CConstaterende datWest Maas en Waal
Koppel je AI →
Document · PDF

12.3 Impact van RES1.0 op het energienet

Gemeenteraad 20 mei 2021, gemeente West Maas en WaalBij agendapunt: Regionale Energie Strategie 1.0 FruitDelta Rivierenland16.957 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Impact van RES concept 1.0 op RES het scenario's op de elektriciteits- en gasinfrastructuur energienet RES regio: regio ……… FruitDelta Rivierenland

1

Samenvatting

Klik op het icoon om naar de inhoudsopgave te gaan. 2

Optimaal ontwerp en gebruik van het energiesysteem Het energienet als multifunctionele verbinder van vraag en aanbod Het Nederlandse energienet verbindt, letterlijk, de ambities en plannen in de 30 RES regio's: het is de verbindende factor tussen opwek en gebruik van energie. Het energienet zal flink veranderen de komende tijd. Het werd aangelegd als transportmedium om te voorzien in de vraag naar energie. In de energietransitie verandert het in een multifunctionele verbinder van vraag, aanbod en opslag van elektriciteit, duurzame warmte en groene alternatieven voor aardgas. De RES΄en zijn de basis voor een langjarige en planmatige aanpak. Hiermee kunnen we gericht inzetten op het vinden van geschikte locaties voor kabels en elektriciteitsstations, het doorlopen van vergunningstrajecten en het inzetten van schaarse technici om al het werk te realiseren.

Systeemefficiëntie

Het belang van systeemefficiëntie In dit document bieden we inzicht in de impact die keuzes in de RES hebben op het energienet. Daarnaast geven we adviezen over het verbeteren van de systeemefficiëntie, namelijk het zo optimaal mogelijk ontwerpen en gebruiken van het energiesysteem. Dit is een van de vier afwegingskaders in de RES. Het zorgt ervoor dat plannen tijdig uitvoerbaar zijn tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Met deze impactanalyse is de RES-regio in staat om: 1. Te sturen op tijdige realisatie van ambities, efficiënt ruimtegebruik en laagste maatschappelijke kosten. 2. Systeemefficiëntie mee te nemen in het afwegingskader. De rol van netbeheerders De Nederlandse netbeheerders werken aan het energienet van vandaag en morgen. Vanuit onze kennis en kunde geven wij alle betrokken partijen in de RES inzicht in de mogelijkheden om het energienet uit te breiden (ruimte, tijd en geld). Ook doen wij voorstellen voor systeemefficiëntie. Dit doen wij vanuit het belang van de maatschappelijke kosten en het tijdig realiseren van de klimaatdoelen. Het vraagt om gecoördineerde uitvoering in goede samenwerking tussen overheden, netbeheerders en marktpartijen.

Ruimte

Kwantiteit

Draagvlak

Vier afwegingskaders in de RES in onderlinge samenhang 1.

Kwantiteit: worden doelstellingen gehaald (aantal TWh duurzame opwek)?

2.

Draagvlak: worden keuzes politiek en maatschappelijk gedragen?

3.

Ruimte: kunnen duurzame opwek en energie-infrastructuur ruimtelijk worden ingepast, kijkend naar landschappelijke kwaliteit?

4.

Systeemefficiëntie: kan duurzame opwek efficiënt worden ingepast in het totale energiesysteem? 3

Ambitie van de regio: verdubbelen van het concept RES bod Van concept RES naar RES 1.0

De concept RES van de regio Rivierenland beschrijft alle bestaande zon- en windparken en alle initiatieven die in de pijplijn zitten of in studie zijn. Dat leidt samen tot een concept bod van 0,632TWh. In de concept RES is tegelijkertijd de ambitie uitgesproken in de RES 1.0 het bod minimaal te verdubbelen. De verkenningen voor nieuwe mogelijke ontwikkelingen ten behoeve van RES 1.0 zijn na de zomer van 2020 gestart. De basis daarvoor is het landschap van Rivierenland samen met drie denkrichtingen die in de concept RES zijn bepaald. Na ruimteateliers per gemeente voor bewoners en stakeholders en op basis van gemeentelijke bestuurlijke ambities is een invulling van het bod RES 1.0 tot stand gekomen. Elke gemeente levert daarin haar eigen bijdrage. Deze bijdragen tellen op tot circa 1,2TWh en de geambieerde verdubbeling van het bod wordt daarmee gehaald. De infrastructuur A2/A15 wordt door de regio gezien als de dragende as met nadrukkelijk behoud van lokale mogelijkheden in het overige deel van de regio. Deze centrale gedachte in de regio is duidelijk herkenbaar in de kaart hiernaast. Voor wind zijn er duidelijke voorkeursgebieden, voor zon geldt dat het, met zorgvuldige landschappelijke inpassing, in principe bijna overal kan. Uiteraard is er een voorkeur voor (grootschalig) zon op dak.

Ook van die categorie duurzame opwek is de ambitie flink verhoogd en wordt uitgegaan van een verhoging met ongeveer een factor 5 van het in 2019 opgestelde vermogen.

De RES 1.0 doorrekening

Liander heeft de verkregen gegevens voor RES 1.0 doorgerekend om te kunnen bepalen wat de impact is op de infrastructuur. Dit stelt ons in staat om vanuit de infrastructuur de benodigde ruimte, de betaalbaarheid én de haalbaarheid van de uitvoering van RES1.0 toelichten. Op het moment van aanleveren van de data door de regio was het te formuleren bod nog niet geheel stabiel. Er zijn nog enkele wijzigingen doorgevoerd in het fianle bod. Die zijn echter van dien aard dat ze geen invloed hebben op de uitkomsten van de analyse die aan de basis ligt van dit rapport. 4

Impact op het elektriciteitsnet Netaanpassingen, kosten en ruimte De kaart laat zien dat de huidige invulling van het RES-bod 1.0 ertoe leidt dat praktisch elk station voor 2030 haar maximale capaciteit overschrijdt. Overigens is het zo dat -naar verwachting- veruit de meeste stations al in 2025 hun maximale capaciteit bereiken. Dat komt met name doordat zonontwikkelingen in de nabije toekomst zullen versnellen door recent aangenomen beleid in het merendeel van de gemeentes. Het RES-bod 1.0 is in 2030 inpasbaar, ná uitbreiding van de infrastructuur. Tot 2030 is het cruciaal voor een goede match te zorgen tussen enerzijds locatie, tijdstip en hoeveelheid aan te sluiten duurzame opwek en anderzijds de uitbreidingen van die netinfrastructuur. Voor acht stations zijn uitbreidingsplannen in uitvoering of zal dat binnenkort plaatsvinden (de rood/groene bolletjes op de kaart). De verwachte in bedrijf name van de uitbreidingen op deze acht stations is in de loop van 2023. De figuur rechtsonder laat zien dat Liander tot 2030 in haar verzorgingsgebied veel meer nieuwe stations of stationsuitbreidingen zal moeten realiseren dan in de recente geschiedenis gebruikelijk. Een forse uitdaging. De totale kosten voor uitbreiding of nieuwbouw van alle stations wordt geschat op €62,9mio. De benodigde ruimte voor deze infrastructuur is circa 7,5ha.

Voor het bovendien aanpassen van het middenspanningsnet (MS-net) en het laagspanningsnet (LS-net; 'het net in de straat') worden de kosten geschat op €45,9mio resp. € 37mio. Er is in de regio één scenario tot stand gekomen. Daardoor is een onderlinge vergelijking op systeemefficiëntie –en dus maatschappelijke kosten- als bedoeld in het afwegingskader van NPRES niet mogelijk. Op het niveau van afzonderlijke windlocaties heeft wel een kwalitatieve beoordeling op netimpact plaatsgevonden (zie Bijlage 4 van de RES-tekst). Dat heeft momenteel nog niet geleid tot gesprekken en overwegingen die gebaseerd zijn op het totaalbeeld. Spanningsniveau

Aantal nieuw te bouwen stations

Aantal uit te breiden stations

Kosten incl. kabels (in mln €)

Benodigde ruimte (in ha)

HS

2

2

26,0

5,8

✓

15

TS

1

0

4,1

0,2

✓

10

MS

9

0

32,7

1,5

✓

5

✓

0

TOTAAL

12

2

62,9

7,5

Inschatting haalbaarheid voor 2030

Verwacht voldoende capaciteit tot 2030

1 stations

Verwacht net wel/niet voldoende capaciteit tot 2030

1 stations

Verwacht tekort aan capaciteit voor 2030

14 stations*

Waarvan reeds ingepland voor aanpassing

8 stations

*) Dodewaard gedeeld met FoodValley en Arnhem/ Nijmegen. Station Druten bevindt zich in de regio Arnhem/Nijmegen

Inzicht in aantal gerealiseerde stations en verwachte benodigde stations

4 1 2015

1 2016

3

12

Gerealiseerde stations in Liander werkgebied

2

1

Indicatie benodigde stations in Liander werkgebied Verwachte benodigde stations in regio per jaar

2019

Jaarlijks tot 2030

Trendlijn

2017

2018

5

Aanbevelingen voor systeemefficiëntie Graag lichten we toe welke mogelijkheden er zijn om de systeemefficiëntie te verbeteren in de RES regio FruitDelta Rivierenland. Het meenemen van de principes van systeemefficiëntie in de afwegingen voor de RES biedt kansen (potentie) om: 1. maatschappelijke kosten te besparen; 2. ruimte te besparen; 3. de haalbaarheid in tijd van de RES ambitie te vergroten 4. slimme keuzes te maken voor de periode na 2030 Het toepassen van systeemefficiëntie is mede bepalend voor het draagvlak en daarmee de haalbaarheid van de RES. Bijvoorbeeld door minder openbrekingen van straten, minder ruimtebeslag en lagere kosten aan infrastructuur door efficiëntere benutting. Voor systeemefficiëntie maken we gebruik van vijf ontwerpprincipes. In de bijlage worden deze toegelicht. De vergelijking met de systeemefficiëntie in het concept RES-bod is lastig te maken en weinig zinvol omdat het aantal hectares zon (op land en dak) zowel als het aantal windturbines fors is verhoogd. Hieronder is een kwalitatief oordeel opgenomen over hoe het huidige RES 1.0 bod scoort ten aanzien van de verschillende ontwerpprincipes. 1. Beter benutten van de restcapaciteit op het bestaande energienet

Zeer veel potentie

Het heeft grote meerwaarde om gebruik te maken van bestaande en binnenkort beschikbaar komende capaciteit. Versnel daarom, in lijn met de kernboodschap TIMING – HOEVEELHEID – LOCATIE (zie netbeheerderszienswijze), initiatieven die aansluiten op het station Tiel en in de Bommelerwaard. Daar komt immers tussen nu en 2023/2024 veel capaciteit bij en kan eenvoudig duurzame opwek worden aangesloten.

2. Energievraag en -aanbod combineren: minimaliseren van transport van energie

Veel potentie

Er is veel potentie om vraag en aanbod beter te koppelen. Het is gunstig wanneer locaties waar energie wordt afgenomen, worden gekoppeld aan locaties waar duurzame energie wordt opgewekt. Dan hoeft immers minder energie getransporteerd te worden en zijn minder kabels nodig. Zet daarom in op concentratie van zonopwek rond de grote stations (zoekcirkel 5 à 10km), met name in Tiel en Zaltbommel.

3. Evenwichtiger verdelen van opgesteld vermogen wind en zon

Veel potentie

Er wordt door de regio al redelijk goed ingezet op wind voor de duurzame opwek. Het opgesteld vermogen van zon, zowel op land als op daken, groeit echter vele malen harder. De wind/zonverhouding verslechtert daardoor waardoor meer inzet op wind nodig is om de balans te herstellen. Bij een betere balans kan meer energie worden opgenomen met de dezelfde infrastructuur dus tegen lagere kosten voor de maatschappij.

4. Clusteren van duurzame opwek projecten

Zeer veel potentie

Er liggen zeer veel kansen voor clustering; een paar grootschalige projecten leveren veel op voor systeemefficiëntie, vergeleken met vele kleine projecten. Mogelijkheden daarvoor liggen in het huidige RES 1.0 bod met name in Buren, Culemborg, Maasdriel en Neder-Betuwe. Stuur daar op zoninitiatieven van meer dan 10MW aansluitwaarde (dus minstens 10ha).

5. Overige oplossingen: aansluiten wind en zon op één aansluiting (cable pooling), aftoppen van piek productie en benutten reservecapaciteit

Veel potentie

Aftoppen (de piek afregelen zodra die voorkomt) levert veel op voor de netinfrastructuur omdat de pieken niet meer gefaciliteerd hoeven te worden. Dat scheelt fors in kabels en transformator. Dit is ondertussen standaard praktijk. Ook cable pooling levert heel veel op voor het efficiënt benutten van de netten. Daar kan de regio een meer stimulerende / faciliterende houding in aannemen. 6

Algemene aanbevelingen voor de RES vanuit de netbeheerder Tijdlijnen op elkaar afstemmen, afspraken maken over uitvoeringscoördinatie

In een uitvoeringsprogramma kan een tijdslijn voor de duurzame opwek projecten, inclusief benodigde netuitbreidingen, worden uitgewerkt. Belangrijk is te beseffen dat uitbreiding van het energienet doorgaans langer duurt dan de realisatie van een wind- of zonnepark. Door de uitbreidingen van het energienet te koppelen aan ruimtelijke ontwikkelingen, kunnen we zorgen dat gewenste regionale ontwikkelingen tijdig kunnen worden aangesloten op de energie-infrastructuur.

Met elkaar (verder) vooruitkijken om ambities tijdig te kunnen realiseren

Door verder vooruit te kijken, is er meer tijd voor het zoeken van geschikte locaties voor kabels en elektriciteitsstations, het doorlopen van planprocedures en het inplannen van schaarse technici om al het werk te realiseren. Verder vooruit kijken, vergroot de kans dat we de regionale ambities samen op tijd realiseren.

Starten waar capaciteit beschikbaar is

Voor de realiseerbaarheid van plannen is het belangrijk om te kijken naar timing. Zo zijn er elektriciteitsstations die nog capaciteit vrij hebben, of kunnen deze op relatief korte termijn (2023/2024) uitgebreid worden. Door samen eerst op deze gebieden te focussen, werken we in de tussentijd aan het realiseren van uitbreidingen in andere gebieden die meer tijd kosten.

Hoe werkt dat dan, rekening houden met ruimte voor het energienet in het beleid? • In de op te stellen omgevingsvisies is meestal al veel aandacht voor de energietransitie en de RES. Door op visieniveau ook aandacht te besteden aan de ruimte die boven- en ondergronds nodig is voor het energienet, sluit de omgevingsvisie goed aan op toekomstige omgevingsplannen en omgevingsprogramma's. • Een omgevingsprogramma energie geeft de mogelijkheid de doelen uit de omgevingsvisie te concretiseren. In dit omgevingsprogramma staan de beleidskeuzes uit de omgevingsvisie verder uitgewerkt, onder andere door een planning bij te voegen hoe de beleidskeuzes in de tijd worden gerealiseerd. NPRES start daarvoor een pilot op. In het bestemmings-of omgevingsplan wordt de daadwerkelijke planologische ruimte gecreëerd om tot het verlenen van de benodigde vergunningen over te kunnen gaan. Liander adviseert graag over de planologische ruimte die nodig is voor het energienet en welke belemmeringen spelen rondom de inpassing van een (nieuw) station. Ook komt eind 2020 een staalkaart beschikbaar waarin de belangrijkste regels staan die in een omgevingsplan kunnen worden opgenomen. • Buitenplanse vergunningen zijn en blijven een mogelijkheid voor verzwaringen en vernieuwingen van het energienet.

Zeker direct na de invoering van de Omgevingswet kan dit een oplossing zijn om te kunnen afwijken van de geldende planologische regels. Een mooi voorbeeld hiervan in het verzorgingsgebied van Liander is de uitbreiding van station Barneveld in de gemeente Barneveld.

Reserveer ruimte voor energie-infrastructuur in ruimtelijk-/omgevingsbeleid

Energieopwekking is een nieuwe ruimtevrager. Ook is door de toenemende energieopwek meer ruimte nodig voor de distributie daarvan. Voor de realisatie van zonneparken en in mindere mate voor windmolens is dit een herkenbare ontwikkeling. Nog minder bekend is dat er ook ruimte nodig is voor de benodigde netverzwaring, in de vorm van nieuwe stations en ondergrondse kabels. Schaarse ruimte in Nederland die ook voor andere belangrijke doeleinden kan worden ingezet.

Indicatieve benodigde tijd voor het bouwen van een nieuw station 0

1

2

3

4

5

6

7

jaren

Nieuw HS/TS of HS/MS station Nieuw TS/MS station Planprocedures

Nieuw MS station Nieuw MS/LS station

Uitvoering Onzekerheid

HS = hoogspanning MS = middenspanning TS = tussenspanning LS = laagspanning 7

Grootschalig zon op dak - oplossingsrichtingen Achtergrond:

Oplossingsrichtingen

De populariteit van zonne-energie in Nederland is de laatste jaren groot. Liander heeft alleen al in 2020 zo´n 2.000 installaties voor zonnepanelen per week aangesloten. In ons hele gebied sloten we in 2020 zo´n 30% meer zonnestroominstallaties aan op de elektriciteitsnetten.

Enerzijds is netverzwaring een oplossing. De impact hiervan is groot en zal een fors beslag leggen op het werkpakket van Liander. Anderzijds zal innovatie en datagedreven netbeheer er toe moeten gaan leiden dat we ontwikkelingen slim kunnen voorspellen en/of sturen.

Het totaal aantal aangesloten zonne-energie installaties op het Liander net ligt medio februari 2021 rond de 500.000. Het totaal vermogen van zonne-installaties die we alléén vorig jaar al (2020) op ons net aansloten is vergelijkbaar met het vermogen van alle zonnepanelen die we van 2011 tot 2017 hebben aansloten. De groei van zonne-energie is daarmee buitengewoon groot.

Verder is het zinvol om zoveel mogelijk een gebiedsgerichte (geclusterde) aanpak te volgen met geclusterde aanvragen om maximaal zon op dak aan te kunnen sluiten. Ook het zogeheten ´aftoppen´ van de stroompieken zorgt voor een lagere belasting op de netten waardoor deze efficiënter worden gebruikt. Aftoppen zorgt voor een relatief klein verlies van opgewekte energie (omstreeks 3%).

Middenspannings- en laagspanningskabels

Daarnaast, om transport van energie zoveel mogelijk te beperken, en daarmee de kosten in de infrastructuur, biedt het combineren van zonne-energie opwek met de lokale energievraag veel kansen. Het is daarbij wel essentieel dat de energievraag tegelijkertijd met de zonneenergie opwek van daken plaatsvindt en dat de pieken voor opwek in lijn liggen met de vraagpiek. Industrieterreinen zijn een goed voorbeeld waar het energiegebruik en de energieopwek vaak gelijktijdig is.

Liander beheert in haar verzorgingsgebied ca. 90.0000 km aan kabels. Alleen al in 2020 legden wij in ons verzorgingsgebied ruim 1.200 km extra kabels aan om het energienet te versterken. Verzwaren van kabeltracés is dan ook één van de oplossingsrichtingen om de energietransitie vorm te kunnen geven.

Veel kan, maar impact op het elektriciteitsnet (distributienet) neemt toe

De elektriciteitsnetten zijn grotendeels in de vorige eeuw aangelegd als een soort éénrichtingsweg, er was in die tijd helemaal geen sprake van zelf opwekken van energie. De energietransitie verandert dit volledig en heeft hiermee grote impact op de netten. De netten kunnen veel aan, maar de forse groei van zonne-energie laat ook zien dat delen van het laagspannings- en middenspanningsnet inmiddels tegen haar grenzen aanlopen waardoor niet optimaal kan worden teruggeleverd. Dit betekent dat distributienetten lokaal moeten worden verzwaard om de piekbelasting van zon te kunnen verwerken. Verzwaren van lokale distributienetten is bewerkelijk en complex in de drukke onder- en bovengrond. Daarnaast hebben we ook te maken met langlopende procedures (denk hierbij aan gemeentelijke vergunningstrajecten, bezwaarprocedures, grondaankoop, etc). Dit betekent dat waar knelpunten ontstaan deze niet altijd vandaag of morgen opgelost kunnen zijn.

Instrumentarium en sturing

Liander werkt op dit moment aan instrumentarium waarin we handvatten geven om te kunnen sturen met zon op dak vanuit het netperspectief. Dit instrumentarium zal in een latere fase met de regio worden gedeeld.

Verdeelstation / Middenspanningsruimte (MSR) Ca 50.0000 MSR´s heeft Liander in haar verzorgingsgebied. De komende jaren verwacht Liander dit fors uit te moeten breiden door o.a. de energietransitie. Het niet efficiënt inpassen van zonne-energie zal echter leiden tot een nog significantere stijging van het aantal MSR's. In bestaande bouw is inpassen niet eenvoudig omdat ruimte schaars is. 8

Klik op de tekst om naar het betreffende onderdeel te gaan.

1.

2.

3.

Huidig energienet in beeld

Aangeleverde gegevens RES 1.0

4.

5.

6.

Impact RES 1.0 op het energienet

Impact RES 1.0 op warmte- en gasnet

Aanbevelingen

Introductie

7. Bijlagen

9

Introductie

10

Introductie | dit document Het Nederlandse energienet verbindt, letterlijk, de ambities en plannen in de 30 RES regio's: het is de verbindende factor tussen opwek en gebruik van energie. Het energienet zal flink veranderen de komende tijd. Het werd aangelegd als transportmedium om te voorzien in de vraag naar energie. In de energietransitie verandert het in een multifunctionele verbinder van vraag, aanbod en opslag van elektriciteit, duurzame warmte en groene alternatieven voor aardgas. De RES΄en zijn de basis voor een langjarige en planmatige aanpak. Hiermee kunnen we gericht inzetten op het vinden van geschikte locaties voor kabels en elektriciteitsstations, het doorlopen van vergunningstrajecten en het inzetten van schaarse technici om al het werk te realiseren.

Systeemefficiëntie

Waarom dit document?

Elke regio maakt in de RES afwegingen tussen verschillende belangen. Energie-systeemefficiëntie is één van de vier belangen in het afwegingskader RES. Om de RES-regio te helpen met die systeemefficiëntie, werken de netbeheerders de netimpact van de RES΄en uit. Met dit document kan de RES-regio het belang van systeemefficiëntie meenemen in de afweging. Naast een analyse van de netimpact van de regionale plannen, geven de netbeheerders ook adviezen over het verbeteren van de systeemefficiëntie. Hiermee kan een RES-regio sturen op tijdige realisatie van ambities, efficiënt ruimtegebruik en de laagste maatschappelijke kosten.

Van concept RES naar RES 1.0 en verder

Begin 2020 is de netimpact van de concept-RES doorgerekend door Liander. Hiermee werd de impact van de regionale plannen op het energienet inzichtelijk gemaakt. Ook kreeg de RES-regio adviezen om de systeemefficiëntie te verbeteren. Deze zijn met name gericht op het veel meer inzetten op wind en bij de uitrol van het bod rekening te houden met de kernboodschap uit de Netbeheerderszienswijde over de juiste TIMING – HOEVEELHEID – LOCATIE (van zon en wind). Wat zoveel wil zeggen als: er is of er komt in Rivierenland in principe voldoende ruimte op de netinfrastructuur om het RES-bod 1.0 te accommoderen. Echter, als initiatieven qua timing niet goed aansluiten bij de voorziene netuitbreidingen, te groot of te klein zijn of op een locatie die relatief ver weg ligt van de stations, dan wordt het zeer moeilijk om het bod systeemefficiënt aan te sluiten. Dat leidt tot extra hoge maatschappelijke kosten en frustratie van de ambities. Dit gesprek zal verder gevoerd worden met de regio in de fase ná RES 1.0. Er is in elk geval de intentie uitgesproken om te kijken hoe, richting uitvoering van RES 1.0 en naar RES 2.0, de onderlinge afhankelijkheid via een gezamenlijk uitvoeringsprogramma gestalte kan worden gegeven. Tot slot: een kwantitatieve vergelijking van aangeleverde gegevens van de concept RES en de RES 1.0 is te vinden in de figuren in deze bijlage. 11

11

Introductie | bepalen netimpact Verschil in doorrekening concept RES en RES 1.0

De netbeheerders hebben een aantal wijzigingen in de doorrekening doorgevoerd zodat we de netimpact nog beter kunnen inschatten. Het volgende is gewijzigd in de doorrekening: • Er wordt (op de meeste onderdelen) gebruik gemaakt van gegevens van de netbeheerders in plaats van landelijke back-up gegevens. Dit is afgestemd met de regio. Verderop is toegelicht voor welke gegevens dit het geval is. • De impact van de RES΄en op de elektriciteitsnetten van TenneT is uitgewerkt. De conclusie vanuit de analyse van TenneT is dat de RES 1.0 plannen vanuit het hoogspanningsnet tot 2030 vooralsnog haalbaar lijken, mits de lopende projecten en projecten in realisatie- en studiefase gerealiseerd worden. Het is wel zo dat de grenzen van de afvoercapaciteit van de regio in zicht komen. Liander en TenneT blijven in overleg over verdere analyses en eventuele nadere conclusies. De analyse van TenneT is meegezonden met deze netimpactrapportage.

Hoe analyseren we de netimpact?

Om de netimpact te bepalen, gebruiken we de aangeleverde gegevens van de regio, aangevuld met landelijke gegevenssets. Tevens maken we (op onderdelen) gebruik van gegevens van Liander. Op basis daarvan wordt met rekenmodellen en kennis van experts de netimpact uitgewerkt. De impact is altijd een dynamisch samenspel van vraag en aanbod op het elektriciteits- en gasnet. Meer informatie over de gebruikte gegevens en de werkwijze is verderop in deze rapportage te vinden.

De gegevens voor de doorrekening en het bod RES 1.0

Op het moment van aanleveren van de gegevens door de regio, was het te formuleren bod nog niet geheel stabiel. Er zijn nog enkele wijzigingen doorgevoerd in het bod (zowel voor wind als voor zon). Deze wijzigingen zijn dermate klein dat ze geen invloed hebben op de uitkomsten van de analyse die aan de basis ligt van dit rapport. In het vervolg van dit rapport bedoelen we met 'voor de RES 1.0 aangeleverde gegevens' en soortgelijke terminologie dan ook gegevens die gebruikt zijn in deze doorrekening.

Wel/geen onderdeel van deze impact analyse

Station

Verbinding

✓

✓

✓

✓

✓

X

12

Introductie | integraal beeld Integraal beeld nodig voor tijdige aanpassingen infrastructuur

Beleidsplannen en sectorale plannen samenbrengen

Een regionaal gedragen beeld van de totale energievraag en het energieaanbod is noodzakelijk om het energienet tijdig aan te kunnen passen. Een integrale RES maakt het mogelijk om een optimale afweging te maken tussen gas-, elektriciteits- en warmte-infrastructuur. Het energienet wordt voor minimaal 40 jaar aangelegd. Daarom is het van belang om te kijken naar ontwikkelingen en plannen richting 2050. Door ook lange termijn ontwikkelingen mee te nemen in investeringsbeslissingen voor 2030, zijn de investeringen gerichter en toekomstbestendiger.

Door beleidssporen en sectorale plannen op regionaal niveau samen te brengen, kan een RES-regio tot integrale keuzes en prioritering komen:

Beeld van de ontwikkelingen vanuit alle sectoren Verschillende sectorale plannen en ontwikkelingen hebben grote impact op het energienet. Voor alle ontwikkelingen met grote impact op het net geldt dat Liander graag zo vroeg mogelijk betrokken is. Op deze manier kunnen we meedenken over slimme oplossingen. En werk aan de RES, rekening houdend met de relevante wettelijke context.

•

Integrale infrastructuur verkenning 2030-2050 (II3050), onderdeel van de werkgroep iNET: hier wordt uitgewerkt wat de impact van verschillende transitiepaden op het energienet is.

•

Nationale Agenda Laadinfrastructuur (NAL): in de NAL is overeengekomen dat elke gemeente een laadvisie en plaatsingsbeleid vaststelt.

•

Transitievisie Warmte (TVW): gemeentes maken warmtevisies. De impact op het energienet is groot en hangt samen met regionale keuzes.

•

Programma Energiehoofdstructuur (PEH): een programma om de nationale ruimtelijke planning van het energiesysteem uit te werken.

•

Cluster Energie Strategieën (CES): elk industriecluster stelt een energiestrategie op. Een CES beschrijft wat energiebehoefte van een cluster is, wat de investeringen van de industrie en het commitment zijn en wat de CO2-bijdrage van een cluster kan zijn.

•

Het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK): een jaarlijks overleg van alle stakeholders rondom industrie om de infrabehoefte van de industrie te bepalen.

13

Introductie | leeswijzer Leeswijzer

Disclaimer

Het document begint met een overzicht van het huidige energienet in de regio en een samenvatting van de aangeleverde gegevens. Vervolgens werken we de impact van de regionale plannen op het elektriciteitsnet uit. Ook geven we adviezen om de systeemefficiëntie te verbeteren. Een kwalitatieve duiding van de impact van het regionaal bod op de warmte- en gasinfrastructuur volgt. Tot slot volgt een aantal aanbevelingen aan de regio.

Dit document is met zorg samengesteld ten behoeve van de RES-ontwikkeling in een regio.

In de bijlage is de volgende informatie beschikbaar: • Verdieping • Bronnen en verwijzingen • Terminologie en gebruikte afkortingen • Een toelichting op de werkwijze

Het document geeft een globale indicatie van de impact van de regionale ontwikkelingen op het elektriciteits- en gasnet vanuit de beschikbare informatie op het moment van analyse. Door dit globale karakter worden diverse onderwerpen niet meegenomen, bijvoorbeeld de belasting op individuele kabels of de lokale spanningskwaliteit op delen van het net. De weergave van ruimtebehoefte en benodigde investeringen in dit document zijn daardoor lager dan ze daadwerkelijk zullen zijn. Deze indicatie van de impact is beoordeeld vanuit de huidige wet- en regelgeving. Het is mogelijk dat netbeheerders door Europese of nationale ontwikkelingen andere mogelijkheden of verplichtingen krijgen. Dit kan invloed hebben op de indicatie van de impact. De impact is mede bepaald op basis van gegevens aangeleverd vanuit de regio, aangevuld met back-up gegevens vanuit het NP RES. Liander draagt geen verantwoordelijkheid voor de back-up gegevens of de aangeleverde gegevens door de regio. Het verdient de aanbeveling om de informatie uit dit document altijd samen met de regionale plannen te publiceren. Deze netimpactanalyse kan tot verkeerde conclusies leiden wanneer de context van de regionale plannen niet wordt meegenomen. Liander aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enige schade die direct of indirect ontstaat als gevolg van (het oneigenlijk) gebruik van de kaarten en informatie.

Aan de informatie in dit document kunnen dan ook geen rechten worden ontleend. Neem voor specifieke ontwikkelingen, ambities en projecten altijd contact op met Liander voor de meest actuele informatie.

14

2. Het huidige energienet in beeld

15

Regio in beeld; huidige situatie energienet Er zijn verschillende energiedragers. In Nederland kennen we vooral elektriciteit, (aard)gas en warmte. Voor deze verschillende energiedragers kennen we verschillende netten om de energie te transporteren. Ook worden flexibele oplossingen om vraag en aanbod van energie te kunnen balanceren steeds belangrijker in het energienet. Zo passen we in het gebied rond Neerijnen congestiemanagement toe om meer stroom te kunnen leveren aan het gebied.

Elektriciteit*

Gas

Warmte (netten)

3 HS/MS stations in regio, 1 buiten de regio 1 TS/MS stations in regio 12 MS/LS stations in de regio De HS/MS stations zijn in de afbeelding hieronder weergegeven. In de regio is sprake van transportschaarste. Lees hier meer over de situatie in de regio.

15 stations binnen de regio 5 stations buiten de regio 0 groengas invoeders

Er is één warmtenet in deze regio: Culemborg.

Deze 20 stations zijn in de afbeelding hieronder weergegeven.

Leverancier: ThermoBello Bron: Drinkwatervoorraad Vitens

Flexibele oplossingen (bv. opslag) Flexibele oplossingen zijn onmisbaar om incidentele pieken in energie op te vangen. Een vorm van een flexibele oplossing is opslag. Bijvoorbeeld batterijen kunnen een rol spelen in het oplossen van congestieproblemen.

*= voor uitleg terminologie en afkortingen: zie de bijlage.

16

3. Aangeleverde gegevens RES 1.0

17

Doelstelling RES 1.0 – verdubbelen van het concept bod In RES 1.0 is één scenario opgesteld voor 2030, werkend vanuit de ambitie die in de concept RES is uitgesproken: het verdubbelen van het concept bod. De verkenningen voor RES 1.0 zijn gestart met het landschap van Rivierenland als basis en vanuit de denkrichtingen die in de concept RES zijn bepaald. Tevens is er een stevige plaats voor inbreng door bewoners (middels ruimteateliers) en is bestuurlijk draagvlak cruciaal. Aan de hand hiervan zijn de opties voor wind (qua locatie) en zon (qua aantal hectares per gemeente) vastgesteld. De infrastructuur A2/A15 wordt gezien als de dragende as met nadrukkelijk behoud van lokale mogelijkheden in het overige deel van de regio. Het concept RES-bod bedroeg 0,632TWh. In de aangeleverde gegevens ten behoeve van de doorrekening is het bod ruim verdubbeld naar 1,4TWh voor 2030. Het RES 1.0 bod dat wordt ingeleverd, bedraagt 1,2TWh, m.n. door het wegvallen van een aantal windturbines. Het volgende valt daarbij op: • Er is met name een groei te zien in het areaal zonnevelden; dat groeit van 46ha naar circa 200ha.

• Het nog te plaatsen vermogen aan grootschalig zon op dak is fors toegenomen: van 95MWp tot 245MWp (voor een deel verklaard door een veel hogere aansluitwaarde per hectare) • Zon groeit relatief harder dan de inzet op wind waarvoor in het scenario 22 nieuwe windturbines zijn opgenomen (naast het verwijderen van 4 turbines van 2MW (repowering van turbines bij Echteld) en een kleine correctie op het aantal of vermogen van de turbines dat is opgenomen in de concept RES). In het in te leveren bod is er sprake van 16 nieuwe turbines. • Dat de combinatie van wind en zon zorgt voor een betere benutting van het elektriciteitsnet wordt herkend in de regio. Daarop concreet inzetten in het bod wordt gezien als lastig omdat het initiatief niet in eerste instantie bij de gemeentes ligt. In de bijlage is gedetailleerde informatie te vinden over de vergelijking tussen de concept RES en het aangeleverde scenario voor RES 1.0. Dit scenario wijkt licht af van het eindbod dat de regio inlevert (zie Introductie | bepalen netimpact).

Onder: 'sfeerbeelden' uit het werkproces en een aantal ruimteateliers voor bewoners en stakeholders (december 2020 en januari 2021)

18

Aangeleverde gegevens De impact van RES 1.0 is doorgerekend aan de hand van verschillende gegevensbronnen. De regio is gevraagd om informatie aan te leveren voor de onderdelen in onderstaande tabel. De regio heeft gegevens voor het jaar 2030 aangeleverd. Wanneer de regio geen gegevens heeft aangeleverd, is in overleg besloten of de Liander gegevens of de landelijke back-up gegevens van het NP RES* gebruikt kunnen worden. Voor elektrisch vervoer wordt gerekend met een basis gegevensset opgesteld door stichting Elaad. Voor een aantal onderdelen zijn (nog) geen gegevens beschikbaar. In onderstaande tabel is te zien welke gegevens zijn gebruikt.

Aanbod Elektriciteit

concept RES

Wind op land

Regio

Regio

Grootschalig gebouwgebonden zon (>15 kWp)

Regio

Regio

Grootschalig niet-gebouwgebonden zon (zonnevelden) (>15kWp)

Regio

Regio

Kleinschalige zon (<15 kWp) Overige duurzame opwek

Vraag

RES 1.0

NP RES

NP RES

Geen gegevens

Geen gegevens

Elektriciteit

concept RES

RES 1.0

Regio

Regio

Nieuwbouw utiliteit

NP RES

Liander

Bestaande utiliteit

NP RES

Liander

Elektrisch vervoer

NP RES

Liander

Landbouw/glastuinbouw

NP RES

Liander

Geen gegevens

Geen gegevens

NP RES

Liander

Utiliteit

Geen gegevens

Geen gegevens

Industrie

Geen gegevens

Geen gegevens

Landbouw/glastuinbouw

Geen gegevens

Geen gegevens

Vervoer

Geen gegevens

Geen gegevens

Totale vraag

Geen gegevens

Geen gegevens

Nieuwbouw woningen

Datacenters Gas

Groengas

Geen gegevens

Waterstof

Groene waterstof

Geen gegevens

Geen gegevens

Industrie Gas

Overig Gebouwde omgeving warmteoplossingen Flexibiliteit

NP RES

Liander

Geen gegevens

Geen gegevens

Waterstof

* Op de website van het NP RES is meer informatie over de gebruikte gegevens te vinden: https://www.regionale-energiestrategie.nl/ondersteuning/np+res+invulformulieren/default.aspx ** II3050 data is gebruikt ter aanvulling van de landelijke back-up gegevens. Dit geeft een beter beeld van de impact op de langere termijn. https://www.netbeheernederland.nl/dossiers/toekomstscenarios-64/documenten *** In 2019 is een onderzoek uitgevoerd naar de ontwikkelingen in de glastuinbouw. Het onderzoek is uitgevoerd door de sector zelf waarbij Liander een analyse heeft uitgevoerd van de netimpact. De resultaten van het onderzoek zijn 19 gebruikt in deze doorrekening. Bij vervolg doorrekeningen is het gewenst dat de regio deze gegevens analyseert en indien gewenst verrijkt.

Aangeleverde gegevens | samenvatting elektriciteit Doorrekening van Liander: Om de effecten van het RES 1.0 bod te kunnen duiden, maakt Liander een doorrekening met de door de regio aangeleverde opwekdata voor zon en wind. Het energiesysteem laat zich echter niet opknippen. Dat betekent dat Liander om goede conclusies te kunnen trekken, de data integraal moet doorrekenen. Ook zal de te verwachten (groeiende) vraag naar elektriciteit inzichtelijk gemaakt moet worden. De groei veroorzaakt door nieuwbouw, aardgasvrij, industrie en elektrisch vervoer, bijvoorbeeld. Aangezien deze data niet vanuit de regio is verkregen, is gebruik gemaakt van data van de netbeheerders. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de vermogens (op totaalniveau) die we voor Rivierenland hebben meegenomen in de doorrekening. Rechts wordt een korte toelichting gegeven.

van de netimpact. De resultaten van het onderzoek zijn gebruikt in deze doorrekening. Bij vervolg doorrekeningen is het gewenst dat de regio deze gegevens analyseert en indien gewenst verrijkt.

Glastuinbouw In 2019 is een onderzoek uitgevoerd naar de ontwikkelingen in de glastuinbouw. Het onderzoek is uitgevoerd door de sector zelf waarbij Liander een analyse heeft uitgevoerd

Elektrisch vervoer Voor elektrisch vervoer maakt Liander onderscheid tussen thuisladen, werkladen, bezoekladen, snelladen, bestelbusjes / stadslogistiek en het elektrisch laden van het openbaar vervoer. Hiervoor wordt gekeken naar het aantal voertuigen dat op een bepaalde plek zal opladen en het piekvermogen wat een enkel voertuig vraagt. In Rivierenland hebben thuisladen en werkladen de grootste impact op het elektriciteitsnet.

Glastuinbouw

VRAAG

Industrie

Utiliteit In Rivierenland wordt de vermogensgroei van utiliteitsgebouwen voornamelijk gedreven door (het verduurzamen van) bestaande utiliteitsvoorzieningen. Daarnaast speelt nieuwbouw een rol.

Elektrische vervoer Utiliteit (bestaande & nieuwbouw) Warmteoplossingen bestaande woningen Warmteoplossingen nieuwbouw woningen

Kleinschalige zon (bestaande & nieuwbouw)

AANBOD

Grootschalige zonnevelden (ex. aftopping… Grootschalig gebouwgebonden zon Wind op land 0

50

100

150

200

250

300

350

Groei in vermogen tot 2030 (MW)

Back-up NPRES

Industrie De toename van de elektriciteitsvraag in de industrie is enerzijds gebaseerd op de te verwachte toename van verschillende industrieën in de regio en anderzijds op de verduurzaming van bestaande industrie d.m.v. elektrische boilers en warmtepompen. In Rivierenland zal volgens de Liander prognoses het grootste aandeel van de vermogensgroei komen door verduurzaming bestaande industrie.

Liander scenario's

Aangeleverd door regio

Warmteoplossingen (bestaande bouw; nieuwbouw) Voor de impactbepaling van de warmtetransitie op het elektriciteitsnet, neemt Liander warmtepompen en hybride warmtepompen mee. Andere warmteoplossingen, zoals warmtenetten, zullen minder significant invloed hebben op de elektriciteitsvraag. Voor de totale vermogensvraag door warmteoplossingen wordt het aantal huishoudens wat over gaat op een (hybride) warmtepomp voorspeld om dit vervolgens met het piekvermogen van één (hybride) warmtepomp te vermenigvuldigen. Voor Rivierenland zal de warmtevoorziening van (aardgasloze) nieuwbouwwoningen naar verwachting een ongeveer gelijke impact hebben als de warmtevoorziening van bestaande woningen. Kleinschalig zon Naast het RES 1.0 bod waarin grootschalige zon en wind projecten zijn opgenomen, zien we ook een groei in het aantal zonnepanelen op woningen. Voor het totaal verwacht 20 vermogen in 2030 voor dit segment is de NPRES backup gegevensset gebruikt..

4. Impact RES 1.0 op het energienet Samenvatting netimpact RES 1.0

Analyse netimpact

Benodigde netaanpassingen: nieuwe stations

Benodigde netaanpassingen: totaal overzicht

Aanbevelingen vanuit systeemefficiëntie

21

1. Samenvatting impact RES 1.0 op elektriciteitsinfrastructuur Analyse van de impact en benodigde netaanpassingen

Op basis van aangeleverde gegevens is een analyse gemaakt van de impact van keuzes op de huidige elektriciteitsinfrastructuur. Op HS/MS stationsniveau (waar grootschalige duurzame opwek vaak wordt aangesloten) is inzichtelijk gemaakt waar nog capaciteit beschikbaar is en waar knelpunten ontstaan. De analyse levert het volgende beeld op: • De aangeleverde RES 1.0 past niet binnen het huidige elektriciteitsnet. • We verwachten dat tot 2030 op 14 van de 16 stations de maximale capaciteit bereikt wordt. Om de knelpunten op te lossen zouden 12 stations moeten worden bijgebouwd en 2 stations worden uitgebreid. Procentueel gezien kan 65% van de duurzame opwek in de RES 1.0 niet worden aangesloten op bestaande HS/MS stations. • Op 2 van de totaal 16 stations in de regio is tot 2030 voldoende capaciteit voorzien. Hier is nog op één station enigszins ruimte om duurzaam opgewekte energie te leveren aan het elektriciteitsnet. Procentueel gezien is 35% van de duurzame opwek in de RES 1.0 direct aan te sluiten op de bestaande HS/MS stations. • In de tabel is samengevat welke netaanpassingen nodig zijn om de RES 1.0 ambities te realiseren, inclusief een inschatting van kosten, benodigde ruimte en de haalbaarheid: • De totale kosten voor uitbreiding of nieuwbouw van alle stations wordt geschat op €62,9mio. De benodigde ruimte voor deze infrastructuur is circa 7,5ha.

• Voor het bovendien aanpassen van het middenspanningsnet (MS-net) en het laagspanningsnet (LS-net; 'het net in de straat') worden de kosten geschat op €45,9mio resp. € 37mio.

Snel samen plannen concretiseren

We staan voor een flinke opgave. Daarom werken we graag tijdig samen met de RES-regio aan het concretiseren van de RES plannen. De figuur rechtsonder geeft een beeld van het aantal stations (HS/TS en HS/MS) die afgelopen jaren in het werkgebied van Liander gerealiseerd zijn. Het laat ook zien hoeveel stations we ruwweg verwachten tot 2030 jaarlijks te moeten realiseren in het totale werkgebied van Liander: 12 ten opzichte van gemiddeld 2 à 3 per jaar daarvoor. In de regio FruitDelta Rivierenland gaat het naar verwachting om 1 station per jaar. Om tijdig RES ambities te kunnen halen, organiseren wij graag samen de zoektocht naar geschikte locaties voor nieuwe stations. Ook werken wij graag samen met de regio aan voldoende zekerheid zodat wij als netbeheerder proactief kunnen investeren en de RES kunnen betrekken in onze investeringsplannen.

Aanbevelingen voor meer systeemefficiëntie

Wij adviseren om andere oplossingen met minder impact op de leefomgeving te onderzoeken. Bijvoorbeeld het verplaatsen van een zoeklocatie of het aanpassen van de verhouding wind en zon, zodat er mogelijk geen nieuw station hoeft te worden gerealiseerd. We hebben aanbevelingen voor slimme oplossingen en meer systeemefficiëntie uitgewerkt voor de RES-regio.

Spanningsniveau

Aantal nieuw te bouwen stations

Aantal uit te breiden stations

Kosten incl kabels (in mln €)

Benodigde ruimte (in ha)

Inschatting haalbaarheid voor 2030

HS

2

2

26,0

5,82

✓

TS

1

0

4,1

0,2

✓

MS

9

0

32,7

1,54

✓

TOTAAL

12

2

62,9

7,56

✓

Inzicht in aantal gerealiseerde stations en verwachte benodigde stations 15

12

Gerealiseerde stations in Liander werkgebied

2

1

Indicatie benodigde stations in Liander werkgebied Verwachte benodigde stations in regio per jaar

2019

Jaarlijks tot 2030

10 4

5 1

1

3

Trendlijn

0 2015

2016

2017

2018

22

2. Analyse netimpact: capaciteit op elektriciteitsstations Toelichting knelpunten HS/TS-stations •

Op alle HS- en TS-stations ontstaat in 2030 een knelpunt: • Op station Culemborg (TS) is de grootste bijdragende factor zon op land, zowel uit Culemborg zelf als uit de noordwestelijke hoek van Buren. Bovendien is er sprake van een windinitiatief in Culemborg dat ook aanspraak maakt op de beperkte stationscapaciteit. • Op station Dodewaard is de grootste bijdragende factor zon op land. Deze is vooral afkomstig uit de aangrenzende regio's (Arnhem/Nijmegen en FoodValley) die ook op dit station aansluiten. • Op Tiel is de grootste bijdragende factor de opwek door wind op en rondom industriegebied Medel en langs de A15 in Buren en Neder-Betuwe. • In Zaltbommel (met een knelpunt op levering van energie) is de grootste bijdragende factor de glastuinbouw in de Bommelerwaard en Neerijnen.

250 200

MW 150 100 50 0 OS CULEMBORG 50 kV

• • • •

Op bijna alle MS-stations ontstaat in 2030 een knelpunt (merk overigens op dat de capaciteit op MSstations veel kleiner is dan op de HS- en TS-stations). De grootste bijdragende factor is praktisch altijd grootschalig zon op dak. Uitzondering geldt voor RS Wamel, RS Veldsteeg en SS Velddriel waar zon op land het meeste bijdraagt aan de overbelasting. In de Bommelerwaard en op Neerijnen is er sprake van knelpunten die ontstaan door levering; de grootste bijdragende factor is eveneens de glastuinbouw. Doordat levering de bepalende factor is voor de huidige stationscapaciteit is in deze regio vaak nog onbenutte capaciteit voor het aansluiten van duurzame opwek. Dat laat de groene balk op stations De Epen, Poederoijen en Zuilichem goed zien.

OS DODEWAARD 150 kV

Benutte capaciteit 2020 Tekort aan capaciteit tot 2030 door RES 1.0 Totale capaciteit station

Toelichting knelpunten MS-stations •

Beschikbare capaciteit voor opwek op HS- en TS-stations in 2030

300

90

OS TIEL 150 kV

OS ZALTBOMMEL 150 kV

Direct aan te sluiten capaciteit tot 2030 door RES 1.0 Onbenutte capaciteit tot 2030

Beschikbare capaciteit voor opwek op MS-stations in 2030

80 70 60 50

MW

40 30 20 10 0 SS DE MEDEL

SH VELDDRIEL

RS ZWARTE PAARD

RS ZUILICHEM

RS WAMEL

RS VELDSTEEG

RS POEDEROIJEN

RS NEERIJNEN

RS LEUVEN

RS DE EPEN

-20

RS BUURMALSEN

-10

RS BEESD

NB1. Op een station komt afname (vraag) en opwek (aanbod) van elektriciteit bij elkaar. Netbeheerders kijken altijd naar het 'netto' totaalbeeld op een station. In de grafieken hiernaast is alleen de beschikbare capaciteit voor opwek gevisualiseerd – de bepalende factor voor de mogelijkheden in het RES-bod. Het kan zijn dat op een station nog wel ruimte is voor opwek, maar niet meer voor afname. NB2. Dit is een beeld van capaciteit op HS-, TS- en MS-stations en is een versimpelde weergave van de soms complexe situaties op een station.

Station

Onbenutte capaciteit tot 2030

Tekort aan capaciteit tot 2030 door RES 1.0

Direct aan te sluiten capaciteit tot 2030 door RES 1.0

Benutte capaciteit Beeld van 12020 maart 2021

Totale capaciteit station

23

3. Analyse netimpact: beschikbare capaciteit in de regio Inzicht in beschikbare capaciteit voor duurzame opwek per gebied In RES 1.0 zijn zoekgebieden of indicatieve projectlocaties voor duurzame opwek benoemd. Hiernaast is een kaart van de RES-regio FruitDelta Rivierenland weergegeven met daarbij de locatie van elektriciteitsstations. De kaart geeft de in 2030 verwachte beschikbare capaciteit weer op de huidige stations volgens de kleurcodering onder de kaart. De weergegeven beschikbare capaciteit komt overeen met de gegevens uit de figuren van de vorige pagina.

Alleen als delta tussen concept RES en RES 1.0 significant is

De kaart laat zien dat praktisch elk station vóór 2030 haar maximale capaciteit overschrijdt. Door recentelijk aangenomen beleid van veel gemeentes voor meer zonontwikkelingen, zullen de meeste stations al in 2025 hun maximale capaciteit bereiken. Het RES-bod 1.0 is in 2030 inpasbaar, ná uitbreiding van de infrastructuur. Tot 2030 is het cruciaal voor een goede match te zorgen tussen enerzijds locatie, tijdstip en hoeveelheid aan te sluiten duurzame opwek en anderzijds de uitbreidingen van die netinfrastructuur. Voor acht stations zijn uitbreidingsplannen in uitvoering of zal dat binnenkort plaatsvinden (de rood/groene bolletjes op de kaart). De momenteel verwachte in bedrijf name van de uitbreiding is steeds in de loop van 2023. Voor station Culemborg en Dodewaard starten de onderzoeken naar de mogelijkheden voor uitbreiding in de eerste helft van 2021. Dat geldt ook voor station Druten dat net in de regio Arnhem/Nijmegen gelegen is.

1.

Er is in de regio één scenario tot stand gekomen. Daardoor is een onderlinge vergelijking op systeemefficiëntie als bedoeld in het afwegingskader van NPRES niet mogelijk. Op het niveau van afzonderlijke windlocaties heeft een kwalitatieve beoordeling op netimpact plaatsgevonden (zie Bijlage 4 van de RES-tekst van de regio). Dat heeft momenteel nog niet geleid tot gesprekken en overwegingen die gebaseerd zijn op het totaalbeeld. NB.: Dit is een indicatie van beschikbare capaciteit voor de dichtstbijzijnde aansluitingen. Bij concrete uitwerking van projecten wordt altijd gekeken naar de meest logische aansluiting. Dit is niet alleen afhankelijk van de afstand tot een station maar ook van andere factoren.

Verwacht voldoende capaciteit tot 2030

Kaartbeeld - 1 maart 2021 1 stations

Verwacht net wel/niet voldoende capaciteit tot 2030

1 stations

Verwacht tekort aan capaciteit voor 2030

14 stations*

Waarvan reeds ingepland voor aanpassing

8 stations

*) Dodewaard gedeeld met FoodValley en Arnhem/ Nijmegen. Station Druten bevindt zich in de regio Arnhem/Nijmegen

24

4. Analyse TenneT In de zomer van 2020 heeft TenneT de netimpact bepaald van alle concept-RES-sen. De impactbepaling is uitgevoerd per hoogspanningsdeelnet. Dit is een deel van de 110/150kV-netten, dat qua bedrijfsvoering als een aparte entiteit kan worden beschouwd en dat geografisch meestal één of soms twee of drie provincies omvat. TenneT heeft de gegevens uit de concept-RES-sen vergeleken met de uitgangspunten voor het Investeringsplan Net op land 2020-2029 (hierna: IP2020), dat TenneT op 1 oktober 2020 heeft gepubliceerd. In dit IP is niet uitsluitend rekening gehouden met de ontwikkeling van duurzame opwek op land maar óók met verwachte ontwikkelingen op het gebied van wind op zee, industrie en mobiliteit. Op basis van de aangeleverde gegevens van FruitDelta Rivierenland voor RES1.0 heeft TenneT een verkorte analyse uitgevoerd. Door met name de aanzienlijke hoeveelheden additionele zon (zowel op land als op dak) komen de grenzen van de afvoercapaciteit van duurzaam opgewekte energie via de verbinding Tiel-Dodewaard in zicht. Dit inzicht is niet nieuw en staat al helder op het netvlies van de netbeheerders. In mei 2021 start TenneT haar reguliere proces om te komen tot een nieuwe versie van het Investeringsplan.

In het 'Nationale Drijfveer'-scenario wordt, ook op basis van de RES-sen van alle overige regio's, een volledige analyse uitgevoerd van de impact van alle RES-boden op de TenneT-infrastructuur. Mochten daar nadere conclusies aan verbonden worden voor Rivierenland, zijn Liander en TenneT hierover met elkaar in contact. In de bijlage is de rapportage van TenneT integraal opgenomen.

25

5. Impact RES 1.0 op warmte- en gasinfrastructuur

26

De Regionale Structuur Warmte De RSW voor Rivierenland Als onderdeel van de RES hebben regio's een Regionale Structuur Warmte (RSW) uitgewerkt. Hierin wordt zo goed als mogelijk het warmteaanbod en de warmtevraag op regionaal niveau in kaart gebracht. Voor de netbeheerders is een RSW van belang omdat energiesystemen meer met elkaar verweven raken en totaaloplossingen voor het energiesysteem moeten worden onderzocht. Bijvoorbeeld: het gebruik van warmte of duurzaam gas voor verwarming van gebouwen kan extra investeringen in het elektriciteitsnet voorkomen. In de verdieping is meer informatie te vinden over de afhankelijkheid tussen elektriciteits- en gasnet. In Gelderland zijn reeds in de concept RES voor alle regio's de warmtevraag en het warmteaanbod in beeld gebracht (zie concept RES). In RES 1.0 is in Rivierenland een verdere inhoudelijke verdieping gemaakt op het warmtesaldo. De regio verbruikte 200 miljoen kuub gas in 2019. Uit een berekening door de regio blijkt dat volledig elektrificeren van deze warmtevraag zou leiden tot een behoefte aan 1,7TWh aan elektrische energie. De eerste onderzoeken naar verschillende opwekopties voor Rivierenland zijn verricht; het gaat dan met name om aquathermie en zonthermie. Restwarmte, geothermie en biomassa zijn in de regio niet of nauwelijks voorhanden.

Dat houdt het risico in zich dat de elektriciteitsvraag voor alternatieve warmteoplossingen fors zal zijn. De onderzoeken naar aquathermie en zonthermie zijn dus zeer van belang.

Aanbevelingen t.a.v. het thema Warmte (zowel RSW als TvW) • •

•

Werk, ook in het vervolg, zoveel mogelijk warmtevragen integraal uit met een blik op 2050, zodat aansluitingen tussen landelijke, regionale en uiteindelijk lokale infrastructuur zo goed mogelijk kan worden gelegd. Werk de afhankelijkheid tussen warmte en elektriciteit steeds verder uit. Zo zal de warmtetransitie leiden tot een hogere elektriciteitsvraag, door o.a. het koken op inductie en evt. een collectieve warmtepomp bij de toepassing van een lage temperatuur warmtebron. Koppel de resultaten van de verschillende Transitievisies Warmte die in de loop van 2021 per gemeente zullen worden opgesteld snel aan elkaar (wacht nier per se tot RES 2.0). Coördineer daarbij de wijze waarop aanspraak zal worden gemaakt op oppervlaktewater voor de winning van lage temperatuur warmte (TEO) om suboptimale verdelingen van deze bron te voorkomen. 27

Visie op warmte(oplossingen) vanuit de netbeheerder In de warmtetransitie worden afwegingen gemaakt tussen verschillende warmteoplossingen. Deze afwegingen hebben veel impact op het energienet. Hieronder geeft Liander aanbevelingen vanuit het perspectief van (de investeringen in) het energienet.

• Gasnetten behouden, na 2030 eventueel inzetten voor duurzame gassen

De inzet van gas in Nederland – en dus ook de infrastructuur – gaat de komende decennia veranderen. Aardgasvrij maken van buurten en industrie betekent niet automatisch het verwijderen van gasnetten. Gasnetten kunnen ook gebruikt worden voor distributie van andere soorten duurzame gassen. Om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden, streven we ernaar om waar dat kan gasnetten te behouden. Zo blijft de leveringszekerheid geborgd, kan later gekozen worden om de netten zo goedkoop mogelijk te verwijderen of kunnen netten in de toekomst alsnog worden gebruikt voor duurzame gassen.

• Groengas gebruiken als er bron in de buurt is en alternatieven niet haalbaar zijn

Groengas is biogas (opgewekt uit mest, slib etc.) dat is opgewerkt tot de kwaliteitseisen voor aardgas. Het is daarom geschikt om via onze gasnetten te transporteren. Er wordt steeds meer groengas ingevoed en is dus steeds meer beschikbaar als een bouwsteen van het integrale energiesysteem. Groengas biedt kansen om bestaande gasnetten optimaal te benutten en investeringen in het elektriciteitsnet te voorkomen. Maar voor het gebruik ervan zijn wel investeringen in de gasnetten nodig. De decentrale productie kent namelijk een constante productiestroom terwijl de vraag fluctueert. Groengas is één van de puzzelstukken, benut het optimaal. Het optimaal benutten van onze gasnetten en het vermijden van investeringen in elektriciteitsnetten leidt tot de laagste maatschappelijke kosten. Tegelijkertijd is groengas vooralsnog schaars. Daarom volgen we (o.a. in TvW en RES) de lijn: zet groengas daar in waar alternatieven financieel en/of technisch niet haalbaar zijn.

• Hybride warmtepompen: 'no regret' waar warmte en all electric niet mogelijk zijn

Hybride warmtepompen kunnen een belangrijke rol spelen in de omschakeling naar een duurzame warmtevoorziening, met name in buurten met woningen die zich niet goed lenen voor warmte(netten) of een all electric warmtevoorziening. De hybride warmtepomp kan een rol spelen in het behalen van de CO2-doelstellingen. Zeker op plekken waar op korte termijn een overgang naar all electric of warmte niet mogelijk is en waar nu al een gasnet ligt. Er moet de mogelijkheid zijn om de warmtepompen te regelen/af te schakelen (overschakelen op gas) door de netbeheerder als er spanningsproblemen dreigen op het elektriciteitsnet. Het verdient aanbeveling om de potentie van hybride warmtepompen verder uit te werken.

• Waterstof: geen oplossing tot 2030, wel kansen voor langere termijn

De komende jaren zijn de mogelijkheden van de toepassing van waterstof nog hoogst onzeker. Daarom houden de netbeheerders hier in het bepalen van de netimpact vooralsnog geen rekening mee. Alliander staat vooralsnog op het standpunt dat inzet van waterstof als oplossing voor de warmtevoorziening in woningen en gebouwen tot 2030 niet aan de orde is en dus ook niet thuishoort in een transitievisie warmte als oplossing voor de periode tot 2030. Wel werken we aan enkele pilots om de kansen op langere termijn te onderzoeken.

• (Houtige) biomassa: houd rekening met alternatieve routes

Er is veel discussie over de inzet van biomassa. Biomassa is een breed begrip. Op dit moment gaat de discussie vooral om de inzet van houtige biomassa voor de productie van elektriciteit en warmte. Kernvraag is of de inzet van houtige biomassa nog als duurzaam gezien mag worden. Hierin spelen twee argumenten, de kans op roofbouw en de vraag of de netto CO2 emissie van biomassa op de termijn van 2030 wel voldoende wordt gecompenseerd door nieuwe aanplant. Daar waar in regionale warmtevisies en transitievisies warmte nog wordt gerekend op de inzet van houtige biomassa zal rekening moeten worden gehouden met alternatieve routes. Voor de inzet van overige biomassa in bijvoorbeeld biobrandstoffen en de route naar groengas speelt deze discussie nu overigens niet.

• Warmtenetten inzetten in verstedelijkt gebied, bij voorkeur publiek beheerd

Met de grootschalige uitrol van warmtenetten als belangrijk alternatief voor aardgas in de gebouwde omgeving, worden warmtenetten onderdeel van de vitale energie infrastructuur van Nederland. Dit maakt de aanleg van deze infrastructuur in de openbare ruimte een publieke aangelegenheid. Het is de visie van Liander dat gemeenten en hun inwoners, net als bij het elektriciteits- en gasnet, kunnen rekenen op een publieke partij voor de aanleg en het beheer van warmte infrastructuur. Bovendien is het wenselijk met het oog op het geïntegreerde energiesysteem (E-G-W) om ook de warmte infrastructuur bij de regionale netbeheerder te leggen. Warmtenetten kunnen rendabel worden ingezet in stedelijk gebied (wijken en buurten met veel verdichting en hoogbouw).

• In gemeentelijke Transitievisies Warmte kijken naar integrale energiesysteem in de wijk

Gemeenten werken op lokaal niveau aan de Transitievisie Warmte. Netbeheerders roepen op om in de TvW te kijken naar het energiesysteem als geheel. De impact van de warmteoplossing op het elektriciteitsnet moet in samenhang met elektrisch vervoer en zonne-energie in de wijk worden bekeken. Om te zorgen dat de investeringen die we doen planbaar en betaalbaar zijn, is het voor ons belangrijk dat investeringen zoveel mogelijk collectief worden uitgevoerd en dat we vroegtijdig helderheid en zekerheid hebben over waar gasleidingen kunnen blijven liggen, waar elektriciteitsnetten moeten worden verzwaard en waar we middenspanningsruimtes bij moeten plaatsen. 28

6. Strategie en aanbevelingen

29

Strategie | benodigde netaanpassingen: nieuwe HS stations

A

C

B

D

Kaartbeeld - 1 maart 2021 NB. De zoekgebieden voor nieuwe stations zijn vooralsnog indicatief en grofmazig en tot stand gekomen door een combinatie van factoren vanuit deze impactanalyse: onder andere op basis van de beschikbare capaciteit op stations en de zoekgebieden voor duurzame opwek. Het zoekgebied van de stations is nadrukkelijk een ruim zoekgebied en dient nader onderzocht en verkend te worden.

Zoekgebied nieuw station volgens doorrekening RES1.0

Inschatting haalbaarheid voor 2030

A. Omgeving Culemborg

✓

Tijdig veiligstellen van ruimte voor nieuwe stations Het energienet wordt al op een aantal plekken fors uitgebreid en dat blijven we de komende jaren doen. Zo kunnen we samen invulling geven aan de RES-ambities en sluit de energie-infrastructuur, ook in de toekomst, aan bij ontwikkelingen van gemeenten. Het stichten van nieuwe stations en verzwaringen van bestaande stations is daarom noodzakelijk. Op basis van de aangeleverde gegevens verwachten we een nieuw HS station te realiseren in de omgeving van Culemborg (zoekgebied A). Er geldt een gemiddelde realisatietijd van 5 - 7 jaar waarbij het zoeken naar een geschikte locatie, het meest cruciale onderdeel is. Om tijdig RES ambities te kunnen realiseren, is het van belang deze zoektocht naar geschikte locaties samen te organiseren en te onderzoeken of en hoe procedures versneld kunnen worden. In de aanbevelingen zijn een aantal tips te vinden. Blik op de periode ná 2030 geeft aanleiding voor meer zoekgebieden De RES kijkt vooruit tot 2030 en geeft theoretisch inzicht in eventueel capaciteitstekort. De infrastructuur wordt echter aangelegd voor een langere tijd en daarbij spelen ook andere nettechnische overwegingen een rol.

Verwachtingen omtrent de groei van opwek en verbruik ná 2030 en technische complexiteiten rondom de stations in Zaltbommel en Tiel hebben ertoe geleid dat we meerdere zoekgebieden voor toekomstige onderstations in beeld hebben. Uit analyses van Liander en TenneT blijkt dat er nieuwe transformatorstations in de regio nodig zijn om RES -en economische ambities te kunnen faciliteren in de omgeving van knooppunt Deil (B), in de regio tussen Tiel en Dodewaard (C) en in het zuidelijk deel van de Bommelerwaard (D). De locaties voor nieuwe stations zijn nog niet bekend. De op kaart aangegeven cirkels zijn indicatief en grofmazig en sluiten globaal aan bij de gebieden waar opwek en afname van energie verwacht is. Verdere studie dient ook uit te wijzen hoeveel stations er nodig zijn. Gemeenten worden in de loop van 2021 betrokken bij de planvorming, onderlinge samenwerking en uitvoering hiervan. Onderzoek ook alternatieve oplossingen Het is tevens raadzaam om andere oplossingen met minder impact op de leefomgeving te onderzoeken. Bijvoorbeeld het verplaatsen van een zoeklocatie of het aanpassen van de verhouding wind en zon. Omdat de impact van het bouwen van een nieuw station op de omgeving groot is, hebben we ook aanbevelingen voor slimme oplossingen en meer systeemefficiëntie uitgewerkt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10086975/1