CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2024-129-bijlage-transitievisie-warmte-2.0.pdf

Gemeenteraad 26 november 2024, gemeente West BetuweBij agendapunt: 14: Vaststellen Transitievisie Warmte 2.027.241 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Externe expertise en ondersteunende middelen zijn nodig om de juiste analyses te kunnen maken. Dit brengt kosten met zich mee, in Tabel 6 worden de verwachte kosten per jaar weergegeven, met een gemiddelde van 677.798 euro per jaar. Een deel van deze kosten, namelijk 200.000 euro, kan gedekt worden door beschikbare middelen vanuit het Rijk. Deze financiering geldt tot 2025, maar het is nog onduidelijk of deze middelen ook na 2025 beschikbaar blijven. Er zijn echter sterke aanwijzingen dat deze financiering na 2025 wordt voortgezet. Niet alle kosten die de komende jaren gemaakt moeten worden zijn in dit overzicht opgenomen. Bijvoorbeeld, als de gemeente besluit om een warmtebedrijf op te richten of om te investeren in warmtenetten, kunnen de kosten hoger uitvallen. Ook is er nog onduidelijkheid over sommige kostenposten, zoals de dekking door subsidies. Dit geldt bijvoorbeeld voor de kosten die gemoeid zijn met het opstellen van een soortenmanagementplan (SMP), wat nodig is voor natuurvriendelijke isolatie. Toelichting op Tabel 6,7,8 De kosten tabel geeft een overzicht van de verwachte jaarlijkse kosten gedurende de looptijd van deze visie. De kosten zijn onderverdeeld in drie categorieën: externe inhuur, interne personeelslasten en ondersteunende middelen.

Dit geldt voor het opstellen van wijkuitvoeringsplannen (UP’s), voor aardgasvrije woningen, de isolatie opgave en de bedrijventerreinen. De tabel sluit af met de totale kosten per jaar en het gemiddelde bedrag per jaar.

58 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

Figuur 11. Transitiepad financieel scenario 1

Tabel 6. Verwachten kosten scenario 1.

7.2

Scenario 2

Het transitiepad van scenario 2, zoals weergegeven in Figuur 12, wijkt af van het transitiepad dat eerder in deze visie is geschetst (Figuur 7). Dit betekent dat scenario 2 minder goed aansluit bij de doelen die we willen bereiken en bij de plannen in het Klimaatakkoord. Te nemen stappen In dit scenario kunnen alleen een aantal stappen worden genomen binnen de twee pijlers van de warmtetransitie, isolatie en het collectief aardgasvrij maken van woningen. Gekozen is voor isolatie omdat dit de eerste stap in een succesvolle transitie is en zorgt voor een hoger wooncomfort. Daarbij is het collectief aardgasvrij maken van wijken een lang proces waar tijdig mee gestart moet worden en ook nog ervaring in moet worden opgedaan. In dit scenario wordt verder gewerkt aan het opstellen en uitvoeren van wijkuitvoeringsplannen (UP’s) om woningen aardgasvrij te maken. Om dit mogelijk te maken, moeten er extra analyses uitgevoerd worden in de verschillende wijken. Deze analyses helpen ons om een gedetailleerd en passend plan te maken. In dit scenario werken we ook aan het verbeteren van woning isolatie, zowel in bepaalde wijken als in de hele gemeente. Dit scenario bied ruimte voor innovaties en het monitoren van de voortgang. In dit scenario wordt niet verder gewerkt aan het individueel aardgasvrij maken van woningen of aan de UP voor bedrijventerreinen.

Ook wordt voor Asperen nog niet gestart met de bronnenstudie en het opstellen van een UP. Als laatste zetten we geen nieuwe pilots op, waardoor het lerend vermogen daalt. Kosten Om de in scenario 2 geplande stappen uit te kunnen voeren, is het noodzakelijk het team dat verantwoordelijk is voor de warmtetransitie uit te breiden. externe expertise en ondersteunende middelen zijn nodig om de juiste analyses te kunnen maken. Dit brengt kosten met zich mee, in Tabel 7 worden de verwachte kosten per jaar weergegeven, met een gemiddelde van 435.246 euro per jaar. Zoals bij scenario 1 beschreven, kan een deel van de kosten worden gedekt door beschikbare middelen vanuit het Rijk en zijn niet alle mogelijke kosten opgenomen in het overzicht.

61 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

Figuur 12. Transitiepad financieel scenario 2

Tabel 7. Verwachten kosten scenario 2

7.3

Scenario 3

Het transitiepad van scenario 3, zoals weergegeven in Figuur 13, wijkt sterk af van het transitiepad dat eerder in deze visie is geschetst (Figuur 7). Dit betekent dat scenario 3 slecht aansluit bij de gestelde doelen. Te nemen stappen In dit scenario is voornamelijk gefocust op aardgasbesparing door isolatie. Enkel voor Enspijk wordt verder gewerkt aan het collectief aardgasvrij maken van woningen. Gekozen is voor isolatie omdat dit de eerste stap in een succesvolle transitie is en zorgt voor een hoger wooncomfort. Daarbij is het collectief aardgasvrij maken van wijken een lang proces waar tijdig mee gestart moet worden en ook nog ervaring in moet worden opgedaan. In Enspijk zijn hiervoor de eerste stappen al gezet. In dit scenario werken we voornamelijk aan het verbeteren van woning isolatie, zowel in bepaalde wijken als in de hele gemeente. In dit scenario wordt verder gewerkt aan het opstellen en uitvoeren van het wijkuitvoeringsplan voor Enspijk. Om dit mogelijk te maken, moeten er extra analyses uitgevoerd worden. Deze analyses helpen ons om een gedetailleerd en passend plan te maken. Dit scenario biedt ruimte voor het monitoren van de voortgang in de warmtetransitie. In dit scenario wordt niet verder gewerkt aan het collectief aardgasvrij maken van andere gebieden dan Enspijk.

Ook wordt geen stappen gezet in het individueel aardgasvrij maken van woningen of aan de uitvoeringsplannen voor bedrijventerreinen. Als laatste zetten we geen nieuwe pilots op en is er ook geen ruimte voor innovatie, waardoor het lerend vermogen daalt. Kosten Om de nog geplande stappen uit te kunnen voeren, zijn externe expertise en ondersteunende middelen nodig om de juiste analyses te kunnen maken. Dit brengt kosten met zich mee, in Tabel 8 worden de verwachte kosten per jaar weergegeven, met een gemiddelde van 44.514 euro per jaar. Zoals bij scenario 1 beschreven, kan een deel van de kosten worden gedekt door beschikbare middelen vanuit het Rijk en zijn niet alle mogelijke kosten opgenomen in het overzicht.

64 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

Figuur 13. Transitiepad financieel scenario 3

Tabel 8. Verwachten kosten scenario 3

Bijlage 1: Enquête resultaten Middels een enquête is gemeente breed uitgevraagd wat inwoners vinden van de warmtetransitie en wat hierin wordt verwacht van de gemeente. Via sociale media, de krant, nieuwsbrieven en buurt platforms is onder de inwoners van de gemeente West Betuwe de enquête verspreid. Hierbij is onder andere gebruik gemaakt van het panel West Betuwe spreekt. De leden van dit panel hebben aangegeven graag hun mening te geven over allerlei thema’s en presenteren een representatief beeld van de inwoners van gemeente West Betuwe. De enquête bestaat voornamelijk uit een aantal meerkeuzevragen waarbij de mogelijkheid is gegeven de antwoorden verder uit te breiden of toe te lichten in een open tekst vak. De quotes die verspreid zichtbaar zijn in de gehele visie zijn hiervan afkomstig . Door de enquête zijn verschillende routes geprogrammeerd die de respondent kan afleggen, afhankelijk van de woonsituatie en hoe de respondent aankijkt tegen de overgang naar aardgasvrij wonen. In totaal heeft de enquête 737 respondenten opgeleverd, met een 95% betrouwbaarheid en 3,54% nauwkeurigheid. In de hoofdtekst zijn sommige relevante resultaten al benoemt, hieronder worden de resultaten nogmaals kort besproken, inclusief figuren die een overzicht geven van de gegeven antwoorden.

Huidige situatie verwarming woningen

Het grote merendeel van de respondenten woont in een koopwoning. Slechts een kleine groep respondenten geeft aan vrijwel niets te weten over de overstap naar aardgasvrij wonen. Een merendeel van de respondenten verwarmt de woning nu met onder meer aardgas, nagenoeg één op de drie doet dit (ook) met elektriciteit, zichtbaar in Figuur 1. Inwoners jonger dan 75 jaar geven in verhouding iets vaker aan de woning onder meer met elektriciteit te verwarmen.

Figuur 1. Resultaten enquête vraag 'Hoe verwarmt u nu uw woning?'

67 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

Aardgasvrij wonen

Respondenten die hun woning aardgasvrij verwarmen ervaren dit in veel gevallen als (heel) goed. Respondenten nemen diverse maatregelen om minder aardgas te gebruiken, ruim zes op de tien zet de verwarming lager en ruim de helft heeft energiebesparend glas en/of doucht korter/kouder of met een waterbesparende douchekop. Slechts een klein deel geeft aan geen maatregelen te nemen om minder aardgas te gebruiken. Circa één op de drie wil binnen nu en 5 jaar niets doen om minder aardgas te gebruiken. Ruim één op de vijf wil binnen nu en 5 jaar een (hybride) warmtepomp en even grote groep wil de woning extra gaan isoleren. In verhouding willen respondenten vanaf 75 jaar vaker 'niets' doen binnen nu en 5 jaar om minder aardgas te gebruiken. Circa één op de zes respondenten maakt gebruik van de ISDE. Nagenoeg één op de drie zegt de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing niet te kennen. Circa één op de drie respondenten vindt het (heel) belangrijk dat de woning aardgasvrij wordt, een vergelijkbare groep vindt dit (heel) onbelangrijk. Ruim één op de drie wil het liefst helemaal niet aardgasvrij wonen, iets minder dan één op de tien wil dit zo snel mogelijk, zichtbaar in Figuur 2. De betaalbaarheid van de oplossing is de meest genoemde reden om de woning aardgasvrij

Figuur 2. Resultaten enquête vraag: 'wat past het beste bij u?'

te maken, ruim de helft noemt (ook) het comfortabel warm krijgen van de woning als goede reden. De kosten worden veruit het meest genoemd als zorgen rond het aardgasvrij maken van de woning. Naarmate de respondenten ouder worden noemen ze steeds minder vaak de kosten als zorgen rondom het aardgasvrij maken van de woning.

Aardgasvrije wijken

Ruim een kwart van de respondenten wil met andere inwoners uit de wijk samenwerken om de wijk aardgasvrij te maken, circa één op de drie wil dit 'misschien' Nagenoeg de helft is van mening dat het best gestart kan worden met aardgasvrij maken in wijken waar toch al werkzaamheden gepland staan.

Benodigdheden aardgasvrij wonen

Zowel huurders als eigenaren zoeken voornamelijk op het internet naar informatie of advies over aardgasvrij wonen. Ruim twee op de drie respondenten heeft informatie over kosten, subsidie- en financieringsmogelijkheden nodig om aardgasvrij te wonen. Gemeente West Betuwe zou volgens respondenten met name financieel kunnen ondersteunen, zorgen dat de overgang voor iedereen haalbaar is en collectieve oplossingen aanbieden. Met name 68 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

respondenten jonger dan 45 jaar geven in verhouding vaak aan dat de gemeente voor financiële ondersteuning kan zorgen. Respondenten ontvangen informatie van de gemeente over aardgasvrij wonen bij voorkeur via de website of een digitale nieuwsbrief, zichtbaar in Figuur 3. In verhouding wordt de krant/ huis-aan-huisblad vaak genoemd door respondenten vanaf 75 jaar. Ruim één op de drie respondenten jonger dan 45 jaar zou een papieren brief willen met

Figuur 3. Resultaten enquête vraag 'Hoe wilt u informatie ontvangen van gemeente West Betuwe over aardgasvrij wonen?’

informatie over aardgasvrij wonen. Ruim één op de drie wil betrokken worden bij plannen in de buurt, wijk of kern, van de respondenten die al aardgasvrij wonen wil één derde ervaringen hiermee delen.

69 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

Bijlage 2: Evaluatie TVW 1.0 Onderstaande Tabel 1 geeft voor verschillende onderdelen de voortgang, resultaten en geleerde lessen weer. Tabel 1. Evaluatie per onderdeel TVW 1.0 Onderdeel 1. Locaties

2. Aantal te isoleren gebouwen

Uitvoering Stappen gemaakt in de pilots Enspijk, Geldermalsen (pilot Fruitmasters)

Resultaten Technische en financiële haalbaarheidsonderzoeken gedaan die meer inzicht geven in de haalbaarheid. Dit heeft tot nu toe nog niet geleid tot het aardgasvrij maken van woningen.

Lokale Aanpak Isolatie vastgesteld en wordt uitgevoerd. Daarnaast hebben we een programma opgericht voor inwoners met energiearmoede.

We hebben geen cijfermatige data wat dit voor resultaat heeft gehad.

3. Warmteoplossing

Een eerste analyse uitgevoerd

4. Nationale kosten energie-infrastructuur

Een eerste analyse uitgevoerd

Behoefte aan analyse voor meer houvast in warmteoplossing per gebied Nieuwe inzichten: verschil na analyse

5. Warmtevraag

Gemeentelijke activiteiten van terugbrengen

Verschil warmtevraag/gasverbruik TVW 1.0 en TVW 2.0.

Geleerde lessen Vanuit verschillende stakeholders is behoefte aan een concretere visie met meer handelingsperspectief. Het aardgasvrij maken van een wijk/dorp is voorlopig nog een pioniersproces. Bij isolatie dient rekening te worden gehouden met de impact op de flora en fauna in de omgeving. Dat de zichtbaarheid van de mogelijkheden bijdraagt aan de doelstellingen. Het lastig is een definitieve beste warmteoplossing aan te wijzen, vanwege het gebrek aan onderzoek. Het verzamelen van data draagt bij aan het krijgen van een duidelijk inzicht in de kosten. Inwoners van de gemeente West Betuwe al goed bezig zijn met het verminderen van het gasverbruik. Het is moeilijk om te achterhalen welke maatregelen inwoners nemen en hoe gemeentelijk beleid hierop invloed heeft.

6. Uitvoeringsstrategie

Besparen, isoleren, leren:

Isolatie mogelijkheden verbeterd, kennis vergroot

De TVW 1.0 bied te weinig concrete houvast om het te kunnen vertalen naar een uitvoeringsstrategie. De organisatie heeft momenteel niet de benodigde uitvoeringskracht om in het juiste tempo van het aardgas af te gaan

7. Partners in de transitie

Samenwerking met netbeheerders,

Het opzetten van het Platform Warmte

De gemeente dient flexibel te zijn in de rol die het

70 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

energiecoöperatie, woningcoöperatie, inwoners, RES

Samenwerking met andere partijen is concreet vormgegeven.

aanneemt, maar heeft voor de gehele transitie de regierol. Het betrekken van alle stakeholders is een belangrijk maar uitdagend proces. We moeten voortdurend werken aan het versterken van de samenwerking voor de uitvoering van de warmtetransitie, omdat dit aanzienlijke resultaten oplevert.

71 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

Bijlage 3: Achtergrond informatie Pilot projecten Vanuit de projectgroep betrokken bij de pilot DWE is een inlegger samengesteld. Hierin wordt ingegaan op de gemaakte voortgang, geleerde lessen en de kansen/knelpunten die worden gezien.

Pilot DWE

In 2013 hebben de inwoners van Enspijk zich al ten doel gesteld om in 2030 energieneutraal te zijn. Studenten van de TU Eindhoven hebben destijds een onderzoek gedaan naar die ambitie en daaruit kwam naar voren dat dit zeker haalbaar was. Naar aanleiding van een Provinciaal onderzoek naar aquathermie (warmte uit de Linge) in 2021 is deze ambitie weer door een groep enthousiaste inwoners van Enspijk opgepakt. De uitdaging was niet zozeer of er wel voldoende warmte te winnen viel uit de Linge, maar met name of het betaalbaar was. We zijn nu 3 jaar verder. De groep inwoners die zich inhoudelijk inzet heeft zich uitgebreid. Maar we zien ook wisselingen in de groep. Wisselingen die om allerlei redenen plaatsvinden. Er is een coöperatie opgericht (Duurzame warmte Enspijk). Het project is nu 3 onderzoeken verder en zit nu in de fase van een haalbaarheidsonderzoek, waarbij aan het eind van deze fase de inwoners van Enspijk een aanbieding gedaan kan worden om zich aan te laten sluiten op een warmtenet. Bij voldoende deelname is de hoop dat er in 2028 een warmtenet ligt in Enspijk. In de afgelopen maanden is veel duidelijker geworden welke stappen de gemeente moet doorlopen om een warmtekavel te kunnen exploiteren. Er zullen hier de komende periode nog de nodige stappen in moeten worden gezet om over te kunnen stappen op een collectief warmtesysteem.

De gemeente zit momenteel tussen stap 5 en 6 van het stappenplan. De rol van gemeente tot nu is voornamelijk faciliterend en deels financier geweest. Nu we de fase naderen van een aanbieding aan de inwoners, zal de rol van de gemeente steeds intensiever worden. Niet voor niets wordt er nu gewerkt aan een Startnotitie waarin aan de directie wordt gevraagd om de medewerking aan het project uit te breiden naar ook andere afdelingen van de gemeente. Met deze inlegger denken wij een bijdrage te kunnen leveren aan de ontwikkeling van een visie naar een duurzame en CO2 arme verwarming van gemeente West Betuwe. DWE bedankt gemeente West Betuwe voor het vertrouwen dat in de afgelopen jaren in DWE is gesteld en voor de constructieve en aanmoedigende samenwerking. Samen hebben we de warmtetransitie hiermee een stap verder gebracht.

De geleerde lessen vanuit Enspijk

Om de lessen die in Enspijk worden opgedaan inzichtelijk en beschikbaar te maken voor gemeenten en nieuwe initiatieven is door de Regio FruitDelta Rivierenland een evaluatie van de ‘pilot Aquathermie’ uitgevoerd7.

7

Bron: RINVER 2024

72 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

Totstandkoming van de lessen Om een overzicht van de lessen te krijgen zijn een 13-tal interviews/evaluatiesessies uitgevoerd met de belangrijkste betrokkenen bij de pilot. Dit waren: leden van de DWE werkgroep zelf, regio FruitDelta Rivierenland, provincie Gelderland, Waterschap Rivierenland, het GWIB, gemeente West Betuwe, netbeheerder Liander, Energie Samen Rivierenland, woningcorporatie KleurrijkWonen, Betuwewind en YesAndMore. Deze evaluatiesessies hebben geleid tot een opsomming van de belangrijkste doelen, belangen en meerwaarde ten aanzien van de pilot en tevens een overzicht van de belangrijkste (rand voorwaardelijke) Sterkten, Zwakten (waarmee men worstelt), Kansen en Bedreigingen. Hieronder wordt een samenvatting gegeven van de resultaten. Gezamenlijke doelen De doelen die men nastreeft zijn het waarborgen van een leefbaar klimaat en daarom ook het terugdringen van de CO2 uitstoot en het aardgasgebruik. Al doende beoogt men ook de energietransitie te realiseren en de ontwikkeling van een integraal energiesysteem en warmtenetten te versnellen. Zo moet ook de warmtetransitie op gang worden gebracht en worden versneld. Dit dient te resulteren in betaalbare, betrouwbare en duurzame warmte van en voor 187 (hurende) huishoudens in Enspijk. Door de betrokkenheid bij deze pilot wil men ook aangeboden hulp aan elkaar effectueren en leren en ontwikkelen.

Uiteindelijk wil men de haalbaarheid aantonen, de pilot financieren en vergunnen en een (goed) voorbeeld zijn. Gezamenlijke belangen De belangen die men hierbij heeft zijn het naleven van principes en een goed gevoel eraan overhouden. Ook wil men de warmte uit de Linge optimaal benutten en ervoor zorgen dat er minimale klimaatadaptatie maatregelen nodig zijn. Tevens heeft men belang bij het nakomen van de wettelijke verplichtingen en de energietransitie te versnellen. Er is belang bij het verkopen van het product duurzame warmte en ook bij het leren door te doen. Uiteindelijk heeft men er belang bij dat iedere inwoner haalbare en betaalbare warmte krijgt en dat er zo min mogelijk techniek in de woning komt. Het is in ieders belang dat we synergie creëren door: het concretiseren van belangrijkste vraagstukken, het behartigen van het algemene belang, te werken aan de integraliteit van het totale energiesysteem en door rekening te houden met elkaar. Tot slot heeft men belang bij het opkomen voor energiecoöperaties/gemeenschapen. Meerwaarde van de pilot De meerwaarde die de betrokkenen in de pilot zien zijn onder meer de voorbeeld-, blauwdruk- en prototypefunctie en het innoverende karakter. Ook ziet men meerwaarde in de ontwikkeling van onderling vertrouwen, betrokkenheid en samenwerking en in het gezamenlijk vormgeven van de oplossing.

De pilot wordt gezien als een realiseerbare bijdrage. De koppeling die wordt gelegd tussen wind en warmte is eveneens een meerwaarde. Sterkten (rand voorwaardelijke) De sterkten die uit de evaluatie naar voren kwamen en die kunnen worden beschouwd als rand voorwaardelijke eigenschappen voor nieuwe initiatieven zijn: • De duurzame en integrale technische oplossing • Het/de DWE-team (leden) • De integrale aanpak • De ondersteuning van en samenwerking met de gemeente • Stakeholdermanagement: Samenwerking met, en vertrouwen tussen betrokkenen.

73 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

Zwakten (aandachtspunten) De zwakten die de betrokkenen aandroegen zijn de zaken waarmee de pilot worstelt. Deze moeten worden gezien als aandachtspunten: • De afhankelijkheid van een handvol sleutelfiguren binnen en buiten DWE • De CAPEX/WEQ verhouding • De doorlooptijd van meer dan 5 jaar • De tijd, capaciteit, middelen en eigenaarschap van de inwoners • Zoekend en lerend in visie, aanpak en (professionele) organisatie Kansen De kansen die voor de betreffende pilot werden aangedragen maar ook geschikt zijn voor nieuwe initiatieven zijn op dit moment: • De beschikbaarheid van middelen en diensten bij de provincie • De behoefte aan warmtetransitie voorbeelden voor onder andere kleine kernen bijvoorbeeld langs de Linge • De ontwikkeling van lokale en integrale aanpak voor de energietransitie (energie, infra en leefomgeving) • De ontwikkeling van regionale en integrale financieringsoplossingen Bedreigingen De bedreigingen die men voor zowel de pilot als voor nieuwe initiatieven ziet zijn: • Het gebrek aan regie en organiserend vermogen bij gemeente en regio; • De onzekere en ongeschikte financiële kaders en instrumenten voor kleine kernen van financiële partijen; • Verminderende ondersteuning en belemmerende wet- en regelgeving door (veranderend) politiek klimaat en beleid overheid; • Het volloop risico doordat inwoners Enspijk onvoldoende nut zien in collectieve duurzame

warmtevoorziening.

Pilot FruitMasters

Voor de pilot FruitMasters is geen inlegger ontworpen, wel staat hieronder een korte toelichting van de gemaakte stappen. De eerste contacten met betrekking tot het beschikbaar zijn en het gebruik van restwarmte van FruitMasters dateren van begin 2021. FruitMasters had destijds een Europese subsidie ontvangen, waarbij als randvoorwaarde gold dat er vóór 31 december 2023 een warmtenet in de grond moest liggen. De eerste inschatting was dat FruitMasters een hoeveelheid restwarmte beschikbaar had, die genoeg zou zijn voor 5000 woningen. Daarmee zou heel Geldermalsen (ca. 4500 woningen) voorzien kunnen worden van restwarmte. Uiteindelijk is de tijd tekort gebleken om voor het eind van 2023 het Warmtenet gerealiseerd te krijgen. Daarna heeft de voortgang een paar maanden stil gelegen. Inmiddels zijn de gesprekken weer opgestart om te komen tot een warmtenet naar FruitVillage. De intentie is om dit modulair op te bouwen zodat de levering van restwarmte aan Geldermalsen ook een mogelijk blijft. FruitVillage ( huisvesting die wordt gebouwd voor internationale werknemers) heeft naast het warmtenet ook stroom nodig van FruitMasters om gerealiseerd te kunnen worden. Beide projecten kunnen dus niet los van elkaar worden gezien. Tot 2029 is een eigen elektriciteitsaansluiting voor FruitVillage geen optie, en misschien duurt dit zelfs langer.

Voor de gecontracteerde behoefte is tot nu toe door Liander geen concrete toezegging gedaan.

74 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

Voor FruitVillage is stroom van FruitMasters nodig. Dit is mogelijk als FruitVillage wordt aangesloten op het warmtenet. Zonder aansluiting op het warmtenet is een nog grotere elektriciteitsaansluiting nodig die niet gerealiseerd kan worden. Er is dus een groot congestieprobleem bij FruitVillage, dat alleen kan worden opgelost door het warmtenet aan te leggen in combinatie met de gedeelde elektriciteitsaansluiting van FruitMasters. Hierover zijn ook afspraken gemaakt met FruitMasters.

75 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

Bijlage 4: Huidige en toekomstige warmtevraag

Figuur 1. Huidige warmtevraagdichtheid gemeente West Betuwe - alle functies

Figuur 2. Toekomstige warmtevraagdichtheid gemeente West Betuwe - alle functie

Bijlage 5: Duurzaam opgewekte warmte De gecombineerde warmtevraag voor utiliteit en woningen in West Betuwe zal circa 1368 TJ/jaar zijn in 2050 (Figuur 1). Dit is dan ook de warmtevraag waarvoor we de komende jaren passende warmtebronnen moeten gaan zoeken. In de Regionale Energiestrategie is een voorstel gedaan om in 2030 0,376 TWh duurzame elektriciteit op te wekken. Wanneer deze duurzame elektriciteit alleen zou worden ingezet voor de opwek van duurzame warmte is dit voldoende om in 2050 aan deze lokale vraag te voldoen.

Figuur 1. Warmtevraag op basis van gestelde doelen

78 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

Bijlage 6: Data-analyse Methode analyse kansrijke warmteoplossing

In deze bijlage is beschreven welke methode is toegepast om te komen tot de meest kansrijke warmteoplossingen Nationale kosten als uitgangspunt voor data-analyse / vinden van beste warmteoplossing De Rijksoverheid vraagt gemeenten de warmtetransitie binnen de gemeentegrenzen te realiseren en keuzes te maken op basis van laagste nationale kosten en eindgebruikerskosten en dit te onderbouwen (Klimaatakkoord, 2019) in het Warmteprogramma. Belangrijk doel van het Warmteprogramma is om handelingsperspectief te geven aan iedereen in de gemeente. Aan de inwoners, de gevestigde ondernemers en de professionele stakeholders werkzaam binnen de gemeente. Dat handelingsperspectief betekent duidelijkheid over de toekomstige warmtevoorziening per deelgebied en welke aanpassingen daarvoor nodig zijn aan de gebouwen. Met de hieronder beschreven methode is, met de kennis van nu, getracht om dat handelingsperspectief tijd- en kostenefficiënt te bieden. De keuze voor een alternatieve warmteoplossing begint met de afweging tussen een collectieve of individuele warmteoplossing. DWTM ziet in de analyse voor het Warmteprogramma een aantal belangrijke indicatoren die iets zeggen over de financiële haalbaarheid van een collectieve warmteoplossing, namelijk de warmtevraag(dichtheid), de nabijheid van warmtebronnen en de hoeveelheid potentiële aansluitingen.

We zien in de Startanalyse van het PBL, uit de resultaten van onze eigen tools én aan de recente ontwikkelingen in de markt, dat een warmtenet alleen financieel haalbaar is onder gunstige omstandigheden. Door naar boven genoemde indicatoren te kijken, kunnen we een eerste inschatting maken in welke gebieden een warmtenet wel, misschien of waarschijnlijk niet haalbaar is. Warmtevraag De benodigde investering voor een collectieve warmteoplossing is aanzienlijk. Een collectieve oplossing is economisch daarom alleen wenselijk bij een relatief grote vraag naar warmte. Voor de bepaling van de huidige en toekomstige warmtevraag hebben wij een eigen tool ontwikkeld, de BAG-verrijking. Met deze tool maken wij een inschatting van de warmtevraag per woning, gebaseerd op een analyse van het daadwerkelijke gasverbruik per woningtype. De tool werkt als volgt • Openbare data van de BAG en RVO vullen wij aan met onze inschatting van energie labels om een actueel beeld te krijgen van de isolatiegraad van woningen in een gebied. • We schatten de huidige en toekomstige warmtevraag in, gebaseerd op daadwerkelijk gasverbruik op PC6-niveau. • We specificeren de warmtevraag per type woning, bouwjaarcategorie, energielabel en oppervlakte.

Warmtevraagdichtheid Een groot deel van de investering in een collectief warmtesysteem bestaat uit kosten voor infrastructuur: het leidingwerk in de grond waardoor warm water van warmtebron naar gebruikers stroomt. Hoe minder leidingwerk benodigd is voor de levering van warmte, hoe lager de nationale kosten voor het warmtenet. En daarom is de warmtevraagdichtheid (GJ/ha/jaar) een belangrijke indicator om de kans rijkheid van een warmtenet te beoordelen. We brengen de warmtevraagdichtheid in kaart door de warmtevraag te plotten op een 79 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

oppervlakte. Hoe hoger de warmtevraagdichtheid, hoe groter de kans dat de investering in de infrastructuur terugverdiend kan worden met de verkoop van warmte. Een hogere warmtevraagdichtheid zorgt namelijk voor relatief minder leidingwerk, wat de investeringskosten (en gerelateerde onderhoudskosten) verlaagt. Hierdoor is de businesscase voor een warmtenet in een gebied met veel hoogbouw en rijtjeswoningen beter dan in een gebied waar veel vrijstaande woningen en 2-onder-1-kapwoningen staan. Aanwezigheid warmtebronnen De investering in de warmtebron kan een groot deel van de totaal benodigde investering zijn. Daarom onderzoeken we de nabije aanwezigheid van een warmtebron of de mogelijkheid deze te ontwikkelen. De aanwezigheid van warmtebronnen beoordelen we door middel van deskresearch. We kijken naar bedrijvigheid waarbij warmte vrijkomt zoals bakkerijen, kassen, koelingen, steenbakkerijen, maar ook naar warmtebronnen als geothermie en aquathermie (oppervlaktewater, RWZI, drinkwater). Daarnaast maken we gebruik van de informatie die we over mogelijke bronnen ophalen bij de gemeente en andere organisaties zoals waterschappen. Stel er is een warmtebron, dan is ook nog belangrijk op welke temperatuur deze bron warmte kan leveren. Hoe hoger de brontemperatuur (bijv.

hoge temperatuur bij geothermie), hoe minder installaties nodig zijn: de warmte kan direct benut worden door de bewoners. Daar tegenover staat dat de leidingen dan goed geïsoleerd moeten worden om warmteverliezen zoveel mogelijk te voorkomen. Bovendien kan het kostbaar zijn om zo’n bron te realiseren. Is de temperatuur van de bron laag (bijvoorbeeld bij aquathermie), dan zijn er warmtepompen nodig om de temperatuur op te waarderen, of heeft elke woning individueel een warmtepomp nodig. Bij een lagere temperatuur hoeven leidingen minder geïsoleerd te worden, maar is er in huis wel een extra installatie nodig. Deze voorbeelden laten zien dat het een complex samenspel van factoren is die uiteindelijk de financiële haalbaarheid bepalen. In alle gevallen geldt dat de investering terug verdiend moet kunnen worden met de verkoop van warmte: er moet dus voldoende afname van warmte zijn. Aantal aansluitingen In onze analyse zijn de kosten van warmtenetten niet gesocialiseerd: de kosten worden berekend op basis van het aantal aansluitingen in het gebied waarin we collectieve warmte onderzoeken. Er moeten voldoende aansluitingen zijn om de initiële investering en de kosten voor het onderhoud van het warmtenet over te verdelen. Het type warmtebron heeft veel invloed op het minimaal gewenst aantal aansluitingen.

Zo zijn de investeringen van een diepe geothermieput heel hoog, waardoor er veel afzet nodig is om de investering terug te verdienen. Een kleinschalige warmtebron, zoals de uitkoppeling van aquathermie, kan al bij enkele honderden aansluitingen interessant zijn, afhankelijk van andere factoren zoals warmtevraagdichtheid, type woningen, etc.. Aansluiting op een warmtenet kan niet worden verplicht. Een groter aantal mogelijke aansluitingen beperkt het risico op een tekort aan warmteafnemers in de eindsituatie. Oók tijdens de ontwikkeling kunnen dan al eerder meer aansluitingen gerealiseerd worden. Dat is relevant, omdat het wel jaren kan duren voordat het hele gebied aangesloten kan worden op het warmtenet: de vollooptijd. We kijken ook naar de aanwezigheid van woningcorporatiebezit. Wanneer een woningcorporatie besluit afnemer te worden van een collectief warmtesysteem heeft dat meerdere voordelen. De aanwezigheid van een woningcorporatie kan het vollooprisico beperken doordat, mits de participatiegraad van 70% wordt gerealiseerd8, een relatief groot aantal woningen in een korte tijd kunnen worden aangesloten. Daarnaast biedt een beperkt aantal stakeholders organisatorische voordelen ten opzichte van veel verschillende 8

Binnen een complex van een woningcorporatie moet voldoende draagvlak zijn onder de huurders.

80 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

woningeigenaren. Een groter aantal mogelijke aansluitingen, eventueel in aanwezigheid van een woningcorporatie, geeft daarmee meer zekerheid voor investeerders en een warmtebedrijf. Een hogere participatiegraad en meer aansluitingen zorgen voor lagere kosten voor het collectieve warmteconcept per aansluiting. Daarmee wordt het meer concurrerend met individuele warmteoplossingen. Inschatting warmteoplossingen Veel afwegingen spelen een rol in de keuze voor een warmteoplossing.. Betaalbaarheid is een belangrijk criterium. Óf een warmteoplossing duidelijk goedkoper is dan alternatieven, kan aan de hand van bovenstaande criteria niet worden gesteld. Omdat de precieze kosten van een warmtenet op dit niveau nog niet zijn te bepalen, maken wij een inschatting op basis van de beschreven criteria. Hoe hoger de toekomstige warmtevraag en warmtevraagdichtheid en hoe groter het aantal potentiële aansluitingen en de aanwezigheid van bestaande warmtebronnen, hoe groter de kans dat een warmtenet vanuit economisch perspectief een concurrerende warmteoplossing is. Met bovenstaande analysemethode zijn gebieden waarbinnen collectieve warmte mogelijk financieel interessant zijn geïdentificeerd. In een latere fase is met DWTM’s Warmtetool in een hoger detailniveau naar warmteoplossingen per gebieden gekeken. Hierover later meer.

Gebieden met een beperkte warmtevraagdichtheid en waarbij de woningen al gereed zijn voor lage temperatuurverwarming of goed zijn te isoleren voor lage temperatuurverwarming oormerkt DWTM als gebieden voor een individuele warmteoplossing (elektrische warmtepompen). Gebieden met een beperkte warmtevraagdichtheid en waarbij de woningen moeilijk zijn te isoleren voor een lage temperatuurverwarming oormerkt DWTM als gebieden voor een individuele warmteoplossing ((hybride) warmtepomp) of in het uiterste geval, wanneer het technisch niet mogelijk is de benodigde aanpassingen te doen voor isolatie en/of het warmtesysteem, groen gas. Fasering De doorlopen analysestappen geven houvast om wijken aan te wijzen waar het interessant lijkt om op korte termijn concreet aan de slag te gaan met ‘aardgasvrij’ en waar misschien eerst de focus moet liggen op isoleren. De volgorde waarin de gemeenten de verschillende gebieden binnen de gemeentegrenzen aandoet heet de ‘fasering’. Om volgorde aan te brengen in de verschillende gebieden kijkt DWTM naar de kans rijkheid van de mogelijke oplossing, de mogelijkheid om snel te starten en koppelkansen met andere opgaven om overlast en/of kosten te beperken. Daarnaast is het in gebieden waar een warmtenet kansrijk lijkt belangrijk om tijdig aan de slag te gaan.

Hoe langer daar wordt gewacht, hoe groter de kans dat bewoners intussen al individueel iets ondernemen. Terwijl juist zoveel mogelijk woningen nodig zijn om een collectieve oplossing tot een succes te maken. Per soort warmteoplossing zijn verschillende criteria van invloed: Collectieve warmteoplossing • Aanwezigheid warmtebron • Warmtevraagdichtheid • Percentage woningcorporatiebezit • Aanwezigheid buurtinitiatief • Schaalbaarheid • Te verwachten natuurlijke momenten (koppelkansen) 81 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

Individuele warmteoplossing • Capaciteit elektriciteitsnet en planning netbeheerder • Mate van isolatie • Gelijkvormigheid woningen • Natuurlijke momenten (cv-ketel vervanging) Isolatie • • •

Energiearmoede Besparingspotentieel Gelijkvormigheid woningen

De gebieden van de gemeente zijn beoordeeld met deze criteria. Dit geeft per soort warmteoplossing een eerste argumentatie voor een fasering. Vanuit dit vertrekpunt heeft de gemeente de fasering van gebieden gemaakt. Laagste nationale kosten en eindgebruikerskosten Na het identificeren van gebieden met potentie voor collectieve warmte en het beargumenteren van een fasering hebben we een Warmtetoolanalyse uitgevoerd (Figuur 1). De Warmtetool is DWTM’s rekenmodel waarmee tijd- en kostenefficiënt criteria van verschillende duurzame warmtetechnieken voor specifieke gebieden kunnen worden vergeleken. In dit geval is voor alle clusters binnen de gemeentegrenzen een elektrische oplossing (lucht-warmtepomp) en twee varianten van een warmtenet (maakbare bron en, als aanwezig, een natuurlijke bron zoals warmte uit oppervlaktewater) doorgerekend en met elkaar vergeleken. De onderzochte criteria zijn nationale kosten en eindgebruikerskosten per warmtetechniek. De resultaten uit de warmtetool analyse zijn gebaseerd op een data-gedreven scenarioanalyse. Op basis hiervan ontstaat een beeld van de kans rijkheid van verschillende technieken, maar kan geen sluitende conclusie geformuleerd worden over technische of economische haalbaarheid. Het gaat om indicatieve resultaten die een mate van onzekerheid met zich meebrengen.

Ondanks dat onze rekenmethodes frequent geüpdatet worden, blijven de waarden van bijvoorbeeld prijsontwikkelingen en participatiegraad aannames. Dit betekent dat de resultaten vooral geschikt zijn om scenario's per buurt onderling te vergelijken. Om te beoordelen of het relatieve verschil tussen scenario’s significant is, dient rekening te worden gehouden met een marge van 20%.

82 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

Figuur 14. rekenmodel waarmee tijd- en kostenefficiënt criteria kunnen worden vergeleken

De uitkomsten van de Warmteool analyse zijn per gebied naast de eerdere inschatting gelegd. Wanneer bij een gebied op het criterium laagste nationale kosten de elektrische oplossing 20% (of meer) beter scoorde dan de best scorende collectieve warmtenet oplossing, is in dit gebied de elektrische warmtepomp geoormerkt als voorkeursoplossing voor het gebied (in sommige gevallen samen met groen gas, bij een complexe isolatieopgave). Bij de overige gebieden is het andere betaalbaarheidscriterium, laagste eindgebruikerskosten, op dezelfde manier beoordeeld: wanneer een verschil van 20% in het nadeel van de best scorende collectieve oplossing werd geconstateerd, is in dit gebied de elektrische warmtepomp (met in sommige gevallen groen gas) als voorkeursoplossing geoormerkt. Bij overgebleven gebieden is op de criteria nationale- en eindgebruikerskosten geen significant verschil tussen de verschillende warmteoplossingen zichtbaar en zijn zo geoormerkt als gebied dat potentie heeft voor (vervolgonderzoek naar) collectieve warmte. Overige criteria van invloed op voorkeuroplossing Naast de financiële afwegingscriteria bestaan vele andere criteria.

Het kan in kleine buurten of kernen nog steeds interessant zijn, de mogelijkheid van een warmtenet te onderzoeken vanwege andere voordelen die een collectieve warmteoplossing biedt, zoals: - wanneer er beperkte isolatiemogelijkheden zijn; - ruimte in of buiten de woning beperkt is voor een alternatieve warmteoplossing; - draagvlak onder inwoners; - (beperkte) capaciteit op het elektriciteitsnet voor elektrische oplossingen; - lage initiële investering voor inwoners; - uitbreiding van een warmtenet en zo relatief eenvoudig meer woningen aardgasvrij.

83 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

Vanuit de resultaten van de warmtetoolanalyse heeft de gemeente aan de hand van overige criteria en input van stakeholders de voorkeursoplossing per gebied definitief gemaakt. Deze uitkomsten zijn vertaald naar een warmteoplossingen-kaart die in het warmteprogramma is opgenomen.

84 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

Bijlage 7: Bouwjaren

Figuur 1. Bouwjaren van gebouwen in gemeente West Betuwe

Bijlage 8: Energie labels

Figuur 1. Energie labels woningen in gemeente West Betuwe

Bijlage 9: Aantal nieuwbouw woningen

Figuur 1. Nieuwbouw woningen in gemeente West Betuwe

Bijlage 10: Warmteprofielen

Figuur 1. Warmteprofielen van gebouwen in gemeente West Betuwe

Bijlage 11: Vermogen aardwarmte

Figuur 1. Vermogen aardwarmte gemeente West Betuwe

Bijlage 12: Categorieën warmteoplossing Individuele oplossingen

Als woningen redelijk geïsoleerd zijn of in de toekomst geïsoleerd kunnen worden, zijn individuele oplossingen zoals een luchtwarmtepomp of een bodemwarmtepomp geschikt. Deze woningen zijn vaak ook geschikt voor een laagtemperatuur warmtenet. Dit is financieel moeilijk te realiseren door de beperkte warmtevraag en de verwachting dat veel woningeigenaren al zelfstandig hebben verduurzaamd met een individuele warmteoplossing. Klein-collectieve oplossingen zijn hier een optie, zoals een gezamenlijke bodemwarmtepomp voor 3 tot 7 woningen (via een mini-warmtenet). In gebieden met een lagere bebouwingsdichtheid, waar bijvoorbeeld veel vrijstaande huizen of twee-onder-één-kap woningen staan, is de keuze voor individuele oplossingen logisch. Een warmtenet is hier al snel te kostbaar om aan te leggen, omdat de huizen ver uit elkaar liggen waarmee het warmtenet te kostbaar wordt. Er moet namelijk veel kostbaar leidingwerk worden aangelegd waar een kleine hoeveelheid woningen op wordt aangesloten. Hierdoor wordt de aansluiting per individuele woning vaak erg kostbaar.

Kansrijk voor een warmtenet

In de groene gebieden is een warmtenet een serieuze optie. Hier kunnen verschillende redenen voor zijn: er is bijvoorbeeld een hoge warmtevraag op een klein oppervlakte (warmtedichtheid) en/of er is een duurzame warmtebron in de buurt. Overigens betekent de voorkeur voor een warmtenet in een buurt niet dat woningen daar verplicht op worden aangesloten. Voor eigenaren van een goed geïsoleerde woning kan het bijvoorbeeld aantrekkelijker zijn een warmtepomp te nemen. Zolang het alternatief voor een warmtenet minstens even duurzaam is. Op het moment dat wordt gekozen om een warmtenet in de buurt aan te leggen kan op termijn (circa acht jaar) het aardgas worden afgesloten. De exacte termijn zal nog worden bepaald in toekomstige wetgeving die zal worden aangehouden in gemeentelijk beleid. De gebieden met de donkerste tinten, vanaf 1000 GJ/ha, daar is een warmtenet kansrijk, als er een geschikte warmtebron in de buurt is. Onder de 500 GJ/ha is een warmtenet in veel gevallen financieel niet haalbaar, en zijn individuele oplossingen voordeliger. Tussen 500 en 1000 GJ/ha hangt het af van de omstandigheden, zoals het type warmtebron en de afstand tussen woningen en warmtebron. Overigens heeft de hoeveelheid woningen ook invloed op de haalbaarheid voor het realiseren van een warmtenet.

Wanneer er minder dan 500 woningen aanwezig zijn in een gebied maakt dit de mogelijkheden voor het realiseren van een warmtenet minder aannemelijk

Individueel of met warmtenet

In deze gebieden is het nog onzeker wat de meest maatschappelijk rendabele oplossing is: individueel of met een warmtenet. Er moet in deze gebieden meer gedetailleerd onderzoek worden gedaan naar besparingsmogelijkheden, de beschikbaarheid van nabije warmtebronnen en de kosten van het exploiteren van de warmtebronnen. Wanneer in aangrenzende gebieden een warmtenet gerealiseerd wordt, kan dit een kans zijn om een onzeker gebied ook op dit warmtenet aan te sluiten. Hierbij blijft de warmtevraagdichtheid een goede indicatie om te bepalen of een warmtenet kostentechnisch realiseerbaar is. Een belangrijke factor voor het realiseren van collectieve oplossingen of individuele oplossingen is netcongestie. Wanneer het elektriciteitsnetwerk ook op de lange termijn niet geschikt is voor de toenemende stroomvraag voor individuele warmteoplossingen dan kan een warmtenet een meer aantrekkelijke oplossing zijn. De verwachting is dat tot 2029 individuele verduurzaming doormiddel van een all-electric warmtepomp door de netbeheerder wordt afgeraden. 90 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

Individueel of duurzaam gas.

In een aantal wijken staan veel oudere woningen en monumenten, die ook in de toekomst waarschijnlijk een hogere temperatuur (60 graden of hoger) warmteafgifte nodig hebben. De bebouwingsdichtheid is hier laag. Dit zijn gebieden waar duurzaam gas (biogas of waterstof) mogelijk een optie is. Echter is de toekomstige beschikbaarheid van zowel biogas als waterstof onzeker. Daarom zijn ook individuele oplossingen, zoals een warmtepomp of een pelletkachel, hier een optie. Hiervoor moeten de meeste woningen wel eerst vergaand geïsoleerd worden, zie Bijlage 17. Vanwege de onzekerheid worden deze gebieden niet als eerste aangepakt – we wachten de ontwikkelingen rond duurzaam gas en waterstof af. In de tussenliggende jaren zetten we in op energiebesparing via isolatie en hybride warmtepompen.

91 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

Bijlage 13: Toelichting factoren Combinatie met andere werkzaamheden: Waar we werkzaamheden kunnen combineren, doen we dat. De onderhoudsplanning van woningcorporaties of werkzaamheden aan de openbare ruimte, kunnen aanleiding zijn om direct ook de energie-infrastructuur in een buurt aan te pakken. Een andere koppelkans is de sociale ontwikkeling van een buurt waarin de gemeente bijvoorbeeld graag de sociale cohesie of veiligheid wil verbeteren. Er zal goed moeten worden gekeken naar kosten en baten van het combineren van werkzaamheden. Om in het juiste tempo vorm te geven aan de warmtetransitie zal dit ook beteken dat niet altijd voorkomen kan worden dat werkzaamheden in een gebied na elkaar worden uitgevoerd met meer overlast tot gevolg. Te verwachten natuurlijke momenten: Verschillende wijken in West Betuwe zijn rond dezelfde tijd gebouwd. Dit betekent dat de cv ketels ook rond dezelfde tijd zijn aangesloten. In dit soort wijken kan gekeken worden naar mogelijkheden voor collectieve inkoop van individuele warmtepompen wanneer de cv ketels ongeveer rond hetzelfde moment aan vervanging toe zijn. Bestaande warmtebronnen: Wijken die in de nabijheid liggen van een bestaande warmtebron (oppervlaktewater, rioolwaterzuiveringscentrale, restwarmte) bieden een logische kans om van deze bron gebruik te maken voor een collectieve warmteoplossing.

Het is belangrijk om over brongebruik heldere lange termijn afspraken te maken voor de gebruikers van de warmte en de eigenaar van de bron. Vervanging aardgasnet: Gebieden waar de aardgasleidingen vanwege standaardonderhoud vervangen moeten worden, zijn een mogelijk startpunt. In principe leggen we geen nieuwe aardgasleidingen meer aan, maar vervangen die door een duurzame warmtevoorziening. Dit is met uitzondering van grondroergevoelige leidingen die vervangen worden bij werkzaamheden in de ondergrond. Percentage corporatiebezit: Hoe meer corporatiewoningen, hoe groter het aandeel dat in bezit en beheer is van één partij. Dat heeft als voordeel dat dit een positieve invloed kan hebben op het doorlopen van processen. Wanneer 70 procent van de huurders positief staat tegenover de warmteoplossing is dit al een groot gedeelte van de wijk. Dit zal wel vragen om een forse inspanning op het creëren van draagvlak onder huurders. Daarnaast hebben woningcorporaties wettelijke eisen waar zij aan moeten voldaan ten aanzien van het verduurzamen van woningen. Daarnaast kan worden aangesloten op de onderhoudscycli van deze woningen. Wanneer een groot deel in de buurt tegelijk aangepakt kan worden, wordt het interessant om de rest van de buurt hierbij te betrekken, bijvoorbeeld met grootschalige isolatieprojecten, collectieve inkoop van warmtepompen of de aanleg van een warmtenet.

Initiatief inwoners of vastgoedeigenaren: Wijken waar inwoners en/of vastgoedeigenaren het voortouw nemen om aardgasvrij te worden (of open staan voor een collectieve oplossing), kunnen vooroplopen. De gemeente weegt deze initiatieven mee in de overweging waar en wanneer er van start wordt gegaan met de uitvoeringsplannen van de TVW 2.0. Eenvoud aanpak: 92 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

Voor wijken met veel dezelfde woningen is het makkelijker een aanpak op te stellen. Hetzelfde geldt voor uniforme bedrijventerreinen met gelijksoortige gebouwen. Is er aanwezigheid van maatschappelijk vastgoed? Dan kan dit een extra reden zijn om eerder met een buurt / bedrijventerrein aan de slag te gaan. Collectieve systemen: De eerste wijken die beginnen met een uitvoeringsplan hebben een focus op een collectieve oplossing. De reden is dat individuele warmteoplossingen tot 2029 naar waarschijnlijkheid beperkt mogelijk gaan zijn. Dit komt door de beperkte ruimte op het elektriciteit netwerk. Schaalbaarheid: Wijken waarvan de aanpak uitgerold kan worden in andere wijken hebben de voorkeur. Dit om het leereffect in de rest van de gemeente te benutten. Nieuwbouwplannen: Wanneer er uit te voeren nieuwbouwplannen worden gerealiseerd kan dit de mogelijkheid bieden om een energiesysteem te realiseren waar ook bestaande bouw op kan worden aangesloten. Capaciteit elektriciteitsnet / netcongestie: Is het net al gereed voor all-electric oplossingen of dient dit eerst verzwaard te worden? Netcongestie: De overbelasting van het stroomnetwerk heeft de komende jaren grote gevolgen voor de gebouwde omgeving. Er zal een aantal plekken zijn waar het stroomnet de komende jaren niet wordt verzwaard waardoor woningen in beperkte mate over kunnen op een individuele all-electric oplossing.

Mate van isolatie: Wanneer woningen reeds goed geïsoleerd zijn heeft dit een positief effect op de mogelijkheid om op korte termijn aardgasvrije oplossingen te verwezenlijken Energiearmoede: Wanneer er veel energiearmoede in een wijk is heeft dit invloed op het maken van keuzes. Er wordt bij veel energiearmoede eerder gekozen voor een wijkaanpak om versneld aan de slag te gaan met isoleren. Lerend vermogen In de pilots die we kiezen is het lerend vermogen belangrijk. Hierbij wordt de nadruk gelegd op het verbreden van de kennis en ervaringen.

93 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

Bijlage 14: Toelichting transitiepad Collectief -

UP Geldermalsen Zuid In deze wijk zijn veel woningen in bezit van de woningcorporatie. Dit kan een positieve factor zijn. Wanneer 70 procent van de huurders positief staat tegenover de warmteoplossing is dit al een groot gedeelte van de wijk. Dit zal wel vragen om een forse inspanning op het creëren van draagvlak onder huurders. Daarnaast hebben woningcorporaties wettelijke eisen waar zij aan moeten voldaan ten aanzien van het verduurzamen van woningen. De woningen zijn vrij uniform en verschillen qua bouw niet veel van elkaar. Dit kan voordelen bieden bij het aansluiten op een collectieve oplossing. Er ligt in deze wijk nog wel een isolatieopgave. Uit het bronnenonderzoek (Bijlage 16) wat is uitgevoerd in Geldermalsen kwam dat het starten met Geldermalsen Zuid het meest gunstig is.

-

UP Geldermalsen Centrum In Geldermalsen centrum is de warmtevraagdichtheid in verhouding tot de andere wijken in Geldermalsen relatief hoog. Op basis van de bronnenstudie heeft deze wijk de voorkeur om als tweede wijk aan te sluiten op een warmtenet. Hier ligt wel een isolatieopgave.

-

UP Geldermalsen West Dit gebied heeft in Geldermalsen de grootste hoeveelheid woningen met een goed isolatielabel. Verder ligt deze wijk vrij dicht bij de restwarmtebronnen die kunnen worden ingezet bij een warmtenet. Uit het bronnenonderzoek komt naar voren dat het kosteneffectief is om deze wijk als derde wijk aan te sluiten op een warmtenet.

-

UP Geldermalsen Tuindorp/ station Deze wijk ligt het dichtst bij de beschikbare warmtebronnen. In Tuindorp is een actieve buurtvereniging die graag mee wil denken met het realiseren van een warmtenet in Geldermalsen. In deze wijk wordt gestart met de Lokale Aanpak Isolatie. Het versnelt isoleren van woningen heeft een positief effect op het aansluiten van de woningen op een warmtenet,

-

UP Geldermalsen Oost Op basis van het bronnenonderzoek wordt in Geldermalsen Oost als laatste wijk gestart met een het opstellen en uitvoeren van een wijkuitvoeringsplan.

-

UP Enspijk In Enspijk is de afgelopen jaren een pilot uitgevoerd om te bepalen of een collectieve warmteoplossing in een kleine dorpskern mogelijk is. Enspijk is in de Transitievisie 1.0. ook benoemd als pilot zodat we kunnen leren van het proces. In hoofdstuk.. worden de geleerde lessen van deze pilot toegelicht. In de TVW 1.0 is Enspijk benoemd als pilot. Samen met de coöperatie Duurzame Warmte Enspijk en diverse stakeholders, wordt er nu toegewerkt naar een haalbare, betaalbare en opschaalbare oplossing. We zijn nu op het punt gekomen dat de pilot over kan gaan naar de status Uitvoeringsplan, zonder daarbij uit het oog te verliezen dat het hier nog steeds gaat om het leren van Enspijk

-

Warmteoplossing studie Geldermalsen In Geldermalsen is het afgelopen jaar een bronnenstudie uitgevoerd. Om in kaart te brengen of een collectieve warmteoplossing een rendabele optie is zal hier een 94 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

vervolgonderzoek moeten worden uitgevoerd waar een warmtenet wordt vergeleken met andere warmteoplossingen. -

Bronnenstudie Asperen Om te bepalen wat de haalbaarheid is van een warmtenet zal een bronnenonderzoek moeten worden uitgevoerd. Hier wordt gekeken wat de beschikbare warmtebronnen zijn, hoe een schetstracé voor een warmtenet eruit kan zien en hoe een businesscase eruit kan komen zien. Uit de data-analyse komt naar voren dat Asperen goed geschikt zou kunnen zijn voor een warmtenet.

-

UP Asperen Uit de data analyse komt naar voren dat Asperen een hoge warmtevraagdichtheid heeft wat betekend dat de mogelijkheden voor een warmtenet goed mogelijk zouden kunnen zijn. Naar waarschijnlijkheid sluiten in de toekomst steeds meer inwoners en bedrijven een individuele warmtepomp aan. Daarom is het belangrijk om op de plekken waar collectief een mogelijke warmteoplossing is in de nabije toekomst aan de slag te gaan. In Asperen wordt de komende jaren veel werkzaamheden verricht aan de openbare ruimte. Er zal hier rekening mee moeten worden gehouden.

Individueel -

Meteren Kalenberg (nieuwe pilot, zie voor uitleg hoofdstuk 4,5) In deze wijk zijn de woningen relatief nieuw, hebben de woningen een goede isolatie en uit onderzoek blijkt dat ze goed geschikt zijn voor een individuele warmteoplossing. De verwachting dat inwoners hier rond dezelfde tijd hun cv-ketel vervangen is groot omdat de huizen rond dezelfde periode zijn gebouwd Bijlage 4 laat wel zien dat er voldoende warmte in de wijk wordt gebruikt om ook mogelijk een warmtenet aan te leggen. Omdat in de komende jaren veel inwoners hun cv-ketel gaan vervangen is het aannemelijk dat een groot aantal inwoners zal overstappen op een warmtepomp. Dit maakt de wijk elk jaar minder aantrekkelijk voor een warmtenet aangezien het percentage van individuele oplossingen elk jaar stijgt. Voor het aansluiten van een warmtepomp is het belangrijk dat bewoners goed geïnformeerd worden over de all-electric oplossingen. Wanneer veel inwoners kiezen voor een hybride warmtepomp zullen ze tot 2045 gebruik moeten maken van het aardgasnetwerk. Een hybride warmtepomp wordt namelijk door een cv ketel ondersteund. Deze wijk wordt ook aangewezen als nieuwe pilot zodat we actief kunnen stimuleren om voor all-electric oplossingen te gaan. Daarnaast heeft de gemeente nog geen ervaring heeft met het begeleiden van wijken waar een individuele oplossing het meest voor de hand liggend is.

Aangezien we graag inzetten op leren van de ervaringen die we opdoen in wijken zodat we dit ook in andere wijken kunnen toepassen is Meteren Kalenberg in dat opzicht een logische keuze.

-

Herwijnen In Herwijnen zijn wijken die vrij nieuw zijn en waar binnen een aantal jaar de cv-ketel ook aan vervanging toe is. Hier willen we de ervaringen die we hebben opgedaan in Meteren Kalenberg meenemen zodat we de inwoners het beste kunnen helpen met het maken van de juiste keuzes.

Isolatie -

Geldermalsen West (Laageinde- Tuindorp) In deze wijk zijn veel woningen met een slecht energielabel. Om het betaalbaar te maken om over te stappen op een alternatieve warmteoplossing is het wenselijk om hier eerst te isoleren. In deze wijk is een inwonersinitiatief actief waardoor een 95 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

collectieve isolatieaanpak kansen biedt. Laageinde- Tuindorp is aangewezen als een van de startwijken met de Lokale Aanpak Isolatie. -

Enspijk In Enspijk wordt met Duurzame Warmte Enspijk gewerkt aan een passende duurzame warmtevoorziening. De in 2023 in Enspijk opgerichte Coöperatieve Vereniging Duurzame Warmte Enspijk werkt toe naar de realisatie van een warmtenet in Enspijk in 2028. Om de komen tot een betaalbare warmteoplossing is isolatie belangrijk. Daarom wordt met de Lokale Aanpak Isolatie ook gestart in deze wijk

-

Geldermalsen zuid, Geldermalsen centrum, Asperen oude kern, Vuren Uit het dataonderzoek blijkt dat deze wijken een hoge isolatieopgave hebben en we zien hier ook een groter risico op energiearmoede. Dit is de reden dat deze wijken in het transitiepad opgenomen zijn. Zodat we inwoners in deze wijken helpen met het versnellen van het isoleren van woningen. Dit doen we door verschillende programma's te combineren zoals de Lokale Aanpak Isolatie en met EnergieVitaal. Dit allemaal met het doel de inwoners zo goed mogelijk kunnen helpen en ondersteunen met het treffen van verduurzamende maatregelen.

Bedrijven

Naast dat we naar woningen kijken binnen de warmtetransitie kijken we ook naar bedrijven, zij zijn namelijk onderdeel van de gehele opgave. -

Zeiving We starten met het bedrijventerrein Zeiving. Voor dit bedrijventerrein wordt de komende jaren een revitaliseringsplan opgesteld en uitgevoerd. Dit zorgt voor een mooie koppelkans om ook aan de slag te gaan met de warmtetransitie. Omdat we met de revitaliseringsopgave met een bredere blik naar het bedrijventerrein kijken is de verwachting dat we hier meer kunnen bewerkstelligen dan als er individueel wordt gekeken naar bedrijven.

-

Hondsgemet Zuid (nieuwe pilot) Komende jaren zal er veel nieuwe ontwikkeling plaatvinden in Hondsgemet Noord. Dit is een goede aanleiding om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om deze ontwikkelingen te combineren met het verduurzamen van het bestaand bedrijventerrein Hondsgemet Zuid. Dit gebied wordt ook als nieuwe pilot aangewezen. De gemeente wil hiermee leren hoe ze kan bijdragen aan de versnelling van het realiseren van aardgasvrije bestaande bedrijventerreinen.

-

Oudenhof De ervaringen die we opdoen in Zeiving willen we graag ook inzetten voor Oudenhof. Op het bedrijventerrein Oudenhof wordt er de komende jaren aan een revitaliseringsplan gewerkt. Hier kan een koppelkans ontstaan met het realiseren van een warmtenet in Geldermalsen.

96 | TRANSITIEVISIE WARMTE 2.0 WEST BETUWE

Bijlage 15: Proces om te komen tot een warmtenet Transitievisie: Het besluitvormingsproces voor een collectieve warmtevoorziening start met de transitievisie, die nu voorligt. Deze visie vormt een essentieel instrument voor de realisatie van een warmtenet. In de visie is een transitiepad opgenomen dat de wijken aanwijst waar de komende jaren stappen worden gezet om te verduurzamen en toe te werken naar een aardgasvrije toekomst. Participatieproces: Op basis van het vastgestelde transitiepad wordt een participatieproces uitgevoerd in de betrokken wijken. Tijdens dit proces houdt de gemeente rekening met de belangen van verschillende stakeholders door samen te werken bij het invullen van de keuzes en de planning. Vaststellen van warmtekavels: De volgende stap is dat het college van burgemeester en wethouders een warmtekavel vaststelt, gebaseerd op de transitievisie en de uitkomsten van het participatieproces. Een warmtekavel omvat de wijken waar de gemeente voornemens is een warmtenet te realiseren. De vaststelling van een warmtekavel heeft nog geen juridische gevolgen voor de bewoners en gebouweigenaren; deze ontstaan pas bij de besluitvorming in het omgevingsplan in het kader van de wijkgerichte aanpak. Aanwijzing van een warmtebedrijf: Na het vaststellen van de warmtekavel moet het college binnen een jaar een warmtebedrijf aanwijzen voor dat gebied.

Dit bedrijf krijgt het exclusieve recht om binnen de kavel warmte te transporteren en te leveren. Het warmtebedrijf is verantwoordelijk voor de aanleg en exploitatie van het warmtesysteem en is verplicht alle verbruikers in de kavel op het warmtenet aan te sluiten. Hiermee wordt een "recht op warmte" ingevoerd, ter vervanging van het huidige "recht op aardgas". Opstellen van een kavelplan: Als onderdeel van het "recht op warmte" moet het warmtebedrijf, op verzoek van het college, een kavelplan opstellen voor de warmtekavel of een deel daarvan. Dit plan richt zich op de specifieke wijken binnen de kavel. Het college moet akkoord gaan met dit plan om te verzekeren dat het aansluit bij de wensen van de gemeente en de uitkomsten van het participatieproces. Het kavelplan dient ook de informatie te bevatten die de gemeente nodig heeft voor verdere besluitvorming. Opstellen van een uitvoeringsplan: Na goedkeuring van het kavelplan vormt dit een belangrijke basis voor het uitvoeringsplan dat door de gemeente wordt opgesteld. Dit plan, dat vormvrij is, biedt een overzicht van de stappen die moeten worden genomen, wanneer deze moeten worden uitgevoerd, en door welke partijen, om het warmtenet in de wijk te realiseren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/677/documents/16842