CConstaterende datWest Maas en Waal
Koppel je AI →
Document · PDF

15.1 Nota van Uitgangspunten omgevingsvisie buitengebied

Gemeenteraad 1 april 2021, gemeente West Maas en WaalBij agendapunt: Vaststellen Nota van Uitgangspunten Omgevingsvisie Buitengebied9.706 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Omgevingsvisie Buitengebied West Maas en Waal

1

Nota van Uitgangspunten Inhoud 1.

INLEIDING ........................................................................................................................................ 4

2.

DEELGEBIEDEN VAN HET BUITENGEBIED ....................................................................................... 7

3.

THEMA’S VAN HET BUITENGEBIED ................................................................................................ 9 1.

AGRARISCHE BEDRIJVIGHEID..................................................................................................... 10

Huidig beleid...................................................................................................................................... 10 Trends en ontwikkelingen ................................................................................................................. 12 Ambities en keuzes ............................................................................................................................ 13 Vragen en discussiepunten ............................................................................................................... 14 2.

NATUUR EN LANDSCHAP ........................................................................................................... 15

Huidig beleid...................................................................................................................................... 15 Trends en ontwikkelingen ................................................................................................................. 17 Ambities en keuzes ............................................................................................................................ 17 Vragen en discussiepunten ............................................................................................................... 19 3.

WATER EN KLIMAATADAPTATIE ................................................................................................ 20

Huidig beleid...................................................................................................................................... 20 Trends en ontwikkelingen ................................................................................................................. 21 Ambities en keuzes ............................................................................................................................ 21 4.

GEZONDHEID ............................................................................................................................. 24

Huidig beleid...................................................................................................................................... 24 Trends en ontwikkelingen ................................................................................................................. 25 Ambities en keuzes ............................................................................................................................ 26 Vragen en discussiepunten ............................................................................................................... 26 5.

ENERGIETRANSITIE .................................................................................................................... 28

Huidig beleid...................................................................................................................................... 28 Trends en ontwikkelingen ................................................................................................................. 29 Ambities en keuzes ............................................................................................................................ 29 6.

CULTUURHISTORIE .................................................................................................................... 30

Huidig beleid...................................................................................................................................... 30 Trends en ontwikkelingen ................................................................................................................. 31 Ambities en keuzes ............................................................................................................................ 31 Vragen en discussiepunten ............................................................................................................... 32

2

Bijlage 1: Thematische beleidskaders buitengebied Bijlage 2: Twaalf stellingen over het buitengebied voorgelegd aan Raad en inwoners

3

1. INLEIDING Op 1 januari 2022 treedt de Omgevingswet in werking. Nederland kent momenteel talloze wetten en regels op het gebied van de leefomgeving. Een ingewikkeld geheel waarin bijna niemand meer de weg kan vinden en nieuwe ontwikkelingen soms onnodig lang duren. Daarom komt de Omgevingswet: één wet die alle wetten op het gebied van de fysieke leefomgeving bundelt, zoals op het gebied van wonen, mobiliteit, milieu, natuur, water en gezondheid. Het is belangrijk om als gemeente tijdig een start te maken met de voorbereidingen van de invoering van de Omgevingswet. De eerste stap is het opstellen van een omgevingsvisie buitengebied voor West Maas en Waal. In deze ‘Nota van Uitgangspunten Omgevingsvisie’ legt de gemeenteraad haar belangrijkste kaders en ambities voor de omgevingsvisie vast. Waarom een omgevingsvisie buitengebied? De omgevingsvisie buitengebied voor West Maas en Waal is een eerste stap op weg naar één strategische, integrale lange termijnvisie voor de gehele fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie buitengebied komt in de plaats van de structuurvisie buitengebied en geldt voor het grondgebied van West Maas en Waal exclusief de kernen en de recreatieconcentratiegebieden aan de Maas. Bij nieuwe plannen, ontwikkelingen en vraagstukken werkt de omgevingsvisie als een toetsingskader en afwegingskader.

In de omgevingsvisie beschrijven wij de opgaven en ambities die wij in de gemeente willen realiseren. Voorbeelden kunnen zijn het verbeteren van mobiliteit en het behoud van een aantrekkelijk groen landschap. Ook grote actuele opgaven vanuit bijvoorbeeld het Klimaatakkoord krijgen een plek in de omgevingsvisie. Daarnaast wordt gekeken hoe keuzes in de fysieke omgeving kunnen bijdragen aan het realiseren van opgaven uit het sociaal domein, zoals gezondheid. Een voorbeeld is meer ruimte voor beweging en ontspanning in de buitenruimte. Relatie met ander beleid De vastgestelde Structuurvisie Buitengebied 2020 (uit 2010), het Landschapsontwikkelingsplan (uit 2011) en de toelichting bij het bestemmingsplan Buitengebied (uit 2014) vormen een belangrijk vertrekpunt voor de omgevingsvisie en hebben als doel te zorgen dat het buitengebied van West Maas en Waal in de toekomst nog steeds wordt gekenmerkt als een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Wat staat er in deze Nota van Uitgangspunten? In deze Nota van Uitgangspunten leggen wij kaders vast die als uitgangspunt dienen voor het opstellen van de Omgevingsvisie Buitengebied West Maas en Waal: • Uitgangspunt 1: Continuïteit bestaand beleid met aandacht voor integraliteit; • Uitgangspunt 2: Combinatie van gebiedsgerichte en thematische aanpak; • Uitgangspunt 3: De Omgevingsvisie maken wij samen.

Uitgangspunt 1 In de Omgevingsvisie Buitengebied West Maas en Waal komen alle beleidsterreinen die betrekking hebben op het buitengebied en een relatie hebben met de fysieke leefomgeving samen. Op veel 4

beleidsterreinen is al bestaand actueel beleid beschikbaar, zowel lokaal als regionaal, waar wij bij het opstellen van de omgevingsvisie graag op verder bouwen. Wij kiezen voor continuïteit van bestaand actueel beleid als uitgangspunt voor het opstellen van de omgevingsvisie. Tegelijkertijd biedt de omgevingsvisie een goede mogelijkheid om in het bestaand beleid focus te leggen op de integraliteit in de diverse sectorale beleidsthema’s en hier de verbinding te maken naar de fysieke leefomgeving. Waar mogelijk zullen wij hier in de omgevingsvisie bij de verschillende thema’s op ingaan. Tevens gaan wij op zoek gaan naar verdieping op nieuwe thema’s waar nog beleid voor in ontwikkeling is, denk aan energie, klimaatadaptatie en gezondheid. Daarnaast biedt het opstellen van de omgevingsvisie ook kansen om beleidsthema’s die om actualisatie vragen, zoals op het gebied van agrarische bedrijvigheid, integraal mee te nemen. Naast lokale beleidskaders dient de omgevingsvisie buitengebied rekening te houden met (boven)regionaal beleid, zoals de Nationale Omgevingsvisie en de Omgevingsvisie van de provincie Gelderland. In Bijlage 1 van deze nota is in beeld gebracht welke thematische beleidskaders, van (boven)regionaal naar lokaal, betrekking hebben op het buitengebied van West Maas en Waal. Per beleidsthema wordt in de bijlage kort het bestaand beleid omschreven.

Deze analyse van thematische beleidskaders vormde het vertrekpunt vanwaar het omgevingsvisietraject en het gesprek met onze inwoners en partners is gestart. Uitgangspunt 2 De Omgevingsvisie Buitengebied West Maas en Waal wordt middels een gebiedsgerichte en thematische aanpak vormgegeven. De gebiedsgerichte aanpak biedt de mogelijkheid om vanuit kwaliteiten en waarden van gebieden naar de toekomst te kijken en de belangrijkste kansen en opgaven voor de fysieke leefomgeving te benoemen. Zo kan per gebied meer maatwerk worden geleverd. Het buitengebied is opgedeeld in drie deelgebieden: komgebied, oeverwallen en uiterwaarden. De thematische aanpak zorgt ervoor dat (de drie deelgebieden van) het buitengebied ook wordt bezien vanuit de verschillende thema’s die er spelen. We hebben de zes belangrijkste thema’s uitgelicht: agrarische bedrijvigheid, natuur en landschap, water en klimaatadaptatie, gezondheid, energietransitie en cultuurhistorie. Op basis van bestaand actueel beleid zijn, waar mogelijk per gebied, ambities voor de toekomst benoemd. Dit beeld is in beweging en verandert door aanvullende ambities of het wegstrepen van tegenstrijdige ambities. Uitgangspunt 3 Participatie is een belangrijk onderdeel van het proces om te komen tot een omgevingsvisie.

De omgevingsvisie buitengebied heeft immers betrekking op alle inwoners, ondernemers en gebruikers van het buitengebied van West Maas en Waal. De omgevingsvisie vormt straks het raamwerk waarbinnen de samenleving wordt uitgedaagd om initiatieven te ontplooien. Het is daarom belangrijk dat (de inhoud en richting van) de omgevingsvisie aansluit bij de wensen van de samenleving: wat willen wij niet, en wat willen wij juist wel mogelijk maken? We hebben getracht het participatietraject aan te laten sluiten op de verschillende doelgroepen en te zoeken naar geschikte werkvormen. Op 12 februari 2020 hebben we de Avond van het buitengebied georganiseerd. Tijdens deze Avond, die door veel inwoners, gebruikers en andere belangstellenden werd bezocht, gaven een zestal experts vanuit de zes centrale thema's een interessante kijk op de omgevingsvisie. De thema’s agrarische bedrijvigheid, natuur, water en 5

klimaatadaptatie, gezondheid, energietransitie en cultuurhistorie zorgden voor interessante discussies over de verschillende opgaven. De input vanuit de samenleving hebben we in het najaar van 2020 gebruikt om de gemeenteraad een aantal stellingen voor te leggen. Doel hiervan was om ambities, prioriteiten en meningen over de zes belangrijkste thema’s van het buitengebied op te halen. Dezelfde stellingen hebben we ook digitaal (via een enquête) aan de samenleving voorgelegd. De uitkomsten van beide raadplegingen zijn in een document bijeengebracht en als Bijlage 2 aan deze nota toegevoegd. De laatste bijeenkomst staat in het teken van het terugleggen van de opgehaalde input uit de eerdere bijeenkomsten bij de deelnemers. De gemeenteraad weegt uiteindelijk de input vanuit de samenleving. Waar er sprake is van tegenstrijdige signalen maakt de raad een keuze. De raad stelt daarbij het lange termijnbelang van West Maas en Waal voorop.

6

2. DEELGEBIEDEN VAN HET BUITENGEBIED De deelgebieden van het buitengebied Het buitengebied van West Maas en Waal is voor een belangrijk deel gevormd door de invloed van de rivieren op het landschap. Deze invloed heeft geleid tot de herkenbare opdeling in drie deelgebieden: het komgebied, de oeverwallen en de uiterwaarden. De driedeling komt terug in de verschillende beleidsstukken, zoals de Structuurvisie Buitengebied 2020, het Landschapsontwikkelingsplan en het bestemmingsplan Buitengebied. De algemene strekking van het beleid voor het buitengebied is dat het onderscheid tussen komgebied, oeverwallen en uiterwaarden behouden moet blijven en waar mogelijk versterkt om zo de eigenheid en herkenbaarheid van het landschap te bewaren. Voor de Omgevingsvisie Buitengebied West Maas en Waal wordt eenzelfde indeling gehanteerd als in de genoemde beleidsstukken. Hieronder volgt een korte typering gegeven van deze drie deelgebieden.

Impressie komgebied - -oeverwallen - -uiterwaarden 7

Komgebied Het komgebied kent een relatief korte en late ontwikkelingsgeschiedenis. Dit gebied was in gebruik als hooiland, rietland en er lagen eendenkooien en grienden in dit lage, natte gebied. Van noord naar zuid liepen al wel enkele verbindingswegen die de oeverwallen van de Waal en de Maas met elkaar verbonden. Kenmerkend voor het komgebied is de openheid. Sinds de naoorlogse ruilverkaveling is het komgebied vooral een agrarisch landschap dat uitstekend geschikt is voor de landbouw. Naast het agrarisch gebruik van de gronden zijn ook bestaande landschappelijke en ecologische waarden aanwezig. Het oostelijk deel van het komgebied heeft ook waarde als weidevogelgebied. De Grote Wetering en Nieuwe Wetering zijn aangewezen als ecologische verbindingszones. Oeverwallen De oeverwallen zijn parallel aan de rivieren gelegen en door hun hogere en droge ligging werd hier al vroeg landbouw bedreven en ontstonden verschillende bebouwingslinten en dorpskernen. Karakteristiek is het kleinschalig halfopen landschap, waar wonen, werken en agrarische activiteiten sterk met elkaar zijn verweven. Het huidig beleid ten aanzien van het landschap is gericht op handhaving van kleinschalige landschapselementen en het behoud van groene ruimten tussen de kernen.

Kenmerkend zijn de bosschages, waterpartijen en lanen als onderdeel van (voormalige) kastelen en landgoederen, de oude wielen en kolken die herinneren aan dijkdoorbraken en de vele boomgaarden. De dijken tussen de oeverwal en de uiterwaarden vormen duidelijk herkenbare lijnen in het landschap. Ook de relaties en zichtlijnen naar het achterliggende landschap van het komgebied zijn belangrijke kenmerken van de oeverwallen. Uiterwaarden De uiteindelijke vorming van de uiterwaarden is pas voltooid na aanleg van de dijken. De karakteristieke steenfabrieken langs de rivier zijn inmiddels grotendeels verdwenen, maar de open waterplassen en tichelgaten herinneren nog aan de winning van zand en klei. In de uiterwaarden vindt nog steeds zandwinning plaats in combinatie met natuurontwikkeling. De uiterwaarden van de Waal en de Maas zijn in gebruik als extensief beheerd grasland, natuurgebied en water. De uiterwaarden van de Maas hebben daarnaast ook een belangrijke, recreatieve functie. De uiterwaarden zijn landschappelijk en ecologisch van grote betekenis. Natuurontwikkeling staat hier voorop, samen met de mogelijkheid tot rivierverruimende maatregelen. Ook is nog op beperkte schaal sprake van agrarisch gebruik.

8

3. THEMA’S VAN HET BUITENGEBIED In deze paragraaf worden de zes belangrijkste thema’s van het buitengebied besproken: agrarische bedrijvigheid, natuur en landschap, water en klimaatadaptatie, gezondheid, energietransitie en cultuurhistorie. De opbouw van ieder thema is identiek. Eerst wordt het huidig beleid geschetst. Vervolgens wordt aangegeven welke trends en ontwikkelingen er spelen op het betreffende thema. Deze zijn mede gebaseerd op de presentaties van verschillende experts op de Avond van het Buitengebied op 12 februari 2020. Tot slot worden per thema de ambities en keuzes van de gemeente weergegeven. Deze ambities en keuzes vloeien voort uit de verschillende gemeenteraadsbijeenkomsten alsmede uit de participatiemomenten die tijdens het traject zijn gehouden. Daar waar relevant wordt bij elk van de drie onderdelen (huidig beleid, trends en ontwikkelingen en ambities en keuzes) een onderscheid gemaakt tussen de verschillende deelgebieden (komgebied, oeverwallen en uiterwaarden).

9

1.

AGRARISCHE BEDRIJVIGHEID

West Maas en Waal is een van oorsprong sterk agrarische gemeente. Er zijn enkele honderden agrarische bedrijven waarvan ongeveer driekwart grondgebonden veehouderijen en circa een kwart niet-grondgebonden (intensieve) veehouderijen.1 Het komgebied biedt goede voorwaarden voor het uitoefenen van agrarische bedrijven (goede ontsluiting, bodemopbouw, weinig belemmeringen). Glastuinbouwbedrijven komen alleen op de oeverwallen voor.

Huidig beleid Komgebied Het open komgebied is primair een agrarisch landschap dat sinds de ruilverkaveling in de jaren vijftig van de vorige eeuw uitstekend geschikt is voor de landbouw (goede ontsluiting, goede bodemopbouw, weinig (milieu)belemmeringen). De agrarische sector zal hier blijven voortbestaan, waarbij schaalvergroting (mits voldaan wordt aan alle milieuaspecten) mogelijk blijft, maar het aantal bedrijven in de loop van de tijd waarschijnlijk zal afnemen. Binnen het komgebied wordt onderscheid gemaakt in zone A en zone B. In zone A is de landbouw de primaire functie. In zone B gaat het tevens om het behoud en het versterken van de bestaande landschappelijke waarden.

De hoofdlijnen van het huidig beleid, zoals neergelegd in de Structuurvisie Buitengebied 2020 en de toelichting bij het bestemmingsplan Buitengebied, de recente bestemmingsplannen Thematische herziening Grootschalig grondverzet en Thematische herziening Agrarische Bedrijven 2020, zijn als volgt: • Bestaande volwaardige niet-grondgebonden bedrijven zijn toegestaan en mogen hun bedrijfsvoering voortzetten conform hun huidige, geldende rechten; • Nieuwvestiging en uitbreiding van bestaande niet-grondgebonden bedrijven is verboden (uitbreiding eventueel wel mogelijk via provinciaal Plussenbeleid); • Nieuwvestiging en verplaatsing (waaronder verplaatsing van oeverwal naar komgebied) van grondgebonden agrarische bedrijven alleen onder strikte voorwaarden; • Verbod op nieuw- en hervestiging glastuinbouwbedrijven (= buiten glastuinbouwontwikkelingsgebied); • Verbod op grootschalig grondverzet; • Verbod op etagestallen (d.w.z. het houden van dieren op meer dan één bouwlaag), uitgezonderd bestaande situaties op 4 april 2019; • Intensivering van tuinbouw en fruitteelt is mogelijk door het gebruik van teeltondersteunende voorzieningen; • Verbod op boom- en sierteelt en pot- en containerteelt, behalve bestaand gebruik; • Functieverandering van agrarisch naar wonen, niet-agrarisch bedrijf, bos of natuur onder voorwaarden mogelijk.

1

Niet-grondgebonden agrarische bedrijven worden voor zover het veehouderijen betreft ook wel intensieve veehouderijen genoemd. Volgens artikel 4 van het bestemmingsplan Thematische herziening Agrarische bedrijven 2020 wordt onder een intensieve veehouderij verstaan een agrarisch bedrijf gericht op het houden van varkens, kippen, vleeskuiken, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen of parelhoenders.

10

Oeverwallen De oeverwallen vormen een kleinschalig halfopen landschap, waar wonen, werken en agrarische activiteiten sterk met elkaar zijn verweven. De economische betekenis van het gebied is groot, maar de ruimte voor schaalvergroting is beperkt. Op de oeverwallen liggen veel (fruit)boomgaarden. De hoofdlijnen van het huidig beleid, zoals neergelegd in de Structuurvisie Buitengebied 2020 en de toelichting bij het bestemmingsplan Buitengebied en de recente bestemmingsplannen Thematische herziening Grootschalig grondverzet en Thematische herziening Agrarische Bedrijven 2020, zijn als volgt: • Bestaande niet-grondgebonden agrarische bedrijven zijn toegestaan en mogen hun huidige bedrijfsvoering voortzetten; • Nieuwvestiging en uitbreiding van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijven is verboden (uitbreiding eventueel wel mogelijk via provinciaal Plussenbeleid); • Verbod op nieuwvestiging agrarische bedrijven; • Verplaatsing grondgebonden veehouderijbedrijf alleen mogelijk als het een verplaatsing betreft binnen de oeverwallen; • Verbod op nieuw- en hervestiging glastuinbouwbedrijf (= buiten glastuinbouwontwikkelingsgebied); • Verbod op grootschalig grondverzet; • Verbod op houden dieren op meer dan 1 bouwlaag (uitgezonderd bestaande situaties op 4 april 2019); • Intensivering van tuinbouw en fruitteelt is mogelijk door het gebruik van teeltondersteunende voorzieningen; •

Functieverandering van agrarisch naar wonen, niet-agrarisch bedrijf, bos of natuur onder voorwaarden mogelijk. Uiterwaarden De uiterwaarden van de Waal en de Maas zijn landschappelijk en ecologisch van grote betekenis. Vanwege Europese, nationale en provinciale wet- en regelgeving moet er zeer terughoudend wordt omgegaan met het toevoegen van nieuwe bebouwing. Natuur, landschap en water vormen de hoofdfuncties. De hoofdlijnen van het huidig beleid, zoals neergelegd in de Structuurvisie Buitengebied 2020 en de toelichting bij het bestemmingsplan Buitengebied en de recente bestemmingsplannen Thematische herziening Grootschalig grondverzet en Thematische herziening Agrarische Bedrijven 2020, zijn als volgt: • Verbod op nieuwvestiging en verplaatsing van agrarische bedrijven. Alleen bestaande bedrijven toegestaan: maximum uitbreiding 10%, mits binnendijks; • Verbod op glastuinbouw; • Verbod op houden dieren op meer dan 1 bouwlaag; • Verbod op grootschalig grondverzet; • Verbod op boom- en sierteelt en pot- en containerteelt, behalve bestaand gebruik; • Functieverandering van agrarisch naar wonen, niet-agrarisch bedrijf, bos of natuur onder voorwaarden mogelijk maar beperktere mogelijkheden dan komgebied en oeverwallen. 11

Trends en ontwikkelingen Komgebied en oeverwallen In de gemeente West Maas en Waal zijn agrarische bedrijven erg belangrijk. De agrarische sector is echter geen rustig bezit. Zo hebben de afgelopen jaren de nodige veranderingen plaatsgevonden op het gebied van agrarisch ondernemen. Steeds meer agrariërs zien het belang in van omschakeling naar een meer duurzame vorm van landbouw, zoals circulaire kringlooplandbouw. Met kringlooplandbouw bedoelen we dat boeren zo optimaal mogelijk omgaan met grondstoffen en deze ook hergebruiken. Koeien en schapen grazen dan van gras op land dat ongeschikt is voor het telen van voedsel. Diervoer wordt gemaakt van voedsel dat mensen niet meer kunnen of willen eten of onbruikbare delen van gewassen. Ook de mest kan worden hergebruikt op plaatsen waar het veevoer groeit. Hiermee creëren we dus een kringloop in het voedselsysteem, die goed is voor mens, dier en natuur. Ook op thema’s als biodiversiteit en water/klimaatadaptatie leveren boeren steeds vaker een bijdrage door bijvoorbeeld akkerranden of perceelsloten aan te leggen. Met name in de fruitteelt doen agrariërs bij gebrek aan Nederlandse werknemers veelvuldig een beroep op arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europese landen. Zonder arbeidsmigranten lukt het niet om het productieproces rond te krijgen.

Deze arbeidsmigranten, die in de regel tijdelijk, maar soms ook jaarrond, in West Maas en Waal verblijven hebben recht op fatsoenlijke huisvesting. Vaak vindt huisvesting plaats op het agrarisch bedrijf zelf, soms ook elders, zoals in pensions. Aangezien het enkel runnen van een agrarisch bedrijf steeds minder rendabel wordt, zoeken veel agrariërs naar andere mogelijkheden om inkomsten te verwerven. Deze mogelijkheden fungeren dan als nevenfuncties bij het agrarisch bedrijf. Te denken valt aan de exploitatie van mini-campings, boerderijwinkels of bijvoorbeeld zorgboerderijen. Een andere manier om extra inkomen te genereren is het ter beschikking stellen van agrarische gronden voor windturbines of zonnevelden ten behoeve van de energietransitie. Desalniettemin stoppen steeds meer agrariërs met hun bedrijfsvoering al dan niet ondersteund door stimuleringsregelingen van de overheid. Op een deel van de vrijkomende erven vindt er verandering in bebouwing en/of ander gebruik van gebouwen en/of inrichting van het erf (erftransformatie) plaats. Op locaties van voormalige agrarische bedrijven worden andere functies (wonen of het vestigen van een niet-agrarisch bedrijf) steeds meer gezien als een kans om de leefbaarheid in het landelijk gebied te behouden of versterken.

Kansen voor herbestemming zijn afhankelijk van diverse factoren, zoals de ligging van de locatie (bijvoorbeeld ten opzichte van woonkernen, naburige agrarische bedrijven en natuurgebieden) en de aard en omvang van gebouwen op het erf. De nieuwe functies dienen de ruimtelijke kwaliteit verder te versterken en de kleinschaligheid van het landschap te respecteren en ondersteunen.

12

Uiterwaarden Er zijn nog maar twee grondgebonden agrarische bedrijven (deels) in de uiterwaarden gelegen. Deze bedrijven mogen hun bestaande bedrijfsvoering doorzetten. De trend is dat langzamerhand alle agrarische bedrijfspercelen verdwijnen en omgezet worden naar een woonfunctie. Dit betekent dat ook het beleid voor nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven nog maar weinig impact heeft in de uiterwaarden.

Ambities en keuzes Komgebied en oeverwallen Nieuwvestiging en uitbreiding niet-grondgebonden bedrijven De nieuwvestiging van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven is en blijft verboden. Uitbreiding van bestaande niet-grondgebonden veehouderijbedrijven of -takken willen we slechts zeer beperkt toestaan. We zullen op basis van het provinciaal Plussenbeleid in samenspraak met (Z)LTO beleidsregels opstellen en deze uiterlijk 1 januari 2027 verankeren in het omgevingsplan. In het bestemmingsplan Thematische herziening agrarische bedrijven is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om bedrijfsverplaatsing mogelijk te maken. In beginsel zijn intensieve veehouderijen onwenselijk op de oeverwallen. Binnen het komgebied zijn mogelijk nog wel locaties die geschikt zijn voor intensieve veehouderij. Deze wijzigingsbevoegdheid voorziet in die mogelijkheid. Hierbij dient te worden benadrukt dat voor de nieuwe locatie een uitgebreide motiveringsplicht geldt ten aanzien van de aanvaardbaarheid van een intensieve veehouderij ter plaatse. Het is wenselijk om voor dit soort verplaatsingen keuzes te maken qua locaties in het komgebied. Een concentratie van nietgrondgebonden bedrijven is qua bedrijfsvoering niet wenselijk, maar ook zeker op het gebied van gezondheid niet. Gezocht moet worden naar een zo evenredig mogelijke verdeling van de nietgrondgebonden bedrijven in het komgebied.

Nevenfuncties / volledige functieverandering We hebben de ambitie om in het komgebied prioriteit te geven aan agrarische bedrijvigheid boven andere functies. Daarnaast dient er kritisch gekeken te worden naar de invulling van het beleid op het gebied van nevenfuncties dan wel volledige functieverandering. Is de toegestane grootte van nevenfuncties op basis van huidige maatstaven en wensen nog toereikend in de praktijk? Welke opties zijn er op het gebied van volledige functieverandering voor de toekomst? In het kader van het huidige regionaal beleid ten aanzien van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) mag er altijd maar één woning worden gerealiseerd en geldt een bepaalde verdeelsleutel wat betreft te slopen bedrijfsbebouwing. De uitwerking en toepassing van het (regionaal) VAB beleid verdient op basis van de keuzes en ambities voor het buitengebied een heroverweging. Arbeidsmigrantenhuisvesting In de Ruimtelijke Strategische Visie Regio Rivierenland (2019) zet de regio in op een herziening van de regionale woningbouwagenda voor de ontwikkeling van de woningbouw voor arbeidsmigranten en de gemeenten stemmen dit af. Ingevolge het bestemmingsplan Buitengebied kunnen burgemeester en wethouders onder voorwaarden een omgevingsvergunning verlenen als het werknemers betreft voor de ter plaatse uitgeoefende agrarische bedrijfsactiviteit. De huisvesting in 13

bestaande bebouwing is toegestaan voor maximaal 6 maanden per jaar en in tijdelijke units of caravans bij piekbelasting voor maximaal 4 maanden per jaar. Steeds meer agrariërs (fruittelers) maken echter bijna jaarrond gebruik van arbeidsmigranten. Een nieuwe keuze qua beleid hierin is daarom wenselijk. Circulaire (kringloop)landbouw We staan hier in principe positief tegenover, maar we zien op dit moment geen taak voor de gemeente om hier een actieve, stimulerende rol in te spelen. Wel vinden we het wenselijk om nader uit te werken wat onder circulaire (kringloop)landbouw moet worden verstaan om daarmee een toetsingskader te creëren. We willen daarmee de nieuwvestiging van niet-grondgebonden bedrijven voorkomen. Uiterwaarden De gemeente heeft de ambitie het huidige beleid voort te zetten met de nadruk op natuurontwikkeling, water en waterberging in combinatie met extensieve recreatie in de vorm van wandel (struin)- en fietsroutes. Daarnaast wil de gemeente de bestaande bedrijfsvoering van agrarische bedrijven blijven faciliteren en meewerken aan functieverandering naar burgerwoningen voor de nog aanwezige agrarische bedrijven. Nieuwvestigen, uitbreiden of verplaatsen van agrarische bedrijven binnen de uiterwaarden is niet mogelijk.

Het optimaliseren van de uiterwaarden voor agrarisch gebruik is vanwege de beoogde natuurontwikkeling en ruimte voor de rivier, maar ook vanwege de slechte productieomstandigheden, niet zinvol.

Vragen en discussiepunten • Willen we ingeval van verplaatsingen van niet-grondgebonden bedrijven van de oeverwal naar het komgebied aanvullend beleid opstellen? Hierbij speelt met name de locatiekeuze een rol. • Is de toegestane grootte van nevenfuncties op basis van huidige maatstaven en wensen nog toereikend in de praktijk? We staan nu toe dat maximaal 350 m2 bij een agrarisch bedrijf wordt gebruikt voor een nevenfunctie. In de praktijk blijkt vaak dat bij het toevoegen van de nevenfunctie ‘zorg’ die oppervlakte ontoereikend is. De roep om nevenfuncties bij agrariërs wordt steeds groter, zoals ook blijkt uit het participatietraject. • Willen we met het herzien van het VAB-beleid meer ruimte bieden aan wonen in het buitengebied en/of het toelaten van nieuwe functies? • Willen we nader uitwerken wat onder circulaire (kringloop)landbouw moet worden verstaan om daarmee een toetsingskader voor initiatieven te creëren? • Willen we specifiek beleid voor huisvesting bij agrarische bedrijven voor arbeidsmigranten opstellen vanwege het feit dat het bestaande beleid niet meer aansluit op de huidige praktijk?

14

2.

NATUUR EN LANDSCHAP

De gemeente West Maas en Waal heeft in februari 2010 de Structuurvisie Buitengebied 2020 vastgesteld. Deze structuurvisie vormde een opmaat voor het Landschapsontwikkelingsplan dat in 2011 is vastgesteld. De doelen ten aanzien van de ruimtelijke, maar vooral ook landschappelijke, ontwikkeling zijn hierin vastgelegd. Uitgangspunt is dat het karakteristieke onderscheid tussen het komgebied, oeverwallen en uiterwaarden behouden moet blijven en waar mogelijk versterkt om zo de eigenheid en leesbaarheid van het landschap te bewaren. De druk op het landschap is groot. Toch zal het landschap moeten worden ingezet om de kwaliteiten van het rivierengebied waar mogelijk te versterken. Er moet kunnen worden ingespeeld op nieuwe vragen, zoals klimaatadaptatie, het energievraagstuk en het vergoten van de biodiversiteit en veranderende behoeftes (onder meer schaalvergroting van agrarische bedrijven) in het buitengebied. Dit vraagt om spelregels waarmee sturing kan worden gegeven aan de gewenste ontwikkelingsrichting van natuur en landschap.

Huidig beleid Komgebied De Grote Wetering en de Nieuwe Wetering zijn aangewezen als ecologische verbindingszone. Deze verbindingszones bestaan uit een aaneenschakeling van natuurelementen (stapstenen) die het multifunctionele komgebied doorsnijden. De ecologische verbindingszone langs de Grote Wetering, begint in het oosten bij de N322 en loopt door tot het gemaal van Quarles van Ufford aan de westzijde. De zuidelijke oever heeft een breedte van circa 10 m en de noordelijke oever is circa 3 m bestaande uit een corridor met stapstenen, ingebed in een landschapszone. ‘Natte’ elementen zoals poelen zijn essentieel in dit model. De Reef Wetering, tussen de Grote Wetering en het gebied rondom De Meren, is inmiddels in ontwikkeling als natuurgebied. Het komgebied heeft ook een belangrijke ecologische waarde voor weidevogels. Met name het oostelijke deel van het buitengebied is geschikt als weidevogelgebied. Er zijn overigens geen gebieden binnen de gemeente die de provincie formeel ook als zodanig heeft aangewezen. Daarnaast zijn enkele eendenkooien als natuurgebied aangewezen en deze worden ook als zodanig beschermd. Tot slot wordt gestreefd naar het behoud van opgaande populieren(bos)percelen in verband met het ecologisch functioneren van landschap.

Oeverwallen Het landschapsbeleid op de oeverwallen is gericht op het behouden van groene geledingszones tussen de kernen (zodat dorpskernen niet aan elkaar groeien), het aanleggen van erfbeplantingen en het handhaven van kleinschalige landschapselementen. Deze kleinschalige landschapselementen dragen bij aan een groen raamwerk op de oeverwal voor een beter ecologisch functioneren. De wielen en kolken spelen daarin eveneens een belangrijke rol. Het mozaïekachtige karakter, de afwisseling van verschillende functies, zoals open weides, boomgaarden, wielen en bebouwing, vormen de basis voor de toekomstige ontwikkelingen.

15

Landschappelijke waarden moeten behouden blijven en waar mogelijk versterkt. Dit betekent niet dat de oeverwallen op slot zitten. Het landschap moet mede worden ingezet om verrommeling te voorkomen. Het meer kleinschalige halfopen landschap van de oeverwallen, waarbij wonen, werken en agrarische activiteiten sterk met elkaar zijn verweven, biedt beperkt ruimte voor schaalvergroting. Functiemenging is op de oeverwallen toegestaan, omdat het de bestaande karakteristiek van de oeverwallen versterkt. Verder biedt functiemenging extra ontwikkelingsmogelijkheden, naast de mogelijkheden van het functieveranderingsbeleid voor Vrijkomende Agrarische Bedrijfsbebouwing (VAB). Op de oeverwallen zijn geen gebieden aangewezen als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De oeverwallen worden wel doorsneden door de weteringen die afwateren op de Maas. Langs de weteringen zijn ecologische verbindingszones ontwikkeld. Uiterwaarden Grote delen van de uiterwaarden liggen binnen het NNN en zijn dan ook bedoeld voor de ontwikkeling van natuur langs de grote rivieren. De uiterwaarden zijn landschappelijk en ecologisch van grote betekenis, vooral door hun ruimtelijke afwisseling en de regelmatige overstroming.

Daarnaast moet ruimte worden geboden aan de rivier (zie de kaart ‘Grote rivieren’ uit het Beleid algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)). De uiterwaarden langs de Waal zijn in hun geheel ook onderdeel van het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. De uiterwaarden van de Maas hebben een ander karakter dan de uiterwaarden van de Waal. Door de kanalisatie zijn oude Maasarmen afgesneden waardoor de uiterwaarden sterk wisselen in hun omvang. De ene keer smal, waarbij de dijk en de kern de rivier bijna raken, om vervolgens te verbreden daar waar een oude Maasarm loopt of heeft gelopen. Er vindt nog altijd zandwinning plaats in de Maasuiterwaarden. Na afloop van de zandwinning worden deze gebieden ingericht als natuurgebied en maken vanaf dat moment deel uit van het NNN. De overige uiterwaarden van de Maas hebben naast een betekenis voor natuur ook een belangrijk recreatieve betekenis. De landelijke eisen die voortvloeien uit de aanwijzing tot NNN en het ruimte bieden aan de rivier betekenen dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met het toevoegen van nieuwe bebouwing.

Ingevolge de Omgevingsverordening Gelderland (2018) bestaat op gronden die geheel worden omsloten door het NNN/GNN (Gelders Natuurnetwerk) de mogelijkheid tot uitbreiding van bestaande functies, maar alleen indien is aangetoond dat verplaatsing naar een locatie buiten het NNN/GNN bedrijfseconomisch niet mogelijk is en de kernkwaliteiten van het gebied per saldo worden versterkt. Natuur, landschap en water vormen dan ook de hoofdfuncties. Vanwege de natuurontwikkeling wordt gestreefd naar het behouden van kenmerkende landschapselementen, zoals bakenbomen langs de Maas.

16

Begrazing (intensief en extensief) van gronden is wel mogelijk. Natuurbeleving (en extensieve recreatie) vormen een steeds belangrijkere functie van de uiterwaarden. Hierbij moet het zicht vanuit de uiterwaarden, in een afwisselend open en dicht landschap, op de rivier behouden blijven. Ook het versterken en behouden van zichtlijnen naar de rivier vanuit de kernen is van belang. Steenfabrieken en andere cultuurhistorische elementen moeten behouden blijven. De gebouwen kunnen uitstekend worden benut voor andere functies en geven identiteit aan het gebied.

Trends en ontwikkelingen Allereerst zorgen de nieuwe opgaven op het gebied van klimaatadaptatie en energietransitie voor belangrijke ontwikkelingen op het gebied van natuur en landschap. Samen met schaalvergroting van de landbouw en woningbouw zorgen zij voor de grootste ruimteclaims. Zo moet in het kader van klimaatadaptatie voorzien worden in de aanleg van waterberging. De energietransitie zorgt weer voor andere dilemma’s en vraagstukken: willen we zonnepanelen op (landbouw)gronden leggen en wat betekent dit voor de kwaliteit van de bodem? Hoe kunnen we ze zo landschappelijk inpassen dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de biodiversiteit? Als belangrijke trends kunnen verder worden genoemd de omvorming van de traditionele landbouw tot een meer natuurinclusieve, biologische (kringloop)landbouw en de wens om de biodiversiteit in het gehele buitengebied te vergroten. Dit laatste kan worden bereikt door de aanleg en instandhouding van bermen, laanbeplanting, bosjes en andere landschapselementen, maar ook door agrarisch natuurbeheer. Agrarisch natuurbeheer is een aangepaste bedrijfsvoering om natuur- en landschapswaarden te behouden of te creëren. De betreffende percelen behouden hun (primaire) landbouwproductiefunctie, maar agrariërs nemen op en rond hun bedrijf maatregelen voor natuur en landschap.

Een boer kan tijdens de werkzaamheden rekening houden met de natuurlijke flora en fauna op zijn land. Zo kan hij besluiten voor een bepaalde datum zijn weilanden niet te maaien, rekening houden met de nesten van weidevogels, slootkanten niet maaien, het land niet bemesten of poelen graven voor amfibieën. Ook kan hij akkerranden aanbrengen voor biodiversiteit of solitaire bomen planten voor schaduw. Voor maatregelen die een extra inspanning vragen of extra kosten met zich mee brengen, kan de boer een vergoeding van de overheid krijgen. Sinds 1 januari 2016 is er vanuit de provincies het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) ingevoerd. De kern hiervan is een leefgebiedenbenadering voor (dier)soorten van internationaal belang op basis van een collectieve, gebiedsgerichte aanpak. De provincie verstrekt echter alleen maar subsidie voor ANLb aan gecertificeerde agrarische collectieven en niet aan individuele agrariërs. De provincie geeft in haar Natuurbeheerplan aan in welke gebieden het voor agrarische collectieven mogelijk is om subsidie voor het ANLb aan te vragen.

Ambities en keuzes Komgebied Het is de ambitie van de gemeente om in het buitengebied zowel op eigen gronden als op particuliere gronden de biodiversiteit te vergroten. Op eigen gronden gaat het dan bijvoorbeeld om (bloeiende) bermen, diversiteit in laanbomen, watergangen, bospercelen, grienden en eendenkooien. De gemeente maakt al jaren gebruik van de 17

landschapsregeling (subsidie) van de provincie Gelderland voor projecten gericht op versterking van de landschapskwaliteit en biodiversiteit in het cultuurlandschap. Bewonersparticipatie vormt hierbij de rode draad. Veel bewoners en vrijwilligers zijn gemotiveerd om een belangrijke bijdrage te leveren aan het versterken van de landschappelijke identiteit, het vergroten van de beleefbaarheid van de landschappen en het behouden van de landschapskwaliteiten. De gemeente blijft dit ondersteunen. De gemeente wil agrariërs met behulp van subsidieregelingen stimuleren om klimaatslimme landschapselementen aan te brengen. Hierbij kan men denken aan waterberging, houtwallen, kleine bosjes en (kruidenrijke) akkerranden en bloemstroken langs percelen. Op deze manier wordt niet alleen de biodiversiteit en de waterkwaliteit vergroot, maar het zorgt ook voor plaagbeheersing van gewassen en bestuiving. Verder blijft de gemeente het belangrijk vinden dat bestaande en eventueel toekomstige (agrarische) bedrijven landschappelijk worden ingepast met aandacht voor erfbeplanting, zeker waar dit het wederopbouwgebied betreft. Tot slot wil de gemeente door het stimuleren van circulaire, natuur-inclusieve landbouw een bijdrage leveren aan de vergroting van de biodiversiteit.

Boeren die zich bezighouden met circulaire (kringloop)landbouw zorgen daarnaast voor een vruchtbare bodem, produceren met korte kringlopen en dragen bij aan klimaatadaptatie en een goed watersysteem. Oeverwallen In de structuurvisie is aangegeven dat de kernen in de toekomst niet aan elkaar mogen groeien; ze moeten als afzonderlijke kernen herkenbaar blijven. Tussen de kernen is daarom momenteel een groene geledingszone aangebracht, die een groene buffer tussen de kernen vormt. In het kader van de woningbouwopgave van de gemeente zijn nieuwe woningbouwlocaties nodig. We willen onderzoeken of het nodig is om hierbij ook de groene zones tussen de kernen te betrekken. We vinden het, zeker ook in het kader van het behoud, herstel en versterken van de biodiversiteit, van belang dat op de oeverwallen zoveel mogelijk kleinschalige landschapselementen, zoals elzensingels, houtwallen, hagen en heggen worden behouden. Deze elementen hebben ook een belangrijke functie voor de ecologische verbinding vanuit de uiterwaarden naar het komgebied. Uiterwaarden De Waaluiterwaarden zijn Natura 2000-gebied. Natuur(ontwikkeling), inclusief het behoud, herstel en versterken van biodiversiteit, is hier de belangrijkste functie. Wat begroeiing en vegetatie betreft, volgen we de Vegetatielegger van Rijkswaterstaat. Deze geeft de norm voor begroeiing aan in het hele riviergebed.

Verder willen we de wandel- en struinpaden in de Waaluiterwaarden behouden en waar mogelijk versterken. Tot slot moet er ook ruimte zijn voor kleinschalige voorzieningen in het kader van recreatief gebruik. Langs de Maasuiterwaarden wordt een verweving voorgestaan van natuur en recreatie. Ook hier willen we de biodiversiteit vergroten en de kenmerkende bakenbomen langs de Maas behouden.

18

Vragen en discussiepunten • Het komgebied staat in het teken van agrarisch gebruik. We willen zoveel mogelijk kansen benutten om de biodiversiteit te vergroten, door bijvoorbeeld de aanleg van houtwallen, kleine bosjes, (kruidenrijke) akkerranden en bloemstroken langs percelen. Zijn we bereid om de agrariër hierbij te ondersteunen? • In het kader van de woningbouwopgave zijn nieuwe woningbouwlocaties nodig. Zijn we bereid om te onderzoeken of daar eventueel (in afwijking van bestaand beleid) de groene zones tussen de kernen bij betrokken zouden kunnen worden, mocht daar behoefte aan zijn? • Willen we in de uiterwaarden meer ruimte bieden aan kleinschalige voorzieningen in het kader van recreatief gebruik (botels e.d.)?

19

3.

WATER EN KLIMAATADAPTATIE

De gemeente West Maas en Waal ligt ingeklemd tussen de rivieren de Waal aan de noordzijde en de Maas aan de zuidzijde. Afwatering in het buitengebied vindt met name plaats via de Grote Wetering. West Maas en Waal wil in 2035, maar uiterlijk in 2050, klimaatbestendig en waterrobuust zijn. Dat betekent twee dingen. Ten eerste zijn onze gemeente en de regio bestand tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering. Daarnaast is en blijft onze gemeente een fijne plek om te wonen, te werken en te recreëren. De maatregelen die wij nemen, verminderen daarom niet alleen de negatieve klimaatgevolgen, maar ze dragen ook bij aan een socialere en gezondere leefomgeving met meer water, groen en biodiversiteit.

Huidig beleid In mei 2019 stelde de gemeente samen met acht regionale partners de Regionale Adaptatie Strategie (RAS) Rijk van Maas en Waal vast. Hierin staan de visie en de ambities om in 2035 een klimaatbestendige regio te zijn. Samen met ruim dertig lokale en regionale partijen heeft de gemeente in juni 2019 het RAS-Manifest ondertekend. Met deze ondertekening kwamen alle partijen overeen om de komende jaren zelfstandig en gezamenlijk invulling te geven aan het klimaatbestendig en waterrobuust maken van het Rijk van Nijmegen en het Land van Maas & Waal. Alleen een regionale visie is echter niet genoeg. De gemeente heeft daarom voor haar dorpen een eigen Lokaal Uitvoeringsprogramma (LUP) Klimaatbestendig West Maas en Waal 2020 – 2023 vastgesteld. Dit programma geeft een concreet beeld van hoe we onze visie en ambities gaan realiseren voor natte, droge en hete perioden. Dit heeft geresulteerd in een lokaal uitvoeringsprogramma met bijbehorende maatregelagenda, die ook raakvlakken heeft met het buitengebied. Maatregelagenda De maatregelagenda beschrijft voor elk dorp in de gemeente welke maatregelen er worden genomen in de periode 2020-2023. De drie belangrijkste categorieën: Groen: de gemeente maakt de openbare ruimte groener door bomen te planten, verharding te verwijderen en groene corridors aan te leggen.

Groene corridors zijn wegen met veel groen die de dorpen met het buitengebied verbinden. Aangename openbare ruimte: om de openbare ruimte voor mensen een aangename plek te laten zijn, plaatst de gemeente bankjes en watertappunten. Ook legt ze wandelpaden aan. Waterrobuust: de gemeente leidt water naar plekken waar het niet voor overlast zorgt. Dat kan door groenstroken en watergangen aan te leggen.

Daarnaast is samen met de acht regionale partners een Regionaal Uitvoeringsprogramma (RUP) opgesteld waarin regionale maatregelen en activiteiten zijn vastgelegd. Dit RUP maakt onderdeel uit van ons LUP; wat regionaal kan doen we regionaal, wat lokaal moet, doen we lokaal. Eén van de

20

onderdelen uit het RUP is dat de regio gezamenlijk een maatregelenagenda voor klimaatadaptatie in het buitengebied gaat opstellen.

Trends en ontwikkelingen Het klimaat is aan het veranderen. Het wordt warmer, droger en we zullen vaker te maken krijgen met extreme neerslag. Dit heeft gevolgen op het gebied van waterveiligheid, wateroverlast en watervoorziening. Landbouw en natuur zijn erg gevoelig voor de gevolgen van klimaatverandering. Beide hebben ruimte nodig om zich aan te kunnen passen aan bijvoorbeeld wateroverlast of droogte. We moeten als gemeente inspelen op de gevolgen van klimaatverandering. Het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie, een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk om Nederland klimaatbestendig en waterrobuust in te richten, versnelt en intensiveert de noodzakelijke maatregelen voor klimaatadaptatie Met het oog op het voorkomen van waterschade op agrarische bedrijven is het landelijk gebied momenteel sterk ingericht op het snel afvoeren van water richting de rivieren en het laag houden van het grondwaterpeil. De keerzijde is een geringe opbouw van de watervoorraad in de winter, een watertekort in de zomer, verzilting en verdroging. De oplossing moet daarom worden gezocht in het opslaan van water op percelen of tussenpercelen (in zogenoemde perceelsloten) en in bodemverbetering. Voor West Maas en Waal is in het buitengebied, naast het voorkomen van wateroverlast, de droogte- en hittebestrijding een zeer belangrijke opgave.

Droge en hete perioden leidden (vertraagd) tot forse schadebeelden. Daar heeft de natuur, de landbouw, maar ook de soms karakteristieke oude bebouwing behoorlijk last van. De vraag is hoe we in natte perioden het overschot aan water langer vast kunnen houden, zodat wij deze in tijden van droogte kunnen benutten. Dit is een opgave die de overheid niet alleen waar kan maken en waarvoor bijdragen van particulieren en ondernemingen noodzakelijk zijn.

Ambities en keuzes De gemeente West Maas en Waal wil in 2035 (maar moet in 2050) klimaatbestendig en waterrobuust zijn. Dit geldt ook voor het buitengebied. Op de korte termijn gaan we in beeld brengen hoe we in het buitengebied wateroverlast tot een minimum kunnen beperken en de droogte te lijf kunnen gaan. Op basis hiervan wordt een ‘gebiedsagenda aanpak droogte en wateroverlast’ ontwikkeld die gericht is op het versterken van de groenblauwe structuur. Hierin worden kwetsbaarheden in beeld gebracht en maatregelen opgenomen. Waterschap Rivierenland en provincie Gelderland zijn trekkers van de agenda en als gemeente dragen wij bij om deze ambities te realiseren.

21

Ambities voor agrarische percelen Samen met onze gebiedspartners stellen we een concreet plan op om het watervasthoudend vermogen van landbouwpercelen en het organisch stofgehalte in de landbouwpercelen aanzienlijk te verhogen. Waterbesparende maatregelen in de landbouw worden zo veel mogelijk toegepast, zodat bij droogte efficiënt kan worden omgegaan met het beschikbare water. De gemeente draagt daarin bij door groenstroken te beschermen en geschikt te maken voor waterberging. Op particulier terrein is het noodzakelijk dat waterbuffering plaatsvindt, bijvoorbeeld door de aanleg en/of instandhouding van perceelsloten. Opgeslagen water is goed te gebruiken voor besproeiing van groen en gewassen in droge tijden. Het liefst aan de westzijde van onze gemeente, waar we amper water naartoe kunnen brengen, maar ook op andere plekken in het buitengebied. Daarnaast gaan we onderzoeken of het nodig is om één of meer extra retentiebekkens te realiseren. De gemeente ondersteunt bedrijven waar nodig met advies of koppelkansen. Ambities voor (natte) natuur Samen met onze gebiedspartners, waaronder natuurorganisaties, stellen we een plan op over behoud en ontwikkeling van klimaatrobuuste (natte) natuur. Nieuwe plannen voor landschap en natuur in het buitengebied worden klimaatbestendig opgesteld. De (natte) natuur is in 2035 bestand tegen langdurige droogte en extreme regenval.

Maatregelen die hiervoor nodig zijn, pakken wij samen met onze gebiedspartners op. Eén van de maatregelen is onderzoeken of het water uit de ontgrondingsplassen kan worden ingezet ten behoeve van de natuur, recreatie en landbouw. Ambities voor wonen, recreatie en overige activiteiten Door de gemeente en haar gebiedspartners wordt gewerkt aan de verbetering van de interactie tussen stedelijk en landelijk gebied ten gunste van de klimaatbestendigheid van beide gebieden. Bij nieuwe bebouwing en voorzieningen wordt klimaatbestendigheid meegenomen in de locatiekeuze, ontwerp en inrichting. In regionaal verband wordt onderzocht of bebouwing en recreatievoorzieningen (zoals stallen en bungalows) in het buitengebied klimaatbestendig zijn (of kunnen worden). Wij werken samen aan plannen en uitvoeringsmaatregelen ter verbetering hiervan. We pakken, waar nodig, locaties die gevoelig zijn voor extreme hitte aan. We verwachten dat de problematiek in het landelijk gebied kleiner is dan in stedelijk gebied. De opgave wordt met de eerder genoemde ‘gebiedsagenda aanpak droogte en wateroverlast’ door waterschap en provincie in beeld gebracht. Als er een opgave voor onze gemeente ligt, dan pakken we deze integraal met toekomstige inrichtingsmaatregelen op. Te denken valt daarbij aan het creëren van koelte plekken en groene corridors voor recreanten, maar ook voor dieren.

Dit laatste kan door eigenaren zelf worden gerealiseerd door bijvoorbeeld de aanleg van (solitaire) bomen in weilanden. Resultaat in 2035 In 2035 is het landelijk gebied in van West Maas en Waal voorzien van een klimaatrobuuste groenblauwe structuur. De agrarische sector en de natuurgebieden zijn bestand tegen langdurige droogte en extreme regenval. Hittebestrijding in het buitengebied is geen urgentie meer en draagt 22

zelfs bij aan het oplossen van klimaatknelpunten in het stedelijk gebied. Daarnaast zijn de recreatievoorzieningen en de bebouwing klimaatbestendig zodat het er bij droogte, extreme neerslag en hitte ‘goed toeven’ is.

23

4.

GEZONDHEID

We hechten als gemeente aan een groen en gezond buitengebied. We vinden het van groot belang dat inwoners en gebruikers van het buitengebied zich prettig voelen en dat het buitengebied uitnodigt tot bewegen en recreëren. Tegelijkertijd zijn we ook een van oorsprong agrarische gemeente, hetgeen dilemma’s met zich meebrengt ten aanzien van de vermenging van veehouderijen en woningen/andere gevoelige functies.

Huidig beleid Het beleidskader van het sociaal domein, ‘Samen Beter’ (2016), stimuleert om via het uitvoeringsprogramma de inrichting van de openbare ruimte zo aantrekkelijk mogelijk te maken ter bevordering van buiten bewegen/sporten en ontmoeten voor zowel jong als oud. Uit de gezondheidsmonitor West Maas en Waal (2016) van de GGD Gelderland-Zuid blijkt dat in de gemeente West Maas en Waal verbeteringen te behalen zijn op het gebied van beweging en een gezond lichaamsgewicht. Met aanpassingen in de leefomgeving kan de gemeente West Maas en Waal hier een positieve bijdrage aan leveren. voldoet aan de beweegnorm (NNGB)

% voldoet aan beweegnorm: man vrouw 19-34 jr 35-49 jr 50-64 jr 65-74 jr 75+ 2012 West M&W 2016 West M&W Gelderland-Zuid Nederland 0

10

20

30

40

50 %

60

40

50

70

80

90

% overgewicht: man vrouw 19-35 jaar 35-50 jaar 50-64 jaar 65-74 jaar 75+ jaar 2012 West M&W

2016 West M&W Gelderland-Zuid Nederland 0

10

20

30 ernstig

%

60

70

matig

24

Trends en ontwikkelingen Gezondheid wordt steeds meer een mee te wegen belang bij de inrichting van de fysieke leefomgeving. In de op handen zijnde Omgevingswet wordt het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit zelfs expliciet als één van de maatschappelijke doelen van de wet genoemd. Het thema is echter breed en omvat veel aspecten. De GGD/GHOR stelde daarom het document ‘Kernwaarden voor een Gezonde Leefomgeving’ op. In dit document stelt zij dat door de leefomgeving gezonder in te richten veel gezondheidswinst kan worden geboekt. Een gezonde inrichting van de leefomgeving beschermt tegen negatieve omgevingsinvloeden en bevordert de gezondheid. Hier kan een onderscheid worden gemaakt tussen gezondheidsbescherming (milieu, klimaat etc.) en gezondheidsbevordering (inrichting, ontmoeting). Een gezonde leefomgeving is een leefomgeving die bewoners als prettig ervaren, waar gezonde keuzes gemakkelijk en logisch zijn, en waar negatieve invloed op gezondheid zo klein mogelijk is. Belangrijke elementen voor een gezonde leefomgeving zijn uitnodigen tot bewegen (wandelen, fietsen, spelen), elkaar ontmoeten, ontspannen, een goede milieukwaliteit (lucht, geur, geluid), klimaatbestendigheid (zoals meer groen en biodiversiteit voor tegengaan hitteen wateroverlast) en een goede toegang tot voorzieningen.

In het document brengt de GGD verder een set van waarden samen die in elk ruimtelijk beleid of plan aan de orde zouden moeten komen.2 Deze waarden kunnen worden onderverdeeld in de volgende hoofdthema’s: 1) woonomgeving, 2) mobiliteit en 3) gebouwen (waaronder woningen, scholen, etc.). In deze omgevingsvisie buitengebied focussen we alleen op de eerste twee waarden. Woonomgeving De woonomgeving kan een bevorderlijke rol spelen op het gebied van gezondheid, wanneer deze aantrekkelijk is om te ontmoeten, te bewegen en te spelen en er geen geluid- of geuroverlast is. Door aantrekkelijke plekken voldoende dichtbij en voor iedereen, ook kwetsbare mensen, gemakkelijk toegankelijk te maken, kunnen zij goed gebruikt worden. Aantrekkelijk ingerichte plekken dragen bij aan het verminderen van de kans op eenzaamheid en stressgerelateerde klachten en dragen bij aan de fysieke fitheid, sociale cohesie en kwaliteit van leven. Ook functiescheiding tussen wonen en bedrijvigheid kan een rol spelen bij gezondheid in de woonomgeving. Teveel vermenging van veehouderijen en woningen/gevoelige functies in het buitengebied leiden tot een minder gezonde leefomgeving. Zo kunnen veegerelateerd fijnstof (PM10) en endotoxinen leiden tot luchtwegklachten en kunnen veehouderijen een bron zijn van infectieziekten van dieren die besmettelijk zijn voor mensen (zoönosen).

Ook geurbelasting kan leiden tot gezondheidsklachten. Behalve tot gezondheidsklachten kan dit ook leiden tot overlast en tot onderlinge spanningen en wantrouwen tussen veehouderijen en omwonenden. Het kan ook tot problemen leiden bij de herbestemming van vrijkomende agrarische bebouwing.

2

Het document Kernwaarden voor een Gezonde Leefomgeving is vastgesteld door de Raad van Directeuren Publieke Gezondheid en de directie van GGD GHOR Nederland. Zie: https://www.ggdghorkennisnet.nl/thema/omgevingswet/publicaties/publicatie/20423-kernwaarden-voor-eengezonde-leefomgeving

25

Mobiliteit Een buitengebied dat uitnodigt tot bewegen heeft een positieve invloed op de publieke gezondheid. Hierbij is het van belang dat ook het groene karakter van het buitengebied wordt versterkt om zo positieve effecten op de leefomgeving te bewerkstelligen. Bomen en groen zijn positief voor de beleving, kunnen fijnstof (enigszins) afvangen, zorgen voor verkoeling bij hete periodes en versterken de biodiversiteit. Ook het realiseren van veilige en aantrekkelijke verbindingen waarbij het gemotoriseerd verkeer en wandelaars/fietsers van elkaar worden gescheiden is hierbij een groot goed.

Ambities en keuzes Woonomgeving De gemeente West Maas en Waal streeft ernaar om voldoende afstand te laten bestaan tussen veehouderijen en woningen/gevoelige functies. Bij elke ontwikkeling van een veehouderij of nieuwbouwproject wordt bekeken hoe de overlast van omwonenden en de negatieve invloed op de gezondheid tot een minimum beperkt kan worden. Te denken valt aan vermindering van de milieubelasting of sloop van overtollige bebouwing en landschappelijke inpassing. West Maas en Waal vindt het niet gewenst om in te grijpen in geldende rechten van bestaande veehouderijen. Er wordt vooral gekozen voor de dynamiek en duurzame innovatiekracht van de sector zelf. Juist door, onder voorwaarden, ruimte te bieden aan de blijvers kan er verbetering van de omgevingskwaliteit bereikt worden. Ook bij (nieuwe) ontwikkelingen in het buitengebied hebben we expliciet aandacht voor de aspecten ontmoeten/ bewegen/ spelen/ ontspannen. Hierbij hebben we oog voor de toegankelijkheid hiervan, voor kwetsbare inwoners (inclusieve samenleving). Mobiliteit Een beweegvriendelijke gemeente houdt voor de gemeente West Maas en Waal in dat er zorgvuldig wordt gekeken naar de wensen van de inwoners, met als doelstelling gezonde en gelukkige inwoners.

Een voorbeeld is de aanleg of verbetering van fiets- en wandelpaden om zo optimaal te genieten van de mooie natuur- en groengebieden die de gemeente te bieden heeft. Goede en veilige fietsverbinding tussen de verschillende kernen en met aandacht voor de schoolfietsroutes die leerlingen gebruiken. De realisatie van meer beweegvriendelijkheid kent raakvlakken met verschillende andere beleidsthema’s, zoals duurzaamheid, mobiliteit en toerisme. Deze raakvlakken kunnen voor meekoppelkansen, zoals passende attracties in het buitengebied, zorgen. Een beweegroute kan met een duurzaam initiatief worden gerealiseerd, waarbij direct de openbare veiligheid en toegankelijkheid in de omgeving onder de loep kan worden genomen.

Vragen en discussiepunten • Willen we de gezondheidsaspecten in het buitengebied in kaart brengen (bv. door middel van een ‘Quickscan Gezonde Leefomgeving’) en op basis van de uitkomsten gericht beleid maken? • U heeft eerder aangegeven dat de wens bestaat om vanuit het oogpunt van gezondheid het buitengebied toegankelijker te maken voor fietsers en wandelaars. De wegen in het buitengebied zijn nu voornamelijk gericht op agrarisch verkeer. Moet het college van B&W een programma maken

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9915511/1