CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2025-010-bijlage-1-ruimtelijk-onderbouwing.pdf

Gemeenteraad 28 januari 2025, gemeente West BetuweBij agendapunt: 16: Adviesrecht omgevingswet Energie Opslag Systeem Deil12.972 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3 Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen.

27

De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1 Klimaatadaptatie; 2 Waterveiligheid; 3 Zoetwater; 4 Grondwater; 5 Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021 – 2027 Provincie Gelderland is op 26 februari 2019 vastgesteld.

In het Provinciaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland. Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma’s: 1 Waterveiligheid: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. 2 Waterkwaliteit: Dit programma draait om het tegengaan van verontreinigingen en kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. De drinkwatervoorzieningen worden ook beschermd. 3 Klimaatadaptatie: de verspilling moet worden aangepakt. De provincie wil een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen.

Voor bestemmingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen.

28

Waterschapsbeleid – Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rivierenland Op 26 november 2021 is het waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Rivierenland vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende zeven programma’s: − Beschermen tegen overstromingen : Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen (onder andere de versterking van de dijken) vanuit het primaire en het regionale watersysteem. − Water eerlijk verdelen: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op het tegengaan van de bodemdaling, het bevorderen van biodiversiteit en een gezond (grond)water; − Voorbereiden op extreem weer: Dit thema focust zich op de beperking van steeds extremer weer, bijvoorbeeld door hittestress oppakken.

Het waterschap wil verder vroegtijdig meedoen aan projecten en goed samenwerken met partners; − Werken aan schoon water: In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol, alsmede de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch); − Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur: het bevorderen van biodiversiteit, het borgen van de waterkwaliteit voor drinkwater of het faciliteren van recreatief medegebruik zijn thema’s die aan bod komen; − Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit: de verduurzaming van de processen en het inspelen op de klimaatadaptativiteit vormen grote uitdagingen voor de komende jaren; − Toewerken naar circulariteit: het waterschap wil onder ander zuinig zijn op de grondstoffen d en het hergebruik stimuleren. Een inzicht in de financiën wordt ook weergegeven. Bijna elk programma is onderverdeeld op dezelfde manier: ambitie op lange termijn, doelen, strategie en maatregelen planperiode. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Toetsing In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

Dit is vastgelegd in het procesinstrument de Watertoets. Voor onderhavige ontwikkeling is de digitale watertoets 7 doorlopen. Hieruit volgt dat het beoogde project geen specifieke belangen van het waterschap raakt. Waterveiligheid In of in de directe nabijheid van het besluitgebied zijn geen primaire of regionale waterkeringen aanwezig. Het besluitgebied ligt in een gebied dat aangemerkt kan worden als een kwetsbaar gebied voor overstromingen. Er is een middelgrote kans op

7

Digitale Watertoets (2023). Vergunningencheck Digitale Watertoets De Euwerden, Deil. Projectnummer 230187, 24 juli 2023. 29

overstromingen (1 keer per mensenleven). Indien de installatie als gevolg van een overstroming van het gebied komt te staan, zal de installatie veilig worden uitgeschakeld. Watergangen Raadpleging van de legger van het Waterschap Rivierenland wijst uit dat binnen het besluitgebied geen primaire of secundaire watergangen zijn gelegen. Wel ligt parallel aan het besluitgebied een tertiaire watergang. Daarnaast bevindt zich ten noorden van het plangebied een primaire waterging en ten zuiden van het besluitgebied een secundaire watergang. Het besluitgebied bevindt zich echter niet binnen de beschermingszone van deze watergangen.

Uitsnede legger watergangen Waterschap Rivierenland (bron: Waterschap Rivierenland)

Waterberging Het besluitgebied is in de huidige situatie niet verhard. In de toekomstige situatie komen in het besluitgebied verscheidene losstaande gebouwen die de accu’s en de transformatoren zullen bevatten, zoals is te zien op de plattegrond in Bijlage 1. De gebouwen zijn van beperkte omvang. Door het gebruik van halfverharding kan het water, ook het water dat op de gebouwen valt, infiltreren in de bodem. Er worden daarom geen problemen voorzien ten aanzien van de afwatering en waterberging binnen het besluitgebied. Grondwaterbescherming Binnen de inrichting zal geen water worden gebruikt en er zal uitsluitend sprake zijn van vrijkomend hemelwater van de halfverharding en de daken van de op te richten bouwwerken. Het vrijkomende hemelwater betreft hierdoor hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening, zoals bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer en wordt geïnfiltreerd in de bodem. Er vindt geen lozing op openbare riolering of oppervlaktewater plaats. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend project.

30

4.8

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een QuickScan Flora en fauna 8 uitgevoerd. Middels deze QuickScan zijn aanwezige beschermde natuurwaarden in beeld gebracht en de mogelijke effecten op de ontwikkeling. Gebiedsbescherming Een doelstelling van de Wet natuurbescherming (Wnb) is het beschermen en behouden van beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Het besluitgebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. In de directe omgeving van EOS-park Deil zijn de navolgende Natura 2000-gebieden gesitueerd: Naam Rijntakken Lingegebied & Diefdijk zuid Loevestein, Pompveld & Kornsche boezem

Afstand ca. 3,3 km ca. 7 km ca. 11 km

Aangewezen volgens Vogel- en Habitatrichtlijn Habitatrichtlijn Habitatrichtlijn

Overzicht nabij gelegen Natura 2000-gebieden

Daarnaast valt het besluitgebied niet binnen het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De dichtstbijzijnde grond met de status Gelders Natuurnetwerk (GNN) liggen op ca. 900 meter afstand het besluitgebied. De provincie Gelderland kent voor NNN geen externe werking. Door de tussenliggende barrière (A2), lichte, kortstondige aard van de werkzaamheden worden directe effecten op voorhand uitgesloten en de relatief grote afstand van de inrichting tot de meest nabij gelegen gebieden kunnen negatieve effecten als gevolg van bijvoorbeeld geluid, trillingen, lichthinder of verstoring door mensen dan wel mechanische effecten op voorhand worden uitgesloten. De kap van bomen is geen onderdeel van de werkzaamheden, waardoor toetsing aan het onderdeel Houtopstanden van de Wet natuurbescherming niet van toepassing is. Aangezien geen ingrepen plaatsvinden in een Natura 2000-gebied zal het in werking zijn van de inrichting eveneens niet kunnen leiden tot oppervlakteverlies/versnippering, of verbreiding van soorten. Er vinden geen activiteiten plaats welke verzoeting/verzilting, verdroging of verontreiniging van Natura 2000-gebieden tot gevolg zouden kunnen hebben. Het plangebied ligt niet in weidevogelgebied. Toetsing aan

8

De Vos Ecologie. Notitie Quickscan De Euwerden te Deil. 23-007/n02, 10 oktober 2023. 31

gebiedenbescherming is niet nodig. De natuurwetgeving en Verordening Ruimte worden niet overtreden door directe effecten. De in Nederland aanwezige Natura 2000-gebieden zijn vaak gevoelig voor verzuring/vermesting vanwege stikstofdeposities. Zelfs wanneer een inrichting op grote afstand van een Natura 2000-gebied ligt, kunnen effecten op voorhand niet worden uitgesloten. De mogelijke stikstofeffecten worden behandeld in de navolgende paragraaf 4.9. Soortenbescherming Het plangebied bestaat uit een weiland met nagenoeg alleen productiegras en een akker met mais. Aan de westkant ligt een sloot. Naast de sloot aan de westkant is een strook met opgaande begroeiing van jonge bomen en struiken en daarnaast een bosschage bestaande uit hoge populieren. Voor strikt beschermde vissen, grondgebonden zoogdieren en ongewervelden is in het plangebied zelf geen geschikt habitat aanwezig door: − afwezigheid van (robuuste) bomen; − (vervallen) bebouwing; − permanent open water (met redelijke/goede waterkwaliteit en goed ontwikkelde onderwatervegetatie); − dekking; − rommelhoekjes; − pioniersituatie, − specifieke waardplanten; − aanwezigheid van menselijke activiteiten op regelmatige basis (landbouw). Er zijn geen waarnemingen van reptielen in de directe omgeving bekend (NDFF). Tijdens het veldbezoek is geen beschermde flora aangetroffen.

De incidentele aanwezigheid van een doortrekkende beschermde soort kan niet worden uitgesloten, maar voor deze soortgroepen heeft het plangebied geen functie. Ze worden daarom verder niet behandeld. Het plangebied is voor de volgende soortgroepen door de aanwezigheid van vegetatie wel relevant: vogels en vleermuizen. Vanwege de populaties heikikkers en poelkikkers in de omgeving worden amfibieën ook behandeld. Vogels met jaarrond beschermde nestplaats (cat. 1-5) Raadpleging van de NDFF leverde waarnemingen van enkele vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestplaats in de omgeving op zoals de buizerd en havik. Geschikte bebouwing en opgaande vegetatie met voldoende dekking/massa/hoogte zijn afwezig in het plangebied en binnen de invloedsfeer van de geplande werkzaamheden. Het gebied heeft voor soorten als de buizerd hooguit een functie als onderdeel van een groter leefgebied. Een negatief effect op deze soortgroep wordt op voorhand uitgesloten. Een overtreding van de natuurwetgeving is daarom niet aan de orde. Indien echter heiwerkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd, kan een negatief effect op voorhand niet worden uitgesloten. Hierbij is dan sprake van het opzettelijk verstoren of aantasten van nesten waarbij het broedsel mislukt (wezenlijke verstoring of aantasting). Dit is een overtreding van artikel 3.1 van de Wnb.

32

Algemene broedvogels Het plangebied heeft voor soorten als de kievit en graspieper mogelijk de functie van broedgebied en/of foerageergebied. Tijdens de werkzaamheden zijn in het weiland mogelijk bewoonde vogelnesten aanwezig indien de werkzaamheden plaatsvinden tussen 1 maart en 1 september. Het opzettelijk verstoren of aantasten van nesten waarbij het broedsel mislukt (wezenlijke verstoring of aantasting), is een overtreding van artikel 3.1 van de Wnb. Vleermuizen In de omgeving zijn verschillende soorten waargenomen (NDFF), zoals de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen van) vleermuizen waargenomen. Verblijfplaatsen De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen kan op voorhand worden uitgesloten door het ontbreken van bebouwing en bomen in het plangebied. Naast het plangebied aan de oostkant staat een bosschage waar de aanwezigheid van een verblijfplaats van boombewonende vleermuizen op voorhand niet kan worden uitgesloten. Indien binnen 20 m van verblijfplaats zware werkzaamheden zoals heiwerkzaamheden worden uitgevoerd, kan een negatief effect op voorhand niet worden uitgesloten. Het opzettelijk verstoren of aantasten van verblijfplaatsen van vleermuizen is een overtreding van artikel 3.5 van de Wnb.

Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied heeft een marginale functie als onderdeel van een groter foerageergebied, waarbij de bosschages en sloten in de omgeving geschikter zijn. Het wordt daarom hooguit beschouwd als nietessentieel foerageergebied. In het plangebied zijn geen lijnvormige structuren aanwezig. Bovendien zijn de gepande werkzaamheden overdag en leven vleermuizen ’s nachts. Een negatief effect op foerageergebied van vleermuizen en een functie als vliegroute worden uitgesloten. Een overtreding van de natuurwetgeving is hier niet aan de orde. Amfibieën In de omgeving zijn waarnemingen van de heikikker en de poelkikker bekend (NDFF). Er zijn geen waarnemingen andere beschermde soorten bekend. In het plangebied is geen geschikt habitat aanwezig door het eentoninge karakter en de afwezigheid van water. De incidentele aanwezigheid van een doortrekkende hei- of poelkikker kan niet worden uitgesloten, maar voor deze soortgroep heeft het plangebied geen functie. Een overtreding van de natuurwetgeving is niet aan de orde. Net buiten het plangebied is wel geschikt habitat aanwezig bij de sloot aan de oostkant, maar deze blijft ongemoeid en indirecte effecten worden op voorhand uitgesloten bij lichte en kortstondige werkzaamheden.

Bij heiwerkzaamheden en werkzaamheden in de oever/sloot kan een negatief effect gedurende de voortplantingsperiode op voorhand niet worden uitgesloten. Het opzettelijk verstoren van de heikikker en poelkikker tussen 1 maart en 15 juli is een overtreding van artikel 3.5 van de Wnb.

33

Maatregelen bij mogelijk negatief effect Dit geldt wanneer er binnen het globale broedseizoen (deze loopt van 1 maart tot 1 september) wordt gewerkt, wanneer er onverhoopt toch zware werkzaamheden zoals heiwerkzaamheden worden uitgevoerd en wanneer de sloten en oevers niet ongemoeid blijven: − Voor werkzaamheden binnen het broedseizoen moet eerst een broedvogelcontrole plaatsvinden naar de mogelijke aanwezigheid van bewoonde nesten of jonge vogels. Elk broedgeval is beschermd; ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet wezenlijk worden verstoord of aangetast zodat het broedsel mislukt. Mocht buiten het globale broedseizoen onverhoopt een bewoond nest worden aangetroffen, dan moeten de werkzaamheden worden stilgelegd en een ecoloog worden geraadpleegd. Voor wezenlijke verstoring of aantasting van broedgevallen kan in de meeste gevallen geen ontheffing van de Wnb worden verkregen. − Bij werkzaamheden binnen het broedseizoen moet eerst ook duidelijkheid worden verkregen over de effecten op boombewonende roofvogels en uilen met een jaarrond beschermde nestplaats. Er moet dan vervolgonderzoek worden uitgevoerd in de eerste 70 meter van de aanliggende bosschage aan de oostkant van het plangebied. − Bij heiwerkzaamheden moet binnen 20 meter vanaf het plangebied duidelijkheid worden verkregen over de effecten op boombewonende vleermuizen middels aanvullend onderzoek.

− Bij zware werkzaamheden en wanneer de invloedsfeer van de werkzaamheden zich tussen 1 maart en 15 juli uitbreidt naar de sloten/oevers moet duidelijkheid worden verkregen over de effecten op beschermde amfibieën middels aanvullend onderzoek (analyse van eDNA). Conclusie Met inachtneming van het bovenstaande vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend project.

4.9

Stikstof Algemeen Op grond van de Wet natuurbescherming worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een knelpunt aanwezig bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen, die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor “significante negatieve effecten” hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatie - en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS-Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende bronnen ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen de

34

Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten. Toetsing De aanleg- en gebruiksfase is doorgerekend met het rekenprogramma Aerius9. Uit het stikstofonderzoek blijkt dat er geen sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Aanlegfase Met de gehanteerde parameters blijkt dat uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Gebruiksfase Er vinden binnen de inrichting geen activiteiten plaats welke tot emissies naar de lucht zouden kunnen leiden alsmede zijn geen verbrandingsmotoren of stookinstallaties aanwezig. De enige mogelijke emissies van NOx of NH3 zouden veroorzaakt kunnen worden door verkeersbewegingen. Aangezien de inrichting zelfstandig (zonder continue bemensing) in werking zal zijn zullen verkeersbewegingen van en naar de bedrijfsvoering uiterst beperkt zijn. Als worst-case wordt gesteld dat op een representatieve dag 1 vrachtwagen en 2 personenwagens de inrichting zullen bezoeken.

Met de gehanteerde parameters blijkt dat uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Eindadvies Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd. Conclusie Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.

4.10

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het project te

9

Kuiper & Burger, Advies- en Ingenieursbureau. Aerius berekening aanleg- en gebruiksfase. Rie94QVbTcvt & RohuuKexZc95, 15 februari 2023. 35

betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan wijst uit dat het besluitgebied geen archeologische dubbelbestemming heeft. Uit de toelichting van het bestemmingsplan volgt dat gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde geen dubbelbestemming hebben gekregen en dat er geen archeologisch onderzoek bij ruimtelijke ontwikkelingen noodzakelijk is. Om die reden is voor voorliggende ontwikkeling geen archeologisch onderzoek verricht. Het is nooit uit te sluiten dat bij de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht. Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet uit 2015. In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente West Betuwe. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.

4.11

Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het verlenen van omgevingsvergunningen. Toetsing In of rondom het besluitgebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Wel dienen de aanwezige cultuurhistorische waarden van het landschap de ‘Oude ontginningen in kommen’ in acht te worden genomen. Het toekomstige EOS-park zal worden gerealiseerd binnen Windpark Deil, naast een bestaande windturbine en transformatorhuisje. De locatie is gelegen in de oksel van knooppunt Deil, waar de snelwegen A15 en A2 elkaar kruisen. Hiermee kan worden gesteld dat het oorspronkelijk landschap al is aangetast. In de omgevingsvisie is het gebied waar het EOSpark wordt gerealiseerd zelfs aangewezen als ‘energielandschap’, waarbinnen een EOS-park juist heel goed past. Dit tezamen maakt dat met voorliggend initiatief geen cultuurhistorische waarden worden aangetast. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend project.

36

4.12

Verkeer en parkeren Met voorliggend project wordt een EOS-park gerealiseerd. Verkeersbewegingen van en naar de bedrijfsvoering zullen uiterst beperkt zijn, aangezien de inrichting zelfstandig (IT aansturing en controle op afstand) in werking zal zijn. Het zal hooguit gaan om een aantal verkeersbewegingen per jaar voor regulier onderhoud van het EOS-park. Als worst-case wordt ingeschat dat op een representatieve dag de navolgende voertuigen de inrichting zullen bezoeken.

Personenwagens /bestelbussen Vrachtwagens

Bezoekende voertuigen Dagperiode Avondperiode Nachtperiode (07.00 - 19.00 u) (19.00 -23.00 u) (23.00 - 07.00 u) 2 1

-

-

Dit zorgt niet voor een noemenswaardige verkeersgeneratie of parkeervraag. De halfverharding die rondom de bestaande windturbine is aangelegd kan dienen als parkeerplaats voor de toekomstige onderhoudswagens. De verkeersgeneratie kan worden opgevangen op het bestaande wegennetwerk. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend project.

37

5 5.1

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het project. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door de ruimtelijke procedure moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. Het project is een initiatief van een particulier. De kosten van het initiatief zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de gemeente zijn aan onderhavig project geen financiële consequenties verbonden. Het project betreft wel een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro. Bij overeenkomst worden afspraken gemaakt over kostenverhaal. In dat geval behoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld. De kosten voor de uitvoering van het project zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Het project is hiermee economisch uitvoerbaar. Het opstellen van een exploitatieplan is niet nodig.

5.2

Maatschappelijk uitvoerbaarheid

5.2.1

Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijke procedure, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van de ontwikkeling. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. In deze paragraaf of in een bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing zullen de reacties worden samengevat en van een antwoord worden voorzien. Reactie provincie Gelderland Naar aanleiding van een aanvraag omgevingsvergunning voor het voorgenomen initiatief heeft de provincie al een reactie gestuurd. Hierna wordt daarop ingegaan. De provincie mist een ladderonderbouwing. In paragraaf 3.1.3 is hier nader op ingegaan.

38

De provincie vraagt zich af of de ontwikkelingen rond knooppunt Deil (A2 en A15): energieopwekking door het zonnepark en windpark, een batterijopslag in een EOS bij het zonnepark, een apart EOS-Park in Windpark Deil, en de aansluitingen op het netwerk in samenhang kunnen worden beschouwd. Het gebied rond knooppunt Deil is door de gemeente aangewezen als energielandschap. Het past dus goed dat genoemde ontwikkelingen daar samenkomen. Om ervoor te zorgen dat de (te veel) opgewekte energie tijdelijk opgeslagen kan worden is het wenselijk dat als onderdeel van dit energielandschap het EOS-park wordt aangelegd. Een locatie zo dicht mogelijk bij de bron en het net is daarbij wenselijk. Mede naar aanleiding van de reactie van de provincie is de locatie aangepast en valt deze buiten het grondwaterbeschermingsgebied. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen vraagt de provincie om een toelichting op de maatregelen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Het gaat hierbij om risico’s als waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 4.7 is op deze onderwerpen in gegaan. 5.2.2

Zienswijzen Het ontwerpbesluit zal voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage liggen. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.

39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/871/documents/17314