CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2024-124-bijlage-ontwerpbestemmingsplan-de plantage-noordoost-ontwerp.pdf

Gemeenteraad 26 november 2024, gemeente West BetuweBij agendapunt: 11: Gewijzigd vaststellen ontwerpbestemmingsplan De Plantage Noordoost23.163 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2023 naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is:  Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet;  De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet. Onderzoek De gemeente West Betuwe heeft in 2021 nieuw erfgoedbeleid vastgesteld. Dit is gedaan zodat het erfgoedbeleid voor de gehele gemeente West Betuwe op elkaar kon worden afgestemd en zodat het erfgoedbeleid geschikt is voor de invoering van de Omgevingswet. Onderdeel hiervan is de archeologische beleidskaart. De gemeente West Betuwe heeft alle locaties waarvan is vastgesteld dat er (mogelijk) waardevolle cultuurhistorische resten bovengronds en ondergronds aanwezig zijn opgenomen op de archeologische beleidskaart. Figuur 4.1 geeft een uitsnede van deze beleidskaart weer ter plaatse van het plangebied. Hieruit blijkt het gehele plangebied reeds voldoende is onderzocht en geheel vrijgegeven is. Wel blijft altijd de meldingsplicht conform art. 5.10 Erfgoedwet bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gelden wanneer zich archeologische toevalsvondsten voordoen.

38/119

Figuur 4.1: Uitsnede archeologische beleidskaart Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8

Niet-gesprongen explosieven

Toetsingskader Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitieartikelen uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens mondiale, militaire inschatting is van al het explosieve materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) is ingezet, verschoten of afgeworpen, tussen de zeven en vijftien procent om verschillende redenen niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Onderzoek In het kader van de ontwikkeling van de Plantage fase 2 en 3 is een vooronderzoek naar conventionele explosieven uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 10. Het noordelijk deel van het plangebied is verdacht op het voorkomen van ontplofbare oorlogsresten. Ook is nog sprake van een loopgraaf in zuidelijke richting. Deze gebieden zijn nog niet nader onderzocht. In de regels van dit bestemmingsplan is daarom een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee wordt geborgd dat bodemroerende werkzaamheden niet mogen worden uitgevoerd voordat duidelijk is dat ontplofbare oorlogsresten ter plaatse niet aanwezig zijn.

39/119

Figuur 4.2: CE-bodembelastingkaart (bron: Bodac) Conclusie Met het opnemen van de voorwaardelijke verplichting vormt dit aspect geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Wanneer onderzoek is uitgevoerd, zal een proces verbaal van oplevering aan het bevoegd gezag worden aangeboden. Uit de beoordeling van het proces-verbaal van oplevering blijkt welke delen van de locatie vrijgegeven zijn.

4.9

Externe veiligheid

Externe veiligheid (EV) gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen en kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. Relevante risicobronnen kunnen zijn:  risicovolle (activiteiten binnen) inrichtingen;  ondergrondse buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen;  transportroutes (over weg, water en spoor) voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Beleid en regelgeving Omdat de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn normen en een verantwoordingsplicht vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn:  het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi),  het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb),  het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling Basisnet.

40/119

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim of Activiteitenbesluit) veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden van bepaalde risicovolle activiteiten tot kwetsbare functies van derden. Binnen de belangrijkste regelgeving voor de externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand, die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door lijnen op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (risicocontour). Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven. De afstand vanaf een risicovolle activiteit tot de risicocontour met een plaatsgevonden risico van 10-6 per jaar (of PR 10-6 contour) hangt af van:  de kansen op de verschillende ongevalsscenario's;  het effect van deze ongevalsscenario's. Op grond van de belangrijkste EV-regelgeving geldt dit plaatsgebonden risico als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten.

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Een oriënterende waarde geldt daarbij als ijkpunt. De hoogte van het groepsrisico hangt af van:  de kansen op de verschillende ongevalsscenario's;  het effect van deze ongevalsscenario's;  het aantal personen dat in de omgeving (binnen het invloedsgebied) van de risicobron verblijft;  de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan voor een gebied, dat ligt binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet het groepsrisico worden verantwoord. In de regelgeving is aangegeven welke onderdelen daarbij aan bod moeten komen. In ieder geval moet ingegaan worden op de mogelijkheden voor de hulpverlening door de brandweer bij een ongeval met gevaarlijke stoffen en de zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied. De veiligheidsregio moet in de gelegenheid worden gesteld om over deze mogelijkheden te adviseren.

In aanvulling op het gestelde in de EV-regelgeving zijn in de Beleidsvisie externe veiligheid 2019-2023 van gemeente West Betuwe richtinggevende ambities opgenomen. Volgens de beleidsvisie worden in een woongebied nieuwe "zeer kwetsbare gebouwen" in beginsel niet toegestaan binnen een aandachtsgebied (brand en/of explosie) van relevante risicobronnen. Alleen indien er sprake is van een zwaarwegend belang voor de realisatie van zo'n zeer kwetsbaar gebouw, kan eventueel een dergelijk gebouw worden toegestaan mits de principes, zoals genoemd in uitgangspunt 4 van de EV-visie, voldoende zijn verantwoord. Voor het binnen een woongebied mogelijk maken van (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties binnen zo'n aandachtsgebied (brand en/of explosie), dienen die genoemde principes ook voldoende te worden verantwoord.

41/119

Deze verantwoording is in paragraaf 4.9.3 uitgewerkt. Daarbij zijn tevens de adviezen van de EV-specialisten van Veiligheidsregio Gelderland-Zuid (VRGZ) en Omgevingsdienst Rivierenland (ODR) betrokken. Deze betrokkenheid is gewenst en daarom ook vastgelegd in de ambities van de EV-visie. Relevante risicobronnen Gelet op de regionale signaleringskaart externe veiligheid zijn enkele risicobronnen relevant voor het plangebied, omdat het invloedsgebied of de veiligheidsafstand van deze risicobronnen over (een deel van) het plangebied ligt. Het gaat dan om de volgende risicobronnen:  een hogedruk aardgasleiding van de Gasunie (W-527-01) (die ten westen van het plangebied ligt);  enkele basisnetroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor (de Betuweroute en het traject Utrecht-Meteren) en over de weg (de A15). In onderstaande paragrafen is nader ingegaan op de consequenties voor het plan door de aanwezigheid van deze risicobronnen. Het plan voorziet immers in het binnen de woonbestemming mogelijk maken van woningen (kwetsbare functies) binnen het invloedsgebied van genoemde risicobronnen. Onderzoek consequenties hogedruk aardgasleiding Het plangebied ligt nabij een hogedruk aardgasleiding (W-527-01) met een diameter van 8 inch en een druk van 40 bar. Voor deze gasleiding geldt dat het plaatsgebonden risico (PR) kleiner is dan 10-6/jr.

Dit betekent dat ter plaatse van de kwetsbare functies binnen het plangebied de grens- en richtwaarde van het plaatsgebonden risico niet worden overschreden. Gelet op het gestelde in artikel 14 van het Bevb en artikel 5 van het Revb is het verder van belang dat binnen een belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijden van de buisleiding de volgende activiteiten (zonder omgevingsvergunning) niet kunnen plaatsvinden:  het bouwen van bouwwerken;  activiteiten die van invloed kunnen zijn op de integriteit en werking van de buisleiding. De grens van het plangebied ligt niet binnen die belemmeringenstrook. Hierdoor is het uitgesloten dat activiteiten binnen het plangebied leiden tot (ongewenste) beschadigingen van de leiding.

In het kader van de verantwoording van het groepsrisico (artikel 12 van het Bevb) moet in de toelichting bij het ruimtelijk besluit het volgende worden vermeld:  de aanwezige en de op grond van het besluit te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding die het groepsrisico mede veroorzaakt;  het groepsrisico per kilometer buisleiding op het tijdstip dat het besluit wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat besluit toegelaten (beperkt) kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de  oriëntatiewaarde;  de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval;  de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de buisleiding, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet. Om invulling te geven aan de eerste twee aspecten is in augustus 2020 door Omgevingsdienst Rivierenland al een

42/119

Kwantitatieve risicoanalyse (QRA) ten gevolge van de hogedruk aardgasleiding uitgevoerd. Deze berekening is toen uitgevoerd voor het parapluplan en uitwerkingsplan, waardoor er in deelgebied 2A meer personen aanwezig kunnen zijn binnen het invloedsgebied van de aardgasleiding dan eerder was bestemd. In de QRA is berekend welke invloed dit heeft op de hoogte van het groepsrisico. In deze berekening is tevens al een aantal personen in woningen meegenomen dat binnen het onderhavige plangebied aanwezig zal zijn. In de berekening is destijds uitgegaan van 3 woningen (7,2 personen) binnen de 100% letaalafstand van de leiding, terwijl er nu, op basis van het stedenbouwkundig ontwerp, 2 woningen binnen die zone liggen. Verder gaat de risicoberekening uit van 14 woningen in de zone tussen de 100% en 1% letaalafstand en voorziet het stedenbouwkundig ontwerp in 17 woningen in die zone binnen het plangebied. Het rapport van de QRA, d.d. 22 september 2020, is als Bijlage 7 bij dit bestemmingsplan gevoegd. De hoogte van het groepsrisico wordt bepaald door enerzijds de eigenschappen en ligging van de leiding en anderzijds de populatie binnen het invloedsgebied. Uit het onderzoek is af te leiden dat in vergelijking met de huidige bestemde situatie, de populatie binnen het invloedsgebied licht toeneemt.

Hierbij wordt opgemerkt dat de populatie binnen de 100% letaliteitszone, in deze situatie ruim 7 personen, de grootste bijdrage aan het groepsrisico levert. Ondanks de geringe toename van de populatie binnen met name de 100% letaliteitszone en toename binnen de 1% letaliteitszone, neemt groepsrisico in de nieuwe situatie naar verwachting niet noemenswaardig toe en blijft de hoogte van het groepsrisico ruimschoots onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Dit betrof in de berekening van 2020 een factor 83. Gezien het bovenstaande heeft het uitvoeren van een nieuwe risicoberekening nu geen toegevoegde waarde en wordt daarom in deze procedure verwezen naar het eerder uitgevoerde rapport QRA. Gelet op het gestelde in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) hoeft het groepsrisico niet uitgebreid te worden verantwoord, omdat het berekende GR ruim lager is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Volgens de regelgeving (Bevb) hoeft in dat geval alleen te worden ingegaan op de mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Over de mogelijkheden voor de rampenbestrijding en zelfredzaamheid heeft de VRGZ in oktober 2016 het volgende opgemerkt. De VRGZ heeft ons laten weten dat er nu geen andere inzichten zijn, waardoor het advies van 2016 nog steeds actueel is.

Rampenbestrijding Voor de gasleidingen is een fakkelbrand maatgevend en het plangebied ligt deels binnen de 100% letaliteitscontour van een fakkelbrand bij een breuk van de leiding ter hoogte van het plangebied. Een dergelijk ongevalscenario kan potentieel een groot aantal slachtoffers veroorzaken. Men moet er vanuit gaan dat het aantal gewonden dat in het eerste uur ambulancevervoer nodig heeft, het aantal in het eerste uur beschikbare ambulances zal overschrijden. Een fakkelbrand is feitelijk voor de hulpdiensten niet bestrijdbaar. Men kan de ontstane fakkelbrand alleen uitmaken door de Gasunie de afsluiters te laten sluiten (dit kan mogelijk een uur duren), waarna het resterende gas uitstroomt en de fakkel uitdooft. De hittestraling van de fakkel is zo hoog dat de brandweer de omgeving van het lek (tot ca. 100 meter) niet kan betreden. Na het doven van de fakkel kan de brandweer secundaire branden gaan bestrijden. Hiervoor is voldoende bluswater beschikbaar. Zelfredzaamheid Het fakkelbrandscenario ter hoogte van het plangebied biedt voor personen in de directe omgeving van de leiding feitelijk geen handelingsperspectief. In dat geval zal een groot deel van de bewoners in de directe omgeving van de gasleiding komen te overlijden. Indien een dergelijk scenario zich op grotere afstand voordoet zal schuilen de beste

43/119

optie zijn. Ter bevordering van de zelfredzaamheid en ter beperking van de kans en/of het aantal slachtoffers bij een fakkelbrandscenario, heeft de veiligheidsregio in haar advies van 2016 de volgende maatregelen voorgesteld:  overweeg in overleg met de Gasunie een extra deklaag op de leiding aan te (laten) brengen. Extra gronddekking verlaagt het risico op beschadiging van de leiding;  overweeg aanpassing van het stedenbouwkundig plan waardoor woningen op grotere afstand van de leiding komen te liggen. In algemene zin zal een vermindering van het aantal woningen in het invloedsgebied leiden tot minder slachtoffers in geval van een ongeval met de leiding;  zorg voor een goede aansluiting van de vluchtroutes vanuit de woningen op de openbare ruimte. In dit plangebied is het met het huidige stedenbouwkundig plan mogelijk om van de gasleiding af te vluchten. Ten aanzien van bovenstaande door de VRGZ voorgestelde maatregelen is het volgende overwogen:  In overleg met de Gasunie wordt onderzocht of er mogelijkheden zijn om een extra deklaag aan te laten brengen op de aardgasleiding.

In een eerdere fase van De Plantage is ook een extra deklaag boven (een deel van) de leiding aangebracht;  Het aanpassen van het stedenbouwkundig plan (woningen op grotere afstand van de leiding en minder woningen binnen het invloedsgebied) is niet direct noodzakelijk op grond van het EV-toetsingskader. Het stedenbouwkundig plan wordt niet aangepast. De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan komt, bij het uitvoeren van deze maatregel, ter discussie te staan, omdat dan binnen het plangebied minder woningen worden gerealiseerd, terwijl het mogelijk maken van meer woningen nu juist het doel van het bestemmingsplan is;  Met het huidige stedenbouwkundige plan is het in voldoende mate mogelijk om van de gasleiding af te vluchten via de beoogde infrastructuur. Daarnaast worden kopers, huurders of gebruikers van gebouwen binnen de 1% letaalzone van de buisleiding (95 meter) geïnformeerd over het mogelijke ongevalscenario en de mogelijkheden voor de zelfredzaamheid. Zoals hierboven in paragraaf 4.9.1 al is vermeld, zijn, in aanvulling op de EV-regelgeving, volgens de vigerende gemeentelijke EV-visie zeer kwetsbare gebouwen in beginsel niet toegelaten binnen het aandachtsgebied van de leiding (overeenkomend met de 1% letaliteitszone van de aardgasleiding).

Dat betekent dat op basis van de huidige EV-visie het gebied waar geen zeer kwetsbare gebouwen worden toegelaten, op de verbeelding is weergegeven (95 meter vanaf de leiding). Een dergelijke zone is voor het plan geen probleem, omdat het plan nu niet voorziet in het oprichten van dergelijke zeer kwetsbare gebouwen. In de planregels is daarom opgenomen dat woningen binnen de 95 meter zone van de leiding niet gebruikt mogen worden voor het verblijf van groepen verminderd zelfredzame personen. Indien er na het vaststellen van dit bestemmingsplan toch een zwaarwegend belang is voor de realisatie van zo'n zeer kwetsbaar gebouw binnen de 1% letaliteitszone van de aardgasleiding, kan dit onder bepaalde voorwaarden worden toegestaan via een partiële herziening van het bestemmingsplan of met een omgevingsvergunning. Voor de realisatie van woningen (dit zijn kwetsbare gebouwen) geldt volgens de vigerende gemeentelijke EV-visie dat dergelijke gebouwen worden toegestaan mits de principes, zoals genoemd in uitgangspunt 4 van de EV-visie, voldoende zijn verantwoord. Onderstaand is ingaan op de toepassing van de betreffende principes (a t/m f): a. Toepassen bronmaatregelen.

44/119

Ter voorkoming of beperking van risico's heeft in 2016/2017 overleg plaatsgevonden met de Gasunie en is de aardgasleiding vervolgens (deels) verdiept aangelegd, waardoor er nu een dikkere deklaag op de leiding aanwezig is. Daarmee is de veiligheid aan de bron verhoogd, door de kans op een risico te verkleinen. b. Afstand houden tot de risicobron. Dit principe is vooral toegepast voor de zeer kwetsbare gebouwen. De daarin aanwezige personen kunnen zichzelf bij een grootschalige calamiteit met de aardgasleiding niet zonder hulp redden. Voor de zeer kwetsbare gebouwen geldt daarom dat deze binnen het aandachtsgebied van de leiding in principe niet zijn toegestaan. Er is hier dus voldoende afstand gehouden tot de risicobron. Voor de kwetsbare gebouwen is hier, om eerder genoemde redenen, afgezien van het verder afstand aanhouden tot de risicobron. c. Vergroten vlucht- en schuilmogelijkheden. Het is belangrijk dat zowel de gebouwen als de omgeving mogelijkheden bieden om te schuilen en/of deze veilig te ontvluchten. De VRGZ heeft hierboven al aangegeven dat met het huidige stedenbouwkundige plan het in voldoende mate mogelijk is om van de gasleiding af te vluchten. Op enige afstand van de leiding is het schuilen in de beoogde gebouwen mogelijk. Daarbij is het van belang dat de stralingswarmte van de fakkelbrand niet zo groot wordt dat het gebouw gaat branden.

In dat geval zal alsnog moeten worden gevlucht van de risicobron af. d. Toepassen omgevingsmaatregelen. Een weloverwogen inrichting van de fysieke leefomgeving kan een zinvolle bijdrage leveren aan de bescherming van personen en/of een snelle en effectieve hulpverlening. De mogelijkheden hiervoor zijn niet verkend of noodzakelijk bevonden. e. Toepassen aanvullende gebouwmaatregelen (via aanwijzing voorschriftengebied). Er zijn geen aanvullende bouweisen voor nieuwbouw opgelegd als aanvulling op eventuele andere (omgevings)maatregelen die voor het gehele gebied gelden. Er is in eerdere fasen van De Plantage, al afgezien van het in de planregels opnemen van een mogelijkheid om met een nadere eis bepaling aanvullende bouweisen te kunnen opleggen. Daarom zijn deze maatregelen ook nu niet opgenomen. Het opnemen van een dergelijke maatregel zou bovendien leiden tot een verhoging van de bouwkosten en vormt derhalve een relatief zware maatregel gerelateerd aan het geringe restrisico. f. Aanvullende risicocommunicatie. Verantwoordelijke personen voor gebouwen of locaties, waar kwetsbare groepen verblijven, binnen relevante aandachtsgebieden zorgen ervoor dat mensen bekend zijn met de relevante externe veiligheidsrisico's en weten hoe te handelen bij een crisissituatie. Hierboven is al aangegeven dat er in het plangebied hier uitvoering aan zal worden gegeven.

Geconcludeerd is dat de principes voor het toelaten van kwetsbare gebouwen binnen het aandachtsgebied van de hogedruk aardgasleiding met het bovenstaande voldoende zijn verantwoord. Onderzoek consequenties transportroutes vervoer gevaarlijke stoffen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid ook relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute, het spoortraject Utrecht-Meteren en de A15. Het plangebied ligt namelijk (deels) binnen het invloedsgebied van deze transportroutes, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones).

45/119

Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor:  de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroutes en  de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 4 oktober 2016 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Desgevraagd heeft de VRGZ op 23 juni 2022 laten weten dat het onderstaande nu ook nog geldt voor de woningen die mogelijk worden gemaakt met het bestemmingsplan (fase 3). Rampenbestrijding Bij een calamiteit ten gevolge van het vrijkomen van toxische stoffen zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident.

Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een toxisch scenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om relevante adviezen tijdig op te volgen. Conclusie Voor het plan is het aspect externe veiligheid relevant vanwege een hogedruk aardgasleiding en enkele transportroutes. Er wordt voldaan aan de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico. Gelet op het gestelde in de EV-regelgeving, de gemeentelijke EV-visie en de adviezen van de VRGZ en ODR:  Is volgens het Bevb in dit bestemmingsplan alleen ingegaan op de mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid, omdat op basis van een eerder uitgevoerde groepsrisicoberekening mag worden verwacht dat het groepsrisico in de nu beoogde situatie ruim lager is dan 10% van de oriëntatiewaarde;  Wordt eventueel, na overleg met de Gasunie, een extra deklaag aangebracht op de aardgasleiding;  Zijn “zeer kwetsbare gebouwen” in beginsel niet toegelaten binnen 95 meter van de leiding (binnen de 1% letaalzone);  Zijn kwetsbare gebouwen binnen de 1% letaalzone van de aardgasleiding toegelaten, omdat de principes, zoals genoemd in uitgangspunt 4 van de gemeentelijke EV-visie, voldoende zijn verantwoord;  Zijn er voldoende mogelijkheden voor de

zelfredzaamheid in het plangebied bij een zwaar ongeval op de relevante transportroutes (Betuweroute, spoor Utrecht-Meteren en de A15), waardoor hiervoor geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld. Gezien de bovengenoemde overwegingen, de te treffen maatregelen en het geringe berekende restrisico zijn er voldoende argumenten om de beperkte mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid te accepteren. De gemeenteraad heeft daarom het restrisico aanvaard. Het aspect externe veiligheid vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

46/119

4.10 Bedrijven en milieuhinder Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies , wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn.

Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Onderzoek en conclusie Aan de noordzijde van het plangebied bevindt zich de bakkerijfabriek. In 2011 is een bestemmingsplan voor onder andere deze bedrijfslocatie vastgesteld (Bestemmingsplan Meersteeg 6 - 8). In dit bestemmingsplan is reeds rekening gehouden met de ontwikkeling van de Plantage. Er is toen één maatregel genomen. In het kader van externe veiligheid is de toen aanwezige propaantank verwijderd. Hiermee is er geen belemmering meer op het aspect externe veiligheid. Daarnaast is in het kader van geuroverlast voorgesteld de schoorsteen te verhogen. Dit is echter niet uitgevoerd. Daarom is een nieuw geuronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage Uit het geuronderzoek blijkt een geurcontour zonder maatregelen:  groen: 0 tot 2 ouE/m3;  geel: 2 tot 4 ouE/m3 ;  oranje: 4 tot 6 ouE/m3 ;  rode lijn: 30 meter afstand van de bakkerij– de norm op 30 meter is 2 ouE/m3

47/119

Figuur 4.3: Geurcontour bakkerijfabriek Deze contour is door middel van een aanduiding aangegeven op de verbeelding. Deze zone is zekerheidshalve binnen het gehele bouwvlak opgenomen. Binnen deze aanduiding geldt dat aangetoond moet worden dat ter plaatse van de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van geur. Industrielawaai In bijlage 3 is het akoestisch onderzoek industrielawaai toegevoegd. In dit onderzoek is de geluidbelasting van de bakkerijfabriek onderzocht. Hieruit blijkt dat voor de woningen tot 60 meter van de kavelgrens niet zonder meer mogelijk zijn. Er is met een geluidscontour weergeven hoe de geluidsbelasting zich verspreidt over het plangebied. Dit zijn de langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus (LAr,LT), maximale geluidsniveaus (LAmax) en de verkeers-aantrekkende werking. Deze geluidscontouren zijn gemaakt voor de maatgevende hoogte van 7.5 meter. Daarnaast zijn de resultaten van de eerstelijns bebouwing weergegeven in een tabel. De geluidscontouren en resultaten zijn getoetst aan de normstelling uit stap 2 en stap 3 van de VNG-publicatie voor 'gemengd gebied'.

48/119

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) Vanaf 60 meter van de kavelgrens van de bakkerij voldoet het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) aan stap 2 (50 dB(A) etmaalwaarde). In dit gebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat en is zonder verdere motivering woningbouw toegestaan. In de eerste 20 meter voldoet het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) niet aan de normstelling van stappen 2 en 3. Op een afstand van ongeveer 20 tot 60 meter is woningbouw alleen toegestaan met nadere motivering. Maximale geluidsniveau (LAmax) Vanaf 20 meter van de kavelgrens van de bakkerij voldoet het maximale geluidsniveau (LAmax) aan stap 2 (70 dB(A) in de dagperiode). De maximale geluidsniveaus (LAmax) worden enkel veroorzaakt door het aan- en afrijdend verkeer. Het maximale geluidsniveau (LAmax) voldoet aan stap 3 op het hele plangebied. Onderstaand figuur geeft een samenvattend overzicht van de locaties waar woningbouw zonder verdere motivering toegestaan is (groen), waar woningbouw alleen met verdere motivering toegestaan is (oranje) en waar woningbouw doorgaans niet mogelijk is (rood). De oranje en rode zone zijn samen opgenomen op de verbeelding met de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting geluid'

Figuur 4.4: Samenvatting contouren geluid In bijlage 2 is een onderzoek naar de mogelijke maatregelen toegevoegd. Momenteel wordt onderzocht op welke wijze een goed woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd. Om dit in de regels te borgen, is in artikel 4.2.9 een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Ten slotte bevindt zich op circa 60 meter afstand ten noorden van het plangebied een hondenveld en een fietscrossbaan. Dit kan getypeerd worden als een veldsportcomplex, dit valt onder milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 meter in een rustige woonwijk. Met een afstand van circa 60 meter tot de beoogde woningen wordt voldaan aan de richtafstand.

49/119

4.11 Trillingshinder Toetsingskader Hinder voor personen in gebouwen wordt in Nederland gewoonlijk beoordeeld op de SBR-richtlijn "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen". Met behulp van deze richtlijn wordt bepaald of de maximaal optredende trillingssterkte in een gebouw voldoet aan de streefwaarde voor dit gebouw. De streefwaarde voor de trillingshinder is onder meer afhankelijk van de gebouwbestemming (kantoor, wonen, gezondheidszorg, etc.) en of het om een nieuwe of bestaande situatie gaat. Toetsing In de regels is door middel van een voorwaardelijke verplichting in artikel 4.2.10 geborgd dat voorafgaand aan de bouw van de woningen onderzoek moet worden gedaan naar het aspect trillingen. Ten westen van het plangebied zijn reeds woningen binnen 100 meter van het spoor aanwezig. Er zijn geen klachten bekend voor wat betreft trillingen ten gevolge van het vervoer over het spoor. De verwachting is daarom dat dit voor de beoogde woningen ook geen belemmering zal zijn.

4.12 Ecologie Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling of voortoets de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;  het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en  de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

50/119

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Spoedwet Aanpak Stikstof Op 1 januari 2020 is de Spoedwet Aanpak stikstof in werking getreden. Hierbij is de toets bij Wnb vergunningen ten aanzien van Natura 2000 gebieden aangepast, niet alleen voor stikstofdepositie, maar ook voor andere effecten. Er is nu alleen een vergunning nodig als er sprake is van mogelijke significante (negatieve) effecten. Voorheen was dit ook het geval als er sprake was van enige verstoring of verslechtering van een Natura 2000-gebied, die op zich niet significant was. Dan kon deze vergunning wel worden verleend, maar vaak wel onder voorwaarden. Nu is er voor deze activiteiten geen vergunning meer nodig, geringe effecten moeten worden tegengegaan middels het beheerplan voor het Natura 2000-gebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals een Natura 2000-gebied.

Het plangebied maakt ook geen deel uit van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken op een afstand van circa 4 kilometer.

51/119

Figuur 4.5: Ligging plangebied ten opzichte van Natura-2000 gebieden (bron: AERIUS calculator) In bijlage 5 is de memo stikstofberekening toegevoegd. Hierbij is de bemesting van de landbouwgronden als referentiesituatie ingevoerd. Uit de projectberekening blijkt dat er geen sprake is van stikstofdepositie hoger dan 0,0 mol/ha/jr. Soortenbescherming In 2021 is een quickscan ecologie uitgevoerd. Deze quickscan is toegevoegd in bijlage 11. Het gehele gebied fase 3 is hierin onderzocht. Hieruit blijkt dat het plangebied van de Plantage Noordoost mogelijk een functie vervult voor brede wolfsmelk, kleine wolfsmelk, bunzing, hermelijn, wezel en de grote modderkruiper. Mogelijke biotopen voor vleermuizen komen niet voor in dit deel van het plangebied. Het plangebied is tevens mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Om te bepalen of de beschermde soorten voorkomen in het plangebied, is aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 12. Hieruit blijkt dat de brede wolfsmelk, kleine wolfsmelk, bunzing, hermelijn, wezel en de grote modderkruiper allen niet voorkomen in het plangebied van de Plantage Zuidoost.

Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

52/119

4.13 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof

Toetsing van

Grenswaarde

stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijnstof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³

jaargemiddelde concentratie

25 µg /m³

fijnstof (PM2,5)

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Ter plaatse van het plangebied worden 330 woningen gebouwd. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg.

Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de N327. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een

53/119

aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.

4.14 Kabels en leidingen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek en conclusie Aan de noordzijde van het plangebied ligt een deel van de veligheidszone van de hogedruk aardgasleiding. Dit is aangegeven middels een aanduiding op de verbeelding.

54/119

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Plansystematiek

Bij het opstellen van de planregels is zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van bestemmen als bedoeld met het handboek. Actuele inzichten ten aanzien van het handboek zijn mede betrokken bij het opstellen van de planregels. De planregels zijn als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 1 komen de Inleidende regels aan bod. Het betreft hier de Begrippen (artikel 1) en de Wijze van meten (artikel 2). In hoofdstuk 2 Bestemmingsregels zijn de planregels, behorende bij de verschillende bestemmingen, opgenomen (artikel 3 tot en met 7). Hoofdstuk 3 Algemene regels, bevat verschillende algemene bepalingen die van toepassing zijn (artikel 8 tot en met 13). Tot slot zijn de Overgangsen slotregels opgenomen in hoofdstuk 4 (artikel 14 en 15). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridisch-technische opbouw van de regels en de plankaart van het bestemmingsplan “De Plantage Noordoost”. Het hoofdstuk is te beschouwen als een leeswijzer voor de regels en de plankaart.

5.2

Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen In de begripsbepalingen wordt een definitie gegeven van begrippen die in de regels worden gebruikt, zodat daarover geen misverstanden kunnen bestaan. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel staat hoe afstanden en maten moeten worden gemeten, zodat er duidelijkheid is over hoe de regels worden toegepast.

5.3

Bestemmingsregels

Artikel 3 Groen De gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede voor openbare, nuts-, verkeers- en speelvoorzieningen. Onder de regels is op een het gebied met de aanduiding 'geluidwal' de grond bestemd voor een geluidwal, waarbij er ook een geluidsscherm toegelaten is. Artikel 4 Woongebied De doeleindenomschrijving van deze bestemming geeft aan dat deze gronden mogen worden gebruikt voor het wonen in de vorm van nieuwe en bestaande woningen. Daarnaast zijn aan huis gebonden beroepen en verschillendel voorzieningen toegestaan, zoals wegen, paden en parkeren. Hierbij zijn er twee belangrijke aanduidingen, 'specifieke vorm van woongebied - hoofd verkeersontsluiting' en 'specifieke vorm van woongebied - hoofd waterstructuur'. De eerste geeft een zone aan waar de belangrijkste ontsluitingweg van het plangebied is toegelaten. De tweede geeft een zone aan waar een watergang is toegelaten.

55/119

De goothoogte en bouwhoogte van hoofdgebouwen staan op de plankaart aangegeven. Voor bijgebouwen geldt dat de maximale gezamenlijke oppervlakte afhankelijk is van de grootte van het bouwperceel. Hoe groter het bouwperceel des te meer oppervlakte aan bijgebouwen is toegestaan. Eveneens is in de regels een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor de hoogte. Verder zijn er regels opgenomen over het gebruik van de bestemming en onder welke voorwaarden hiervan kan worden afgeweken.

5.4

Algemene regels

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelbepaling is voorgeschreven op grond van het Besluit ruimtelijke ordening. De anti-dubbeltelbepaling voorkomt dat grotere bouwmogelijkheden ontstaan door grond dubbel te tellen bij de toetsing aan het bestemmingsplan. Artikel 6 Algemene gebruiksregels In dit artikel staat wat in ieder geval wordt begrepen onder strijdig gebruik van de gronden. Artikel 7 Algemene aanduidingsregels In dit artikel staan enkele regels die gelden voor de verschillende aanduidingen in dit bestemmingsplan, zoals voor de twee veiligheidszones in het plangebied. Artikel 8 Algemene afwijkingsregels De in dit artikel verwoorde afwijkingsmogelijkheid heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Aan de hand van een afwijking kunnen onder meer geringe wijzigingen in maatvoering en in bestemmingsof bebouwingsgrenzen worden aangebracht. Artikel 9 Overige regels In de overige regels staat een regel over parkeren. Hiermee wordt vastgelegd hoeveel parkeerplaatsen er moeten zijn en eisen aan de parkeervoorzieningen zelf. Ook zijn er voorwaarden opgenomen die afwijken mogelijk maken.

5.5

Overgangs- en slotregels

Artikel 10 Overgangsrecht De overgangsbepaling heeft onder andere tot doel de rechtszekerheid te verzekeren van bouwwerken, die op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan gebouwd zijn of op grond van een reeds verleende of een nog te moeten afgeven omgevingsvergunning, gebouwd mogen worden en afwijken van de bebouwingsregels. Het afwijkende gebruik mag worden voortgezet of worden gewijzigd in een andere, zolang de afwijking van het bestemmingsplan maar niet vergroot wordt. Artikel 11 Slotregel De slotregel bepaald hoe de regels van het bestemmingsplan moeten worden aangehaald.

56/119

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Voor de kosten die samenhangen met de ontwikkeling van de Plantage is geen exploitatieplan noodzakelijk, omdat het verhaal van kosten van de grondexploitatie is verzekerd door de gemeentelijke gronduitgifte (gronden zijn in eigendom van de gemeente) en de fasering en uitwerking geen nadere eisen en/of regels vereist. Het bouw- en woonrijp maken van het plangebied wordt uitgevoerd door de gemeente. De gewenste woningbouw wordt gerealiseerd door diverse partijen en door particulieren, middels het bebouwen van uit te geven “vrije sector” kavels.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegezonden aan de verschillende overlegpartners. De ingekomen reacties worden van een beantwoording voorzien. De Provincie Gelderland, Prorail, Gasunie en het Waterschap Rivierenland hebben officieel gereageerd. Van de overige overlegpartners is geen reactie ontvangen Gasunie geeft aan dat hun belang niet wordt geschaad. Provincie Gelderland De provincie geeft in de vooroverlegreactie aan wat hun visie is op het gebied van woningbouw. Afspraken over woonlocaties worden gemaakt in de regionale woonagenda. De nieuwe woningen in de Plantage passen binnen de regionale afspraken die zijn gemaakt in de woonagenda van regio Rivierenland. De provincie geeft aan dat er nog geen aandacht is besteed aan het aspect klimaatadaptatie. Dit is naar aanleiding van deze reactie toegevoegd aan het bestemmingsplan in paragraaf 3.3.2. Daarnaast geeft de provincie aan dat de locatie in het drinkwaterreserveringsgebied ligt. Ingrepen in de bodem dieper dan 30 meter onder het maaiveld is alleen toegestaan met een melding en wanneer er wordt voldaan aan de algemene regels. Dit wordt meegenomen in de toekomstige ontwikkelingen. Tot slot geeft de provincie informatie over stikstof mee.

Prorail Risicoanalyse overwegen Prorail geeft aan dat de beoogde ontwikkelingen conform het bestemmingsplan “De Plantage Noordoost” invloed hebben op de in de nabijheid van het plangebied gelegen spoorwegovergangen. Conform de Beleidsagenda Spoor 2020-2025 dient uw gemeente als initiatiefnemer middels een risicoanalyse overwegen aan te geven hoe een eventuele risicotoename op deze overwegen beheerst en gecompenseerd wordt. Bereikbaarheid Prorail constateert dat de bereikbaarheid van werkgelegenheidslocaties vanuit het plangebied in de huidige situatie per auto beter is dan met het OV. De auto-bereikbaarheid van werkgelegenheidslocaties wordt tot 2040 per auto echter slechter, maar met het OV beter.

57/119

Gezien het bovenstaande ligt het voor de hand om de bereikbaarheid in de toekomst duurzaam te faciliteren, met o.a. een goede bereikbaarheid van station Geldermalsen. De bereikbaarheidsparagraaf in het bestemmingsplan bevat alleen bevindingen over de auto en nog geen parkeernorm. Prorail verzoekt om alsnog een paragraaf over de fietsbereikbaarheid van het station op te nemen. Tevens wordt verzocht een bij het gebied passende parkeernorm op te nemen, die ook een relatie heeft met de goede fietsbereikbaarheid van het station. Naar aanleiding van deze reactie is in paragraaf 4.4 een passage over fietsbereikbaarheid opgenomen. Voor de parkeernorm in het gebied wordt aangesloten bij de gemeentelijke parkeernormen. Er worden geen passende parkeernormen opgenomen. Trillingen Prorail geeft aan dat het aspect trillingshinder dient te worden betrokken in het bestemmingsplan. Naar aanleiding van deze reactie is paragraaf 4.11 over trillingshinder opgenomen. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen (4.2.10) voor een zone tot 100 meter vanaf het spoor waarbinnen geldt dat voorafgaand aan de bouw van de woningen een onderzoek naar trillingshinder dient te worden uitgevoerd. Om de woningen te mogen bouwen, dient te worden voldaan aan de gestelde normen.

Waterschap Rivierenland Het Waterschap Rivierenland is nauw betrokken geweest bij het opstellen van het Waterhuishoudkundig plan van de Plantage. In het kader van het vooroverleg is het waterhuishoudkundig plan afgerond en afgestemd met het waterschap. Ter inzagelegging Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd (artikel 3.8 Wro). Tijdens deze periode wordt aan een ieder de mogelijkheid geboden tot het indienen van zienswijzen.

58/119

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

60/119

Bijlage 1 Onderzoek geur

61/119

62/119

Datum adviesvraag Volgnummer TMA Aanvrager Beoordeeld door

: 8 mei 2023 : ADV-23-15A : ODR- Margreet Lips ODR, Gemeente West Betuwe – Chris de Ruijter : F. Kooijman

Locatie Naam bedrijf Zaaknummer ODRA Datum rapportage Bijlagen

: Meersteeg 6 Geldermalsen : Molenaar Banket : ODRA23AV0183 : 24 mei 2023 :6

Inleiding Molenaar Banket B.V. is een banketbakkerij op Meersteeg 6-8 te Geldermalsen. T.b.v. het bestemmingsplan voor woningbouw op een perceel ten zuiden van Molenaar (“Plan Plantage”) is inzicht nodig in de geursituatie. Op verzoek van Omgevingsdienst Rivierenland (ODR) en gemeente West Betuwe is in het advies ADV-23-15 de geursituatie van Molenaar inzichtelijk gemaakt. Daarbij is een geuronderzoek uit 2008 als uitgangspunt genomen. Inmiddels heeft Molenaar op verzoek een opgave gedaan van de productieen emissiepuntgegevens. Wij gaan er in dit advies verder vanuit dat deze opgave de actuele situatie betreft. In dit aanvullende advies is de geursituatie inzichtelijk gemaakt voor de actuele situatie op basis van de opgave van Molenaar.

Advies Datum 24 mei 2023 Pagina 1 van 23 Zaaknummer ODRA23AV0183 Behandeld door F. Kooijman

Doel van het advies Inzichtelijk maken van de actuele geursituatie van Molenaar Banket in het kader van ruimtelijke ordening (woningbouw “Plan Plantage” ten zuiden van Molenaar). Eerder advies - ADV-23-15 Betrokken documenten [1] Opgave Molenaar Banket d.d. 8 mei 2023 (zie bijlage 6). Geurbelasting in de omgeving van Molenaar (milieu-aspect) Er is een geurverspreidingsberekening uitgevoerd met de meeste recente versie van Geomilieu (V2022.41) voor de actuele situatie bij Molenaar. Daarmee is de geurbelasting in de omgeving berekend en zijn de resultaten gepresenteerd op een luchtfoto. Uitgangspunten actuele situatie Molenaar is een banketbakkerij, waar diverse soorten banket wordt gemaakt die volgens de (vervallen) brancheregeling B4-Beschuit- en banketbakkerijen in de categorie zoet valt (koekjes en overig banket, zoals sprits, zandkoekjes, banket met of zonder spijs, schuimkoekjes, eierkoekjes, speculaas etc.).

Omgevingsdienst Regio Arnhem Eusebiusbuitensingel 53 6828 HZ Arnhem Postbus 3066 6802 DB Arnhem T 026 – 377 16 00 E postbus@odra.nl www.odregioarnhem.nl

Omgevingsdienst Regio Arnhem is een samenwerkingsverband van de gemeenten Arnhem, Doesburg, Duiven, Lingewaard, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Westervoort en Zevenaar en provincie Gelderland.

KvK 57137528 IBAN NL92BNGH0285158813 BTW NL 8524.52.998.B.01

Voor de geuremissie is uitgegaan van geuremissiekentallen uit de (vervallen) brancheregeling B4 voor de Categorie “Zoet”: - ruimtelucht: 25 * 106 ouE/ton; - Ovens: 70 * 106 ouE/ton. Deze geuremissiekentallen zijn op dit moment de best beschikbare informatie. Voor de productie- en emissiepuntgegevens is uitgegaan van de opgave van Molenaar Banket (zie bijlage 6). Er zijn drie ovens. De afvoeren van de ovendampen en de hete lucht liggen dicht bij elkaar en zijn voor elke oven als één emissiepunt gemodelleerd. De lucht wordt geforceerd afgezogen. Ruimtelucht nabij de ovens wordt afgezogen en er kan diffuse emissie optreden van ruimtelucht via een deur of raam. Emissie van ruimtelucht is gemodelleerd via de drie afzuigingen. Alle emissiepunten zijn voorzien van een regenkap; er is geen pluimstijging als gevolg van uittredesnelheid. Verder is er uitgegaan van geen significante pluimstijging als gevolg van warmte; dit is een worst-case benadering. Het te verwachten effect op de geurbelasting als gevolg van pluimstijging door warmte is echter beperkt. Er is rekening gehouden met gebouwinvloed. Twee emissiepunten hebben een hoogte van 1,75 meter maar er is niet opgegeven welke emissiepunten dit zijn. De overige emissiepunten zijn 0,5 meter hoog. Voor alle emissiepunten is worst-case 0,5 meter hoogte aangehouden.

Gezien de gebouwinvloed heeft het gebruik van een hoogte van 0,5 meter t.o.v. 1,75 meter een beperkte invloed op de geurbelasting. De ruwheidslengte is handmatig ingesteld op 1,0 wat meer representatief is voor de beoogde situatie waarin Plan Plantage is gerealiseerd. Er zijn twee scenario’s doorgerekend: - de actuele situatie; - de situatie waarin alle afgassen via één verhoogde schoorsteen worden geleid In bijlage 4 zijn de rekenjournaals met uitgangspunten voor de verspreidingsberekeningen weergegeven. Toetsing Voor zover bekend heeft gemeente West Betuwe geen geurbeleid vastgelegd. De gemeente bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Een mogelijkheid is om uit te gaan van het toetsingskader uit het Gelders geurbeleid. In het Gelders geurbeleid wordt voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau onder meer uitgegaan van de aard van de geur. Voor Molenaar zou de uitkomst kunnen zijn dat de geur ingeschaald wordt als een aangename geur waarmee 5 ouE/m3 als 98-percentiel als richtwaarde voor bestaande situaties wordt vastgesteld (“niet hinderlijk volgens het GGB”).

Datum 24 mei 2023

pagina 2 van 23 Zaaknummer ODRA23AV0183

Volgens de vervallen brancheregeling B4 wordt 5 ouE/m3 als 98-percentiel als richtinggevende waarde voorgesteld. Wij merken het volgende op. Uit de praktijk blijkt, dat de hedonische waarde van een geur iets zegt over de aard van de geur (in dit geval aangenaam), maar daarmee niet een maat is voor de intensiteit of hinderlijkheid (en het tijdsprofiel waarbij omwonenden deze geur waarnemen). Hinder van het waarnemen op enkele momenten van een aangename is niet te vergelijken met de hinder bij het voortdurend waarnemen van die geur. De hedonische waarde kan in dat geval geen maat zijn voor de geurbelasting in de omgeving. Voor het RO-spoor moet er sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening (ter beoordeling aan de gemeente). Een belangrijk hulpmiddel hierbij is de Handreiking bedrijven en milieuzonering van de VNG.(Vereniging Nederlandse Gemeenten). Bij voldoende afstand tussen bedrijven en gevoelige functies, zoals wonen, wordt hinder voorkomen. Ons advies is om uit te gaan van de VNG richtlijnen. In dit advies is daarom ter inzicht de berekende geurbelasting getoetst aan de normen uit de VNG uitgave milieuzonering nieuwe stijl 2019. Hierin is een nieuwe voorbeeldaanpak voorgesteld waarmee voorgesorteerd wordt op de Omgevingswet. In bijlage 1 is een toelichting gegeven op de VNG uitgave 2019.

In bijlage 5 zijn ter informatie de uitgangspunten bij invoering van Omgevingswet gegeven. Resultaten geurbelasting in de actuele situatie In bijlage 2 zijn de resultaten van de berekende geurbelastingen in geurcontouren weergegeven op luchtfoto’s. Het betreft de actuele situatie op basis van de hiervoor geschetste uitgangspunten. In bijlage 4 is het rekenjournaal van de verspreidingsberekening opgenomen. Op de luchtfoto’s in bijlage 2 is een rode lijn getekend die gelegen is op circa 30 meter ten zuiden van de productiehal van Molenaar. Dit is ter indicatie, er is niet nagegaan wat de kadastrale grens is. 30 meter is de norm voor de afstand van Molenaar tot het Plan Plantage volgens de VNG uitgave milieuzonering nieuwe stijl 2019. Op basis van Google Maps is vastgesteld dat de afstand van de productiehal van Molenaar en de te realiseren woningbouw 10 tot 15 meter bedraagt. De grens van Plan Plantage ligt dichter bij Molenaar dan de norm voor minimale afstand (30 meter) tot Molenaar. Er is niet verder onderzocht op de mogelijkheid om af te wijken van deze afstandsgrens. Uit de resultaten van de verspreidingsberekeningen blijkt, dat de 98-pecentiel geurbelasting op de 30 meter afstandsgrens hoger is dan 5 ouE/m3 bedraagt waarmee de norm van 0,5 ouE/m3 ruim wordt overschreden. Ook de norm voor 99,9-percentiel (2 ouE/m3) wordt ruim overschreden.

Datum 24 mei 2023

pagina 3 van 23 Zaaknummer ODRA23AV0183

Maatregelen Om de geurbelasting op de omgeving te beperken komen de volgende maatregelen in aanmerking: - Schoorsteenverhoging; - Reductie van de emissie van geur door een nageschakelde techniek. In hoeverre deze maatregelen haalbaar zijn is in dit advies niet besproken. Schoorsteenverhoging is een relatief eenvoudig te realiseren maatregel en wordt in het algemeen toegepast in situaties waar nageschakelde technieken minder geschikt zijn. Er zijn ter indicatie geurverspreidingsberekeningen uitgevoerd om de hoogte van één centrale schoorsteen te berekenen waarmee voldaan zou kunnen worden aan de normen op 30 meter afstand uit de VNG milieuzonering 2019. Daarbij is ervan uitgegaan dat alle beschreven afvoeren aangesloten worden op één centrale schoorsteen midden op het dak. Er is opgegeven dat de lucht van de ruimte en de ovens wordt afgezogen. De uittredesnelheid is gesteld op 10 Bm/s wat een gebruikelijke snelheid is. Dit geeft pluimstijging wat een gunstig effect heeft op de verspreiding en daarmee de geurbelasting op leefniveau. Ondanks dat er warme lucht worden uitgestoten is niet bekend wat de temperatuur aan de uittrede zal zijn. De temperatuur is daarom worst-case gesteld op 25 graden Celcius wat een beperkte pluimstijging geeft. In bijlage 3 zijn de resultaten van deze berekeningen weergegeven.

Uit de resultaten van de verspreidingsberekeningen op basis van de geschetste uitgangspunten blijkt indicatief, dat bij een schoorsteen van 26 meter voldaan kan worden aan de 98- en 99,9-percentiel norm uit de VNG milieuzonering 2019. De uitkomsten zijn ter indicatie en moeten met enig voorbehoud worden gebruikt. Mocht een wijziging van de emissiepunten daadwerkelijk als maatregel worden onderzocht dan moeten nieuwe verspreidingsberekeningen worden uitgevoerd met het beoogde ontwerp. Klachten In S@men (provincieloket) zijn het aantal meldingen van geuroverlast opgezocht in de gemeente West-Betuwe. Geen van de meldingen had betrekking op Molenaar. Beperking uitbreiding Molenaar Tot slot merken we op dat door de geplande woningbouw Molenaar in de toekomst mogelijk beperkt wordt in de uitbreiding van zijn activiteiten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/677/documents/16858