RV2025-010-bijlage-1-ruimtelijk-onderbouwing.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing
Energieopslagsysteem-park, De Euwerden, Deil Gemeente West Betuwe
Datum: 4 september 2024 Projectnummer: 230187
INHOUD
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding Ligging en begrenzing besluitgebied Vigerende bestemmingsplan Leeswijzer
3 3 4 6
2
Planbeschrijving
7
2.1 2.2
Huidige situatie Toekomstige situatie
7 8
3
Beleid en regelgeving
11
3.1 3.2 3.3 3.4
Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
11 14 17 18
4
Milieu- en omgevingseffecten
20
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12
Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Water Natuur Stikstof Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren
20 20 21 22 24 25 27 31 34 35 36 37
5
Uitvoerbaarheid
38
5.1 5.2
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijk uitvoerbaarheid
38 38
Bijlagen Bijlage 1: Plattegrond EOS-park Bijlage 2: PGS 37 compliancy of Deil EOS Bijlage 3: Toelichting realisatie EOS-park Deil Bijlage 4: Digitale Watertoets Bijlage 5: QuickScan Flora en Fauna Bijlage 6: Aerius berekening gebruiksfase Bijlage 7: Aerius berekening aanlegfase
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Nederland bevindt zich momenteel in de energietransitie waarbij wordt overgegaan van energie uit fossiele brandstoffen naar groene energie, zoals stroom uit zon en wind. Deze energietransitie heeft een grotere vraag naar groene stroom tot gevolg, waardoor er ook steeds meer transportcapaciteit noodzakelijk is op het netwerk. Dit kan problemen zoals netcongestie opleveren. Er is sprake van netcongestie op het moment dat het transport van stroom groter is dan de capaciteit van het netwerk, oftewel filevorming in het elektriciteitsnetwerk. Hierdoor kan de situatie ontstaan dat bijvoorbeeld zonne- of windenergie tijdelijk niet aan het elektriciteitsnetwerk geleverd kan worden wegens onvoldoende capaciteit voor teruglevering. Om deze problemen te voorkomen bestaat het voornemen om een energieopslagsysteem-park (hierna EOS-park) te realiseren aan De Euwerden te Deil op het Windpark Deil. Hierdoor is het mogelijk bij een overschot in aanbod van elektriciteit op het openbare net de energie tijdelijk op te slaan in accu's. In geval van een stagnerend aanbod van elektriciteit kan de in de accu's opgeslagen elektriciteit teruggeleverd worden aan het netwerk.
Onder EOS wordt een energieopslagsysteem verstaan, bestaande uit meerdere accu’s (lithium-ion of litium-ijzerfosfaat -accu’s) welke in clusters worden opgesteld tezamen met één transformatorskid, waarop de transformatoren, omvormers e.d. zijn gesitueerd. Er worden meerdere EOS’en geplaatst, waardoor het geheel wordt als een EOS-park aangemerkt. Het voorgenomen initiatief om een EOS-park te realiseren aan de Euwerden is niet mogelijk binnen de ter plaatse geldende juridisch-planologische kaders. Om die reden bestaat het voornemen om met toepassing van artikel 2.1 eerste lid onder c, in samenhang met artikel 2.12 eerste lid onder a sub 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning te verlenen om af te wijken van het bestemmingsplan en de beoogde ontwikkeling te kunnen realiseren. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning geldt als voorwaarde dat sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening en dat de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Voorliggend document voorziet hierin.
1.2
Ligging en begrenzing besluitgebied Het besluitgebied bevindt zich aan De Euwerden ongenummerd te Deil in de oksel van snelweg knooppunt Deil. Het toekomstige EOS-park komt op 250 meter van één van de reeds bestaande windturbines van Windpark Deil, bij de bocht waar de Euwerden overgaat naar de Markkade. Het besluitgebied wordt omringd door agrarische gronden. Direct ten oosten en westen van het besluitgebied bevinden zich bosschages, met daartussen het weiland waarin het EOS-park wordt gerealiseerd. Noordelijk van het besluitgebied bevindt zich de snelweg A15 en in het zuiden bevinden zich de Euwerden en Markkade. Kadastraal gezien maakt het besluitgebied deel uit van het kadastrale perceel Geldermalsen, sectie H en nummer 996. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het besluitgebied weergegeven.
3
Topografische kaart met daarop de globale ligging van het besluitgebied (rode ster) (bron: arcgis.com/mapviewer)
Uitsnede luchtfoto met het besluitgebied rood in het rood aangeduid (bron: PDOK.nl/viewer)
1.3
Vigerende bestemmingsplan
1.3.1
Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2022’ Ter plaatse van het besluitgebied geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2022’ welke is vastgesteld door de gemeenteraad van West Betuwe op 21 december 2021. Op grond van dit bestemmingsplan hebben de gronden de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Naast de bovenstaande bestemming geldt binnen het gebied ook de gebiedsaanduiding ‘milieuzone - intrekgebied’. De bestemming en aanduiding worden hieronder nader toegelicht.
4
Agrarisch De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor uitoefening van het agrarisch bedrijf, hobbymatig agrarisch gebruik, het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de landschappelijke en natuurwaarden en het behoud en herstel van waardevolle landschapselementen. Tevens zijn de daarbij behorende nutsvoorzieningen, toegangswegen, -paden, onverharde paden en overig verblijfsgebied, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, erven en tuinen behorende bij bedrijfswoningen tot maximaal 50 m uit de grens van het bouwvlak toegestaan. Het bouwen van bouwwerken, waaronder een bedrijfswoning, is alleen toegestaan binnen een bouwvlak.
Uitsnede uit de verbeelding van de vigerende bestemmingsplannen met daarop het besluitgebied bij benadering in het rood aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Milieuzone - intrekgebied Deze gronden zijn mede aangewezen ter bescherming van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwaterwinning. Hierbij is de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas niet toegestaan. Bij het onderhavig project wordt geen fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas gewonnen. De beoogde ontwikkeling van het EOS-park met bijbehorende aansluiting is op grond van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2022’ niet toegestaan, omdat het bouwen van bouwwerken alleen is toegestaan binnen een bouwvlak. Daarom wordt, middels een omgevingsvergunning, afgeweken van het geldende bestemmingsplan. 1.3.2
Overige bestemmingsplannen Naast het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2022’ geldt ook nog de ‘Voorlopige voorziening Buitengebied 2022’. Hierin worden voornamelijk de regels voor fruitboomgaarden aangepast.
5
1.4
Leeswijzer De ruimtelijke onderbouwing is opgebouwd uit 5 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het besluitgebied en komt de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het project aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Ten slotte behandelt hoofdstuk 5 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6
2 2.1
Planbeschrijving Huidige situatie Historie Het besluitgebied bevindt zich in het buitengebied van de gemeente West Betuwe nabij de kern Deil maar valt formeel onder de kern Geldermalsen. De kern Deil is gevormd op de oeverwallen van de Linge, wat vanaf het begin de droogste plekken waren in het natte rivierengebied. Op de oeverwallen werden plekken verhoogd met aarde en afval om ook bij overstromingen droog te blijven. Zo werden de terpen gevormd, waaronder ook de kern Deil. In het traditionele rivierenlandschap van de Linge en de Waal zijn vier landschappelijke elementen nadrukkelijk aanwezig: de uiterwaarden, de dijken, de oeverwallen en de kommen. Het besluitgebied is gelegen in de kommen, waarbij het grote zuidelijke komgebied sterk onder de invloed van de Waal heeft gestaan en in mindere mate van de Linge. Het gebied wordt gekenmerkt door kalkloze poldervaaggronden met zware klei. In het zuiden komt hier en daar een moerige ondergrond voor (dieper dan 80 cm). Deze komgronden waren in het verleden vaak nog niet bewoond. Rond de middeleeuwen ontstond in het rivierengebied een sterke tweedeling van het landschap. Op de hoge oeverwallen ontstonden dorpen en boerderijen omringd door boomgaarden en akkers. In de lage komkleigebieden waren veel hooilanden, eendenkooien, rietlanden en grienden gelegen. Na 1850 zijn in het gebied sterke veranderingen opgetreden.
De dorpen, waaronder vooral Beesd en Geldermalsen, zijn uitgebreid. Daarnaast is door de zuidelijke kom de A15 aangelegd, met dwars daarop de A2 van Utrecht naar Den Bosch. In het kader van de ruilverkaveling is het landschap sterk veranderd. De ontwatering van het gebied is verbeterd door het graven en verbeteren van een stelsel van weteringen. De percelen zijn gerationaliseerd. Deze regelmatige blok- en strookverkaveling is ook duidelijk te zien in de omgeving van het besluitgebied. Bestaande situatie Het besluitgebied ligt in het buitengebied van de gemeente West Betuwe en maakt officieel onderdeel uit van de kern Geldermalsen. De besluitgebied is gelegen in de oksel van het knooppunt tussen de snelwegen A15 en A2 op iets minder dan 3 km van de dorpsrand van de kernen Deil en Meteren. Het ligt op agrarische gronden en maakt zoals eerder aangegeven onderdeel uit van het Windpark Deil. Op 250 meter van het besluitgebied is één van de windturbines van het windpark gelegen, welke is voorzien van een transformatorhuisje. Nabij het besluitgebied liggen grote infrastructurele werken en enkele percelen met bosschage/natuur. In combinatie met de toekomstige realisatie van het zonnepark aan de overzijde van de A15 ontwikkelt het gebied rondom knooppunt Deil zich als een waar energielandschap, zoals ook benoemd in de Omgevingsvisie van de gemeente West Betuwe.
7
De onderstaande afbeeldingen geven een impressie van het besluitgebied.
Impressies huidige situatie besluitgebied (bron: google.streetview)
2.2
Toekomstige situatie Eurus Energy Europe B.V. (verder Eurus) is voornemens om een energieopslagsysteem-park te realiseren aan Euwerden ongenummerd nabij één van de windturbines van Windpark Deil in de oksel van snelweg knooppunt Deil. Een energieopslagsysteem (EOS) bestaat uit meerdere accu’s (lithium-ion of litiumijzerfosfaat -accu’s) welke in clusters worden opgesteld tezamen met één transformatorskid, waarop de transformatoren, omvormers en dergelijke zijn gesitueerd. Er worden meerdere EOS’en geplaatst, waardoor het geheel als een EOS-park wordt aangemerkt. Dit op te richten EOS-park zal verder worden aangeduid als EOS-park Deil. Op de volgende pagina is een doorsnede van een EOS opgenomen. Een plattegrond1 is toegevoegd aan de bijlagen.
Doorsnede EOS-park (bron: Emmett Green)
De clusters zijn afgesloten en uitsluitend toegankelijk voor bevoegde personen. Daarbij is het gehele EOS-park omringd door een hekwerk om te voorkomen dat onbevoegden toegang tot het EOS-park kunnen krijgen. EOS-park Deil zal nagenoeg geheel zelfstandig werken, waarbij geen vaste bemensing noodzakelijk is. Wel zullen er periodiek werknemers op de locatie aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het uitvoeren van
1
Emmett Green. Plattegrond EOS-park Deil. 8
onderhoud/inspecties of bijvoorbeeld het oplossen van storingen. Het EOS-park voldoet aan alle veiligheidsvoorschriften van de PGS 37-1. EOS-park Deil kan in totaal 15 MWh - 30 MWh aan elektrische energie opslaan. Deze hoeveelheid energie komt overeen met een en levering van groene stroom aan circa 1.955 - 3.910 huishoudens2 op jaarbasis, aangenomen dat het EOS-park de accu’s dagelijks volledig zal laden en ontladen. Het is wenselijk het EOS-park zo dicht mogelijk bij de windturbines te realiseren, zodat "overproductie" van elektriciteit kort bij de bron kan worden opgevangen. Het transport over het overbelaste elektriciteitsnetwerk wordt dan voorkomen. Vanwege de aanwezigheid van een grondwaterbeschermingsgebied ter plaatse van het beoogde aansluitpunt is gekozen om het EOS-park 250 meter ten noorden van een windturbine te realiseren. De beoogde locatie is ideaal voor een EOS-park. Immers zal het park op relatief korte afstand van bestaande groene energiebronnen worden gerealiseerd. Daarbij is nabij de beoogde locatie reeds de infrastructuur aanwezig om het EOS-park aan het regionale 20 kV hoogspanningsnetwerk te kunnen koppelen. Door de aanwezig bosschages wordt het park grotendeels aan het zicht onttrokken. Ten slotte kenmerkt de gekozen locatie zich, door de bestaande windturbines, als een energielandschap. Een installatie als EOS-park Deil past daar goed in.
Vanwege de directe nabijheid van de rijksweg en de windturbines betreft het bovendien een gebied waar het agrarisch landschap is onderbroken door diverse elementen. Door alle eenheden bij elkaar te zetten en in het windmolenpark te plaatsen worden niet-agrarische elementen in het landschap, geclusterd om zo het landschap niet te versnipperen. Door het realiseren van EOS-park Deil is er tijdens piekmomenten meer capaciteit van het elektriciteitsnet beschikbaar voor het invoeden of afnemen van groene stroom door lokale ondernemers, industrie en burgers uit Deil en omgeving, waarmee EOSpark Deil eveneens een regionaal belang dient. Naast het voorkomen van (regionale) netcongestie kan een dergelijke energiebuffer nationaal ondersteunen bij het handhaven van netstabilisatie en het leveren van regelvermogen. Gezien het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat EOS-park Deil een regionaal belang dient en dat het als voorbeeld kan dienen voor andere gemeenten die door netcongestie (dreigen te) worden geconfronteerd. Naast dat de omgeving van het besluitgebied zich kenmerkt als energielandschap, is het ook een gebied met een groen karakter. Het landschapsontwikkelingsplan van de gemeente West-Betuwe kenmerkt dit gebied ook als groene zone. Dus hoewel het gewenste EOS Park hier in dit gebied goed denkbaar is, verstoord het metalen aangezicht het groene karakter van het gebied.
Daarom zal het EOS park worden omringd door een haag. Hierbij wordt gekozen voor een haag bestaande uit meerdere soorten. Dit komt de biodiversiteit ten goede geeft ook een wat natuurlijker uitstraling. Hierbij kunnen het beste soorten toegepast worden die van nature in dit landschap en op deze bodem voorkomen. Dat voorkomt ook dat struiken niet aanslaan of slecht groeien.
2
Energieverbruik van een gemiddeld huishouden, conform Nibud (https://www.nibud.nl/onderwerpen/uitgaven/kosten-energie-water/) 9
De locatie ligt in het rivierengebied, in een rivierkomvlakte met een bodem bestaande uit zware klei. Soorten die je hier kunt toepassen in een gemengde haag zijn: − Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna); − Sleedoorn (Prunus spinosa); − Veldesdoorn (Acer campestre); − Wilde liguster (Ligustrum vulgare). De Wilde liguster is groenblijvend in de winter (mits het een zachte winter is). De overige soorten zijn bladverliezend, maar uiteindelijk krijgen ze wel een dichte takstructuur waardoor het zicht op de containers toch grotendeels beperkt zal worden. Bij het aanplanten kan aan de zichtzijde(s) het aandeel liguster dan wat groter zijn, zodat bijvoorbeeld vanaf de snelweg en vanaf de Markkade vooral de liguster in beeld is. Het beste in een dubbele rij aanplanten. Het is voldoende de haag één keer per jaar te snoeien zodat het geen hele strakke haag wordt, zodat het meer uitgroeit. .
10
3
Beleid en regelgeving
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
De Nationale Omgevingsvisie De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: − ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; − duurzaam economisch groeipotentieel; − sterke en gezonde steden en regio's; − toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
Toetsing Met voorliggend initiatief wordt een energieopslagsysteem gerealiseerd voor de opslag van windenergie ten tijden van netwerkcongestie. Dit initiatief is in lijn met de prioriteit om ruimte aan klimaatadaptie en energietransitie te geven zoals genoemd in de NOVI. Daarnaast kenmerkt de gekozen locatie zich, door de bestaande windturbines, als een energielandschap. Een installatie als EOS-park Deil past daar goed in. Vanwege de directe nabijheid van de rijksweg en de windturbines betreft het bovendien een gebied waar het agrarisch landschap is onderbroken door diverse elementen. Het, daar waar mogelijk, clusteren van niet-agrarische elementen in het landschap, heeft de voorkeur boven het verspreiden ervan, omdat er zo een rustiger en uniformer landschap ontstaat. Verder wordt het park door de aanwezigheid van bosschages bijna volledig aan het zicht onttrokken. Zo blijven de kenmerken en identiteit van het gebied behouden. Het onderhavig project is hiermee in lijn met het gedachtegoed van de NOVI.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische hoofdstructuur (thans NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, 11
Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (thans NNN) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS (thans NNN) is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in ruimtelijke plannen borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het besluitgebied is gelegen in het zoekgebied van het voorkeurstracé buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals is weergegeven op de onderstaande kaart.
zoekgebied buisleidingen voorkeurstracés buisleidingen Voorkeurstracés en zoekgebied buisleidingen binnen Rarro (bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
Gemeenten zijn verplicht om bij het opstellen of aanpassen van bestemmingsplannen, rekening te houden met mogelijke toekomstige leidingen op hun grondgebied binnen het voorkeurstracé buisleidingen. Ze moeten voorkomen dat nieuwe belemmeringen ontstaan. Het voorkeurstracé geeft een ruim zoekgebied van 250 meter aan weerszijden van het aangegeven voorkeurstracé. Dit voorkeurstracé komt overeen met het tracé van een bestaande gasleiding, die zich ten noorden van het besluitgebied bevindt. Binnen het zoekgebied moet de gemeente een mogelijkheid bieden voor de aanleg van een nieuwe gasleiding. Indien er al nieuwe gasleidingen aangelegd worden ligt het voor de hand dat een toekomstige buisleiding wordt aangelegd in de direct omgeving van de bestaande gasleiding. Daarom is in het bestemmingsplan
12
‘Buitengebied 2022’ rondom de bestaande gasleiding een brede strook bestemd als ‘Leiding – Buisleidingstrook’. Daarnaast vormt het onderhavig project geen belemmering voor het realiseren van een mogelijke toekomstige buisleiding. Het EOS-park wordt vrijwel geheel bovengronds gerealiseerd, slechts de kabels die het park verbinden met de bestaande windturbines zullen ondergronds komen. Daarnaast betreft het EOS-park geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object. Het project is daarom niet in strijd met het gestelde in de Barro. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking Vanuit het Rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.
Uit jurisprudentie blijkt dat soortgelijke voorzieningen als voorliggend EOS-park, zoals windmolens, infrastructuur, zonneparken, hoogspanningslijnen, mestvergisters en transformatorhuisjes niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling hoeven te worden beschouwd. Daarnaast wordt het EOS-park gerealiseerd in de oksel van knooppunt Deil waar de A2 en de A15 kruisen en bevindt de locatie zich binnen het Windpark Deil, nabij een van de bestaande windturbines. Het bovenstaande maakt dat het besluitgebied en haar omgeving zowel door de regio als gemeente wordt aangewezen als energielandschap. Hoewel de ontwikkeling dus niet binnen stedelijk gebied word mogelijk gemaakt, past de realisatie van het EOS-park in het omliggende landschap. Dit tezamen maakt dat toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk is.
3.1.4
Routekaart Energieopslag Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft in het voorjaar van 2023 de Routekaart Energieopslag opgesteld, welke in kaart brengt welke acties ondernomen moeten worden om energieopslag te bevorderen, passend bij de verwachte rol ervan in het toekomstige energiesysteem, tot aan 2035 en daarna. Samengevat stelt de Routekaart Energieopslag dat zowel elektriciteits-, moleculen- als warmteopslag nodig 13
(zullen) zijn in ons energiesysteem. Ten eerste omdat ze vraag en aanbod binnen de op zichzelf staande energieketens bij elkaar brengen. Zo kan elektriciteitsopslag zorgen voor meer opwek van wind- en zonne-energie en is warmteopslag cruciaal voor geo- en zonthermie. Ten tweede omdat ze elkaar uitstekend en noodzakelijk aanvullen in termen van vermogen en opslagduur (systeemintegratie c.q. uitwisseling tussen de ketens). Behalve de overheid kunnen ook andere partijen (waaronder netbeheerders en de energieopslagsector) hierin een belangrijke rol spelen. Voor elektriciteitsopslag stelt de Routekaart Energieopslag het volgende: − De wenselijkheid van thuis- en buurtbaterijen moet verder onderzocht. − Elektrische auto’s bieden enorme kansen voor de maatschappij. − Grootschalige elektriciteitsopslag heef veel potentie curtailment te verminderen. − Baterijen zijn nodig ter ondersteuning van het elektriciteitsnet. − (Landelijke) Sturing is nodig om wildgroei baterijen te voorkomen. − Mogelijkheden elektriciteitsopslag nog niet in lijn met de behoeften. Toetsing Met het onderhavig project wordt een energieopslagsysteem-park gerealiseerd waarin in totaal 15 MWh - 30 MWh aan elektrische energie kan worden opgeslagen. Dit sluit aan bij de wensen van het ministerie van Economische zaken en Klimaat om batterijen te realiseren ter ondersteuning van het elektriciteitsnetwerk.
Het project is hiermee in lijn met he gestelde in de Routekaart Energieopslag. 3.1.5
Conclusie Voorliggend project is niet in strijd met het rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie en -verordening Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. − Gezond en veilig. Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. − Schoon en welvarend. Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.
14
Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s: − energietransitie: van fossiel naar duurzaam; − klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer; − circulaire economie: sluiten van kringlopen; − biodiversiteit: werken met de natuur; − bereikbaarheid: duurzaam verbonden; − vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio; − woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening.
Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. Toetsing Eén van de ambities uit de provinciale Omgevingsvisie betreft het bereiken van een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat. De provincie Gelderland kent een unieke ligging; een strategische en aantrekkelijke positie te midden van sterke regio’s in binnen- en buitenland. Juist door de bijzondere kwaliteiten en veelzijdigheid van Gelderland kan zij zich verder ontwikkelen als ideale vestigingsplek en uitvalslocatie om te werken en te wonen. De energietransitie, waar de stap wordt gezet van het gebruik van fossiele brandstoffen naar andere (groene) vormen van energie, speelt een belangrijke rol in het creëren van een duurzame samenleving. Het is één van de thema’s die specifiek aan bod komt binnen de omgevingsvisie. Met voorliggend project wordt een EOS-park gerealiseerd. Het EOS-park creëert de mogelijkheid, om in geval van een overschot in aanbod van (groene) elektriciteit, deze af te nemen uit het openbare net en tijdelijk op te slaan in accu's. In geval van een stagnerend aanbod van elektriciteit kan de in de accu's opgeslagen elektriciteit teruggeleverd worden aan het openbare netwerk, zodat aan de elektriciteitsvraag kan worden voldaan. Dit is een grote stap binnen de energietransitie.
De teruglevering van groene stroom op een daarvoor geschikt moment in een overbelast elektriciteitsnetwerk, draagt bij aan het realiseren van een duurzaam Nederland. Het projectgebied gebied ligt binnen de verordening binnen het Intrekgebied en het Minder kwetsbaar drinkwaterbeschermingsgebied. Hierna wordt op deze gebieden ingegaan.
15
Intrekgebied De provincie streeft ernaar het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening te beschermen. De provincie heeft vanuit de Drinkwaterwet een zorgplicht voor een duurzame openbare drinkwatervoorziening. De provincie wil de beschikbaarheid van de grondstof voor de openbare drinkwatervoorziening veiligstellen en daar bij besluiten rekening mee houden. Daarom zijn in een intrekgebied geen bestemmingen mogelijk die de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maken. Met het voorliggende project wordt geen winning van fossiele energie mogelijk gemaakt, waarmee het niet in strijd is met het beleid van de provincie ten aanzien van intrekgebieden. Minder kwetsbaar drinkwaterbeschermingsgebied Het besluitgebied is gelegen in een minder kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied. In dit gebied zijn mijnbouwwerken niet toegestaan. Tevens zijn activiteiten waardoor direct of indirect warmte aan de bodem of het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd verboden. Dat geldt ook voor boringen en grond- of funderingswerken op een diepte van meer dan 10 meter. In voorliggende situatie is hier geen sprake van, waardoor de ligging in dit gebied geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.
In artikel 2.65b van de provinciale omgevingsverordening is vastgesteld dat in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken. Het onderhavige project betreft de realisatie van een EOS-park. Door het realiseren van EOS-park Deil is er tijdens piekmomenten meer capaciteit van het elektriciteitsnet beschikbaar voor het invoeden of afnemen van groene stroom door lokale ondernemers, industrie en burgers uit Deil en omgeving. Deze groene stroom zou anders ten gevolge van netcongestie verloren kunnen gaan. Het gebruik van groene stroom helpt om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen. Daarnaast wordt op het terrein halfopen verharding toegepast en is oppervlakte van de installatie beperkt. Er worden geen problemen voorzien met betrekking tot afvoer van hemelwater. Door het nemen van voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptie. Daarmee vormen de Omgevingsvisie en -verordening geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project. 3.2.2
Het Gelders Klimaatplan 2021 – 2030 In het najaar van 2020 heeft de provincie Gelderland het Gelders Klimaatplan 2021 – 2030: Samen werken we aan een klimaatneutraal Gelderland opgesteld. Het klimaatplan heeft de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen tot doel. Hierbij houdt de provincie Gelderland de 5 domeinen van het Klimaatakkoord aan: Gebouwde omgeving, Mobiliteit, Industrie en bedrijven, Landgebouw en landgebruik, en Elektriciteit. In dit Klimaatplan beschrijft de provincie de maatregelen, het beleid en de ambities per domein, waarbij Elektriciteit het meest relevant is voor het onderhavig project. Hernieuwbare elektriciteitsproductie draagt bij aan een vergroening van de elektriciteitsmix en daarmee aan een CO₂-reductie. Op dit moment zijn zonne- en windenergie de belangrijkste hernieuwbare bronnen hiervoor. Om het energienet te ontlasten én voldoende energie beschikbaar te hebben voor de momenten dat er onvoldoende energie uit zon en wind is, kan opslag van energie een belangrijk middel zijn. Technieken
16
voor opslag zijn nog onvoldoende beschikbaar, zeker tegen acceptabele kosten. Hiervoor wordt door de provincie aandacht gevraagd. Toetsing Het onderhavig project betreft de realisatie van een EOS-park. Hoewel hiermee niet direct hernieuwbare energie wordt gewonnen, is er met de realisatie van dit project tijdens piekmomenten meer capaciteit van het elektriciteitsnet beschikbaar voor het invoeden of afnemen van nabij opgewekte groene stroom. Dit helpt om de uitstoot van broeikasgassen verder te verminderen en is daarmee in lijn met de wensen en ambities die verwoord zijn in het Gelders Klimaatplan. 3.2.3
Conclusie Voorliggend project is niet in strijd met het provinciaal beleid.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Regionale Energie Strategie (RES) Regio Rivierenland Regio Rivierland werkt hard aan de energietransitie. Doel is om een gezonde, duurzame regio te worden en klimaatverandering door CO2-uitstoot tegen te gaan. Dit doet de gemeente West Betuwe samen met 7 andere gemeenten. De Regionale Energie Strategie (RES) helpt om samen doelen te formuleren én uit te voeren. Wat is de RES? RES staat voor Regionale Energiestrategie. Het is een document waarin ze als energieregio Rivierenland beschrijven hoe en waar ze duurzame energie gaan opwekken. West Betuwe is onderdeel van deze regio. Het gaat over elektriciteit uit zon en wind. Ook bedenken ze hoe ze de warmtetransitie mogelijk maken, dus duurzame alternatieven voor aardgas. Ten slotte kijken ze wat dat alles betekent voor de opslag en infrastructuur voor energie en warmte. De RES beschrijft dus onder andere: − hoeveel duurzame energie ze gaan opwekken met zon en wind; − hoe ze duurzaam warmte gaan opwekken; − hoe ze die nieuwe bronnen aansluiten op het energie- en warmtenetwerk. Waarom de RES? De RES vloeit voort uit het Klimaatakkoord. Dit Klimaatakkoord is de Nederlandse uitwerking van de internationale klimaatafspraken van Parijs 2015. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat Nederland werkt aan 49% CO2-reductie in 2030 (ten opzichte van 1990) en minimaal 95% CO2-reductie in 2050.
In het Gelders Energieakkoord (GEA) is de lat iets hoger gelegd met 55% CO2-reductie in 2030. Dat lijkt nog ver weg, maar deze doelen vragen nu om actie. Zelfs als de regio flink inzet op energiebesparing, hebben ze nog steeds alle vormen van duurzame energie nodig om in 2050 energieneutraal te kunnen zijn. Dertig regio’s In het Klimaatakkoord is afgesproken dat Nederland op regionaal niveau gaat werken aan deze doelen. Voor individuele partijen is het namelijk te omvangrijk en te kostbaar om die opgave zelfstandig te realiseren. Nederland is verdeeld in 30 energieregio’s.
17
Die werken dus ieder aan een RES. Dit zijn regio’s waarin al samengewerkt wordt op het gebied van energie en duurzaamheid. Regio Rivierenland bestaat uit de gemeenten Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal, en Zaltbommel. Welke stappen zet de regio? Conceptbod als eerste stap: Op weg naar de Concept RES zijn in alle gemeenten al bijeenkomsten gehouden. Hierin is verkend waar er in de regio mogelijkheden liggen om duurzame energie op te wekken. De ideeën hieruit maken onderdeel uit van de Concept RES. Met dit conceptbod zet Rivierenland een eerste stap voor de invulling van het landelijke Klimaatakkoord. Daarin staat dat elke regio in Nederland een bijdrage levert aan duurzame energieopwekking. Het bod in de Concept RES FruitDelta Rivierenland bestaat uit 42 windmolens en een aantal grootschalige zonnevelden van totaal 176 hectare. Voor de Regio Rivierenland zijn het zonneveld en de windmolens bij Avri hier al in meegenomen. Dat geldt ook voor de windmolens langs de A15 bij knooppunt Deil. Op weg naar RES 1.0: Met de RES 1.0 die de regio in 2021 aanbood, zetten ze de tweede stap. De Regio Rivierenland heeft de ambitie om het bod te verdubbelen en zo meer bij te dragen aan de doelen uit het Klimaatakkoord en ook het Gelders Energieakkoord (GEA).
Dit najaar volgen gesprekken met inwoners, maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en volksvertegenwoordigers om samen de RES 1.0 op te stellen. Dat willen ze doen met bijeenkomsten in alle gemeenten in de Regio Rivierenland. Ze gaan het dan samen hebben over de ambitie in West Betuwe op het gebied van grootschalige zonne- en windenergie. Toetsing Het onderhavige project betreft de realisatie van een EOS-park. Door het realiseren van EOS-park Deil is er tijdens piekmomenten meer capaciteit van het elektriciteitsnet beschikbaar voor het invoeden of afnemen van groene stroom door lokale ondernemers, industrie en burgers uit Deil en omgeving. Deze groene stroom zou anders ten gevolge van netcongestie verloren kunnen gaan. Hoewel het EOS-park dus zelf geen duurzame energie opwekt, helpt het wel met het beter verdelen en behouden van duurzame energie ten tijden van piekmomenten. De ontwikkeling is hiermee in lijn met de doelstelling van de RES Regio Rivierland. 3.3.2
Conclusie Voorliggend project is niet in strijd met het regionaal beleid.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie West Betuwe De Omgevingsvisie West Betuwe is op 22 februari 2022 vastgesteld door de raad van de gemeente West Betuwe. Deze visie vertelt het verhaal van de toekomst van de gemeente en geeft antwoord op de vraag: hoe ziet de gemeente eruit in 2040? In de omgevingsvisie heeft de gemeente de huidige kwaliteiten van de fysieke leefomgeving beschreven. Daarnaast heeft de gemeente de verschillende ontwikkelingen met
18
impact op de fysieke leefomgeving in beeld gebracht en in samenhang bekeken. Aan de hiervan heeft de gemeente 3 kernambities opgesteld: 1 De gemeente West Betuwe zet in op toekomstbestendige en leefbare kernen. 2 Als gemeente West Betuwe ontwikkelt zich tot dé fruitgemeente van Nederland. 3 De gemeente West Betuwe versterkt haar beleefbaar rivierlandschap waarin kleinschaligheid en 'de dorpse sfeer' de boventoon voeren. Deze kernambities zijn uitgewerkt in 7 thema’s: − Gezonde en leefbare leefomgeving; − Wonen en voorzieningen; − Mobiliteit en bereikbaarheid; − Economie en ondernemerschap; − Landbouw; − Energie en klimaat; − Natuur, cultuur en recreatie. Binnen het thema ‘energie en klimaat’ zet de gemeente zich in om de doelstellingen van het Klimaatakkoord (energieneutraal in 2050) en het Gelders Energie akkoord (in 2030 verminderen van de uitstoot van CO2 met 55% ten opzichte van 1990) te behalen. Daarnaast willen ze de komende jaren blijven verkennen welke alternatieven van duurzame energieopwekking ze kunnen benutten. Ze zoeken zoveel mogelijk naar functiecombinaties voor duurzame opwekking van energie, maar ze realiseren zich dat het soms ten koste gaat van ander gebruik en het landschap hierdoor verandert. Hierbij wordt het gebied rond de A2 en de A15 gezien als energielandschap.
Ten slotte geven ze aan dat om duurzame mobiliteit, maar ook de toename van wind- en zonne- energie mogelijk te maken, er ruimte nodig is voor de verzwaring van het energienetwerk. Toetsing Door het realiseren van een EOS-park is er, zoals benoemd, tijdens piekmomenten meer capaciteit van het elektriciteitsnet beschikbaar voor het invoeden of afnemen van groene stroom door lokale ondernemers, industrie en burgers uit Deil en omgeving. Deze groene stroom zou anders ten gevolge van netcongestie verloren kunnen gaan. Hoewel het EOS-park dus zelf geen duurzame energie opwekt, helpt het wel met het beter verdelen en behouden van duurzame energie ten tijden van piekmomenten. Door het EOS-park naast het bestaande Windpark Deil te realiseren, ontstaat er een combinatie van functies die goed past binnen het energielandschap rondom de A2 en de A15. De ontwikkeling is hiermee in lijn met het gestelde in de Omgevingsvisie West Betuwe. 3.4.2
Conclusie Voorliggend project is niet in strijd met het gemeentelijk beleid.
19
4 4.1
Milieu- en omgevingseffecten Milieueffectrapportage Algemeen De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. Toetsing Binnen de inrichting vinden geen activiteiten plaats welke kunnen worden geschaard onder de categorieën van activiteiten uit Bijlage 1, onderdeel C of D van het Besluit Milieueffectrapportage. Het opstellen van een milieueffectrapport (MER) of m.e.r.-beoordelingsnotitie wordt dan ook niet noodzakelijk geacht voor het voorgenomen initiatief. Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.2
Bodem Algemeen In het kader van de ruimtelijke onderbouwing moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Toetsing Een EOS-park is geen gevoelige functie in het kader van bodemkwaliteit. Het is nog niet bekend of een lithium-ion accu’s of lithium-ijzerfosfaat batterijen worden gebruikt binnen de inrichting. De lithium-ion accu’s kunnen eventueel worden gezien als een bodembedreigende activiteit, wat binnen het onderhavige project niet aan de orde is. Het elektrolyt (de schadelijke stof) zit namelijk gesitueerd in cellen welke zijn gesitueerd in een vloeistofdichte behuizing. De cellen welke het elektrolyt bevatten zijn alle geschikt voor de beoogde toepassing en bestand tegen het hierin aanwezige elektrolyt evenals de behuizing waarin deze zijn gesitueerd. Indien een cel onverhoopt lek zou raken wordt het vrijkomende elektrolyt opgevangen in de vloeistofdichte behuizing, welke de inhoud van alle daarin aanwezige cellen kan bevatten. Hierdoor is het in geval van lekkage van een cel niet denkbaar dat elektrolyt buiten de vloeistofdichte behuizing zou kunnen treden. De vloeistofdichte behuizing kan hiermee worden aangemerkt als een lekbak welke 100% van de inhoud van de daarin aanwezige stoffen kan bevatten.
Een onverhoopte lekkage in een cel wordt daarbij direct geregistreerd door het batterij management systeem (BMS), aangezien op dat moment eveneens de elektrische 20
eigenschappen van de betreffende accu wijzigen. Dit heeft tot gevolg dat het BMS de betreffende accu op veilige wijze buiten werking zal stellen en een alarmering door zal geven aan de beheerder, zodat deze de nodige herstelacties in werking kan zetten. Dit wordt als vergelijkbaar met lekdetectie beschouwd, aangezien alarmering in werking treedt voordat elektrolyt buiten de vloeistofdichte behuizing kan treden. Zelfs indien, in een nagenoeg ondenkbaar scenario, de vloeistofdichte behuizing lek zou geraken en het elektrolyt van een lekgeraakte cel buiten de vloeistofdichte behuizing zou treden kan dit niet buiten de "container" treden waarin de vloeistofdichte behuizingen zijn opgesteld. Hierdoor is het niet denkbaar dat elektrolyt buiten de container zou kunnen geraken en zou kunnen leiden tot bodemverontreiniging. De vloer van de container kan ten minste de inhoud van 1 vloeistofdichte behuizing bevatten. Gezien het vorenstaande wordt ten minste voldaan aan CVM II (Combinaties van voorzieningen en maatregelen) voor de activiteit 3.3.2 uit de NRB (Nederlandse Richtlijn Bodembescherming), waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt bereikt. Verder zijn de blussystemen en de klimaatbeheersinstallaties van de diverse accucontainers gevuld met stoffen die onder normale omstandigheden gasvormig zijn en worden daarmee als niet bodembedreigend aangemerkt.
De te plaatsen transformatoren betreffen zogenaamde droge transformatoren welke geen olie (of andere bodembedreigende vloeistoffen) bevatten. De te plaatsen transformatoren worden hierdoor dan ook niet als een bodembedreigende activiteit aangemerkt. Accu’s met lithium-ijzer-fosfaat LiFe(PO4) als kathode zijn niet schadelijk voor het milieu. Deze zijn daarnaast stabieler en onbrandbaar. Dit houdt in dat deze stof beter bestand is tegen oververhitting en ander misbruik. Oók in deze accu's wordt in de meeste gevallen gebruik gemaakt van een Battery Management System (BMS) om de veiligheid te garanderen en schade te voorkomen. LiFe(PO4) accu's zijn dus milieuvriendelijker maar vooral ook veiliger dan Li-ion accu's. Op grond van onderdeel D van de bijlage grondwaterbescherming bij de Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023) dient bij het op- en overslaan van vloeibare schadelijke stoffen in verpakking ten minste aan de in de PGS 15 opgenomen bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te worden getroffen. In PGS 15: 2016 is aangegeven dat een verwaarloosbaar bodemrisico dient te worden bereikt conform de NRB 2012. Zoals hierboven reeds is geconcludeerd wordt een verwaarloosbaar bodemrisico bereikt. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.3
Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het project moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe
21
geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterrein. Toetsing Een EOS-park hoeft niet aangemerkt te worden als een gevoelige functie. Tevens maakt de locatie geen onderdeel uit van een gezoneerd industrieterrein. Toetsing aan de Wet geluidhinder is daarom niet aan de orde. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend project.
4.4
Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De derogatiebeschikking van de EU is in 2015 verlopen. De NSL is na 2015 twee maal verlengd en betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.
Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO 2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt.
22
Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Toetsing Vanuit de inrichting zijn geen luchtemissies te verwachten. Er vinden geen activiteiten plaats welke tot emissies naar de lucht zouden kunnen leiden en er zijn geen verbrandingsmotoren of stookinstallaties aanwezig. Wel kunnen vanwege de verkeersbewegingen mogelijk stoffen vrijkomen. De verkeersbewegingen van en naar de bedrijfsvoering zullen echter uiterst beperkt zijn, aangezien de inrichting zelfstandig (zonder continue bemensing) in werking zal zijn. Daarbij kunnen vele zaken op afstand geregeld worden, waardoor slechts verkeersbewegingen ten behoeve van onderhoud/inspectie of in geval van calamiteiten noodzakelijk zijn. Om te bepalen of er mogelijke invloed is op stoffen welke genoemd worden in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit), is een berekening uitgevoerd met behulp van de NIBM-tool 20223. Hierbij is als worst-case gesteld dat op een representatieve dag 1 vrachtwagen en 2 personenwagens (6 bewegingen, waarvan 33,3% met zwaar verkeer) de inrichting zullen bezoeken.
Met behulp van de NIBM-tool 2022 is bepaald dat deze bewegingen Niet In Betekenende Mate bijdragen aan luchtkwaliteitsaspecten. De uitkomst van de e NIBM-tool is hieronder opgenomen.
NIBM-tool 2022 (bron: infomil.nl)
Met het project worden tevens geen functies toegevoegd die mogelijk gevoelig zijn voor de luchtkwaliteit van de omgeving. De mogelijke blootstelling aan luchtverontreiniging is daarom niet relevant en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening.
3
https://www.infomil.nl/publish/pages/114645/nibm-tool_versie_23-04-2022.xlsx 23
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.
4.5
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) 4 als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.
Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing In voorliggende situatie is sprake van de realisatie van een hinderveroorzakende functie (bedrijvigheid). In de directe omgeving zijn vrijwel geen woningen aanwezig. Het gebied wordt gekenmerkt door een afwisseling van enkele reguliere en agrarische bedrijven en kan daarom worden geclassificeerd als ‘rustig buitengebied’. Raadpleging van de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) wijst uit dat de onderhavige ontwikkeling het beste kan worden geschaard onder ‘Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen tussen de 10 - 100 MVA’. Volgens de VNG publicatie geldt hiervoor een richtafstand van 50 meter ten aanzien van geluid binnen rustig buitengebied. De dichtstbijzijnde geluidsgevoelige functie (woning) ligt op ruim 700 meter van de locatie. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarden van de VNG publicatie.
4
VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’, 2009. 24
Volledigheidshalve wordt er echter ook nog getoetst aan het Activiteitenbesluit. Uit berekeningen5 blijkt dat het immissieniveau ter plaatse van woningen van derden kan worden ingeschat op ca. 26,9 dB(A). Gezien het berekende immissieniveau kan gesteld worden dat ruimschoots aan de geluidsgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde uit het Activiteitenbesluit milieubeheer voldaan zal worden, zelfs indien de installaties continu in werking zouden zijn. Hierdoor wordt het niet noodzakelijk geacht de akoestische situatie nader in beeld te brengen. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.6
Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers.
Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Toetsing Met voorliggend project wordt geen kwetsbaar object toegevoegd. Daarnaast vinden zich binnen de inrichting geen activiteiten plaats welke worden benoemd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) of de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Binnen de inrichting worden echter wel gevaarlijke stoffen geborgd, waardoor de inrichting in sommige gevallen onder de werking van het Besluit risico’s zware ongevallen kan vallen. Derhalve wordt dit onderdeel hieronder nader toegelicht.
5
Kuiper & Burger, Advies- en Ingenieursbureau. Toelichting realisatie EOS-park Deil. PK22040/D01, 15 februari 2023. 25
Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo) Binnen de inrichting zijn geen stoffen of producten in zodanige hoeveelheden aanwezig dat de grenswaarden, welke genoemd worden in kolom 2 van deel 1 en deel 2 van bijlage I bij de Richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012 "betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken" worden overschreden. Zoals is opgenomen in artikel 1, lid 1 van het Brzo wordt onder "aanwezigheid van gevaarlijke stoffen" eveneens verstaan stoffen waarvan "redelijkerwijs kan worden voorzien dat ze kunnen ontstaan bij verlies van controle over de processen". Een bekend risico van lithium-ion accu's in zijn algemeenheid is dat in geval van een calamiteit (thermal runaway) waterstoffluoride zou kunnen ontstaan, welke onder meer wordt ingedeeld als acuut giftig (dermaal) categorie 1. Voor dergelijke stoffen geldt een lage drempelwaarde van 5 ton. Volledigheidshalve is een worst-case inschatting6 gemaakt of een dergelijk incident ertoe zou kunnen leiden dat sprake is van een Brzo-inrichting. Hieruit blijkt dat de vrijkomende hoeveelheid beduidend lager is dan de drempelwaarde van 5.000 kg. Gezien het vorenstaande is dan ook geen sprake van een inrichting welke onder de werking van het Brzo valt. Daarom wordt geacht dat voorliggend project geen belemmeringen oplevert wat betreft het aspect externe veiligheid.
In de concept PGS 37-1 worden onderwerpen als de veiligheid van de LFP accu’s en afval nog nader besproken. Blusvoorzieningen De accucontainers worden alle voorzien van een automatisch gasblussysteem en zijn beveiligd tegen brandpropagatie. Om deze reden wordt het niet noodzakelijk geacht om de accucontainers te voorzien van een bluswateraansluiting om deze in geval van een calamiteit onder water te kunnen zetten. Het wordt derhalve ook niet noodzakelijk geacht om te voorzien in opvang voor (verontreinigd) bluswater. De enige actie die in geval van een calamiteit mogelijk noodzakelijk zou kunnen zijn, is dat objecten binnen de inrichting dienen te worden gekoeld om brandoverslag te voorkomen. Het eventueel benodigde koelwater zou vanuit het nabij gelegen oppervlaktewater onttrokken kunnen worden. Dit koelwater kan niet verontreinigd raken als gevolg van het koelen van objecten, aangezien dit niet in contact kan komen met bijvoorbeeld elektrolyt dat in de cellen aanwezig is. Opvang voor (mogelijk verontreinigd) koelwater wordt eveneens niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend project.
6
Kuiper & Burger, Advies- en Ingenieursbureau. Toelichting realisatie EOS-park Deil. PK22040/D01, 15 februari 2023. 26
4.7
Water Algemeen In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Dit is vastgelegd in het procesinstrument ‘de Watertoets’. Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.
In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂ arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1 Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen. 2 Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie.