CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2025-121-bijlage-6-toelichting-bp-heuvelstraat-3-7-en-26.pdf

Gemeenteraad 25 november 2025, gemeente West BetuweBij agendapunt: 8: Vaststelling bestemmingsplan 'Heuvelstraat 3, 7 en 26' Waardenburg15.615 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Heuvelstraat 3,7 en 26 Gemeente West Betuwe

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1960.WAAHeuvelstr3726-VSG1

Datum:

12 september 2025

Contactpersoon Buro SRO:

J.J. van Nuland | F.M. Polderman

Kenmerk Buro SRO:

SR220017

Opdrachtgever:

Dhr. Nijhoff, Dhr. Visscher en Leeuw Elektro

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 6 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 13 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 13 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 15 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 17 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 18

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 20 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 20 4.2 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 21 4.3 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 24 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 25 4.5 Bodem ............................................................................................................................................................... 26 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 26 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................

30 4.8 Archeologie ....................................................................................................................................................... 32 4.9 Cultuurhistorie .................................................................................................................................................. 33 4.10 Waterhuishouding........................................................................................................................................... 34 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 37

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 39 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 39 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 39 5.3 Plansystematiek ................................................................................................................................................ 39

6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 41 6.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 41 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 41

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemers zijn voornemens de drie percelen gelegen aan de Heuveltraat in Waardenburg te herstructureren. Aan de Heuvelstraat 3, momenteel een woonperceel, wordt beoogd de achtergelegen schuur te vergroten en te verplaatsten en om de tuin opnieuw in te richten. Om dit mogelijk te maken is een beperkte verlegging van de woonbestemming nodig. Op de percelen gelegen aan de Heuvelstraat 7 en 26 staat momenteel een grote loods/bedrijfsbebouwing. Deze loods is, blijkens het BAG-register in 1950 gebouwd en was in gebruik ten behoeve van de kweek van paddenstoelen. Inmiddels is dit al enige tijd niet meer het geval. De loods is verkocht en voldoet niet meer aan de eisen van de nieuwe eigenaren. Met de beoogde ontwikkeling wordt de loods gesloopt, net zoals de bestaande bedrijfswoning. Op 11 juli 2023 is de bestaande bedrijfsloods aan de Heuvelstraat 26 afgebrand. Over de herbouw van de bedrijfsloods is overleg geweest met de gemeente West Betuwe. Dit omdat in afwijking van de geldende planregels bij voorkeur een bedrijfshal met platte afdekking en een bouwhoogte van circa 10 meter wordt opgericht. Hierover is in onderling overleg tot een passend bouwplan gekomen. Dit bestemmingsplan voorziet in een passende bestemmingsregeling voor de op te richten bedrijfsloods.

De drie percelen zijn gelegen binnen de plangrenzen van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Neerijnen, veegplan 2017', vastgesteld door de voormalige gemeente Neerijnen op 6 december 2017. Omdat de ontwikkeling in strijd is met het vigerende bestemmingsplan wordt er een nieuw bestemmingsplan gemaakt om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Met voorliggend bestemmingsplan wordt hier invulling aan gegeven door het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling.

5

1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen ten noordoosten van de plaats Waardenburg. De planlocatie is kadastraal bekend als de gemeente Waardenburg, sectie Y, en perceelnummers 189, 198, 199, 202, 353, 354, 355, 373, 420, 440, 472, 473, 530, 531, 532 en 533. De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.

Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)

Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)

6

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Neerijnen, veegplan 2017', zoals vastgesteld door de voormalige gemeente Neerijnen op 6 december 2018. Tevens geldt het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019', welke is vastgesteld op 30 juni 2020. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan, plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Heuvelstraat 3 In het vigerende bestemmingsplan heeft dit perceel de bestemming ‘Wonen’ en de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’. Daarnaast hebben de gronden de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 4’. Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Heuvelstraat 7 en 26 In het vigerende bestemmingsplan heeft het westelijke deel van het plangebied, aan de Heuvelstraat 7, de bestemming 'agrarisch' met de functieaanduiding 'intensieve kwekerij'. Het oostelijk deel, aan de Heuvelstraat 26, heeft de bestemming 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf 72'. Deze gronden zijn bestemd voor een 'aannemingsbedrijf, hout en bouw'. Voor de gronden gelden daarnaast de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3'. Voor het gehele plangebied geldt tevens de gebiedsaanduiding 'overige zone- oeverwal-stroomrug' opgenomen.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 komen de verschillende relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische aspecten. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de Heuvelstraat ten noordoosten van de kern Waardenburg. De Heuvelstraat is gelegen in het buitengebied en kent een mix tussen wonen en bedrijvigheid. Ten noorden en noordoosten van het plangebied zijn enkele laagstamfruitbomen aanwezig. Het plangebied bestaat uit drie verschillende percelen. Hieronder worden deze percelen toegelicht. Heuvelstraat 3 Aan de Heuvelstraat 3 staat een vrijstaande woning met een diepe tuin. Achter de woning staat momenteel een schuur. Het erf heeft een eigen, brede oprit welke is aangesloten op de Heuvelstraat. In het verleden werd het achtergelegen terrein van gebruikt voor het stallen van caravans. Dit is in de huidige situatie echter niet meer het geval. Een groot deel van het terrein achter de schuur is nog wel verhard. Achter het verharde terrein ligt een grasveld. Onderstaande afbeelding toont een impressie van de woning gezien vanaf de Heuvelstraat.

Impressie van het perceel gelegen aan de Heuvelstraat 3

Heuvelstraat 7 en 26 Aan de Heuvelstraat 7 en 26 staat een grote bedrijfshal, welke in 1950 is gebouwd. Recentelijk is één bedrijfsloods afgebrand. Op het plangebied staan twee bedrijfswoningen, waarrvan één als tijdelijk woongebouw. Het deel van de bedrijfsbebouwing gelegen aan de Heuvelstraat 7 werd in het verleden gebruikt voor de kweek van de paddenstoelen. In de huidige situatie is dit niet meer het geval. De bedrijfsbebouwing is nog in gebruik, maar is inmiddels wel redelijk verouderd.

8

Onderstaande afbeeldingen geven een impressie van de Heuvelstraat 7 en 26.

Impressie van het perceel gelegen aan de Heuvelstraat 7

Impressie van het perceel gelegen aan de Heuvelstraat 26

Verkeer en ontsluiting Alle drie de percelen zijn aangesloten op de Heuvelstraat. Ten westen komt de Heuvelstraat uit op de Steenweg (de N830), welke ten noorden direct richting de A15 rijdt en ten zuiden richting Waardenburg. Aan de oostzijde komt de heuvelstraat uit op de A.H. de Kockstraat. Voor alle percelen geldt dat er op eigen terrein de gelegenheid is om te parkeren.

9

2.2 Toekomstige situatie De beoogde ontwikkeling ziet toe op de herinrichting van de percelen. Hieronder wordt per deel beschreven wat de ontwikkeling precies inhoudt. Heuvelstraat 3 Met de beoogde ontwikkeling wordt het achterterrein van het perceel gelegen aan de Heuvelstraat 3 opnieuw ingericht. De vrijgekomen grond wordt groen ingericht waarmee de woning een volwaardige achtertuin krijgt en waarmee het woongenot vergroot. De schuur wordt met deze ontwikkeling ongeveer 10 meter naar achteren geplaatst en vergroot met ca. 28 m². De totale oppervlakte van de schuur komt dan op ca. 100 m². Dit is passend in het geldende bestemmingsplan. De gevellijn aan de noordoostzijde ligt met deze aanpassing op gelijke hoogte als in de huidige situatie, de schuur steekt aan deze zijde niet voorbij de woning. De achtergevellijn van de schuur zal met deze verplaatsing gelijk zijn aan de achtergevellijn van de schuur gelegen ten zuidwesten van het plangebied. Door deze schuur te verplaatsen komt de ruimte tussen de schuur en woning beter tot zijn recht en kan deze gebruikt worden als tuin. Ook deze nieuwe ruimte zal groen worden ingericht. Onderstaande afbeelding geeft een tekening weer van de beoogde toekomstige situatie.

Situatietekening Heuvelstraat 3 (Bron: Buro SRO)

Heuvelstraat 26 Alle bebouwing op dit deel van het plangebied wordt gesloopt, waarbij een deel van de bedrijfsbebouwing enige tijd terug is afgebrand. Hiervoor is inmiddels een nieuw bedrijfsgebouw opgericht. Daarmee wordt op locatie de nog resterende voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt en de huidige bedrijfswoning. Op het perceel gelegen aan de Heuvelstraat 26 is een nieuwe bedrijfshal opgericht van circa 1.600 m2 ten behoeve van het aannemersbedrijf. Ten behoeve van het aannemersbedrijf mocht 1.909 m2 bebouwd worden. Daarmee wordt 309 m2 aan bouwrechten opgegeven. Daarnaast wordt door dezelfde eigenaar 700 m² aan agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Per saldo is er daarmee een afname van 1.009 m2 aan bebouwing en bouwrechten.

10

Zoals vermeld wordt beoogd een nieuwe bedrijfswoning aan de zuidwestzijde van het plangebied te realiseren. De bestaande bedrijfswoning wordt verwijderd. Deze bestaande woning is dan ook wegbestemd in dit bestemmingsplan. Overeenkomstig het beleid voor Vrijkomende Agrarische Bebouwing (hoofdstuk 3) is het mogelijk een nieuwe woning op te richten bij 500 - 2.500 m2 te slopen bedrijfsbebouwing. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Omdat een nieuwbouwlocatie nog niet in beeld is, is dit 'bouwrecht' vastgelegd in de onderliggende anterieure overeenkomst. Heuvelstraat 7 Door de 2e eigenaar van de agrarische bedrijfsloods is het voornemen om de resterende huidige bedrijfsbebouwing, circa 2.415 m² te slopen en een nieuwe bedrijfshal te bouwen met een bedrijfswoning is overeenkomstig met het bepaalde in artikel 3.7.5. Hiermee wordt de bestemming van agrarisch naar een niet-agrarische bedrijfsbestemming gewijzigd. Hierbij moet, conform de wijzigingsbepaling (artikel 3.7.5 onder c) het bestemmingsvlak verkleind worden naar 5.000 m² en mag de hoeveelheid bebouwing niet meer bedragen dan 750 m² vermeerderd met 75% van de bestaande bebouwing ten behoeve van opslag (artikel 3.7.5 lid d onder 4). Voornemen is een nieuwe hal te realiseren van circa 1.925 m². Vooruitlopend op het planproces is door de initiatiefnemer een tijdelijke woning gerealiseerd.

Deze woning wordt, nadat de nieuwe woning gereed is, verwijderd. Per saldo is er op locatie een afname aan bedrijfsbebouwing van circa 1.500 m² aan bedrijfsbebouwing met inbegrip van bestaande bouwrechten. Onderstaande afbeelding geeft een tekening weer van de beoogde toekomstige situatie.

Situatietekening Heuvelstraat 7-26 (Bron: Buro SRO)

11

Totaal Als gevolg van het voorgenomen plan van de Heuvelstraat 7 en 26 is er sprake van een afname bebouwing van 1.500 m², exclusief de twee beoogde bedrijfswoningen. In de huidige situatie domineren de gebouwen in aanzienlijke mate het beeld ter plaatse. De aanwezige bebouwing is prominent aanwezig in het landschap en verstoken van enige landschappelijke inpassing. In de nieuwe situatie wordt de hoeveelheid bebouwing aanzienlijk minder. Daarnaast wordt de bebouwing opgeknipt. Daarmee sluit de bebouwing in volume beter aan op de directe omgeving. Daarnaast wordt voorzien in een verbeterde landschappelijke inpassing. Met deze verbeterde inpassing is er sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. De percelen aan de Heuvelstraat 7 en 26 worden klimaatadaptief ingericht, met voldoende hoogteverschil tussen de bestaande maaiveldhoogte en de vloerpeilen. De verdere uitwerking hiervan wordt in het vervolg, in het kader van de omgevingsvergunning, met de gemeente afgesproken.

12

3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit en het realiseren van woningen.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De wetgever heeft in de Wet ruimtelijke ordening, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de NOVI zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling heeft geen raakvlak met het Barro. De belangen van het Barro zijn niet specifiek van toepassing, waarmee het geen belemmering vormt voor voorliggende planontwikkeling.

13

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Dit bestemmingsplan ziet toe op de realisatie van één extra vrijstaande woning en op de realisatie van bedrijfsbebouwing. Omdat er in de huidige situatie al bedrijfsbebouwing aanwezig is en omdat met de ontwikkeling het aantal oppervlakte van de bedrijfsbebouwing afneemt is toetsing aan de ladder niet nodig.

14

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De Omgevingsvisie Gaaf Nederland is vastgesteld op 19 december 2018. In de Omgevingsvisie staat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. De provincie Gelderland legt bij de uitoefening van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities – op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economisch vestigingsklimaat en op het woon- en leefklimaat – wordt daaraan richting gegeven. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland bevat thematische visieschetsen. De schetsen zijn een grove schets van in het oog springende bestaande en nieuwe initiatieven, kansen, mogelijkheden en ontwikkelingen. De ambities die hieruit volgen zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer. Circulaire economie: sluiten van kringlopen. Biodiversiteit: werken met de natuur. Bereikbaarheid: duurzaam verbonden. Vestigingsklimaat: Een krachtige, duurzame topregio! Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam.

Planspecifiek In de omgevingsvisie zet de provincie hoog in op het duurzaamheid en de energietransitie. Met de beoogde ontwikkeling worden twee vrijstaande woningen gerealiseerd en wordt de bestaande bedrijfsbebouwing gesloopt om zo twee nieuwe bedrijfshallen te realiseren. De bestaande bedrijfsbebouwing is erg verouderd en voldoet niet aan de huidige functies van gevestigde bedrijven. Tevens ziet het plan op de herinrichting van het terrein achter de Heuvelstraat 3 en de herinrichting van de percelen aan de Heuvelstraat 7 en 26. Dit leidt tot een forse kwaliteitsverbetering. Hiermee zal het aansluiten met de ambities van de provincie Gelderland en kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de omgevingsvisie Gaaf Gelderland. 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland Met een omgevingsverordening stelt de provincie regels aan bestemmingsplannen van gemeenten. De provincie Gelderland heeft op 24 september 2014 de Omgevingsverordening vastgesteld, die vervolgens op 18 oktober 2014 in werking is getreden. Deze Omgevingsverordening is partieel gewijzigd. Voor de beoordeling van het onderhavige bestemmingsplan is getoetst aan de geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland januari 2023. De provincie beschikt over een palet van instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De Omgevingsverordening is er een van.

De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. De verwachting is dat de omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.

15

Planspecifiek Aan de hand van de bij de Omgevingsverordening behorende kaart zijn de voor de planontwikkeling relevante bepalingen geïdentificeerd. Het plangebied is verbonden met de navolgende bepalingen:

• • • • •

Artikel 2.17 (eenmalige uitbreiding glastuinbouw) Artikel 2.38 (instructieregel bestemmingsplan Intrekgebied) Artikel 2.65b (klimaatadaptie) Artikel 3.2.5b (Minder kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied) Artikel 3.33 (verbod op winning fossiele energie in Intrekgebieden)

Een groot deel van deze provinciale regels is niet van toepassing op de voorgenomen planontwikkeling. In de Verordening zijn regels opgenomen over het planologisch toevoegen van woningen (afdeling 2.1). In dit thema wordt bepaald dat nieuwe woningen alleen mogelijk wordt gemaakt als die ontwikkeling past binnen een door de Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. De ontwikkeling is passend binnen de Regionale Woonagenda Rivierenland. Dit wordt nader toegelicht in subparagraaf 3.3.1. Minder kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied Het plangebied is gelegen in gebied aangewezen als 'minder kwetsbaar drinkwaterreseveringsgebied'. Het is verboden in een minder kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied handelingen te verrichten waardoor de beschermende werking van de bodemlaag wordt of kan worden aangetast. Ter plaatse van het plangebied geldt een indicatieve diepte van 75 meter onder het NAP. Deze diepte wordt met de beoogde ontwikkeling niet overschreden. Klimaatadaptie In afdeling 2.65b van de omgevingsverordening wordt ingegaan op het aspect klimaatadaptatie. Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken.

Waterveiligheid De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. Uit het raadplegen van de klimaateffectatlas blijkt dat voor het plangebied een kleine kans op overstromingen van tussen de 1/300 per jaar en 1/3.000 per jaar geldt. Het thema overstromingen is gelet op de aard en omvang van het initiatief verder niet van belang. Wateroverlast De planlocatie is gelegen in landelijk gebied waar voldoende infiltratiemogelijkheden zijn. Rond het plangebied zijn verschillende watergangen aanwezig. Verdere maatregelen om wateroverlast door overvloedige neerslag tegen te gaan worden op deze locatie niet nodig geacht. Droogte Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft. Langdurige droogte kan leiden tot bijvoorbeeld schade aan funderingen, verdroging van groen, een slechte oppervlaktewaterkwaliteit, versnelde bodemdaling en hittestress. Om droogte te voorkomen kunnen onder andere eisen gesteld worden aan het openbaar groen, oppervlaktewater en de gewenste grondwaterstand. Door water binnen en rondom het plangebied vast te houden wordt droogte tegengegaan.

In de huidige situatie zijn er al verschillende watergangen aanwezig rond het plangebied. Door het plangebied verder groen in te richten wordt een bijdrage geleverd in het vasthouden van water. Hitte In het stedelijk gebied speelt het thema hittestress een belangrijke rol. Het plangebied bevindt zich echter in landelijk gebied waar hittestress een minder belangrijke rol speelt. De openbare ruimte in het plangebied wordt zo groen mogelijk ingericht om hitte tegen te gaan.

16

Conclusie De Omgevingsverordening Gelderland heeft voor de rest geen betrekking op het plangebied. Geconcludeerd kan worden dat de verordening geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Woonagenda Rivierenland De provincie Gelderland geeft in de omgevingsverordening aan dat van de regio's wordt verwacht dat zij hun beleid op het gebied van wonen afstemmen met (externe) partners in een 'Regionale Woonagenda'. Hierin zijn de belangrijkste thema's omschreven waaraan de betreffende regio gaat werken. Het is feitelijk een regionaal actieprogramma. In de regionale woonagenda zijn de volgende thema's opgenomen:

• • • • • • • •

Regionaal woningbouwprogramma; Bestaande woningvoorraad; Wonen en zorg; Doorstroming; Arbeidsmigranten; Verblijfsgerechtigden; Woonlasten en betaalbaarheid; Flexibele tijdelijke woonvormen.

Het Regionaal Woningbouwprogramma heeft direct invloed op woningbouwplannen. De Omgevingsverordening bepaalt namelijk in artikel 2.2.1.1 dat in een bestemmingsplan nieuwe woningbouwlocaties, en de daar te bouwen woningen, slechts worden toegestaan wanneer dit past in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woningbouwprogramma en de vastgestelde Kwantitatieve Opgave Wonen voor de betreffende regio. De overige thema's worden op regionaal of lokaal niveau uitgewerkt in beleid of in uitvoeringsacties. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden twee woningen gerealiseerd, wordt het erf van Heuvelstraat 3 opnieuw ingericht en wordt bestaande bedrijfsbebouwing vervangen. In de regionale woonagenda wordt aangegeven dat er in de provincie de afgelopen periode niet genoeg nieuwe woningen zijn afgeleverd en dat er sprake is van een woningtekort. In het Actieplan Wonen 2020–2025 van de provincie Gelderland wordt gepleit voor een inhaalslag in de vorm van een versnelling van de nieuwbouwproductie. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling, welke toeziet op een toename van één woning, in lijn is met de Regionale Woonagenda Rivierenland.

17

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie West Betuwe De Omgevingsvisie van de gemeente West Betuwe is vastgesteld op 22 februari 2022. De omgevingsvisie is een beleidsinstrument voor de gemeente, voortkomend uit de Omgevingswet. In deze omgevingsvisie heeft de gemeente de huidige kwaliteiten van onze fysieke leefomgeving beschreven. Daarnaast heeft de gemeente de verschillende ontwikkelingen met impact op de fysieke leefomgeving in beeld gebracht en in samenhang bekeken. Daarnaast zijn de gedeelde dromen en visie op de toekomst opgetekend. In de omgevingsvisie wordt per thema ingegaan op de ambities. Dit zijn de thema's:

• • • • • • •

Gezonde en leefbare leefomgeving; Wonen en voorzieningen; Mobiliteit en bereikbaarheid; Economie en ondernemerschap; Landbouw; Energie en klimaat; Natuur, cultuur en recreatie.

Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt bestaande bedrijfsbebouwing gesloopt en vervangen voor nieuwe bedrijfshallen. Tevens wordt er per saldo één nieuwe woning aan het plangebied toegevoegd en wordt er een schuur verplaatst en vergroot. Met name de thema's 'Wonen en voorzieningen' en 'Economie en ondernemerschap' zijn van toepassing voor de beoogde ontwikkeling. In de gemeente moet de woningvoorraad vergroot worden. De beoogde bedrijfswoningen zullen passend zijn binnen de omgeving. Het dorpse karakter blijft daarmee behouden. Het slopen van de verouderde bedrijfsbebouwing en het bouwen van de nieuwe bedrijfshallen betekent een kwaliteitsverbetering van het plangebied. De aanwezige bebouwing is prominent aanwezig in het landschap en verstoken van enige landschappelijke inpassing. In de nieuwe situatie wordt de hoeveelheid bebouwing aanzienlijk minder. Door het opknippen van de bebouwing wordt er in volume meer aangesloten op de directe omgeving. Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie van de gemeente West Betuwe. 3.4.2 Woonvisie West Betuwe Op 15 december 2020 heeft de gemeenteraad van West Betuwe de Woonvisie 'Wonen naar behoefte' vastgesteld.

In de woonvisie geeft de gemeente aan hoe zij de komende jaren een toekomstbestendige woningmarkt willen bewerkstelligen, waarin ruimte is voor alle doelgroepen, zodat Wet Betuwe een leefbare, maar ook groene gemeente is en blijft. De gemeente wil een woningaanbod die aansluit op de behoefte van de bewoners van de 26 kernen. Dorpen waar jong en oud naar tevredenheid wonen. Hiervoor heeft de gemeente vier leidende principes opgesteld: 1. 2. 3. 4.

het beschermen van de unieke landschappelijke kwaliteiten en het dorpse karakter van West Betuwe en haar 26 kernen; voor elke inwoner is een passende woning haalbaar en betaalbaar; Ieder kan gezond en veilig wonen; woningbouw is mogelijk in elke kern, passend bij de aard en schaal van de kern. Extra groei krijgt de ruimte in de A2-corridor.

18

Tot 2040 groeit het aantal inwoners fors, van ruim 51.000 nu naar ca.58.000 volgens het trendscenario (bron: Rigo 2020) tot 60.000 in het versnellingsscenario, waarin het effect van het versneld afronden van de nieuwbouwwijk De Plantage is meegerekend. De druk op de koopwoningmarkt is vrij hoog, kopers overbieden op de aangeboden woningen en naar verwachting zal deze druk, afhankelijk van de kern, nog meer toenemen. In West Betuwe is er sprake van een sterke vergrijzing, na verwachting zal de vergrijzing tot 2040 nog fors toenemen. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op de verschuiving van de achtergelegen schuur bij de Heuvelstraat 3, Het realiseren van twee nieuwe bedrijfshallen en de realisatie van twee bedrijfswoningen. In totaal neemt het aantal woningen in het plangebied met één toe. De woningen worden duurzaam gerealiseerd. Zo zullen de beoogde woningen gasloos worden en voldoen aan de eisen van het bouwbesluit (BENG). Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Woonvisie West Betuwe.

19

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;

•

de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.

20

Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van één extra woning en de bouw van twee bedrijfshallen. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 4. Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.-beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Dit besluit wordt opgenomen als bijlage bij de aanvraag omgevingsvergunning. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan. Op basis van deze plantoelichting welke gezien kan worden als aanmeldingsnotitie kan geconcludeerd worden dat een m.e.r.-beoordeling niet vereist is. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

4.2 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.

21

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven), zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek De omgeving van het plangebied heeft een overwegend woon- en agrarische functie. Daarnaast zijn er ook meerdere bedrijven in de omgeving van het plangebied aanwezig. Derhalve kan er worden uitgegaan van een gemengd gebied. In de VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' wordt een gemengd gebied omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging. De richtafstanden kunnen daarmee, zonder dat ten kosten gaat van de woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd. Met de beoogde ontwikkeling worden milieugevoelige en milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. Onderstaand wordt in beide aspecten ingegaan. Milieubelastende activiteiten Met de beoogde ontwikkeling worden twee bedrijfshallen gerealiseerd. Er zal getoetst moeten worden of de beoogde bedrijfshallen niet ten kosten zullen gaan van een goed woon- en leefklimaat van omliggende gevoelige functies. In de huidige situatie hebben de gronden van het plangebied van de beoogde bedrijfshallen al een bedrijfsbestemming en een agrarische bestemming met de functieaanduiding 'intensieve kwekerij'.

Volgens de begripsbepaling uit het vigerende bestemmingsplan is een intensieve kwekerij als volgt: "een agrarisch bedrijf waarvan de productie niet in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde gronden in de directe omgeving van het bedrijf (bijvoorbeeld champignonkwekerij, wormenkwekerij, viskwekerij)". Een champignonkwekerij zonder mestfermentatie zoals opgenomen in de VNG-lijst heeft een milieucategorie 2 (SBI-0113). Bij deze functie is het aspect geur maatgevend met een richtafstand van 10 meter in een gemengd gebied. Aannemersbedrijf In de toekomstige situatie worden de gronden bestemd als bedrijf (niet-agrarisch). Met deze nieuwbouw komt de beoogde bedrijfsloods op een grotere afstand te liggen van de woningen aan A.H. de Kockstraat 3a en 3b. Het beoogde kantoorgebouw, ten behoeve van het aannemersbedrijf, komt op kortere afstand van de woningen aan de A.H. de Kockstraat te staan. Voor de woning aan de Kockstraat 26 zal er functioneel geen sprake zijn van een verandering. In de huidige situatie is er reeds een aannemersbedrijf gevestigd, dit bedrijf blijft op deze locatie aanwezig. De verruiming van de bedrijfsbestemming heeft tot gevolg dat de bedrijfsbestemming van het aannemersbedrijf opschuift in zuid-westelijke richting. De afstand van de woning aan de Heuvelstraat 5 tot de bedrijfsbestemming bedraagt circa 17 meter.

Voor het aannemersbedrijf dient uitgegaan te worden van milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. Doordat binnen 30 meter de bedrijfswoning beoogd is leiden de ontwikkelingen bij nr. 26 niet tot een verslechtering van het woonen leefklimaat bij omliggende woningen. Aanvullend moet opgemerkt worden dat initiatiefnemer voornemens is de bestaande bedrijfswoning te slopen en te herbouwen. De bedrijfswoning wordt in aansluiting op de Heuvelstraat 5 voorzien. Daarmee zal de mate van bedrijvigheid op dit deel van het perceel beperkt zijn.

22

Elektrotechnisch installatiebedrijf Ter plaatse van de Heuvelstraat 7 komt met de beoogde ontwikkeling een elektrotechnisch installatiebedrijf, in plaats van een champignonkwekerij. In de VNG-lijst is geen elektrotechnisch installatiebedrijf opgenomen waardoor een vergelijkbare functie genomen moet worden gebruikt voor het toetsen. De zwaarste milieucategorie is maatgevend, in dit geval is dat het aannemingsbedrijf. De oppervlakte van het bedrijfsperceel is meer dan 1.000 m², waardoor uitgegaan dient te worden van milieucategorie 3.1 (Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. > 1000 m², SBI-412, 422, 432). Derhalve dient van een richtafstand van 30 meter uit te worden gegaan. Vanwege de ligging wordt voor een aantal omliggende woningen niet aan de richtafstand voor geluid voldaan. Derhalve is voor de beoogde ontwikkeling van het instalatiebedrijf een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (Adviesbureau VanderBoom, d.d. 21 mei 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6). Vanwege de beperkte activiteiten is de hinder zeer beperkt en zal er in de praktijk een goed woon- en leefklimaat heersen. Het bedrijf wordt niet beperkt aan haar bedrijfsvoering, mits de piekniveaus t.g.v. het laden/lossen buiten beschouwing worden gelaten. De beoogde ontwikkeling zal niet ten kosten gaan van een goed woon- een leefklimaat van omliggende gevoelige functies.

Heuvelstraat 3 Een woning is een gevoelige bestemming. Derhalve dient in kaart te worden gebracht of de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. De ontwikkeling van de Heuvelstraat 3 ziet enkel toe op een het wijzigen van de woonbestemming ten einde de schuur op het perceel te kunnen slopen en op een andere plek op het perceel te kunnen plaatsen. De afstand van de bestaande woning tot omliggende bedrijvigheid verandert niet. Daarmee blijft het woon- en leefklimaat ongewijzigd. De omliggende bedrijven worden ook niet verder gehinderd in de bedrijfsvoering. Heuvelstraat 7 en 26 / Spuitzones Bij de teelt van gewassen moet rekening worden gehouden met 'spuitzones'. Vanwege het ontbreken van wetgeving is een in de praktijk (als gevolg van jurisprudentie) gegroeide vuistregel ontstaan die aangeeft dat een afstand van 50 m tussen agrarische gronden met open teelten en een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie in acht moet worden genomen. Ten noorden en ten westen van het plangebied bevinden zich agrarische percelen welke ingericht zijn ten behoeve van de teelt van respectievelijk peren en pruimen. De te herbouwen bedrijfswoning aan de Heuvelstraat 24 wordt op een vergelijkbare afstand tot de boomgaard aan de noordzijde gebouwd als de nu aanwezige woning. Deze afstand is minder dan 50 meter, circa 35 meter.

Het betreft hier een zogenaamde historisch gegroeide situatie. De Raad van State (ECLI:NL:RVS:2014:4036) heeft hierover geoordeeld dat de afstandseis van 50 meter niet geldt in bestaande situaties. Hierbij is met name van belang dat het belang, bij behoud van de bestaande situatie, in bepaalde situaties kunnen prevaleren aangezien niet vaststaat dat de nadelige gevolgen vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zo groot zijn dat deze in redelijkheid niet langer aanvaardbaar kunnen worden geacht. Onder verwijzing naar deze uitspraak wordt herbouw van de bedrijfswoning op een vergelijkbare afstand ruimtelijk acceptabel geacht. Voor de nieuw op te richten bedrijfswoning aan de Heuvelstraat 7 geldt dat het naastgelegen perceel nr. 203 door de eigenaar in eigendom is verkregen. Daarmee kan het gebruik van bestrijdingsmiddelen op dit perceel worden uitgesloten. Op het perceel is ook geen fruitafstand meer aanwezig. De beoogde bouwlocatie is op circa 45 meter van de eerste bomenrij van de zuid-westelijk gelegen boomgaard gelegen. Daarmee wordt voldaan aan de minimaal aan te houden afstand tot de eerste bomenrij. Om te borgen dat de woning daadwerkelijk op 50 meter wordt gerealiseerd is een regeling van nadere eisen opgenomen. Conclusie Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Milieubelastende activiteiten worden niet belemmerd in hun mogelijkheden. Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

23

4.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.

Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt twee bedrijfswoningen en twee bedrijfshallen mogelijk en ziet toe op de herinrichting van het perceel aan de Heuvelstraat 3. Gezien de kleinschaligheid van de beoogde ontwikkeling is deze aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM 10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk 15,9 μg/m³, 8,9 μg/m³ en 14,2 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

24

4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt de o.a. de bouw van twee bedrijfswoningen mogelijk gemaakt. Een woning is een geluidgevoelig object zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Omdat het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de o.a. Steenweg en de Heuvelstraat is er voor de locatie een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Van der Boom Advies, d.d. 12 mei 2022, zie bijlagen bij toelichting. bijlage 1). Toetsing wegverkeer De geluidbelasting door wegverkeer op de A.H. de Kockstraat bedraagt ten hoogste 43 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden. De geluidbelasting door de Zwaluwestraat bedraagt 29 dB na aftrek op de hoogst geluidbelaste gevel. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden. De geluidbelasting door wegverkeer op de Steenweg bedraagt ten hoogste 41 dB na aftrek van 2 dB ex art 110-g Wgh. Er hoeft geen hogere waarde voor de geluidbelasting door deze wegen te worden verleend. De geluidbelasting door alle wegen samen bedraagt 48 dB zonder aftrek.

Toetsing RO Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh en van het geluidbeleid van de gemeente. Aan dit toetsingskader kan zonder maatregelen worden voldaan. Er zal voor het aspect geluid sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woning daarnaast wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. Eis geluidwering Het Bouwbesluit stelt eisen aan de geluidwering van gebouwen. Volgens het Bouwbesluit moet de zgn. karakteristieke geluidwering Ga;k van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied in een woning ten minste gelijk zijn aan de invallende geluidbelasting verminderd met 33 dB; voor verblijfsruimten gelden 2 dB lagere waarden voor de geluidwering G A;k. De voorschriften hebben tot doel de geluidbelasting binnenshuis in de verblijfsgebieden van een woning te beperken tot 33 dB. Bij het bepalen van de benodigde geluidwering mag geen aftrek plaatsvinden ex. artikel 110-g Wgh. De geluidbelasting op de hoogst geluidbelaste gevel bedraagt 48 dB zonder aftrek. De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k bedraagt dan 20 dB. Dit is de minimumwaarde conform het Bouwbesluit. Voor de gevels van de woning zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig.

25

Conclusie Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering zal ondervinden van het aspect geluid.

4.5 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt het plangebied opnieuw ingericht en vinden verschillende werkzaamheden plaats. Aan de Heuvelstraat 3 wordt de schuur verplaatst en wordt de oprit voorzien van een woonbestemming. Het gebruik van de gronden blijft met de ontwikkeling ongewijzigd, derhalve wordt het laten uitvoeren van een bodemonderzoek op deze gronden niet nodig geacht. De gronden aan de Heuvelstraat 7 dienen met de ontwikkeling te worden gewijzigd van een agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming. De bedrijfsbestemming aan de Heuvelstraat 26 blijft ongewijzigd. Met behulp van het bodemloket is in beeld gebracht of er ter plaatse van het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied verontreiniging bekend is.

Uit het bodemloket blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen bodemverontreiniging bekend is. Dit is echter niet voldoende om verontreiniging uit te kunnen sluiten. Ten gevolge van de voormalige champignonkwekerij en asbesthoudende dakbedekking bestaat er een reëel vermoeden dat de bodem verontreinigd kan zijn geraakt en is dus bodemonderzoek benodigd. Omdat er momenteel nog bebouwing aanwezig is kan er nog geen bodemonderzoek uitgevoerd worden. In een later stadium, wanneer de huidige bebouwing gesloopt is, zal er een bodemonderzoek uitgevoerd worden. In dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Voor het plangebied moeten eerst bodemonderzoeken uitgevoerd worden volgens NEN 5725 en NEN 5740. Als hieruit blijkt dat er geen probleem is, dan keurt de omgevingsdienst het resultaat goed en is het bodemaspect voldoende afgehandeld. Maar als er uit het bodemonderzoek wel belemmeringen blijken moet er een vervolg hieraan worden gegeven.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.

26

Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10 -6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5-contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/925/documents/19410