CConstaterende datWest Maas en Waal
Koppel je AI →
Document · PDF

10.1 Toelichting Ontwerpbestemmingsplan Maasbommel Hogenhofstraat 10

Gemeenteraad 28 januari 2021, gemeente West Maas en WaalBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Maasbommel Hogenhofstraat 1013.108 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan | Toelichting

Maasbommel, Hogenhofstraat 10

Gemeente West Maas en Waal

Datum: 20 november 2020 Projectnummer: 180158.01 ID: NL.IMRO.0668.MAAHogenhof10-BVA1 2019

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Geldend bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 4 5

2

Planbeschrijving

6

2.1 2.2

Huidige situatie plangebied Toekomstige situatie plangebied

6 7

3

Beleid en regelgeving

10

3.1 3.2 3.3

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

10 11 12

4

Milieu- en omgevingsaspecten

17

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14

Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Licht Geur Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren Kabels en leidingen

17 18 18 19 20 22 23 24 26 30 32 33 33 34

5

Wijze van bestemmen

35

5.1 5.2

Algemeen Dit bestemmingsplan

35 36

6

Uitvoerbaarheid

39

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Overleg en inspraak

39 39

Bijlagen          

Bijlage 1: Toets Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 3: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 4: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 5: Lichthinderonderzoek Bijlage 6: Geuronderzoek Bijlage 7: Digitale watertoets Bijlage 8: Geohydrologisch onderzoek Bijlage 9: Quick scan natuur Bijlage 10: Inspraak- en vooroverlegverslag

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Al enkele jaren bestaat het voornemen om ter plaatse van het adres Hogenhofstraat 10 te Maasbommel woningen te realiseren. In het verleden is hiervoor reeds in een bestemmingsplan de mogelijkheid vastgelegd om zes woningen te realiseren. Het voornemen bestaat nu om de gehele locatie integraal te ontwikkelen met in totaal 24 nieuwe woningen. De bestaande woning blijft behouden en wordt ingepast. De stallen, bak en weides zullen verdwijnen. Voor deze ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan opgesteld en zijn via het Toetsingskader Woningbouw woningbouwcontingenten gereserveerd. Het geldende bestemmingsplan maakt de realisatie van het stedenbouwkundig plan niet mogelijk. Om het plan alsnog mogelijk te maken moet een nieuw bestemmingsplan worden vastgesteld door de gemeenteraad van West Maas en Waal. Voorliggend document voorziet hierin.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied betreft de gronden behorende bij het adres Hogenhofstraat 10 te Maasbommel binnen de gemeente West Maas en Waal in de provincie Gelderland. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging in Maasbommel en de globale begrenzing van het plangebied zelf weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding, behorende bij dit bestemmingsplan.

Ligging plangebied (gele cirkel) in relatie tot de kern Maasbommel (Bron: PDOK viewer).

3

Het plangebied bij benadering globaal geel omlijnd (Bron: PDOK viewer).

1.3

Geldend bestemmingsplan Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan ‘Dorpen’ (vastgesteld d.d. 11 december 2014). Het noordelijk deel van het plangebied heeft ter plaatse de bestemming ‘Agrarisch’. De voor 'Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf en voor de ontwikkeling van natuur-, ecologische en landschapswaarden. Het zuidelijk deel van het plangebied heeft momenteel de bestemmingen ‘Verkeer Verblijfsgebied’ en ‘Wonen - 1'. Binnen de verkeersbestemming zijn de gronden voornamelijk bestemd voor infrastructuur en andere verkeerskundige en openbare doeleinden. De voor ‘Wonen - 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen. In het plangebied zijn een drietal bouwvlakken opgenomen, waarbinnen woningen opgericht kunnen worden. Ieder bouwvlak is ook voorzien van een bouwaanduiding (‘vrijstaand’, ‘aaneengebouwd’ of ‘twee-aaneen’), waarmee bepaald is welk woningtype ter plaatse gerealiseerd mag worden. Verder geldt dat de woningen moeten voldoen aan een maximum goothoogte van 6 meter en een maximum bouwhoogte van 9 meter. De gronden rondom de bouwvlakken, behorend tot de bestemming ‘Wonen - 1’, kennen verder de bouwaanduiding ‘bijgebouwen’ (achterzijde van het bouwvlak) en de functieaanduiding ‘tuin’ (voor- en zijkant van het bouwvlak).

4

Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Dorpen’ met daarop het plangebied globaal in rood begrensd (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl).

Als gevolg van de agrarische bestemming is de realisatie van nieuwe woningen niet mogelijk op grond van het geldende bestemmingsplan. Ook sluit de beoogde stedenbouwkundige opzet van het plangebied niet aan bij de geldende juridischplanologische kaders aan de zuidzijde van het plangebied. Zo zijn er enkel vrijstaande woningen beoogd, direct aan de Hogenhofstaat. Als gevolg van de aanwezige bouwaanduidingen is de realisatie van die woningen niet mogelijk. Daarom is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk.

1.4

Leeswijzer Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en komt de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het plan aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische planopzet. Het laatste hoofdstuk behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

5

2 2.1

Planbeschrijving Huidige situatie plangebied Maasbommel Maasbommel is ontstaan op hoger gelegen gronden op een plek waar de Maas een grote bocht maakt. Door kanalisering en ontzanding van de Maas grenst de kern nu voor een groot deel aan het recreatiegebied “De Gouden Ham”. Bij het ontstaan van de kern was er sprake van drie afzonderlijke bebouwingsconcentraties, rond de katholieke kerk, nabij het voetveer/protestante kerk en ter hoogte van de kruising Bovendijk/Velddijksestraat. Door de jaren heen zijn deze concentraties naar elkaar toe gegroeid. Wonen is in algemene zin de heersende functie binnen Maasbommel en de bestaande bebouwing in Maasbommel heeft een dorps karakter. Langs de dijk is historische bebouwing te vinden en in de rest van het dorp overheerst naoorlogse woningbouw. Grootschalige complexen met rijwoningen zijn zeldzaam: er zijn slechts enkele rijen met 4 woningen in Maasbommel te vinden. De Hogenhofstraat, waarlangs onderhavig plangebied gelokaliseerd is, is een rustige toegangsweg van Maasbommel. De Hogenhofstraat typeert zich door een landelijk lint met verspreid daarlangs enkele (agrarische) erven. Dichter bij de kern liggen de erven dichter bij elkaar en zijn de landschappelijke openingen relatief klein. Verder naar het westen, liggen de erven verder uit elkaar en zijn er meer zichtlijnen naar het landschap.

Topografische kaart ruimtelijke situatie Maasbommel met daarop de ligging van het plangebied globaal in rood weergegeven (Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl).

6

Plangebied Onderhavig plangebied is gesitueerd aan de rand van Maasbommel. Op het perceel aan de Hogenhofstraat 10 is momenteel één woning met daarachter stallen voor paarden gesitueerd. Aan de achterzijde bevindt zich tevens een verlichte paardenbak en de rest van het perceel is voorzien van een weide, waarop de paarden lopen. Het 2 perceel kent een oppervlak van circa 9.500 m . Het perceel wordt via de Hogenhofstraat ontsloten en omzoomd door een reeds aanwezige groen- en waterstructuur. Aan de west- en noordzijde van het plangebied is de voetbalvereniging DBV gelokaliseerd. Aan de oostzijde bevinden zich verschillende woningen. De woningen die hier direct aan het plangebied grenzen betreffen vrijstaande woningen. Aan de zuidzijde van onderhavig plangebied loopt de Hogenhofstraat, die zich ter plekke kenmerkt door de bomen die langs de weg staan. De navolgende afbeelding geeft een impressie van de huidige situatie ter hoogte van het plangebied.

Zicht op onderhavig plangebied, gezien vanaf de Hogenhofstraat (Bron: Google Streetview).

2.2

Toekomstige situatie plangebied Al enkele jaren bestaat het voornemen om ter plaatse van het adres Hogenhofstraat 10 te Maasbommel woningen te realiseren. In het verleden is hiervoor reeds in een bestemmingsplan de mogelijkheid vastgelegd om zes woningen te realiseren direct aan de Hogenhofstraat. Deze woningen zijn echter nooit gerealiseerd. Het voornemen bestaat nu om de gehele locatie integraal te ontwikkelen met in totaal 24 nieuwe woningen. De bestaande woning blijft behouden en wordt ingepast. De stallen, bak en weides zullen verdwijnen. Voor deze ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan opgesteld en zijn via het Toetsingskader Woningbouw woningbouwcontingenten gereserveerd. Het stedenbouwkundig plan hanteert als uitgangspunt dat sprake moet zijn van een dorps karakter, waarbij aansluiting wordt gezocht bij de ruimtelijke kenmerken en karakteristieken van de omgeving. Daarom wordt de lintbebouwing aan de Hogenhofstraat voortgezet door de realisatie van een drietal vrijstaande woningen en behoud van de reeds aanwezige vrijstaande woningen. Achter deze woningen doet zich de

7

kans voor om een kleinschalige besloten woonbuurtje te maken. Dit sluit aan bij de huidige stedenbouwkundige opzet in Maasbommel, evenals de opzet van agrarische percelen. Zo zorgt het plangebied ook voor een zorgvuldige overgang tussen de kern en het landelijk gebied. De navolgende afbeelding geeft dit principe weer.

Schematische weergave van de wijze waarop het plan zal aansluiten bij de ruimtelijke karakteristieken van de Hogenhofstraat (Bron: SAB).

De beoogde woningen zijn grondgebonden en bestaan uit één à twee bouwlagen met kap. Er is sprake van een diversiteit aan woningtypen, waardoor vrijstaande, tweeonder-één-kap- en rijwoningen in het plangebied zijn beoogd. Het plan biedt ruimte aan maximaal 24 nieuwe woningen. Het stedenbouwkundig plan gaat uit van een functioneel programma van 17 rijwoningen, 4 twee-onder-één-kapwoningen en 3 vrijstaande woningen. Toekomstige bewoners kunnen ervoor kiezen om de garage uit te laten voeren als slaapkamer, zodat woningen een levensloopbestendig karakter krijgen. Bergingen en garages zijn achter de voorgevelrooilijn voorzien, zodat een groene en dorpse voortuinzone kan worden gerealiseerd.

Impressie toekomstige situatie ter plaatse van het plangebied (Bron: SAB). 8

Ten behoeve van de ontwikkeling van het plangebied is als aanvulling op het Dorpskwaliteitsplan een beeldkwaliteitplan opgesteld om een aantal kwalitatieve stedenbouwkundige richtlijnen vast te leggen. Aan deze richtlijnen moet de toekomstige bebouwing voldoen om het gewenste streefbeeld te kunnen bereiken. Deze richtlijnen kunnen niet of niet voldoende in een bestemmingsplan geregeld worden. In het beeldkwaliteitplan is aan de hand van eisen voor stedenbouw, architectuur en openbare ruimte aangegeven welke beeldkwaliteit wordt nagestreefd. Het verkeer zal net zoals in de huidige situatie worden ontsloten op de Hogenhofstraat. Daarvoor zal een nieuwe inrit worden gemaakt, waarbij het bestaande groen langs de Hogenhofstraat zo veel mogelijk wordt ingepast. Parkeren gebeurt straks zowel op eigen terrein als in de vorm van openbaar parkeren. Daarbij is gekozen om halfverharding toe te passen en enkele bomen aan te planten, zodat voorkomen wordt het woonbuurtje een te stenig karakter krijgt. De aanwezige groenstructuur en de watergang rondom het plangebied blijven in de beoogde situatie ongewijzigd, daarmee blijft de aanwezige groene setting van het plangebied in de toekomstige situatie gewaarborgd. Gelet op het voorgaande wordt gesteld dat voorliggend plan ruimtelijk en functioneel aansluit bij de karakteristieken van het plangebied en haar omgeving.

9

3

Beleid en regelgeving

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (thans NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (thans NNN) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS (thans NNN) is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.

Toetsing Het voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in de SVIR en het Barro.

3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.

10

Toetsing Voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling van 24 woningen. Ondanks het feit dat ter plaatse reeds de juridisch-planologische mogelijkheid geldt om een zestal woningen te realiseren, is met het beoogde woningbouwprogramma van 24 woningen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarom is door SAB een toets aan de Ladder 1 voor duurzame verstedelijking uitgevoerd. In de toetsing is aangetoond dat sprake is van zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve behoefte. Bovendien vindt de ontwikkeling plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Daarmee wordt geconcludeerd dat het plan de toetsing aan de Ladder positief heeft doorlopen. Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie en -verordening Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld.  Gezond en veilig. Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.  Schoon en welvarend. Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s:  Energietransitie: van fossiel naar duurzaam.  Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer.  Circulaire economie: sluiten van kringlopen.  Biodiversiteit: werken met de natuur.  Bereikbaarheid: duurzaam verbonden.

 Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio.  Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in 1

SAB (2019). Toets Ladder voor duurzame verstedelijking. Maasbommel, Hogenhofstraat 10. Projectnummer: 180158.01. 1 augustus 2019. 11

nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wetwettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Toetsing Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsvisie en -verordening Gelderland heeft uitgewezen dat het plangebied geen provinciale belangen raakt. In meer algemene zin geldt daarentegen wel dat voorliggend plan een bijdrage levert aan het realiseren van de provinciale ambities ten aanzien van de woon- en leefomgeving. Met de voorgenomen woningbouwontwikkeling wordt immers zowel kwantitatief als kwalitatief gezien voorzien in een behoefte én wordt aardgasloos ontwikkeld.

Deze ambities sluiten aan bij hetgeen gesteld in de Omgevingsvisie. Daarmee vormen de Omgevingsvisie en -verordening geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Conclusie Het voorgenomen plan is niet in strijd met het provinciale beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Dorpen 2025 In april 2015 heeft de gemeenteraad een structuurvisie voor de dorpen in de gemeente West Maas en Waal vastgesteld. De structuurvisie is er op gericht de ruimtelijke leefbaarheid in de kernen te behouden en te verbeteren. Naast het ruimtelijk beleid voor de hele gemeente schetst de structuurvisie een visie op de ruimtelijke ontwikkeling per dorp. In de structuurvisie wordt op het gebied van wonen aangegeven dat de gemeente West Maas en Waal ontwikkelingen graag concentreert in en om de kernen. Inbreiding heeft in het huidige beleid de voorkeur boven uitbreiding van de dorpen, op voorwaarde dat dit niet ten koste gaat van de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente geeft aan dat in de periode tot 2030 herontwikkeling een belangrijke rol gaat spelen in de kernen. Het gaat hierbij om oude woningen en om andere vrijkomende functies zoals bedrijfsgebouwen en voorzieningen. Door herontwikkeling wordt de aanwezige ruimte optimaal benut, worden verpaupering en leegstand tegengegaan en kan een structurele versterking van het dorp plaatsvinden. De gemeente geef aan dat mede hierdoor de leefbaarheid van de dorpen wordt behouden.

12

Toetsing De structuurvisie van de gemeente West Maas en Waal geeft aan dat ten aanzien van wonen inbreiding de voorkeur heeft boven uitbreiding, maar dat daarbij geldt dat de inbreiding niet ten koste mag gaan van de ruimtelijke kwaliteit. Zo moet bij ontwikkelingen zorgvuldig omgegaan worden met de cultuurhistorische waarden en bepaalt de locatie de bebouwingsvormen en architectonische uitstraling. Nieuwe woningbouw moet aansluiten op de sociale binding in de dorpen. Daarnaast is binnen de structuurvisie voor iedere kern een dorpontwikkelingsplan opgesteld. Voor Maasbommel geldt dat een viertal ruimtelijke opgaven zijn genoemd (zie navolgende afbeelding). Eén daarvan heeft betrekking op de ontwikkelingsmogelijkheden aan de toegangswegen van Maasbommel, waaronder ook de Hogenhofstraat behoort. Het dorpontwikkelingsplan geeft aan dat de opvallende laanstructuren langs de Hogenhofstraat sterke ruimtelijke dragers vormen waaraan nieuwe kleinschalige ontwikkelingen (herontwikkelingen en het toevoegen van erven) kunnen plaatsvinden. De ontwikkelingen moeten hierbij herkenbaar deel uitmaken van het landschappelijk beeld. Het dorpslint langs de Hogenhofstraat kan worden versterkt door kleinschalige ontwikkelingen in de vorm van woonerven met een groen karakter. Op de oeverwal liggen de erven dicht bij elkaar en zijn de landschappelijke openingen relatief klein.

Opgave 1 Dorpsontwikkelingsplan Maasbommel met daarop het plangebied globaal in rood weergegeven (Bron: Gemeente West Maas en Waal).

Onderhavig plan voorziet in de realisatie van bebouwing langs de Hogenhofstraat. In het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met de reeds bestaande bebouwing langs de Hogenhofstraat. Ook is gekeken naar de laanstructuur. De laanstructuur zal worden gewaarborgd en het bebouwingslint langs de Hogenhofstraat zal door de realisatie van vrijstaande woningen, stedenbouwkundig gezien, worden ingepast. Achter het bebouwingslint is een kleinschalig woonbuurtje rondom een centraal, open erf voorzien. Het voorgenomen plan is daarmee in lijn met de doelstellingen van het Dorpsontwikkelingsplan onder druk komen te staan.

13

3.3.2

Dorpskwaliteitsplan West Maas en Waal Het Dorpskwaliteitsplan van de gemeente West Maas en Waal is vastgesteld op 24 januari 2019. Dit plan geeft randvoorwaarden en spelregels voor nieuwe ontwikkelingen in de kernen. Het laat onder meer zien waar waardevolle stedenbouwkundige en landschappelijke structuren liggen en welke open ruimtes en zichtlijnen belangrijk zijn. Het is daarmee de concrete uitwerking van de Structuurvisie dorpen 2025. Het Dorpskwaliteitsplan bestaat uit een algemeen deel en acht dorpspaspoorten. Het algemeen deel van het Dorpskwaliteitsplan biedt een gereedschapskist waarmee inwoners van de acht kernen kunnen bouwen aan hun leefomgeving. In die gereedschapskist zitten onder meer structuurdragers die in iedere kern voorkomen: zij bepalen voor een groot deel de ruimtelijke structuur en identiteit van de dorpen. Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de structuurdragers gelden dan ook specifieke spelregels. Toetsing In het Dorpspaspoort van Maasbommel zijn spelregels opgenomen waarin de richtlijnen voor kleinschalige ontwikkelingen langs de Hogenhofstraat zijn geformuleerd. Het gaat hierbij om de volgende spelregels:  Behoud de Hogenhofstraat als groene entree naar het dorp.  Zorg ervoor dat nieuwe bebouwing in eerste instantie direct aan de weg staat, net zoals de bestaande bebouwing.

 Zorg direct aan de weg voor een dorpse korrelgrootte: vrijstaande woningen of twee-onder-een-kapwoningen zijn hier passend.  Oriënteer deze woningen op de weg.  Achter de eerstelijnsbebouwing zou een verdere uitbreiding in de vorm van woningbouw of bedrijvigheid aan huis kunnen plaatsvinden, bijvoorbeeld in de vorm van een boerenerf of een klein buurtje dat zich uit het zicht van de weg bevindt.  Bouw maximaal twee lagen hoog met kap.  Zorg voor een groene uitstraling van het nieuwe erf/buurtje en voor groene erfafscheidingen naar alle zijden. In het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met de spelregels zoals geformuleerd in het Dorpspaspoort van Maasbommel. Langs de Hogenhofstraat zullen vrijstaande woningen worden gerealiseerd, overeenkomstig met de eerstelijnsbebouwing langs de Hogenhofstraat. Achter de eerstelijnsbebouwing zal verdere uitbreiding plaatsvinden in de vorm van een kleinschalig woonbuurtje. Binnen het stedenbouwkundig plan wordt de groene entree naar het dorp gewaarborgd en heeft ook het achtergelegen buurtje een zo’n groen mogelijk karakter gekregen. Aanvullend is boven het Dorpskwaliteitsplan een beeldkwaliteitsplan opgesteld waarin aanvullende spelregels op het gebied van architectuur en de inrichting van de openbare ruimte zijn geformuleerd. Zo sluit dit plan aan bij het Dorpskwaliteitsplan.

3.3.3

Woonvisie en Toetsingskader woningbouw Op 12 mei 2016 is de Woonvisie vastgesteld. Als eerste uitvoeringsmaatregel van de Woonvisie is een toetsingskader woningbouw opgesteld (20 oktober 2016). Doel van dit toetsingskader is helder te maken welke woningen hieronder vallen, hoeveel woningen er tweejaarlijks verdeeld kunnen worden en welke ingediende woningbouwinitiatieven gehonoreerd kunnen worden.

14

In de woonvisie wordt geconstateerd dat, om de kernen vitaal en leefbaar te houden, een goede kwaliteit van de leefomgeving en de bestaande woningvoorraad van groot belang is. De nieuwbouwproductie in de gemeente is de komende jaren beperkter van omvang. Kwaliteitsverbetering van de kernen zal daarom slechts deels kunnen worden bereikt door nieuwbouw. Veel belangrijker is de aanpassing van de bestaande woningvoorraad, bijvoorbeeld door deze energiezuiniger te maken of meer geschikt voor senioren. Ook nieuwe functies voor leegstaande gebouwen en vervanging van verouderde woningen dragen bij aan verbetering van de kwaliteit van de kernen. Kwantitatief kader In de Woonvisie blijft uitgangspunt om “de juiste woning, op de juiste plaats, op het juiste moment” te realiseren. De juiste woning verwijst naar de kwaliteit waaronder type woning, doelgroep, passend bij demografische ontwikkelingen en multifunctionaliteit van het initiatief. De juiste plaats verwijst naar de Structuurvisie Dorpen, de (verbetering van de) identiteit en leefbaarheid van de kern en hergebruik leegstaande panden. Het juiste moment betekent dat de vraag zo concreet is dat (het realistisch is te veronderstellen dat) een snelle ontwikkeling mogelijk is waarbij planologische procedures buiten beschouwing worden gelaten.

Het voornemen is om de komende 10 jaar op deze wijze het beschikbare aanvullende contingent van 294 woningen bruto (dat wil zeggen 1/3 van het totale woningbouwprogramma) te programmeren. Kwalitatief kader In het regionale woningbehoefteonderzoek wordt uitgegaan van een leefstijlbenadering. Er zijn 4 leefstijlen te onderscheiden met ieder zijn eigen kenmerken. De leefstijl geeft het achterliggende waardepatroon van mensen weer en heeft een grote betekenis voor de keuzes die mensen in het leven maken. Niet alleen met betrekking tot de woningmarkt maar ook op het gebied van recreatie, welzijn, zorg, cultuur en onderwijs. In West Maas en Waal hebben de inwoners een voornamelijk ´groene´ en ´gele´ leefstijl. Dit zijn beide groepgerichte leefstijlen die voornamelijk in dorpen voorkomen. Mensen met een groene leefstijl zijn gericht op geborgenheid en zekerheid. Ontwikkelingen in de samenleving worden door mensen met een groene leefstijl vaak beoordeeld op de mate waarin de zekerheden worden bedreigd. Men woont het liefst in een rustige wijk met de voorzieningen om de hoek. Men heeft een voorkeur voor een traditionele, gezellige woning. Mensen met een gele leefstijl zijn gericht op de gemeenschap. Ze hechten aan sociaal contact en vriendschap. Iedereen wordt geacht zijn steentje bij te dragen aan het functioneren van de samenleving.

Men heeft een voorkeur voor een woonomgeving waar mensen elkaar kennen en waar gezamenlijk activiteiten ondernomen worden. Men woont graag in een grondgebonden woning met voldoende ruimte in de nabijheid van een grasveld of speelgelegenheid. Op basis van deze kennis en informatie kan er beter ingespeeld worden op de wensen en behoeften van de inwoners in de gemeente. Samenvattend wordt in de woonvisie gesteld dat veranderingen in de bevolkingssamenstelling leiden tot een andere vraag naar woningen. Er is minder behoefte aan woningen voor gezinnen en meer behoefte aan woningen die (ook) geschikt zijn voor ouderen. Tot en met 2024 kunnen 294 woningen bruto worden geprogrammeerd volgens het uitgangspunt de juiste woning, op de juiste plaats, op het juiste moment. De focus ligt echter op de bestaande woningvoorraad.

15

Toetsing Met voorliggend plan is sprake van de realisatie van maximaal 24 nieuwe woningen. Het initiatief maakte onderdeel uit van de tweede tranche van initiatieven binnen het Toetsingskader woningbouw. Voorafgaand aan de start van de tweede tranche is geconstateerd dat voor de periode tot 2025 een aantal kernen in de pas loopt qua woningbouw (Alphen, Altforst, Dreumel), maar dat er ook een aantal kernen zijn die nog achterblijven (Wamel, Boven-Leeuwen, Maasbommel). De kernen Appeltern en Beneden-Leeuwen hebben voldoende woningen in bestaand aanbod zitten om aan de vraag te kunnen voldoen. Kwantitatief gezien was er dan ook ruimte om de voorgenomen ontwikkeling toe te voegen aan de planvoorraad voor de kern Maasbommel. De gemeente West Maas en Waal heeft voor deze ontwikkeling dan ook woningbouwcontingenten beschikbaar gesteld. Tegelijkertijd is met voorliggende ontwikkeling ook sprake van een kwalitatieve behoefte, onder meer door gasloos te bouwen (duurzaamheid) en een bijdrage te leveren aan de huisvestingsmogelijkheden voor de doelgroepen als kleine huishoudens, starters en senioren. Zo krijgen toekomstige kopers de mogelijkheid om garages in het plangebied in te zetten als slaapkamer, zodat alle vitale functies binnen een woning op de begane grond aanwezig zijn. Zo sluit de ontwikkeling aan op de doelstellingen vanuit de woonvisie en het toetsingskader.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling sluit aan op het gemeentelijk beleid.

16

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Toetsing Het plan voorziet in de ontwikkeling van maximaal 24 nieuwe woningen binnen de bebouwde kom van Maasbommel. Het plan kan worden gekwalificeerd als de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd en een herontwikkeling wordt als wijziging in de zin van het Besluit m.e.r. beschouwd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk:  een oppervlakte van 100 hectare of meer;  een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen;  een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. 2

Het totale plangebied is circa 9.800 m groot. Hiermee blijft het project ver onder de indicatieve drempelwaarden kan in eerste instantie met een vormvrije m.e.r.beoordeling worden volstaan. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen:  de kenmerken van het project;  de plaats waar de activiteit plaatsvindt;  de kenmerken van het potentiële effect. Conclusie 2 Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.

2

SAB (2020). Vormvrije m.e.r.-beoordeling. Maasbommel, Hogenhofstraat 10. Projectnummer: 180158.01. 24 maart 2020. 17

4.2

Bodem Algemeen In het kader van het bestemmingsplan moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Toetsing Ten behoeve van de ontwikkeling in het plangebied is een verkennend bodemonder3 zoek uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt dat:  de bodem op de locatie zintuiglijk geen afwijkende waarnemingen bevat;  de bovengrond licht verontreinigd is met kobalt, cadmium en plaatselijk lood;  de ondergrond plaatselijk licht verontreinigd is met kobalt;  het grondwater plaatselijk licht verontreinigd is met barium en xylenen. Op basis van deze onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat de milieu hygiënische kwaliteit van het plangebied geschikt is voor het beoogde gebruik. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.3

Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Wegen met een maximale snelheid van 30 km/uur zijn uitgesloten van akoestisch onderzoek. Toetsing Voorliggend plan voorziet in de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige functies (woningen) binnen de bebouwde kom van Maasbommel. De directe wegen rondom het plangebied hebben een maximaal toegestane snelheid van 30 km/uur. Feitelijk gezien hebben dergelijke wegen geen onderzoekszone en dient enkel in het kader van een goede ruimtelijke ordening akoestisch onderzoek uit te worden gevoerd als sprake is van hoge verkeersintensiteiten en daarmee hoge geluidsbelastingen voor ontwikkelingen.

De verwachting is echter niet dat de omliggende wegen een dusdanig hoge verkeersintensiteit hebben dat de verwachting gerechtvaardigd is dat de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB ter plaatse van het plangebied niet zal worden overschreden en het uitvoeren van een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk is. Dit is in onderstaande kaart inzichtelijk gemaakt.

3

De Klinker Milieu (2020). Verkennend bodemonderzoek volgens NEN 5740 Hogenhofstraat Maasbommel. Rapportnummer: K202251. 7 april 2020. 18

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering in de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.4

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft.

Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwsvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen

19

zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Onderliggend project voorziet in de realisatie van maximaal 24 nieuwe woningen. Het project draagt daarom ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het project op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering. Conclusie Het aspect lucht vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit project.

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing In de directe omgeving van het plangebied is een mix aan functies terug te vinden (wonen, sportpark en brandweerkazerne). De mix van functies is daarentegen onvoldoende om te kunnen spreken van een ‘gemengd gebied’. In voorliggende situatie wordt dan ook rekening gehouden met de richtafstanden behorende bij een ‘rustige woonwijk’.

20

Externe werking De externe werking betreft de vraag of de nieuwe functie in onderhavig plan niet leidt tot hinder voor de bestaande of toekomstige hindergevoelige functies. In het plangebied worden geen nieuwe hinderveroorzakende functies mogelijk gemaakt. Er hoeft daarom niet onderzocht te worden of de functie in het plangebied hinder veroorzaakt voor omliggende functies. Interne werking Naast de externe werking moet ook de interne werking worden beoordeeld. Met andere woorden: laat de omgeving de nieuwe functie toe? De dichtstbijzijnde bedrijvigheid is in de navolgende tabel opgenomen, inclusief de bijbehorende omschrijving uit de VNG-publicatie en de daaruit volgende grootste richtafstanden. Bedrijfssoort

Adres

Omschrijving VNG

Sportpark

Hogenhofstraat 10a Kapelstraat 21

Veldsportcomplex (met verlichting) Brandweerkazernes Gasdistributiebedrijven - gas: reduceer-, compressor-, meet- en regelinst. Cat. A Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven Benzineservisestations: - zonder LPG Begrafenisondernemingen: begraafplaatsen

Brandweerkazerne Nutsvoorziening

Kapelstraat 19T

Dienstverlening

Blauwstraat 2A

Tankstation

Kampstraat 3

Begraafplaats

Kerkstraat (ong.)

Grootste richtafstand (m) 50 (geluid)

Gemeten afstand (m) 10

50 (geluid)

90

10 (geluid en gevaar)

40

10 (geluid)

4

30 (geur en geluid)

110

10 (geluid)

80

Uit voorgaande tabel blijkt dat voor bijna alle adressen aan de richtafstanden kan worden voldaan. Enkel wat betreft het naastgelegen sportpark en de artsenpraktijk geldt dat niet aan de richtafstand voor het aspect geluid kan worden voldoen. De artsenpraktijk aan de Blauwstraat 2A heeft een dusdanig kleinschalig karakter en bevindt zich aan de andere zijde van de watergang dus de verwachting gerechtvaardigd is dat er geen sprake zal zijn van een milieuknelpunt. Bovendien bevindt de praktijk zich in de huidige situatie ook direct rondom verschillende woningen. Nader onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

21

4

Voor het sportpark is er een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Voor de begrenzing van het sportpark is uitgegaan van de gronden behorende bij het adres Hogenhofstraat 10a. Volgens de regels uit het bestemmingsplan ‘Dorpen’ (zie bijlage 3 van de regels) is sportbeoefening en -terreinen in de vorm van een sportpark namelijk enkel toegestaan op deze gronden. Uit het onderzoek volgt dat:  De geluidbelastingen voor het langtijdgemiddelde voldoen aan de normen. Er wordt voorzien in een goed woon- en leefklimaat.  De normen voor de maximale geluidsbelastingen in het grootste deel van het plangebied niet overschreden. Voor deze woningen geldt dat zonder meer sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Enkel ter hoogte voor de noordelijke zijde van het meest noordelijk gelegen bouwvlak is dit wel het geval. De overschrijdingen vinden plaats in de dagperiode (doordeweeks en weekend) en in de avondperiode (doordeweeks). Een overschrijding vindt plaats ten tijde van het spelen van een wedstrijd wanneer ter hoogte van de beoogde woningen spelers roepen en een scheidsrechtersfluit wordt gebruikt. Een mogelijke maatregel is de scheidsrechterfluit van de club te vervangen door een fluit welke een lager bronvermogen heeft als het gehanteerde bronvermogen. Dit heeft direct effect op de wedstrijden voornamelijk in de avondperiode.

De initiatiefnemer zal hierover contact opnemen met de voetbalvereniging en is bereid om de benodigde kosten hiervoor voor eigen rekening te nemen. Andere maatregelen zijn onderzocht maar niet mogelijk of doeltreffend genoeg bevonden. Voorgesteld wordt om de kortstondige overschrijdingen, die inherent zijn aan de locatie grenzend aan een in gebruik zijnde sportpark, als acceptabel te achten. Wel dient de gemeente West Maas en Waal hiermee akkoord te gaan.  De grenswaarde van 50 dB(A) voor indirecte hinder nergens in het plangebied wordt overschreden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. De initiatiefnemer en gemeente zullen gedurende de procedure in overleg treden met de sportvereniging en bespreken hoe ze de maatregel ten aanzien van de scheidsrechtersfluit kunnen treffen en op kunnen leggen als maatwerkvoorschrift. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.6

Licht Algemeen De Commissie Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde e (NSVV) heeft in 2020 de 3 druk van de Richtlijn lichthinder uitgegeven. In deze richtlijn zijn grenswaarden opgenomen. De grenswaarden voor de verschillende parameters zijn afhankelijk van de soort van verlichting. In deze situatie betreft het de veldverlichting.

4

SAB (2020). Akoestisch onderzoek industrielawaai Maasbommel, Hogenhofstraat 10. Projectnummer: 180158.01. 26 mei 2020. 22

Grenswaarden zijn opgenomen voor de verticale verlichtingssterkte en de richtingsafhankelijke lichtsterkte per armatuur. De verticale verlichtingssterkte is een maat voor de hoeveelheid licht die in het verticale vlak invalt (raam van een woning), uitgedrukt in lux. De lichtsterkte is een maat voor de hoeveelheid licht die in een bepaalde richting door een lichtbron wordt uitgestraald, uitgedrukt in candela. Voor beide parameters geldt dat getoetst wordt aan de normstelling bij lichtgevoelige bestemmingen. De grenswaarden voor de verschillende parameters zijn afhankelijk van het omgevingstype. Daarbij worden vier omgevingszones onderscheiden, afhankelijk van de oorspronkelijke reeds aanwezige mate van verlichting. De gebiedstypen zijn:  E1: Gebieden met een zeer lage omgevingshelderheid. In het algemeen natuurgebieden en landelijke gebieden ver van woonkernen.  E2: Gebieden met een lage omgevingshelderheid. In het algemeen buitenstedelijke en landelijke (woon)gebieden.  E3: Gebieden met een gemiddelde omgevingshelderheid. In het algemeen stedelijke (woon)gebieden.  E4: Gebieden met een hoge omgevingshelderheid. In het algemeen stedelijke gebieden met nachtelijke activiteiten, zoals uitgaanscentra en industriegebieden. Toetsing In voorliggende situatie worden woningen in de directe nabijheid van een sportpark 5 met lichtmasten gerealiseerd.

Daarom is een lichthinderonderzoek uitgevoerd. Het plangebied betreft een bebouwde omgeving aan de rand van de kern Maasbommel. Daarom wordt het plangebied getypeerd als gebiedstype E3. Dit komt voor de normstelling neer op 10 lux voor de verticale verlichtingssterkte en op 10.000 candela voor de lichtsterkte per armatuur. Uit de metingen volgt dat ter plaatse van de gevels van de geprojecteerde woningen de lichtbelasting voldoet aan de normstellingen voor zowel de verticale verlichtingssterkte als de lichtsterkte per armatuur. Hieruit concluderen wij dat de verlichting van de voetbalvereniging naar verwachting niet leidt tot onaanvaardbare hinder ter plaatse van de beoogde woningbouw. Conclusie Het aspect lichthinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.7

Geur Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastingsen afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.

5

DGMR (2020). Lichthinderonderzoek SAB Maasbommel. Kenmerk: M.2019.1340.00.N001. 8 april 2020. 23

Toetsing Met voorliggend plan is sprake van de realisatie van nieuwe geurgevoelige objecten in 6 de nabijheid van het landelijk gebied. Daarom is in een geuronderzoek bepaald of er op het gebied van geurhinder van veehouderijen knelpunten voordoen en of voldaan kan worden aan de geldende wet- en regelgeving. Uit het onderzoek volgt dat de gemeente West Maas en Waal een gemeentelijke geurverordening heeft vastgesteld met eigen normen. Uit de berekeningen naar de voorgrondbelasting volgt dat voldaan 3 wordt aan de gemeentelijke norm van 2,0 ouE/m , evenals de minimale afstandseis van 100 meter. Verder volgt uit de berekening van de achtergrondbelasting dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied te kwalificeren is als ‘redelijk goed’ als ‘redelijk goed’ tot ‘goed.’ Er zijn dan ook geen belemmeringen in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij. Conclusie Het aspect geur zorgt niet voor een belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.8

Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (of-6 wel 10 ). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risi-6 co van 10 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers.

Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Toetsing Raadpleging van de provinciale risicokaart wijst uit dat rondom Maasbommel één risicobron aanwezig is. Het betreft de rivier de Maas waarover transport met gevaarlijke stoffen plaatsvindt.

6

SAB (2020). Quick scan geurhinder veehouderijen Hogenhofstraat 10 Maasbommel. Projectnummer: 180158.01. 13 mei 2020. 24

Uit raadpleging van de gegevens van de provinciale risicokaart blijkt dat het plangebied niet binnen de PR-contour, de meest relevante zones van het groepsrisico (de 200 meter zone), een plasbrandaandachtsgebied en een veiligheidszone van de risicobron ligt. Het plangebied ligt echter wel binnen het invloedsgebied van de Maas. Conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes moet daarom ingegaan worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Ook moet de veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld worden om een advies hierover uit brengen.

Uitsnede risicokaart met daarop het plangebied globaal rood omlijnd (Bron: www.risicokaart.nl).

In overleg tussen de Omgevingsdienst Rivierenland en de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid is voor dit soort ontwikkelingen een standaardtekst opgesteld die van toepassing kan worden verklaard voor onderhavige situatie. De Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft hiervoor op 3 december 2018 akkoord gegeven. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het besluitgebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De te realiseren woningen dienen te voldoen aan deze voorwaarden. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan.

25

4.9

Water Rijksbeleid – Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:  Nederland blijft de veiligste delta in de wereld.  Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater.  Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.  Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement.  Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen.

Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Provinciaal beleid – Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem.

Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

26

De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en 3 industrie, groter dan 150.000 m /jaar. De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie.

Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Beleid Waterschap Rivierenland – Waterbeheerprogramma 2016-2021 Voor de periode 2016-2021 is het Waterbeheerprogramma Koers houden, kansen benutten bepalend voor het waterbeleid van Waterschap Rivierenland. Dit plan bevat de koers waarop het waterschap lange termijn doelen wil bereiken op het gebied van waterveiligheid, het watersysteem en de waterketen. Het waterschap heeft het zorgen voor veilige dijken en een evenwichtig watersysteem als missie. Op het gebied van waterveiligheid hanteert het waterschap de drietrapsstrategie ‘vasthouden, bergen en afvoeren’. Tevens zet het waterschap in op voldoende en schoon water in het hele watersysteem. Tenslotte streeft het waterschap naar een duurzame en doelmatige inrichting van de waterketen en het beheer. Beleid regio – klimaatadaptatie De gemeenten Nijmegen, Beuningen, Druten, Heumen, West Maas en Waal, Wijchen, Berg en Dal, Waterschap Rivierenland en Provincie Gelderland hebben, samen met regionale stakeholders een regionale adaptatiestrategie (RAS) opgesteld. De strategie moet er voor zorgen dat de regio zich de komende jaren klimaatbestendig ontwikkelt: bestand tegen de klimaateffecten te nat, te droog en te warm, alsmede overstromingsgevaar.

Toetsing 7 Voor het plan is de digitale watertoets van het Waterschap Rivierenland doorlopen . Uit de digitale watertoets blijkt dat het plan onder de normale procedure valt. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland. Hierna staan de aandachtspunten beschreven die uit de digitale watertoets zijn gekomen.

7

Waterschap Rivierenland (2020). Digitale Watertoets. Hogenhofstraat 10, Maasbommel. Dossiercode: 20200302-9-22611. 2 maart 2020. 27

Waterveiligheid In het plangebied is geen kern- en beschermingszone van een waterkering gelegen. Grondwater (algemeen) Het plangebied wordt gekenmerkt door een bepaalde grondwaterstand. De drooglegging van het gebied is hiervoor medebepalend. Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. In gebieden waar grondwateroverlast bekend is of gebieden met hoge grondwaterstanden adviseer het waterschap om hier nader onderzoek naar te doen. Bij hoge rivierwaterstanden kunnen gebieden gelegen nabij de rivieren overlast ondervinden van kwel. Eventuele maatregelen zijn het ophogen van het maaiveld of kruipruimteloos bouwen. 8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9650250/1