RV2025-121-bijlage-6-toelichting-bp-heuvelstraat-3-7-en-26.pdf
Tekst van het document
Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.
Aanvullend op het Bevi zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan.
Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
27
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in het realiseren van risicovolle activiteiten.
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont de risicokaart.
Risicokaart (plangebied zwart omkaderd, bron: Atlas Leefomgeving)
Risicovolle inrichtingen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of binnen een veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen. Binnen de beoogde bestemming “Wonen” passen geen risicovolle activiteiten, zoals Bevi-activiteiten. Verder zijn in de planregels binnen de bestemming “Bedrijf” risicovolle en BEVI- inrichtingen expliciet benoemd als een strijdig gebruik. Hierdoor worden er geen belemmeringen veroorzaakt vanuit het plangebied naar omliggende percelen, als gevolg van risicovolle inrichtingen.
28
Vervoer van gevaarlijke stoffen over transportroutes Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid wel relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en het spoor Meteren-Den Bosch. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroutes, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones). Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor:
• •
de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroutes en; de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied.
Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 29 september 2022 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "zeer kwetsbaar gebouw", bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatie-openingen te sluiten.
In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dat advies tijdig op te volgen en aan de verplichting te voldoen. Vervoer van gevaarlijke stoffen door Buisleidingen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt tenslotte dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen. Conclusie Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en het spoor Meteren-Den Bosch. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er vanuit het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld in het kader van het aspect externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het initiatief.
29
4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
• • •
bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.
Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
• • •
vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
• •
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op het mogelijk maken van twee bedrijfswoningen, een nieuwe bedrijfshal en de herbouw mogelijkheid van de afgebrande bedrijfsloods. De bestaande bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning dient met de ontwikkeling gesloopt te worden. Tevens wordt met de beoogde ontwikkeling de verplaatst en vergroot. Derhalve is voor de ontwikkeling een ecologische quickscan uitgevoerd (Blom Ecologie, d.d. 26 februari 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2).
30
Soortenbescherming Uit de quickscan is gebleken dat de planlocatie mogelijk een essentiële betekenis vormt voor beschermde soorten. Hierbij is de aanwezigheid van de Steenmarter uitgesloten. Onder de onderste rij dakpannen van de bedrijfswoning bevinden zich openingen die toegankelijk zijn vanuit de dakgoot voor de huismus en de vleermuis. Het is dus mogelijk dat de beoogde ingreep resulteert in het wegnemen van nesten van de huismus en vleermuis. Er dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd om de aanwezigheid van de huismus en vleermuis met zekerheid te kunnen uitsluiten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Omdat nog niet geheel duidelijke is wanneer de bedrijfswoning wordt gesloopt is een vergunningstelsel voor de sloop van deze woning opgenomen. Daarmee wordt geborgd dat voorafgaand op de sloop het noodzakelijke nadere onderzoek wordt uitgevoerd. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden.
Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Stikstofberekening De ontwikkeling gaat gepaard met de uitstoot van stikstof in de bouwfase. Derhalve moet in beeld gebracht worden wat de mogelijke effecten van de ontwikkeling zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Het plangebied is gelegen op relatief korte afstand (1,1 km) van het Natura2000 gebied Rijntakken ten zuiden van het plangebied. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022, waarbij de ‘bouwvrijstelling’ is komen te vervallen, dient nu ook de aanleg-/bouwfase berekend te worden. Door Blom ecologie is een stikstofonderzoek uitgevoerd (Blom ecologie, d.d. 6 novemeber 2024, zie bijlagen bij toelichting). In dit onderzoek is zowel de gebruiksfase als bouwfase onderzocht. Uit het onderzoek van Blom Ecologie blijkt dat er geen berekenbare depositie ontstaat voor zowel de bouw- als gebruiksfase. Daarmee heeft de depositie van stikstof geen negatief effect op omliggende Natura 2000 gebieden en kan een significant effect op voorhand worden uitgesloten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is daarmee niet noodzakelijk.
Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep aan de Heuvelstraat 3, 7, 24 en 26 is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor huismus en vleermuizen.
31
4.8 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Archeologiebeleid West Betuwe In 2021 heeft de gemeente West Betuwe een Archeologische Beleidskaart laten maken. De kaart is gebaseerd op een uitgebreide inventarisatie van het gemeentelijk bodemarchief en geeft aan welke gebieden een archeologische verwachting hebben. Per gebied is vastgelegd wanneer bij ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden met archeologie. De regimes die hiervoor gelden zijn weergegeven op de Beleidskaart Archeologie. Voor iedereen is dan in één oogopslag duidelijk aan welke regels moet worden voldaan bij ruimtelijke ontwikkelingen waar archeologische waarden in het geding kunnen zijn. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling vindt er een bestemmingswijziging plaats.
Volgens het Veegplan Archeologie West Betuwe gelden ter plaatse van de planlocatie de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 7'. Voor gronden met 'Waarde - Archeologie 1' geldt dat onderzoek dient plaats te vinden bij werkzaamheden groter dan 50 m² meter en dieper dan 30 cm onder het maaiveld. Voor gronden met 'Waarde - Archeologie 7' geldt dat bij werkzaamheden groter dan 2.500 m² en dieper dan 50 cm onder het maaiveld archeologisch onderzoek dient plaats te vinden. Ter plaatse van de Heuvelstraat 3 vinden geen grondwerkzaamheden plaats. Dit is echter wel het geval ter plaatsen van de Heuvelstraat 726. Omdat de grenswaarden bij de Heuvelstraat 7-26 worden overschreden is hier archeologisch onderzoek uitgevoerd (Transect, d.d. december 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4). Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied op afzettingen de Est stroomrug ligt. In het noorden van het plangebied kunnen oeverafzettingen van deze stroomrug verwacht worden, terwijl in het zuiden van het plangebied restgeulafzettingen verwacht worden. Vermoedelijk zijn hieronder in het gehele plangebied beddingafzettingen aanwezig.
Oeverafzettingen van de Est zijn aantrekkelijke bewoningslocaties vanaf de Late IJzertijd (de tijd dat de Est stroomrug actief werd). In de omgeving zijn daarnaast meerdere vindplaatsen uit de Romeinse Tijd bekend, evenals een grafveld uit de Vroege Middeleeuwen en een vindplaats uit de Late Middeleeuwen. Het plangebied heeft daarom een hoge verwachting op archeologische resten uit de periode Late IJzertijd – Late Middeleeuwen. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat in de ondergrond beddingafzettingen aanwezig zijn, die waarschijnlijk deel uitmaken van de Est stroomrug. Hierop bevinden zich oeverafzettingen. In het plangebied ligt op de oeverafzettingen een cultuurlaag, die tussen 25-90 cm -Mv (2,20 – 2,85 m +NAP) ligt. Hierin is houtskool aanwezig. Hierdoor kan de hoge verwachting uit het bureauonderzoek voor de perioden IJzertijd – Late Middeleeuwen behouden blijven. De verwachting voor de overige perioden is laag, omdat de mogelijk aanwezige oudere resten als gevolg van de rivieractiviteit van de Est stroomrug zijn geërodeerd. Geadviseerd wordt om in het kader van de herontwikkeling een vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van archeologische resten. Het vervolgonderzoek is reeds uitgevoerd (Transect, d.d. 6 september 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5).
Uit de resultaten van het vervolgonderzoek blijkt dat in het noordwesten van het plangebied sprake is van een oude woongrond. Dit blijkt uit de vondst van een oude cultuurlaag, waarbij in de laag kleine brokjes rood baksteen en houtskool aanwezig zijn. In de rest van het plangebied is de ondergrond archeologisch gezien overwegend intact, wat blijkt uit de aanwezigheid van intacte oeverafzettingen op beddingafzettingen. Dit resultaat komt overeen met de onderzoekresultaten uit het verkennend
32
booronderzoek. Er zijn daar echter geen archeologische indicatoren gevonden. Delen van het noorden, oosten van het plangebied en de plaats die nu bebouwd is, zijn volledig verstoord. Daar zijn verstoringen gevonden, die tot in de kalkrijke oever- of beddingafzettingen reiken. In het zuidwesten van het gebied is sprake van een vindplaats die waarschijnlijk in de IJzertijd-Late Middeleeuwen dateert, die zich kenmerkt door een oude cultuurlaag. Transect adviseert om bij graafwerkzaamheden beneden 45 cm – Mv (2,75 m +NAP) vervolgonderzoek uit te laten voeren. Namens gemeente West Betuwe is de regioarcheoloog van Rivierenland akkoord met de resultaten en conclusies. Het advies voor planologische bescherming van de vindplaats aan de westkant van het perceel wordt echter niet met een bescherming vanaf 45 cm -mv overgenomen maar conform het gemeentelijk beleid vanaf een diepte van 30 cm -mv. De maximale vrijgestelde omvang voor toekomstige ingrepen is 50 m². Mocht onderzoek nodig zijn dan zal dat in de vorm van een waardestellend proefsleuvenonderzoek uitgevoerd moeten worden. De rest van het plangebied is voor toekomstige ingrepen vrijgesteld van vervolgonderzoek. De wettelijke meldingsplicht archeologische toevalsvondst blijft te allen tijde van kracht. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling vormt.
Voor een groot deel van het plangebied geldt dat de archeologische waardering komt te vervallen. Geadviseerd wordt om voor het zuidwestelijke deel van de planlocatie de waarde juridischplanologisch uit te werken. Voor dit deel wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ van het Veegplan Archeologie West Betuwe opgenomen.
4.9 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Het plangebied is gelegen ten noorden van Waardenburg. In het plangebied staan geen objecten met een cultuurhistorische waarden. Er zijn ook geen monumenten in het plangebied aanwezig. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
33
4.10 Waterhuishouding Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerplan zijn de kaders voor het waterbeheer gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit.
34
Voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen in het stedelijk gebied streeft het Waterschap minimaal naar het stand-still beginsel. Dit houdt in dat door bouwplannen de waterhuishouding niet mag verslechteren, bij eventuele verhardingen dient hiervoor dan ook gecompenseerd te worden in de vorm van open water. Als vuistregel kan gehanteerd worden dat voor 1 ha verharding ter compensatie 2.180 m² = 436 m³ open water moet worden gerealiseerd. Daarnaast geldt voor de realisatie van kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Hiervoor geldt dat het moet gaan om een verhard oppervlak of voorziening die op zichzelf staat. Wanneer het verharde oppervlak in eerste instantie weliswaar kleiner is dan respectievelijk 500 m² en 1.500 m², maar deel uitmaakt van een groter geheel, zou er van latere aanbouw of uitbreiding een cumulatief effect kunnen uitgaan. In deze gevallen moet bij een volgende uitbreiding, die het totaal verharde oppervlak groter doet zijn dan respectievelijk 500 m² en 1.500 m², de meerdere oppervlakte alsnog worden gecompenseerd. Water- en Rioleringsplan 2019-2023 West Betuwe Het beleid van de gemeente op het gebied van water is vastgelegd in het Water- en Rioleringsplan 20192023.
In dit waterplan wordt niet alleen invulling gegeven aan de traditionele stedelijke watertaken zoals voorheen vertolkt in het GRP (afval-, hemel,- en grondwater), maar ook aan de opgave voor het gehele watersysteem van de gemeente. Verordening afvoer hemel- en grondwater Op 29 april 2021 heeft de gemeente West-Betuwe de verordening afvoer hemel- en grondwater gepubliceerd. Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast en overstromingen toe. Dat vraagt om maatregelen, die samen met bewoners en projectontwikkelaars genomen moeten worden. Daarbij wordt nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw en bestaande bouw. Nieuwbouw Voor nieuwbouwlocaties in heel de gemeente geldt een waterbergingseis op eigen terrein. Het regenwater bergen is in de meeste gevallen haalbaar en wordt met de bouw meegenomen. Dit kan bijvoorbeeld in een krattensysteem, zandpakket, regenwaterschutting, regenwaterkelder (voor hergebruik), groen dak, et cetera. Met het vaststellen van deze verordening door uw raad, wijst uw raad het gehele gemeentelijke grondgebied aan als gebied waarbinnen deze waterbergingseis voor nieuwbouw geldt. Lozen grondwater Daarnaast is met deze verordening in de hele gemeente het lozen van grondwater op het openbaar vuilwaterriool verboden. Het grondwater loost op een watergang of hemelwaterriool. Artikel 4 Verplichting tot waterberging bij nieuwbouw 1.
2.
3.
4. 5.
Met het oog op het beperken van wateroverlast, het beperken van verdroging en het doelmatig beheer van afvalwater wordt alleen hemelwater vanaf nieuwe gebouwen in een openbaar riool geloosd, als een hemelwaterberging is aangebracht en in stand gehouden. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is: a. 20 l per m² verhard oppervlak op het perceel als de totale omvang van het verhard oppervlak niet meer is dan 500 m²; of; b. 43,6 l per m² verhard oppervlak op het perceel als de totale omvang van het verhard oppervlak 500 m2 of meer is. In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder b, is de minimale capaciteit van de hemelwaterberging 20 l per m² verhard oppervlak, als al compenserende waterberging is gerealiseerd op grond van de keur van het waterschap. De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze tussen 1 en 3 dagen weer voor 90% beschikbaar is, tenzij het opgevangen hemelwater bestemd is voor hergebruik. De hoeveelheid hemelwater die niet kan worden geborgen, kan worden geloosd in het openbare riool of in de openbare ruimte.
35
6.
Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de verplichting om een hemelwaterberging aan te brengen, voor zover het aanbrengen van de hemelwaterberging redelijkerwijs niet mogelijk is.
Planspecifiek Watercompensatie In de huidige situatie is het plangebied grotendeels verhard. In de toekomstige situatie zullen de gronden verhard zijn ten behoeve van bedrijfswoningen, bedrijfsbebouwing en parkeervoorzieningen. Wanneer er sprake is van een verhardingstoename dient er compensatie plaats te vinden. Onderstaand is de verhardingsbalans aangegeven van het perceel aan de Heuvelstraat 3 en de percelen aan de Heuvelstraat 7 tot 26. Heuvelstraat 7 en 26
Groen
Tuin (50%)
Verharding
Bebouwing
Totale verharding m²
Huidige situatie
2554
909
4184
5357
9996
Beoogde situatie
5037
0
3914
4053
7967
Balans
-2029
Heuvelstraat 3
Groen
Tuin (50%)
Verharding
Bebouwing
Totale verharding m²
Huidige situatie
0
378
671
223
1083
Beoogde situatie
0
516
516
242
1015
Balans
-68
Zoals de bovenstaande tabel laat zien is er bij de Heuvelstraat 7 en 26 sprake van een afname van 2.029 m² aan verharding. Bij de heuvelstraat 3 is sprake van een afname in 68 m² aan verharding aan de Heuvelstraat 3. Met de gehele planontwikkeling is er sprake van een afname van 2.097 m² aan verharding. Watercompensatie is met de beoogde ontwikkeling niet benodigd. Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het Waterschap Rivierenland over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn:
• • •
de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken, waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.
In de huidige situatie is er sprake van een gescheiden rioolstelsel. In de beoogde situatie zal het hemelwater worden afgekoppeld en worden afgevoerd door het te laten infiltreren in de bodem. Van belang is dat zo min mogelijk vervuilende stoffen worden toegevoegd aan het grond- en oppervlaktewatersysteem. Alleen schoon hemelwater wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Vuilwater zal doelmatig afgevoerd worden op het rioolsysteem. Bij de bouw worden geen uitloogbare materialen gebruikt, zodat er geen uitspoeling ontstaat richting het oppervlaktewater. De afvoer van afvalwater vindt plaats via het gemeentelijk rioolstelsel. Waterberging In het kader van de Verordening afvoer hemel- en grondwater van de gemeente West Betuwe dient bij nieuwbouw waterberging gerealiseerd te worden. Met de beoogde ontwikkeling wordt nieuwbouw gerealiseerd ter plaatse van de percelen aan de Heuvelstraat 7 en 26. Omdat dit meer dan 500 m² zal zijn is er sprake van een bergingseis van 43,6 liter per m² verhard oppervlak. Omdat de exacte invulling van het plangebied nog niet bekend is, zal dit nader uitgewerkt worden met de omgevingsvergunning.
36
Waterkeringen en watergangen Uit het raadplegen van de legger van het Waterschap Rivierenland blijkt er binnen en in de directe omgeving van de planlocatie geen regionale en/of primaire waterkeringen aanwezig is. Wel bevinden zich aan de rand van het plangebied twee A-watergangen. Voor de aangrenzende A-watergangen geldt een beschermingszone van 4 meter. De sloop- en bouwwerkzaamheden vinden buiten de beschermingszone plaats. Mocht er in de toekomst een weg naast de watergang aangelegd worden, zal er rekening gehouden moeten worden dat dit niet te dicht op de watergang gerealiseerd wordt. Dit kan in de loop van de tijd verzakking veroorzaken. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het onderhavige initiatief.
4.11 Verkeer en parkeren 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Voor het bepalen van verkeersgeneratie wordt gebruik gemaakt van de kengetallen van CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen'. Uitgaande van het Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019 van de gemeente West Betuwe is het plangebied gelegen in een niet 'stedelijk woonmilieu' in het 'buitengebied'. Huidige situatie In de huidige situatie bestaat het plangebied uit twee vrijstaande woningen en ca.
4.500 m² aan bedrijfsbebouwing. Een deel hiervan is bestemd als 'bedrijf' met de functieaanduiding 72, wat staat voor een 'aannemersbedrijf'. Het westelijke deel van het plangebied is bestemd als 'agrarisch' met de functieaanduiding 'intensieve kwekerij'. Voor de verkeersgeneratie van het plangebied wordt daarom uitgegaan van de categorie 'Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief' van de CROW. Hiervoor geldt per 100 m² bvo een verkeersgeneratie van 4,8. In totaal geldt voor de bedrijfsbebouwing een verkeersgeneratie van 45 x 4,8 = 216 per etmaal. Voor een vrijstaande woning geldt een verkeersgeneratie van 8,2. Voor twee vrijstaande woningen geld een verkeersgeneratie van 16,4 per etmaal. In totaal heeft het plangebied in de huidige situatie een verkeersgeneratie van 232,4 voertuigbewegingen per etmaal. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt de bedrijfsbebouwing gesloopt en wordt nieuwe bedrijfsbebouwing gebouwd met in totaal een oppervlakte van 3.425 m² bvo. Tevens worden er twee nieuwe woningen gebouwd, waarmee het totaal aantal woningen in het plangebied op drie komt te staan. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de bedrijven wordt uitgegaan van de categorie 'Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief'. Voor de bedrijfsbebouwing geldt een totale verkeersgeneratie van 35 x 4,8 = 168.
Voor de drie vrijstaande woningen geldt een totale verkeersgeneratie van 24,6 (8,2*3). samen komt dit neer op een verkeersgeneratie van 192,6.
37
Conclusie Met de beoogde ontwikkeling is er sprake van een afname in de verkeersgeneratie. Omdat er sprake is van een afname betekent dit een vermindering van de verkeersdruk van de Heuvelstraat. Derhalve kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering zal ondervinden van het aspect verkeer.
4.11.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming, gebaseerd op ervaringen uit het verleden. Parkeernormen worden vaak gebruikt voor het vormgeven van generiek parkeerbeleid. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Deze wordt uitgedrukt in een bandbreedte van het aantal parkeerplaatsen per eenheid. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een globaal beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. De gestelde bandbreedte geeft de mogelijkheid tot maatwerk. Het beleid met betrekking tot parkeren is vastgelegd in het Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019 van de gemeente West Betuwe. Op 30 juni 2020 is door de raad van de gemeente West Betuwe het paraplubestemmingsplan vastgesteld en onherroepelijk in werking getreden.
Het doel van het paraplubestemmingsplan is het vastleggen van het generieke gemeentelijke parkeerbeleid. Bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen moet het Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019 als juridisch-planologisch kader worden meegenomen. Voor het hanteren van parkeernormen wordt in het Paraplubestemmingsplan doorverwezen naar de parkeernormen zoals die gesteld zijn in de CROWpublicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen'. Planspecifiek Volgens de gebiedsindeling van het Paraplubestemmingsplan geldt er voor het plangebied een stedelijkheidsgraad van 'Niet stedelijk' in het 'Buitengebied'. Volgens het Paraplubestemmingsplan Parkeren moet er worden uitgegaan van de maximale parkeernormen van de CROW publicatie 'toekomstbestending parkeren'. Voor het plangebied geldt een parkeernorm voor een vrijstaande woning van 2,7 parkeerplaatsen. Bij de woningen is genoeg ruimte om de benodigde aantal parkeerplaatsen te realiseren. Gezien de ruim opzet van de percelen is er genoeg ruimte om de parkeergelegenheid op eigen perceel te realiseren. De twee beoogde bedrijfshallen hebben een bvo 1.925 m² en 1.500 m². Voor het berekenen van de parkeernorm van de bedrijfshallen wordt uitgegaan van de categorie 'Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief'. Per 100 m² bvo geldt er een maximale parkeernorm van 1,3 parkeerplaatsen.
In totaal komt dit neer op een parkeernorm van 19,25 x 1,3 = 25,0 parkeerplaatsen voor de noordelijk gelegen bedrijfshal en een parkeernorm van 15 x 1,3 = 19,5 parkeerplaatsen voor de meer zuidwestelijk gelegen bedrijfshal. De percelen zijn zeer ruim opgezet. Er is voldoende ruimte om de parkeernorm op eigen terrein te realiseren. Het laden en lossen zal op eigen terrein geregeld worden. Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zal ondervinden betreft het verkeer en parkeren.
38
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Plansystematiek De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
39
5.3.1 Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
5.3.2 Bestemmingsregels Bedrijf Voor vrijwel het gehele plangebied gelegen aan de Heuvelstraat 7 tot en met 26 geldt dat deze de bestemming 'Bedrijf' krijgen. Daarmee komt de agrarische bestemming ter plaatse te vervallen. De twee bedrijfshallen krijgen tevens een specifieke aanduiding, zoals in het vigerende bestemmingsplan alle bedrijfsactiviteiten in een lijst zijn opgenomen. Hiermee worden ook de twee bedrijfswoningen mogelijk gemaakt. Bedrijf - nutsvoorziening In het noordoosten van het plangebied wordt voor een klein deel de bestemming 'Bedrijf - nutsvoorziening' opgenomen. In de huidige en de toekomstige situatie is hier een nutsvoorziening aanwezig. De regels voor de nutsvoorziening zijn overgenomen van het geldende bestemmingsplan. Groen De bestemming groen is opgenomen voor het voorterrein ter plaatse van Heuvellaan 7. Met het opnemen van de bestemming Groen kan de bestemming bedrijf beperkt worden tot 5.000 m 2. Dit conform de beleidsregels van de gemeente. Daarnaast kan hiermee de afstand van de bedrijfsbestemming tot aan het plangebied beperkt worden tot 30 meter van de woningen aan de andere zijde van de Heuvelstraat. Wonen Voor de gronden ter plaatse van de Heuvelstraat 3 wordt de woonbestemming vergroot. Deze zal in verbeelding doorlopen tot aan het einde van de schuur. Ook de oprit van het perceel zal de woonbestemming krijgen.
Waarde - Archeologie 1 / 7 Voor het gehele plangebied is de Waarde - Archeologie 1 /7 opgenomen. Hiermee wordt de archeologische waarden van de gronden beschermd. 5.3.3 Algemene regels In de algemene regels zijn de regels opgenomen welke voortvloeien uit het vigerende bestemmingsplan. 5.3.4 Overgangs- en slotregels In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik en wordt de slotregeling opgenomen. De slotregeling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsregeling.
40
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Met de initiatiefnemers wordt een anterieure overeenkomst gesloten waarmee de gemeentelijke plankosten zijn afgedekt. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub c Wro overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan Na vaststelling door de raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2.2 Participatie In het kader van participatie hebben gesprekken plaatsgevonden met omwonenden. Tijdens de gesprekken zijn de omwonenden op de hoogte gebracht van de beoogde ontwikkeling. De omwonenden hebben aangegeven dat zij geen bezwaren hebben tegen de beoogde ontwikkeling. Zij zien de sloop van de huidige bebouwing en de bouw van nieuwe bedrijfsbebouwing als een grote verbetering ten opzichte van de huidige situatie.
41
6.2.3 Vooroverleg In het kader van het wettelijk vooroverleg heeft het Waterschap Rivierenland een positief Wateradvies afgegeven voor het bestemmingsplan. Het Waterschap heeft nog wel enkele aandachtspunten waar rekening mee gehouden moet worden:
•
Er zal geen vrijstelling worden verleend voor de toename aan verharding. Deze vrijstelling voor watercompensatie is alleen bedoeld voor particulieren welke deze vrijstelling nog niet eerder hebben gebruikt. Bij een toename aan verharding zal gecompenseerd moeten worden.
•
De verhardingsbalans is nu onduidelijk. Verzocht wordt deze te verduidelijken.
In reactie op het vooroverleg kan worden aangegeven dat de bouwplannen en de inrichting van het buitenterrein nog niet tot de volle 100% zijn uitgewerkt. Voor de bedrijfslocatie geldt dat er sprake is van een significante afname aan bebouwing. Ook zal er sprake zijn van een afname aan verharding. De exacte afname zal in het kader van de vergunning aanvraag inzichtelijk gemaakt worden. Indien noodzakelijk zal dan ook een watervergunning worden aangevraagd. Op voorhand wordt niet verwacht dat dit noodzakelijk zal zijn. 6.2.4 Zienswijzen Het voorliggende initiatief heeft ter inzage gelegen van donderdag 21 december 2023 tot en met woensdag 31 januari 2024. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend voor het voorliggende initiatief. Wel zijn er ambtelijk enkele wijzigingen voorgesteld. Deze wijzigingen zijn benoemd in de Nota van ambtshalve aanpassingen bij bestemmingsplan 'Heuvelstraat 3, 7 en 26’.
42