RV2025-101-bijlage-bopa-willem-de-zwijgerweg-12-14-16-geldermalsen.pdf
Tekst van het document
Conclusie
Het aspect geluid is geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.8
Milieubelastende activiteiten
4.8.1
(Wettelijk) kader
Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende (bedrijfs)activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld. 4.8.2
Toetsing
Met het plan is sprake van uitbreiding van acht woningen in de bebouwde kom van Geldermalsen. Door deze ontwikkeling zijn er geen bedrijven die gehinderd worden in hun bedrijfsvoering. Ook zijn er vanwege de aanwezige bedrijven geen belemmeringen voor de realisatie van de acht woningen. 4.8.3
Conclusie
Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.
4.9
Omgevingsveiligheid
4.9.1
Wettelijk kader
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
32
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl).
Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl.) Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingshuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan de gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Overige bepalingen Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten: par. 5.1.2.5 Bkl; Veiligheid rond luchthavens: par. 5.1.2.6 Bkl. 4.9.2 Toetsing Voor dit plan is via het Register externe veiligheidsrisico's de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen factoren qua veiligheid in de directe omgeving aanwezig zijn (zie afbeelding 4.2).
33
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
Afbeelding 4.2: Uitsnede Atlas Leefomgeving Het plangebied bevindt zicht niet binnen de veiligheidscontouren van inrichtingen, gasleidingen, wegen en spoorwegen. 4.9.3
Conclusie
Vanuit de veiligheidsomgeving zijn er geen aspecten aanwezig die een belemmering vormen voor de realisatie van het plan.
4.10
Trillingen
4.10.1 Algemeen In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect Trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.
Het tweede lid van artikel 5.83 Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83, tweede lid. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
34
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen 4.10.2 Onderzoek Trillingshinder door een spoorlijn Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen (zie ook https://iplo.nl/thema/trillingen/bepalen-beoordelen/). De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Dat binnen een zone van 100 meter tot het spoor rekening gehouden moet worden met trillingen betekent niet dat er binnen deze zone altijd maatregelen nodig zijn. In de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen (afbeelding 4.1 op pagina 20/67) is ook een stroomschema opgenomen m.b.t. de wijze waarop trillingshinder in de initiatieffase/planologische haalbaarheidsstudie kan worden meegenomen in de afweging. Deze is hieronder ter informatie bijgevoegd.
De spoorlijn Geldermalsen - Tiel bevindt zich op een afstand van circa 1,4 km. Het is niet aannemelijk dat het voorgenomen plan hinder zal ondervinden van trillingen door het spoor. 4.10.3 Conclusie Het aspect trilling is geen belemmering voor het plan.
35
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
4.11
Archeologie, cultuurhistorie en landschap
4.11.1 Wettelijk kader In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. 4.11.2 Onderzoek Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente West Betuwe geldt voor het plangebied Waarde - Archeologie 4 hoge verwachte dichtheid.
Hiervoor geldt dat voor bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv en groter dan 500 m2 een vroegtijdig waardestellend archeologisch vooronderzoek conform KNA noodzakelijk is.
Afbeelding 4.3: Uitsnede Archeologische beleidskaart Aangezien het grootste deel van het perceel reeds bebouwd is, is de grond grotendeels al geroerd. Daarnaast geldt een vrijstelling van 500 m2. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Nationaal landschap Beoogde ontwikkelingen vinden plaats buiten de grenzen van het Nationaal landschap. Omdat kernkwaliteiten gewaarborgd blijven zijn wettelijke consequenties met betrekking op het Nationaal landschap niet aan de orde.
36
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen 4.11.3 Conclusie Het aspect archeologie is geen belemmering voor de realisatie van het plan. Ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
4.12
Bodem
4.12.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door: het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 AbO). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het AbO en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2 AbO); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 AbO en 3.2.22 Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4 AbO). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. 4.12.2 Toetsing In april 2025 is door Bakker Milieuadviezen een historisch bodemonderzoek volgens NEN 5725 uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd om aan te tonen of er al dan niet noodzaak is voor een verkennend bodemonderzoek (zie Bijlage 4). Op basis van het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat de bodem op het terrein meer dan licht verontreinigd zal zijn.
Om deze reden is er geen noodzaak tot het uitvoeren van een daadwerkelijk bodemonderzoek. Er is geen enkele aanwijzing dat onderhavig perceel een mindere kwaliteit heeft dan Klasse Industrie. Zoals vermeld ligt het perceel in een zone waar de boven- en ondergrond al valt onder klasse Industrie.
37
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
4.12.3 Conclusie Het aspect bodem is geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.13
Water
4.13.1 Wettelijk kader Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot: het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool.
Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. 4.13.2 Beleid Europese Kaderrichtlijn Water (2000): Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. In de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichtingen per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewater binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een ‘goede ecologische toestand’ (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een ‘goede ecologisch potentieel’(GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt. Waterwet: Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Kort samengevat regelt de Waterwet het beheer van oppervlaktewater en grondwater. De Waterwet biedt instrumenten om het waterbeheer op een doeltreffende en doelmatige manier op te pakken.
Ook vervangt de Waterwet een groot aantal wetten op het gebied van water. Hieruit is op rijksniveau een Nationaal Waterplan ontwikkeld. Dit plan bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid. De provincie Gelderland heeft een Regionaal Waterplan opgesteld. De bedoeling is dat op basis van deze structuurvisies plannen van de Waterwet doorwerken in de ruimtelijke ordening en ervoor zorgen dat de waterbelangen op een goede manier worden geborgd. De op 1 januari 2008 ingevoerde Wet gemeentelijke watertaken is opgenomen in de Waterwet. Door deze wetgeving kunnen gemeenten een verbrede zorgplicht op zich nemen. Deze wetgeving maakt het mogelijk om rioolheffing te heffen voor zuiveringstechnisch werk dat door de gemeente (of waterschap/derde) wordt beheerd op grond van de Gemeentewet.
38
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen Waterschap Rivierenland Waterbeheerprogramma 2022-2027 "Versterken. Verbinden. Vergroenen" Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. Meer dan in eerdere waterbeheerprogramma’s heeft het waterschap aandacht voor klimaatverandering en maatschappelijke thema’s zoals duurzaamheid, energietransitie en biodiversiteit. Keur waterkeringen en wateren In de Keur waterkeringen en wateren (Waterschap Rivierenland) staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. Werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Gemeentelijk waterbeleid en waterbeheer Op grond van de Waterwet (artikel 3.5 en 3.6) heeft de gemeente een zorgplicht voor inzameling en verwerking van overtollig hemel- en grondwater. Perceeleigenaren dienen hemelwater op eigen perceel te verwerken. Indien dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd treedt de gemeentelijke zorgplicht in werking.
Daarnaast heeft de gemeente een zorgplicht bij het treffen van maatregelen in openbaar gebied om structureel de gevolgen van grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen c.q. te beperken, tenzij dit niet doelmatig is of de verantwoordelijkheid van de provincie of het waterschap. De gemeente heeft deze vereiste vertaald in de volgende regels, die zijn opgenomen in de planregels van dit uitwerkingsplan. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is: a. 20 liter per m2 verhard oppervlak op het perceel als de totale omvang van het verhard oppervlak niet meer is dan 500 m2, of; b. 43,6 liter per m2 verhard oppervlak op het perceel als de totale omvang van het verhard oppervlak 500 m2 of meer is als er geen compenserende waterberging is gerealiseerd op grond van de keur van het waterschap. c. In afwijking van lid b onder 2 is de minimale capaciteit van de hemelwaterberging 20 liter per m 2 verhard oppervlak, als al compenserende waterberging is gerealiseerd op grond van de keur van het waterschap. d. De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze tussen 1 en 3 dagen weer voor 90% beschikbaar is, tenzij het opgevangen hemelwater bestemd is voor hergebruik.
Het college kan daarbij een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de verplichting om een hemelwaterberging aan te brengen, voor zover het aanbrengen van de hemelwaterberging redelijkerwijs niet mogelijk is. Verordening afvoer hemel- en grondwater West Betuwe De gemeenteraad van de gemeente West Betuwe heeft de verordening afvoer hemel- en grondwater vastgesteld met het oog op het beperken van wateroverlast, het beperken van verdroging en het doelmatig beheer van afvalwater. In de verordening zijn verplichtingen opgenomen voor nieuwbouw ten aanzien van waterberging. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is gerelateerd aan de totale omvang van het verharde oppervlak op het perceel. Dat is de optelsom van alle bebouwing (het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken) plus alle terreinverharding. Als de totale omvang van het verhard oppervlak op het perceel niet meer is dan 500 m 2, moet de capaciteit van de hemelwaterberging 20 liter per m2 verhard oppervlak zijn. (oftewel 20 mm). Bij grotere projecten is de minimale capaciteit 43,6 liter per m 2 verhard oppervlak. Deze laatste eis is in lijn met het beleid van het waterschap. Voor nieuwbouw boven 500 m2 is op grond van de keur van het waterschap vaak al compenserende waterberging verplicht. Deze waterberging wordt vaak in de vorm van nieuw oppervlaktewater gerealiseerd.
Als dat zo is, geldt op grond van deze verordening nog steeds de verplichting om 20 liter per m2 verhard oppervlak op eigen terrein te bergen.
39
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen Verordening afvoer hemel- en grondwater West Betuwe (Hemelwaterverordening) 4.13.3 Toetsing Door de nieuwe ontwikkeling neemt het verhard oppervlak van daken en bestrating substantieel af. Desondanks worden de parkeerplaatsen voorzien van graskeien en worden er voldoende infiltratiekoffers aangebracht. In juli 2025 heeft ADCIM B.V. inzicht gegeven in de waterhuishoudkundige gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling, en na te gaan of de ontwikkeling waterneutraal plaatsvindt (zie Bijlage 5). Volgens de rekenregels van de gemeente dient er 25 m³ aan waterbergingsvoorzieningen gerealiseerd te worden. Hier wordt invulling aan gegeven middels het aanbrengen van een waterbergende wegfundatie (25,6 m³). In totaal wordt er 25,6 m³ aan waterberging gerealiseerd, waardoor geconcludeerd wordt dat er genoeg waterberging gerealiseerd wordt conform de regels van de gemeente. Waterstaatswerk Het plan is besproken met het waterschap. Het waterschap heeft aangegeven niet akkoord te zijn met bouwen in het waterstaatswerk. Het hoekpunt van de 1e woning van het bouwblok overschrijdt de grens met 1,60 meter. Door het zij-, achterwaarts en iets te draaien van het bouwblok komt het hoekpunt nu exact op de grens van het waterstaatswerk en wordt deze overschrijving opgeheven. Op 28 januari 2025 heeft het waterschap aangegeven akkoord te zijn.
4.13.4 Conclusie Het aspect water is geen belemmering voor de realisatie van het plan.
40
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
Hoofdstuk 5
Financieel-economische uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid Het voorliggende plan is opgesteld om op de locatie Willem de Zwijgerweg 12-14-16 in Geldermalsen woningbouw te realiseren. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, hoort de functie niet mogelijk gemaakt te worden. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een behoefte waar in de markt veel vraag naar is. In het gemeentelijk woonbeleid zet de gemeente zich in voor groepen waar de woningnood het hoogst is en blijft. De gemeente West Betuwe stuurt waar mogelijk op de nieuwbouw van een substantieel aantal betaalbare woningen. De voorgenomen ontwikkeling betreft een particulier voornemen waarvan de lasten door de initiatiefnemer zullen worden gedragen. Voorafgaand aan het opstellen van dit plan is een intentieovereenkomst gesloten tussen de gemeente West Betuwe en de initiatiefnemer. Er wordt ook nog een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Hierin worden afspraken gemaakt over de uitvoering, kosten en nadeelcompensatie. De financiële uitvoerbaarheid is daarmee verzekerd. Kostenverhaal Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten.
Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, co-financiering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit (Ob). Nadeelcompensatie In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie.
Voor de gemeente West Betuwe is dit uitgewerkt in de Verordening nadeelcompensatie West Betuwe 2024.
41
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
42
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
Hoofdstuk 6
Participatie
Het opstellen van een BOPA dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader is het van belang dat er vooroverleg met betrokken instanties, burgers en maatschappelijke organisaties plaatsvindt, zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. Participatie Vanaf begin maart 2024 heeft de initiatiefnemer de omwonenden op de hoogte gebracht van de plannen. De reacties op het plan waren positief. Op 7 augustus en 24 oktober zijn de omwonenden via whatsapp op de hoogte gebracht van de laatste ontwikkelingen. Hiervan is een participatieverslag gemaakt (zie Bijlage 6).
43
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
44
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
Hoofdstuk 7
Belangenafweging en conclusie
In het kader van de Omgevingswet wordt gestreefd naar een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn enkele algemene doelen geformuleerd in artikel 1.3 Omgevingswet. Hierin staat dat de bepalingen in de wet gericht zijn op het volgende: het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. In de voorliggende motivering is de realisatie van het plan aan de Willem de Zwijgerweg in Geldermalsen getoetst aan uiteenlopende aspecten en thema’s van de fysieke leefomgeving. Het voorliggend project is niet in strijd met het landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Landschappelijke en archeologische waarden worden niet aangetast. Het voorliggend project voldoet aan de wettelijke kaders van de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. De nieuwe functie zal de omliggende functies niet belemmeren en daarnaast vormen de omliggende functies geen belemmeringen voor de nieuwe ontwikkeling. Er is sprake van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Daarom kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In de toekomstige situatie zal sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en wordt voorzien in een maatschappelijke behoefte.
45
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
46
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
Bijlagen
47
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
48
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
Bijlage 1
Natuurwaardenonderzoek
49
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
50
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
Bijlage 2
Stikstofonderzoek
51
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
52
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek
53
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
54
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
Bijlage 4
Historisch bodemonderzoek
55
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
56
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
Bijlage 5
Water
57
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
58
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
Bijlage 6
Participatieverslag
59
Bopa Willem de Zwijgerweg 12-14-16, Geldermalsen
60