichte afspraken over inzet van kwaliteit en middelen. De nieuwe inkoopafspraken maken het mogelijk om na het starten van een traject sneller te kunnen bepalen of de behandelingswijze passend is en of er sneller afgeschaald kan worden. Het inkoopdoel ‘kwaliteit en resultaat’ beoogt dus ook om inwoners niet langer dan noodzakelijk in (zware) trajecten te laten zitten en passende zorg te leveren. Inkoopdoel 2: Financieel houdbare uitvoering van het sociaal domein De gemeentelijke financiën staan onder druk als gevolg van de drukkende uitgaven in het sociaal domein. Het tweede inkoopdoel beoogt om de uitvoering van Wmo en Jeugdwet ook op de langere termijn financieel houdbaar te houden voor de gemeenten. Daarom wordt ingezet op nieuwe inkoopafspraken om een goede balans te vinden tussen kwaliteit en prijs en meer grip te krijgen op ingekochte zorg en ondersteuning. Betekenis voor de inkoop: Versterken van de financiële grip Inkoop van producten voor de Wmo en de Jeugdwet kennen een zogenaamd ‘open eind’ karakter. Gezien de omvang van de budgetten die gemoeid zijn met de uitvoering van de ondersteuning Wmo en Jeugdhulp is meer financiële grip en sturing gewenst. Dat vraagt in de uitvoering om afspraken over de 24

administratieve hygiëne, sturing en monitoring op resultaten, budgetten en ondersteunende afspraken. Dit doel moet bijdragen aan betere voorspelbaarheid van de kosten, tijdige signalering van overschrijdingen en betere kostenbeheersing. Betekenis voor de inkoop: Normaliseren Vertaling van het uitgangspunt normaliseren (zie boven) in de inkoop draagt bij aan het verlagen van het aantal inwoners dat een beroep doet op hulp en ondersteuning die door de gecontracteerde aanbieder geboden wordt. We proberen stapeling van zorg in een gezin zo veel mogelijk te voorkomen, door preventief te handelen en zo snel mogelijk de situatie te normaliseren. Bij normaliseren hoort ook dat voorliggende voorzieningen in de lokale context de voorkeur hebben boven gespecialiseerde ondersteuning. En normaliseren vraagt ook gericht aansluiten bij wat een inwoner, gezin of jongere zelf kan of hoe het netwerk een rol kan spelen in plaats van gespecialiseerde ondersteuning. Betekenis voor de inkoop: Data-gedreven werken In het nieuwe partnerschap tussen gemeenten en zorgaanbieders streven we naar continue verbetering van de dienstverlening. Data-gedreven werken biedt de benodigde informatie om het leveranciersmanagement te verbeteren, tijdige inzichten over trends en ontwikkelingen van zorgvragen te verkrijgen en in gezamenlijkheid te schakelen waar dat nodig blijkt op basis van data en gegevens.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10308353/2