10.1 Toelichting Ontwerpbestemmingsplan Maasbommel Hogenhofstraat 10
Tekst van het document
Op basis van een geohydrologisch onderzoek is meer inzicht verkregen in de drooglegging en de kwelsituatie binnen het plangebied. Op de locatie blijkt dat de deklaag (tot 7 m-mv) voornamelijk bestaat uit klei en zand. De doorlatendheid neemt met de diepte toe. Tussen 7 en 17 m-mv ligt er een goed doorlatende zandlaag. Op 17 m-mv ligt de hydrologische basis (klei). Verder zijn de volgende afgebeleide maatgevende grondwaterstanden in het plangebied bepaald:
Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter onder maaiveld, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter onder maaiveld en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter onder maaiveld. Dit betekent dat om voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter te creëren, het maaiveld op minimaal ongeveer 6,1 m+NAP moet komen te liggen. Uit de analyse van de grondwaterstanden en de waterstanden van de Waal en de Maas blijkt dat de grondwaterstand op de locatie voor een groot deel wordt beïnvloed door neerslag en verdamping. Bij hoge rivierstanden moet rekening worden gehouden met kwel en kunnen hogere grondwaterstanden (ongeveer 0,5 meter hoger) voorkomen dan onder normale omstandigheden. Waterberging Als gevolg van dit plan is sprake van een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m² in het stedelijk gebied. Dit heeft gevolgen voor de waterhuishouding ter plaatse aangezien de aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang. De benodigde ruimte voor waterberging wordt berekend op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak en de maximaal toelaatbare peilstijging in de watergangen. Voor
8
Geofoxx (2020). Geohydrologisch onderzoek Hogenhofstraat 10 te Maasbommel. Projectnummer: 20200595/FBOE. 4 september 2020. 28
ruimtelijke ontwikkelingen met een toename aan verharding kan de vuistregel van 436 m³ per hectare verharding worden gebruikt bij een bui T=10+10% en 664 m³ bij een bui T=100+10%, mits er geen complicerende zaken als kwel aan de orde zijn. De maximaal toelaatbare peilstijging bij bui T=10+10% bedraagt 0,30 meter in het beheergebied van Waterschap Rivierenland. Als indicatie voor het ruimtebeslag van de benodigde berging in het plangebied kan volgens het waterschap worden aanhouden dat circa 15% van de toename van de verharding (m²) terug dient te komen als wateroppervlak (m²). Rekening houdend met deze uitgangspunten geldt er op basis van 3 een maatgevende bui van T=10+10% een waterbergingsopgave van 160 m voor dit 2 plan. Met een peilopzet van 30 cm levert dat een voorwaarde op om 533,33 m aan extra open water te realiseren. Voor het realiseren van de benodigde watercompenserende maatregelen worden een tweetal mogelijkheden gezien, namelijk het realiseren van een verbindingswatergang tussen het plangebied en een noordelijk gelegen A-watergang dan wel het realiseren van waterberging op het terrein van de voormalige ponyclub ten noorden van het plangebied. Voor beide opties is het uitgangspunt dat het hemelwater binnen het plangebied in westelijke richting afwatert en uitkomt op de aanwezige B-watergang.
Vervolgens wordt het water in noordelijke richting gebracht alwaar het ofwel aansluit op een verbindingswatergang, die in noordelijke richting stroomt en daar aansluit op een aanwezige A-watergang, ofwel afwatert op een te realiseren waterberging ten noorden van het plangebied. Voor het realiseren van deze watercompenserende maatregelen maakt de initiatiefnemer afspraken met de gemeente West Maas en Waal. Ook de verdere technische uitwerking van de oplossingsrichtingen vindt nog plaats gedurende deze bestemmingsplanprocedure. De navolgende afbeelding laat schematisch beide opties zien.
Oplossingsrichtingen watercompenserende maatregelen waarbij rechts het plan is weergegeven met beoogde afwatering. Links zijn de maatregelen van de verbindingswatergang weergegeven, evenals het zoekgebied voor waterberging op het terrein van de voormalige ponyclub (Bron: Infrascoop).
29
Watergangen Rondom het plangebied ligt een B-watergang. Deze watergang kent een onderhoudsstrook. Een onderhoudsstrook is een obstakelvrije strook die als beschermingszone in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Voor B-watergangen is de strook 1 meter breed. Op de verbeelding van dit bestemmingsplan is de desbetreffende onderhoudsstrook gewaarborgd blijft door middel van een dubbelbestemming. In het stedenbouwkundig plan is ook rekening gehouden met deze onderhoudsstrook door hier geen obstakels te voorzien. De onderhoudsstrook zal straks verkocht worden aan de toekomstige eigenaren, die ook verantwoordelijk zullen zijn voor het onderhoud. Daarmee zijn ter plaatse de waterbelangen in voldoende mate gewaarborgd. Waterkwaliteit (algemeen) Bij nieuwbouw is het uitgangspunt dat hemelwater van het verhard oppervlak voor 100% gescheiden wordt afgevoerd. Het waterschap gaat bij nieuwbouw van woningen uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel. Hemelwater van terreinverhardingen stroomt bij voorkeur niet direct af op het oppervlaktewater, maar wordt eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. Klimaatadaptatie In het RAS zijn zes thema’s benoemd. In het kader van onderhavige ontwikkeling is onder andere het thema ‘groenblauwe stad, groenblauwe dorpen’ van belang.
Hiermee samen hangt een pakket van maatregelen waarmee verschillende doelstellingen in 2023 en 2035 moeten zijn behaald. Ten aanzien van dit thema wordt er bijvoorbeeld in 2023 gewerkt aan planvorming en uitvoering om met name in de prioriteitswijken te komen tot een geminimaliseerd en acceptabel niveau met betrekking tot wateroverlast en hitte-eilanden. Tevens zal in 2023 gestart zijn met het groenblauw inrichtingen van schoolpleinen en speelterreinen en hebben alle gemeenten een vergroeningsprotocol als leidraad voor integratie in beleid. Ook is er een groennorm en koeltenorm vastgesteld die richtinggevend is voor de openbare ruimte. Ook met onderhavig plan wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met klimaatadaptatie. Zo is blijven de omliggende groen- en waterstructuren rondom het plangebied gehandhaafd. Ook wordt bij de inrichting van het openbaar gebied rekening gehouden met klimaatadaptie, onder meer door het aanplanten van verschillende bomen en het toepassen van halfverharding. Hiermee wordt hittestress zoveel mogelijk tegengegaan. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect water geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.10
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een nega-
30
tief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing 9 SAB heeft met een quick scan natuur onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Uit de quick scan natuur volgt dat Natura 2000-gebied Rijntakken in de buurt van het plangebied ligt. Door de beperkte aard van de ontwikkeling in het plangebied en de afstand (8 kilometer) tot de Rijntakken zijn verstoringen van dit gebied uitgesloten. Nader onderzoek in de vorm van een voortoets Wet natuurbescherming is daarom niet nodig. Daarnaast blijkt dat het plangebied niet in het Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur ligt. De geplande ontwikkeling heeft daarom geen negatieve effecten op deze gebieden. De bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving.
Uit de quick scan blijkt dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Verstoring en/of vernietiging van nestplaatsen van vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd worden niet verwacht. Nader onderzoek naar deze soorten is niet nodig en de bescherming van deze soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn.
De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.
9
SAB (2019). Quick scan natuur. Maasbommel, Hogenhofstraat 10. Projectnummer: 180158.01. 15 juli 2019. 31
Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.11
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing De gemeente West Maas en Waal heeft archeologisch beleid opgesteld. Dit beleid geldt voor de gehele gemeente en overstijgt daarmee de plangrenzen van de verschillende bestemmingsplannen. Met het bestemmingsplan ‘Archeologie West Maas en Waal’ (vastgesteld in december 2015) is het archeologiebeleid juridisch vertaald voor de gehele gemeente. Ter plaatse van het plangebied geldt ‘waarde archeologie 4’. Dit betekent dat bodem2 ingrepen groter dan 1.000 m en dieper dan 150 cm of/dan wel ophogen groter dan 2 1.000 m en hoger dan 70 cm niet zijn toegestaan zonder dat een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden en/of een omgevingsvergunning voor het bouwen is verkregen.
Voor het achterste deel van het plangebied geldt ‘waarde archeologie 6’. Dit betekent 2 dat bodemingrepen groter dan 35.000 m en dieper dan 100 cm of/dan wel ophogen 2 groter dan 35.000 m en hoger dan 70 cm niet zijn toegestaan zonder dat een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden en/of een omgevingsvergunning voor het bouwen is verkregen. Ten behoeve van de ontwikkeling van het plangebied zullen de bodemingrepen de gestelde onderzoeksgrenzen niet overschrijden. Dit betekent dat archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is voor onderhavige ontwikkeling. In dit bestemmingsplan is ter bescherming van (eventuele) archeologische waarden de ter plaatse geldende archeologische dubbelbestemming overgenomen. De aanwezigheid van archeologische vondsten kan echter nooit geheel worden uitgesloten. Wanneer tijdens de uitvoering van werkzaamheden een monument wordt gevonden moet dit op grond van de Erfgoedwet (artikel 5.10 en 5.11) verplicht worden gemeld aan de Minister van OCW en de gemeente West Maas en Waal. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
32
4.12
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing Uit de “Inventarisatie cultuurhistorisch waardevolle bebouwing – Gemeente West Maas en Waal” (Gelders Genootschap i.o.v. gemeente West Maas en Waal, 2015) blijkt dat er in en rondom het plangebied geen monumentale en/of cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Met de ontwikkeling van het plangebied wordt aangesloten bij de stedenbouwkundige opzet van de Hogenhofstraat en blijven de aanwezige structuren, waaronder de groene omzoming gehandhaafd. Daarmee wordt gesteld dat de ontwikkeling niet zorgt voor eventuele aantasting van aanwezige cultuurhistorische waarden. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.13
Verkeer en parkeren Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gege10 nereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op het feit dat het plangebied aan de rand van de bebouwde kom van Maasbommel ligt, wordt gesteld dat de kencijfers voor ‘rest bebouwde kom’ aangehouden kunnen worden. De gemeente West Maas en Waal wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een ‘niet stedelijk gebied’. Voor de ontwikkeling van 17 rijwoningen, 4 twee-onder-één-kapwoningen en 3 vrijstaande woningen volgt uit deze kerncijfers de volgende verkeersgeneratie: Rij (17)
Tweekap (4)
Vrijstaand (3) Totaal
Minimaal
7,0 x 17 = 119,0
7,4 x 4 = 29,6 7,8 x 3 = 23,4
172,0
Maximaal
7,8 x 17 = 132,6
8,2 x 4 = 32,8 8,6 x 3 = 25,8
191,2
Gemiddeld gezien zullen maximaal circa 191 extra verkeersbewegingen per etmaal ontstaan als gevolg van de ontwikkeling. De verwachting is dat dit extra verkeer afgewikkeld kan worden op de Hogenhofstraat.
10
CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen. 33
Parkeren De gemeente West Maas en Waal heeft voor het aspect parkeren gemeentelijk beleid vastgesteld in de vorm van de Nota Parkeren 2019. Voor het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen dient gekeken te worden naar het functietype en waar de functie zal worden gerealiseerd. Het plangebied ligt volgens de parkeernota niet in een centrumgebied waardoor de normen ‘rest bebouwde kom’ dienen te worden gehanteerd. In het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met de gemeentelijke parkeernormen, evenals de berekeningswijze voor parkeren op eigenterrein. Op basis van die uitgangspunten is de navolgende parkeerbalans opgesteld, waaruit volgt dat er voldoende parkeergelegenheid in het plangebied aanwezig is.
* (8x1,5) ** (4x1,7) ***(2x1,7)+(1x2)
In de regels van dit bestemmingsplan wordt het gemeentelijk parkeerbeleid juridischplanologisch vastgelegd. Dit betekent dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen getoetst zal worden of het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Daarmee wordt gesteld dat het aspect ‘parkeren’ voldoende in dit plan is gewaarborgd. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.14
Kabels en leidingen Er bevinden zich geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied.
34
5
Wijze van bestemmen
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: het bebouwen van de gronden; het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
35
2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan
5.2.1
Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het be-
36
stemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.2
De specifieke bestemmingen Voor onderhavig plan is bij de regeling aansluiting gezocht bij het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan ‘Dorpen, actualisatie 2020’ en de standaard van de gemeente West Maas en Waal. Het plan bevat de bestemmingen ‘Groen’, ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ en ‘Wonen - 1' en de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 4 en 6’ en ‘Waterstaat - Beschermingszone watergang’. Groen De gronden behorende bij de omliggende waterstructuur (B-watergang) rondom het plangebied zijn voorzien van de bestemming ‘Groen’. Daarmee wordt aangesloten bij de huidige bestemming van deze waterstructuur. Binnen deze bestemming zijn onder meer groen-, speel- en watervoorzieningen toegestaan. Wat betreft bebouwing zijn enkel gebouwen ten behoeve van voorzieningen van openbaar nut onder voorwaarden toegestaan, evenals bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Verkeer - Verblijfsgebied Het middengebied van het plangebied heeft de bestemming ‘Verkeer - Verblijfsgebied' toegekend gekregen. Hiermee zijn onder andere wegen, straten, paden, parkeervoorzieningen, watervoorzieningen, bermen en beplanting toegestaan. Wat betreft bebouwing zijn enkel gebouwen ten behoeve van voorzieningen van openbaar nut onder voorwaarden toegestaan, evenals bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Wonen - 1 De gronden die bestemd zijn als ‘Wonen - 1’ zijn bedoeld voor het wonen in grondgebonden woningen.
In woningen zijn naast het wonen ook beroepsmatige activiteiten rechtstreeks toegestaan over een beperkt oppervlak van de woning. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat in dit kader een onderscheid wordt gemaakt in beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten. Onder beroepsmatige activiteiten worden de activiteiten verstaan die samenhangen met de zogenaamd traditionele vrije beroepen (zoals notarissen, tandartsen en advocaten) en beroepen op het gebied van onder andere de administratieve, juridische en medische dienstverlening. Bedrijfsmatige activiteiten zijn alleen in een woning toegestaan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning, met uitzondering van de bestaande bedrijven aan huis. Woningen worden gebouwd als vrijstaande, twee-aaneengebouwde of aaneengebouwde woningen. Met de aanduiding ‘overige zone - maximum aantal wooneenheden’ is geregeld dat maximaal 24 nieuwe woningen in het plangebied mogen worden gerealiseerd. Per bouwvlak is met een aanduiding op de verbeelding weergegeven welke bouwtypes in dat bouwvlak zijn toegestaan. Dit geldt ook voor de geldende maximum goot- en bouwhoogte voor de woningen. Voor de woningen aan de Hogenhofstraat geldt als gevolg van de aanwezigheid van de aanduiding ‘gevellijn’ in combinatie met de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - gevellijn verplicht’ dat de woningen verplicht in de gevellijn gebouwd moeten worden.
37
Op de gronden met de aanduiding ‘tuin’ mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd ten dienste van de bestemming, evenals, erkers (uitbouwen). Voor de woningen direct gelegen aan de Hogenhofstraat geldt dat de opgenomen verplichting dat uitbouwen enkel aan de voorgevel zijn toegestaan niet. Hier mogen uitbouwen, zoals erkers, ook aan de zijgevel worden gerealiseerd. Tevens is voor deze woningen een speciale regeling opgenomen voor uitbouwen als gevolg van de aanwezigheid van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - uitbouw'. Deze aanduiding regelt dat uitbouwen met een maximale breedte van 5,5 meter, maximale goothoogte van 3,5 meter en een maximale diepte van 1,5 meter zijn toegestaan. Op de overige gronden zijn bijgebouwen toegestaan voor zover deze voldoen aan de daarvoor geldende regels. In de regels zijn verder afwijkingsbevoegdheden opgenomen voor onder andere bedrijven aan huis, meergeneratiewoningen en ten behoeve van mantelzorg. Waarde - Archeologie 4 en 6 De dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 4 en 6’ zijn opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden binnen het plangebied. Op grond van deze dubbelbestemmingen geldt bij bepaalde bodemingrepen een vergunningenstelsel voor het bouwen en voor uitvoeren van een werk, geen gebouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
Waterstaat - Beschermingszone watergang De beschermingszone van de B-watergang rondom het plangebied is specifiek bestemd. Gebouwen zijn in deze dubbelbestemming niet toegestaan en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn in beperkte mate toegestaan. Voor deze bestemming is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. 5.2.3
Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht. Parkeren In de algemene bouwregels is een parkeerregeling opgenomen. Deze regeling houdt in dat een omgevingsvergunning voor bouwen of uitbreiden van een gebouw slechts wordt verleend indien voldoende parkeergelegenheid is gerealiseerd, conform het meest recente gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren. Hier kan onder voorwaarden van worden afgeweken.
38
6 6.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt met het bepaalde in afdeling 6.4 het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten, wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in het bestemmingsplan. De zogenaamde “aangewezen bouwplannen” waarbij een exploitatieplan verplicht is en welke zijn opgenomen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn: de bouw van een of meer woningen; de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofd2 gebouw met ten minste 1.000 m of met een of meer woningen; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 2 m bedraagt; 2 de bouw van kassen met een oppervlakte van tenminste 1.000 m . Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal.
Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.
6.2
Overleg en inspraak
6.2.1
Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het voorontwerpbestemmingsplan “Maasbommel, Hogenhofstraat 10” lag van 18 juni 2020 tot en met 29 juli 2020 voor belanghebbenden ter inzage. Er zijn twee inspraakreacties binnengekomen. Ook is het voorontwerpbestemmingsplan voor overleg (artikel 3.1.1 Besluit op de ruimtelijke ordening) toegestuurd aan het Waterschap. Naar aanleiding van een informele afstemming met het waterschap is de waterparagraaf aangepast. Verder zijn de twee inspraakreacties samengevat en beantwoord in een Inspraak- en vooroverlegverslag, die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd.
39
6.2.2
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan “Maasbommel, Hogenhofstraat 10” heeft van 1 oktober 2020 tot en met 11 november 2020 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken aan de gemeenteraad. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
40