RV2025-044-bijlage-4-toelichting-landgoed-lingedijk.pdf
Tekst van het document
Locatie inspectie Aanvullend is een locatie-inspectie uitgevoerd met als doel na te gaan of in het plangebied sprake is van mogelijke in het verleden uitgevoerde slootdempingen met daar aanwezige bodemverontreiniging. Op één plek is sprake van een “vermeende slootdemping”, ter plaatse zijn twee aanvullende grondboringen uitgevoerd. De bodemopbouw in de boringen komt evenwel overeen met de bodemopbouw zoals aangetroffen tijdens het verkennend bodemonderzoek. Er zijn binnen de boringen geen afwijkingen waargenomen (zoals slib- en/of puinlagen) die duiden op een slootdemping. Verder zijn op de locatie ook geen aanwijzingen voor slootdempingen waargenomen, zoals verzakkingen of andere vegetatie. Er zijn in de aanwezige sloten ook geen andere dammen aanwezig. Op basis van de uitgevoerde locatie-inspectie wordt geconcludeerd dat op de locatie geen aanwijzingen zijn voor slootdempingen met daar aanwezige bodemverontreiniging. Verkennend waterbodemonderzoek NEN5720 Verder is een verkennend waterbodemonderzoek uitgevoerd in verband in verband met mogelijke (gedeeltelijke) demping van sloten. Bij het waterbodemonderzoek is in de sloten geen sliblaag aangetroffen, er stond circa 10 cm water in de sloot. De waterbodem bevindt zich op 1,0 meter-landbodem. Visueel zijn in de waterbodem (klei) geen afwijkingen en/of verontreinigingskenmerken waargenomen.
Het analytisch onderzoek, waarbij de waterbodem is onderzocht op het standaard analysepakket en op bestrijdingsmiddelen (OCB) en PFAS, heeft in waterbodem van de westelijke sloot een licht verhoog gehalte zink aangetoond. In de waterbodem van de oostelijke sloot zijn geen verhoogde gehaltes aangetoond. De kwaliteit van de waterbodem in beide sloten wordt gekwalificeerd als Altijd toepasbaar. De waterbodem in de sloten is verspreidbaar op de landbodem van het aangrenzende perceel. Geconcludeerd wordt dat
27
de kwaliteit van de waterbodem geen belemmering is voor het dempen van de sloten bij herontwikkeling. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.3
Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere gevoelige functies mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals woningen, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Toetsing Met voorliggend plan worden nieuwe geluidgevoelige functies in de vorm van woningen mogelijk gemaakt binnen de akoestische onderzoekszone van de Rijksstraatweg, Lingedijk, Korstverlorenkade en Kerkstraat. Om die reden is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai6 uitgevoerd (bijlage 6). In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn ook de 30 km/uur-wegen Koppelsedijk, Kerkstraat en Achter ’t Veer meegenomen. Uit het onderzoek volgt dat uitsluitend ter plaatse van de twee meest noordelijk gelegen bouwvlakken geldt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden ten gevolge van de Lingedijk. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Maatregelenonderzoek wijst uit dat bron- en overdrachtsmaatregelen niet doelmatig dan wel wenselijk/mogelijk zijn.
Om die reden zijn maatregelen bij de ontvanger nodig om te kunnen voldoen aan de binnenwaarde uit het Bouwbesluit 2012. Bij de aanvraag omgevingsvergunning dient door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek te worden aangetoond dat de binnenwaarde kan worden gewaarborgd. Gelet op de onderzoeksresultaten is het noodzakelijk om hogere grenswaarden te verlenen, hetgeen mogelijk is omdat voldaan kan worden aan de voorwaarden hiervoor uit het gemeentelijk geluidbeleid. Iedere woning beschikt immers over een geluidluwe gevel/tuin en zal over voldoende geluidisolatie beschikken zodat een aanvaardbaar binnenniveau wordt gerealiseerd. Parallel aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan wordt daarom ook een ontwerpbesluit hogere grenswaarde ter inzage gelegd (bijlage 7). Conclusie Met inachtneming van het hogere waardenbesluit vormt het aspect geluid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
6
SAB (2023). Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Landgoed Lingedijk, Buurmalsen. 220384. 22 november 2023. 28
4.4
Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.
Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft.
Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden.
29
Toetsing Voorliggend plan draagt met de realisatie van maximaal 6 woningen ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) is beoordeeld of er ter hoogte van het plan sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In de navolgende tabel zijn voor de jaren 2022 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven. Stoffen NO2 concentratie PM10 concentratie PM2,5 concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3
2022 10 – 15 µg/m3 18 – 20 µg/m3 8 – 10 µg/m3
2030 <10 µg/m3 <14 µg/m3 6 – 8 µg/m3
Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.5
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.
Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel.
30
Toetsing In voorliggende situatie is sprake van de realisatie van hindergevoelige functies in de vorm van woningen in een omgeving waarin diverse hinderveroorzakende functies zijn terug te vinden. Om die reden is een quick san bedrijven en milieuzonering 7 uitgevoerd (bijlage 8). Uit een inventarisatie van omliggende percelen met hinderveroorzakende functies (hinder vanuit de omgeving) volgt datde afstand tussen de betreffende percelen en de beoogde woningen, rekening houdend met de ligging van de dominante geluidbronnen, voldoende groot is om aan de richtafstanden te kunnen voldoen. Daarmee worden de ontwikkelingsmogelijkheden van de bedrijven niet geschaad door de ontwikkeling en kan een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen in het plangebied gewaarborgd worden. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.6
Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers.
Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de toevoeging van kwetsbare objecten in de vorm van woningen. Voor de toetsing van de externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd.
7
SAB (2023). Quick scan bedrijven en milieuzonering. Landgoed Lingedijk Buurmalsen. Kenmerk: 220384.01. 10 november 2023. 31
Uitsnede risicokaart (plangebied rood omkaderd) (bron: atlasleefomgeving.nl)
In de omgeving van het plangebied liggen verscheidene risicovolle bedrijven. Op de kaart zijn 3 LPG-tankstations te zien die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het plangebied valt echter ruim buiten de plaatsgebonden risicocontouren 10-6. Daarnaast liggen de tankstations op geruime afstand van het plangebied, waar door het plangebied niet binnen het invloedsgebied van de tankstations. Ditzelfde geldt voor de opslag met propaan op ruim 1,5 kilometer van het plangebied. De inrichtingen vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Daarnaast bevinden zich in de omgeving ammoniakkoelinstallatie en een opslag van verpakte gevaarlijk stoffen. Deze risicovolle inrichtingen vallen niet onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. De plaatsgebonden risicocontouren 10 -6 van de bedrijven bevindt zich op eigen terrein. De afstand is voldoende groot dat het plangebied geen negatieve effecten zal ondervinden.
32
Het plangebied is niet in het invloedsgebied gelegen van buisleidingen. Er hoeft geen toetsing aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen plaats te vinden. Het spoortracé Utrecht – Den Bosch ligt 500 meter ten westen van het plangebied. Daarnaast ligt spoortracé de Betuweroute circa 3 kilometer ten zuiden van het plangebied. Het plangebied valt echter ruim buiten de plaatsgebonden risicocontouren 10 -6. Daarnaast valt het plangebied tevens niet binnen de meest relevante zone voor het groepsrisico, de 200-meter zone. De spoorwegen hebben echter wel een invloedsgebied van 4.000 meter, waardoor wel een beperkte verantwoording van het groepsrisico moet worden uitgevoerd. De onderstaande tekst voorziet hierin. Beperkte verantwoording groepsrisico Ten aanzien van het groepsrisico van de genoemde risicobronnen dient te worden ingegaan op de elementen van de verantwoording uit artikel 7 van het Bevt. Het heeft hier dan betrekking op zelfredzaamheid en beheersbaarheid/bestrijdbaarheid: a de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en b voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet.
Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 18 oktober 2023 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "zeer kwetsbaar gebouw", bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Beheersbaarheid / bestrijdbaarheid Allereerst is het voor de bestrijdbaarheid van een ramp of zwaar ongeval van belang om de aanrijdtijden van de brandweer voor het plangebied te inventariseren. Vanuit de brandweerkazerne Geldermalsen is de locatie binnen 5 minuten te bereiken en vanuit de brandweerkazerne Buren binnen 8 minuten. Geconcludeerd wordt dat het plangebied en diens directe omgeving goed bereikbaar is voor de brandweer. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid bij het toxische scenario worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen.
33
Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen en/of er een explosie plaatsvindt, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde toxische incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Immers, schuilen binnen de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit te overleven. Schuilen binnen de locatie is mogelijk binnen de nieuwbouw, zeker gezien het feit dat de bebouwing als gevolg van de hedendaagse energieprestatie-eisen goed geïsoleerd is en derhalve voldoet aan de nodige veiligheidseisen. Ook vluchtwegen van de bron af, in dit geval richting oosten via de Lingedijk en noorden en zuiden via de N833 en de Rijksstraatweg, behoren tot de mogelijkheden om de zelfredzaamheid te vergroten. Conclusie Het aspect externe veiligheid is hier alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en het spoor Utrecht-Den Bosch. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes.
Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.7
Water Algemeen In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Dit is vastgelegd in het procesinstrument ‘de Watertoets’. Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit;
34
− realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂ arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1 Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen. 2 Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3 Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit.
In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1 Klimaatadaptatie; 2 Waterveiligheid; 3 Zoetwater; 4 Grondwater; 5 Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen.
In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).
35
Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021 – 2027 Provincie Gelderland is op 26 februari 2019 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland. Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma’s: 1 Waterveiligheid: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. 2 Waterkwaliteit: Dit programma draait om het tegengaan van verontreinigingen en kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. De drinkwatervoorzieningen worden ook beschermd. 3 Klimaatadaptatie: de verspilling moet worden aangepakt. De provincie wil een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland.
In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid – Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rivierenland Op 26 november 2021 is het waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Rivierenland vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende zeven programma’s: − Beschermen tegen overstromingen : Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen (onder andere de versterking van de dijken) vanuit het primaire en het regionale watersysteem. − Water eerlijk verdelen: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar.
Daarbij let het waterschap op het tegengaan van de bodemdaling, het bevorderen van biodiversiteit en een gezond (grond)water; − Voorbereiden op extreem weer: Dit thema focust zich op de beperking van steeds extremer weer, bijvoorbeeld door hittestress oppakken. Het waterschap wil verder vroegtijdig meedoen aan projecten en goed samenwerken met partners; − Werken aan schoon water: In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol, alsmede de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch);
36
− Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur: het bevorderen van biodiversiteit, het borgen van de waterkwaliteit voor drinkwater of het faciliteren van recreatief medegebruik zijn thema’s die aan bod komen; − Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit: de verduurzaming van de processen en het inspelen op de klimaatadaptativiteit vormen grote uitdagingen voor de komende jaren; − Toewerken naar circulariteit: het waterschap wil onder ander zuinig zijn op de grondstoffen d en het hergebruik stimuleren. Een inzicht in de financiën wordt ook weergegeven. Bijna elk programma is onderverdeeld op dezelfde manier: ambitie op lange termijn, doelen, strategie en maatregelen planperiode. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Gemeentelijk beleid – Verordening afvoer hemel- en grondwater West Betuwe Op 19 mei 2021 heeft de gemeenteraad van West Betuwe de verordening ‘Afvoer hemel- en grondwater West Betuwe’ vastgesteld. In de verordening staan de regels voor het bergen van hemelwater op eigen terrein. De belangrijkste afspraken worden hieronder benoemd: 1 De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is 20 liter per m2 verhard oppervlak op het perceel als de totale omvang van het verhard oppervlak niet meer is dan 500 m2.
2 De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is 43,6 liter per m 2 verhard oppervlak op het perceel als de totale omvang van het verhard oppervlak 500 m 2 of meer is. Als uitzondering op punt 2, is de minimale capaciteit van de hemelwaterberging 20 liter per m2 verharding, als al compenserende waterberging is gerealiseerd op grond van de keur van het waterschap. Overige belangrijke regels: − Bij aan- en verbouw moet de totale verharding op het perceel worden gecompenseerd. Hierbij moet ook de bestaande bebouwing en erfverharding worden meegenomen in de berekening. − De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze tussen 1 en 3 dagen weer voor 90% beschikbaar is. Uitzondering hierop is een hemelwaterberging bestemd voor hergebruik. Een waterberging heeft alleen het gewenste effect als deze het opgevangen hemelwater enige tijd vasthoudt. Maar niet te lang, want de waterberging moet wel weer beschikbaar zijn als de volgende bui zich aandient. De geleidelijke leging van de waterberging kan bijvoorbeeld met een infiltratievoorziening. − De voorkeur van West Betuwe voor hemelwater is dat het hergebruikt wordt. Bijvoorbeeld voor het doorspoelen van het toilet of als water voor planten. − Er zitten geen eisen aan de vorm van waterberging.
Dit kan dus bijvoorbeeld in een krattensysteem, maar ook in een zandpakket, groen dak, verlaging in de tuin, vijver/wadi, of een andere (creatieve) oplossing. Uiteraard ook combinaties hiervan. Belangrijk is wel na te denken over de praktijk. Kan het water wel in de voorziening komen?
37
− Het hemelwater dat niet in de bergingsvoorziening past, kan worden geloosd in een watergang of het openbare (hemelwater) riool (of andere hemelwatervoorziening in de openbare ruimte). Voor (gedeeltelijke) lozing op oppervlaktewater waar dit kan, moet contact worden opgenomen met de waterbeheerder (in de regel het waterschap, die daarover regels heeft opgenomen in de keur of waterschapsverordening). − Als waterberging op eigen terrein écht niet kan? Dan is dit een uitzonderingssituatie, waarin contact kan worden opgenomen met de gemeente. − De regels gelden o.a. voor nieuwbouw. Een nieuw gebouw is ieder gebouw dat na het ingaan van de verordening wordt opgericht. De verplichting om waterberging aan te leggen bij nieuwbouw geldt dus ook voor gebouwen waarvoor al voor het ingaan van deze verordening een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend, maar waarbij nog niet is gestart met de daadwerkelijke bouw, of waarvan de bouw nog niet is afgerond. De verplichting geldt ook voor alle verbouwingen en aanbouwen. Toetsing Uit de digitale watertoets8 (bijlage 9) blijkt dat het plan onder de normale procedure valt. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierland. Hierna wordt ingegaan op diverse waterhuishoudkundige aspecten.
Waterveiligheid Raadpleging van de legger van het Waterschap Rivierenland wijst uit dat een deel van het plangebied is gelegen in de beschermingszone van een waterkering. Er worden echter geen ingrepen beoogd binnen de beschermingszone van de waterkering. Daarnaast wordt voor de dijk en haar beschermingszone de huidige dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ in voorliggend plan overgenomen. Op die manier zijn de belangen van de waterkering juridisch-planologisch beschermd.
Legger waterkeringen Waterschap Rivierenland (bron: Waterschap Rivierenland).
8
Digitale watertoets (2023). Vergunningencheck Digitale Watertoets Lingeweg, Buurmalsen. Projectnummer 220384. 29 juni 2023. 38
Oppervlaktewater Raadpleging van de legger van het Waterschap Rivierenland wijst uit dat onderhavig plangebied is gelegen in de beschermingszone van A-watergang de Linge. Daarom zal het boezemgebied op het winterbed de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterberging’ krijgen, zoals ook is opgenomen binnen het huidige bestemmingsplan.
Legger wateren Waterschap Rivierenland (bron: Waterschap Rivierenland).
Het principe van bodem en watersturend ontwikkelen is in voorliggend plan toegepast door de ontwikkeling onder meer vorm te geven op basis van de geomorfologische kenmerken van de locatie. Dat betekent dat de woningen worden gerealiseerd op een oude stroomrug, die hoger ligt dan het omliggende landschap. Op die manier wordt het natuurlijk microreliëf het plangebied benut en kunnen de woonpercelen zonder grote ingrepen op de locatie gerealiseerd worden. Het bestaande maaiveld wordt binnen de ontwikkeling dan ook gerespecteerd. Er wordt geen grond opgebracht voor de realisatie van de woningen anders dan nodig is om op de locatie te kunnen bouwen. Grond die elders uit het plangebied komt door afgravingen worden verspreid over het plangebied, maar wordt bijvoorbeeld ook benut om de ontsluitingsweg te realiseren. De woonpercelen krijgen minimaal een bouwpeilniveau van +3,20 meter NAP-hoogte en maximaal +3,50 meter NAP-hoogte. Op deze manier wordt voorkomen dat de woningen bij hoog water overstromen en wordt hoogwatervrij ontwikkeld. Het exacte peilniveau wordt bij de verdere uitwerking van de plannen bepaald.
Doorsnede beoogde situatie plangebied (bron: Space Value).
39
Raadpleging van de legger van het Waterschap Rivierenland wijst verder uit dat in het plangebied zelf drie sloten zijn gelegen welke binnen de ontwikkeling ingepast worden. Het plangebied is op dit moment volledig onverhard. De beoogde ontwikkeling voorziet in een toename van de verharding. Bij de inrichting van het gebied zullen voorzieningen gerealiseerd worden om het regenwater ter plaatse te infiltreren of bergen, conform de gemeentelijke systematiek. Hiervoor is voldoende ruimte. Dit wordt gedaan door middel van een watercompensatie plas in het plangebied met een oppervlakte van ongeveer 2000 m2 en welke in verbinding staat met de Linge. De onderstaande tabel geeft de waterbalans van het plangebied weer.
Waterbalans toekomstige situatie (bron: Space Value)
Grondwater Raadpleging van de provinciale viewer wijst uit dat onderhavig plangebied is gelegen in een minder kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied. In paragraaf 3.2.1 is reeds aangegeven dat rekening is gehouden met het reserveringsgebied, wat inhoud dat de beschermende werking van de bodemlaag niet wordt aangetast en waarbij geen warmte aan de bodem of het grondwater onttrokken wordt. Hierdoor wordt aangenomen dat voldoende rekening is gehouden met de ligging van het plangebied in een minder kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
40
4.8
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing In een quick scan natuur9 (bijlage 10) is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de beoogde ontwikkeling, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Uit de quick scan blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken op 6,1 kilometer afstand van het plangebied ligt. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Rijntakken is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten.
Daarom is een onderzoek stikstofdepositie10 uitgevoerd (bijlage 11) waarin de mogelijke effecten van de woningbouwontwikkeling op stikstofdepositie in Natura 2000 gebieden zijn onderzocht. Omdat er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar zijn berekend, blijkt dat negatieve effecten door stikstofdepositie op deze gebieden als gevolg van stikstofemissie van dit plan zijn uit te sluiten. Andere verstoringen als gevolg van de ontwikkeling, zoals verstoring van instandhoudingsdoelstellingen door geluid, zijn gezien de tussenliggende afstand uit te sluiten. Omdat negatieve effecten zijn uit te sluiten is een nadere beoordeling, in de vorm van een passende beoordeling, niet nodig. Uit de quick scan blijkt dat het plangebied voor een heel klein gedeelte in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) ligt. Voor het Natuurnetwerk Nederland (ook het GNN) geldt een ‘nee, tenzij-beschermingsregime’. Het gedeelte van het plangebied dat binnen het GNN ligt, is een kleine bekken van de Linge. In het beoogde ontwerp is hier ruimte gereserveerd voor extra waterbergingsmogelijkheden met bijbehorende natuur, waarbij in algemene zin geldt dat binnen het ontwerp aandacht is voor de aanwezige kernkwaliteiten.
Omdat de ingrepen ter plaatse van het GNN beperkt te noemen zijn en in lijn met de kernkwaliteiten wordt gesteld dat het GNN geen belemmering vormt voor de ontwikkeling, zeker omdat juist sprake is van een versterking van de kernkwaliteiten en natuurwaarden ter plaatse zoals ook blijkt uit de uitgevoerde GO-toets (zie navolgend).
9
SAB (2023). Quick scan natuur. Buurmalsen, Landgoed aan de Linge. Projectnummer: 220384. 17 augustus 2023.
10
SAB (2023). Onderzoek stikstofdepositie. Buurmalsen, Landgoed Lingedijk. Projectnummer: 220384. 10 november 2023. 41
Daarnaast bevindt het plangebied zich in de Groene ontwikkelingszone. De ontwikkeling is in principe toegestaan, mits deze zich aan bepaalde voorwaarden voldoet. Hiervoor is een ‘ja, mits-onderzoek’ uitgevoerd, zoals benoemd in paragraaf 3.2.2, welke is toegevoegd aan de bijlagen. Uit dit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en dat de samenhang niet verloren gaat. Dit blijkt uit de toetsing aan de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen aangegeven in deelgebied 56 van de Groene ontwikkelingszone en uit het versterkingsplan. De ontwikkeling past dan ook binnen de regels van de Groene ontwikkelingszone en zorgt per saldo voor een versterking van de kernkwaliteiten ter plaatse. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg.
Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Mogelijk is ook essentieel leefgebied van de steenuil aanwezig en nestplaatsen van de grote gele kwikstaart. Nestplaatsen van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Om hierover duidelijkheid te krijgen dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Verder zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen en leefgebied van de waterspitsmuis, bunzing, hermelijn en wezel aanwezig. Tenslotte fungeert de Linge mogelijk als vliegroute voor vleermuizen. Daarom mag er tijdens de werkzaamheden geen kunstmatige verlichting op de Linge gericht worden. Felle (bouw)verlichting richting dit gebied anders kan een verstorend effect hebben op de vleermuizen. Andere essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg.
Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van de hiervoor genoemde soorten is conform de geldende onderzoeksprotocollen nader soortgericht natuuronderzoek11 uitgevoerd (bijlage 12). Uit het onderzoek volgt dat de grote gele kwikstaart, kleine marters (bunzing, hermelijn en wezel) en waterspitsmuis niet zijn vastgesteld in het plangebied. Er zijn dan ook geen essentiële elementen van deze soorten in het plangebied aanwezig. De steenuil en vleermuis (ruige dwergvleermuis, gewone
11
SAB (2023). Nader onderzoek Wet natuurbescherming. Buurmalsen, Landgoed aan de Linge. Projectnummer: 220384.01. 30 november 2023. 42
grootoorvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis) zijn in (de directe omgeving van) het plangebied aanwezig, maar voor beide soorten geldt dat er met de geplande ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect te verwachten is. Omdat geen negatief effect te verwachten is, kan gesteld worden dat geen sprake van een overtreding van verbodsbepalingen zal zijn met de geplande ruimtelijke ontwikkeling. Gelet op deze conclusies is een ontheffing Wet natuurbescherming niet aan de orde. Houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.9
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan wijst uit dat het plangebied geen archeologische dubbelbestemming heeft. Uit de toelichting van het bestemmingsplan volgt dat gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde geen dubbelbestemming hebben gekregen en dat er geen archeologisch onderzoek bij ruimtelijke ontwikkelingen noodzakelijk is. In 2021 heeft de gemeente West Betuwe geharmoniseerd erfgoedbeleid laten opstellen waaronder geactualiseerd archeologiebeleid. Dit nieuwe kader fungeert op dit moment als onderlegger voor ruimtelijke plannen. De beleidskaart laat zien dat in het plangebied aan het einde van de 18de eeuw aan de oever van de Linge een grote boerderij heeft gestaan.
Mogelijk dat bewoning hier verder teruggaat dan enkele honderden jaren. Mede hierdoor is het wenselijk om een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende grondboringen. De resultaten van dit vervolgonderzoek komen voor de raadsbehandeling van het bestemmingsplan beschikbaar. Om eventuele archeologische waarden in het plangebied te beschermen is vooralsnog een archeologische dubbelbestemming opgenomen in het plangebied.
43
Boerderij de Coppel (groen-paarse vlakken) ligt centraal in het plangebied. Enkele losse vondsten zijn gedaan op het perceel (witte cirkels). Het plangebied kent een hoge dichtheid aan archeologische resten (oranje) en de restgeul van de Linge (groen) schampt de randen van het gebied. Een onbekende verstoring (groene arcering) kenmerkt het centrale deel van het plangebied (bron: archeologische verwachtingskaart West Betuwe 2021).
Conclusie Mogelijk zijn in het plangebied archeologische waarden aanwezig. Om die reden wordt archeologisch onderzoek uitgevoerd. Om eventuele archeologische waarden in het plangebied te beschermen is vooralsnog een archeologische dubbelbestemming opgenomen in het plangebied. Met deze dubbelbestemming zijn eventuele archeologische waarden in voldoende mate juridisch-planologisch beschermd en staat het aspect archeologie de uitvoerbaarheid van dit plan niet in de weg.
4.10
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing Voor dit aspect zijn de provinciale en gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaarten geraadpleegd. In het plangebied bevinden zich geen monumentale en/of cultuurhistorische waarden. Ten oosten van het plangebied bevindt zich rijksmonument woontoren Molenhof en aan de overzijde van de Linge ligt het rijksmonument Suitbertuskerk. In voorliggend plan is met de positionering van de woningen rekening gehouden met de zichtlijnen vanaf deze monumenten richting het plangebied om zo de cultuurhistorische waarde te waarborgen. Tevens wordt met de woningbouwontwikkeling aansluiting gezocht met de bestaande structuren, aard en schaal van de omgeving. Zo worden de woningen binnen het plangebied gesitueerd in een erf en sluiten de woningen qua uiterlijk aan bij de schuren die vroeger veel in de omgeving aanwezig waren. Daarnaast wordt het natuurgebied zo veel mogelijk ingericht zoals de natuur in het verleden in het plangebied aanwezig was. In paragraaf 2.2 is hier uitgebreid aandacht 44
aan besteed. Daarmee wordt gesteld dat de ontwikkeling niet zorgt voor eventuele aantasting van aanwezige cultuurhistorische waarden. Binnen het plan worden deze juist versterkt. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.11
Verkeer en parkeren Verkeer Voor voorliggende ontwikkeling is een quick scan verkeer 12 uitgevoerd (bijlage 13), waaruit volgt dat de ontwikkeling circa 60 mvt/etmaal genereert, waarvan 5 motorvoertuigen in de drukste spitsuren. De huidige verkeersintensiteit op de Lingedijk is niet geheel passend binnen de huidige vormgeving. Maatgevend hierin is het type fietsvoorziening. Uit de geregistreerde ongevallen blijkt dat er op wegvakniveau in de periode 2018 – september 2023 geen ongevallen geregistreerd zijn. De verkeersgeneratie zorgt voor een relatieve zeer beperkte toename op wegvakniveau, die in de praktijk niet waarneembaar is. De verkeersgeneratie gaat vrijwel direct op in het heersende verkeersbeeld op de Lingedijk. Van een verkeerskundig knelpunt is in de toekomstige situatie geen sprake. Parkeren De gemeente West Betuwe heeft in het Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019 vastgelegd geen eigen parkeernormen te hanteren bij nieuwbouwontwikkelingen. Ze sluiten aan bij de parkeernormen vanuit het CROW. In het stedenbouwkundig plan wordt voorzien in 6 woningen, welke vallen onder de categorie koop, vrijstaand huis. De gemeente hanteert daarbij de maximale parkeernormen van het CROW. Er dient dan uitgegaan te worden van een parkeernorm van respectievelijk 2,8 parkeerplaatsen per woning. Dit resulteert in een totale parkeerbehoefte van 16,8 parkeerplaatsen.
In het stedenbouwkundig plan wordt voorzien in 17 parkeerplaatsen. Per woning worden 2 parkeerplaatsen bij huis gerealiseerd. Daarnaast wordt een parkeerplaats met 7 parkeerplekken gerealiseerd bij de beheerderswoning. De parkeerplaatsen en de woningen worden omgeven door bos en struweel zodat deze zo veel mogelijk uit het zicht blijven. Op die manier kan worden voorzien in de benodigde parkeervraag. In de regels van dit bestemmingsplan wordt de parkeernorm juridisch-planologisch vastgelegd. Dit betekent dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen getoetst zal worden of het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Daarmee wordt gesteld dat het aspect ‘parkeren’ voldoende in dit plan is gewaarborgd. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
12
Goudappel (2023). Quickscan verkeer Buurmalsen. Kenmerk 016129.20231017.N1.02. 26 oktober 2023. 45
5
Wijze van bestemmen
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
46
2
5.1.3
Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en overige regels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Bestemmingsplan
5.2.1
Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het
47
bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.2
Bijzonderheden in dit bestemmingsplan Voor onderhavig plan is bij de regeling aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2022’ van de gemeente West Betuwe. Het plan bevat de enkelbestemmingen ‘Natuur’, ‘Tuin’ en ‘Wonen’ en de dubbelbestemmingen ‘Leiding - Riool', ‘Waarde - Archeologie 3’, ‘Waterstaat - Waterberging’ en ‘Waterstaat - Waterkering’. Natuur Het beoogde natuurgebied is voorzien van de bestemming ‘Natuur’. Deze gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschappelijke alsmede cultuurhistorische waarden van het natuur- en bosgebied en de instandhouding en ontwikkeling van voorkomende dan wel aan de gronden eigen natte landschaps- en natuurwaarden. Daarnaast kunnen de gronden gebruikt worden voor extensieve dagrecreatie met de daarbij behorende toegangswegen, -paden, onverharde paden en overig verblijfsgebied, parkeervoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Als laatste is wonen toegestaan, uitsluitend op de verdieping en ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’, met dien verstande dat maximaal één woning is toegestaan. Het bouwen van gebouwen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ en het maximum oppervlak van gebouwen mag niet meer bedragen dan 200 m 2. De goothoogte is maximaal 3 meter en de bouwhoogte maximaal 8 meter.
Verder zijn voor verschillende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bouwhoogtes opgenomen. Tuin De gronden die bestemd zijn als ‘Tuin’ zijn bedoeld voor tuin met de daarbij behorende toegangswegen, -paden, onverharde paden en overig verblijfsgebied, parkeervoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Binnen deze bestemming is het bouwen van gebouwen niet toegestaan. Wonen De gronden die bestemd zijn als ‘Wonen’ zijn bedoeld voor het wonen in woningen met de daarbij behorende voorzieningen. Er zijn maximaal 5 woningen mogelijk. Woningen moeten in het bouwvlak worden gebouwd en voldoen aan de maximum gooten bouwhoogte, zoals opgenomen in de regels. De inhoud van een woning mag niet meer bedragen dan 800 m3. Daarnaast zijn er regels voor bijbehorende bouwwerken, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde opgenomen. In de specifieke gebruiksregels is vastgelegd dat een bijbehorend bouwwerk niet mag worden gebruikt als zelfstandige woonruimte of gastenverblijf. Leiding - Riool In het zuiden van het plangebied bevindt zich een rioolleiding met de dubbelbestemming ‘Leiding - Riool’. Deze gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor een rioolwatertransportleiding. Op deze gronden mogen ten behoeve van de andere genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 2,5 meter.
48
Waarde - Archeologie 3 Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming van archeologische waarden. Binnen deze bestemming mag alleen onder voorwaarden bouwwerken worden gebouwd. Waterstaat - Waterkering Het gedeelte van het plangebied gelegen aan de Lingedijk kent de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd het in stand houden, het beheer, het onderhoud en de verbetering van de waterkering en bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals kunstwerken, dijksloten en andere waterstaatswerken. Op deze gronden mogen ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en), uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 3 meter. Ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag niet worden gebouwd. Waterstaat - Waterberging Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de waterhuishouding en de waterberging. Op deze gronden mogen ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en), uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 3 m.
Daarnaast mag, met inachtneming van de voor de betrokken bestemmingen geldende regels, uitsluitend worden gebouwd indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bouwwerken, waarbij de waterbergingscapaciteit gelijk blijft. Hiervan mag worden afgeweken mits de waterbergingscapaciteit niet onevenredig wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende waterbeheerder.
49
6 6.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld wordt van een toelichting waarin inzicht wordt gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk gemaakt worden door het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, anders is sprake van een oneigenlijke bestemming. Hierna wordt inzicht gegeven in de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Het voorliggende plan wordt volledig gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer zullen tijdig een anterieure overeenkomst afsluiten waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.
6.2
Maatschappelijk uitvoerbaarheid
6.2.1
Participatie Goed contact met de buurt was erg belangrijk in het proces van de initiatiefnemer. Daarom is er op basis van ontwerpschetsen door de initiatiefnemers een informatieavond gehouden met de omwonenden die direct grenzen aan de beoogde percelen en is gevraagd om hun visie te geven over de aanleg van het landgoed. Aanvullend zijn er gesprekken geweest met enkel omwonenden. Zij hebben veel feedback gegeven, zowel punten die kunnen worden bestendigd als punten die de omwonenden anders willen zien. De oriëntatie van de woningen en ook de wijze van het ontsluiten van het gebied zijn onder meer als gevolg van de participatie gewijzigd in het ontwerp.
6.2.2
Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld.