CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2024-113-Bijlage-Toelichting-Bestemmingsplan-Oudenhof 1-Geldermalsen.pdf

Oordeelsvormende vergadering(en) 10 september 2024, gemeente West BetuweBij agendapunt: 6: Vaststellen Bestemmingsplan Oudenhof 1 Geldermalsen9.483 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

27

Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Rijntakken’ en ligt op een afstand van ten minste 5,3 kilometer ten zuiden en oosten van het plangebied. Ontwikkelingen kunnen een significant negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden door onder andere bouwwerkzaamheden en/of een aanzienlijke toename van het aantal verkeersbewegingen. Met de AERIUS-calculator kan de stikstofdepositie door een ruimtelijke ontwikkeling in kaart worden gebracht.

Uitkomsten tot 0,00 mol per ha/jaar zijn de basis om te kunnen concluderen dat het plan niet vergunningsplichtig is voor de Wet natuurbescherming (Wnb), wat betreft het onderdeel stikstof. Hieronder zijn de uitkomsten uit de berekeningen weergegeven. In de bijlage zijn de volledige berekeningen bijgevoegd. Uit de Aerius-berekeningen blijkt dat de ontwikkeling zowel in de aanleg- als de gebruiksfase geen depositie hoger dan 0,00 mol per ha/jaar tot gevolg heeft. Dat betekent dat de ontwikkeling geen onevenredig significant negatief effect heeft op Natura 2000-gebieden, waardoor het aspect gebiedsbescherming geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

5.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Bebouwing en groenelementen zoals bomen en struiken kunnen als (vaste) verblijfsplaats of foerageergebied dienen voor dieren. Indien een ontwikkeling gepaard gaat met de sloop van bebouwing en/of bomenkap, dient te worden gekeken of dit geen negatieve gevolgen heeft voor (beschermde) diersoorten. Met het planvoornemen wordt geen bebouwing gesloopt en worden tevens geen groenelementen verwijderd. De ontwikkeling heeft dan ook geen negatief effect op het aspect soortenbescherming.

28

5.4

Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze toelichting is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’. Conform het bestemmingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Voor deze gebieden geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 30 centimeter en een minimale verstoringsoppervlakte van 1.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Aangezien de ontwikkeling betrekking heeft op het verbouwen van een bestaand pand, vindt er in dit geval geen bodemverstoring plaats met een oppervlakte groter dan 1.000 m2.

Hierdoor is er geen sprake van een onderzoeksplicht en vormt dit aspect geen belemmering.

5.5

Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De bestaande bebouwing is niet van cultuurhistorische waarde. Het verbouwen van de bebouwing om de gewenste appartementen te realsieren, heeft dan ook geen afbreuk van cultuurhistorische waarden tot gevolg. Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.6

Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

5.6.1

Mobiliteit De toevoeging of verandering van een functie kan zorgen voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Om te bepalen of deze verandering een belemmering vormt voor de huidige infrastructuur is de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig 29

parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (december 2018) gehanteerd. Hierbij is zowel naar de huidige als de nieuwe situatie gekeken om te bekijken of er met onderhavige ontwikkeling sprake is van een toename van verkeersbewegingen. Voor de toetsing is ervan uitgegaan dat de locatie ligt in ‘rest bebouwde kom’ met een matig stedelijk karakter. Huidige situatie Voor een kantoorfunctie wordt per 100 m2 bvo uitgegaan van gemiddeld 7,2 verkeersbewegingen per etmaal. Het kantoor heeft een bvo van circa 235 m2. Voor de huidige situatie betekent dit dat er wordt uitgegaan van een totaal van (afgerond) 17 verkeersbewegingen per etmaal. Beoogde situatie Voor huurappartementen (midden/goedkoop) wordt per appartement uitgegaan van gemiddeld 3,6 verkeersbewegingen per etmaal. Voor de 5 beoogde appartementen komt dit in totaal neer op ten gemiddeld 18 verkeersbewegingen per etmaal. Conform de gemiddelde normen zoals opgenomen in de CROW-publicatie neemt het aantal verkeersbewegingen toe met slechts één verkeersbeweging per etmaal. Kortom de wijziging van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie is verwaarloosbaar. Aangezien de bestaande infrastructuur het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie zonder problemen kan verwerken, worden er voor de beoogde situatie tevens geen belemmeringen verwacht.

De infrastructuur behoeft derhalve geen aanpassingen.

5.6.2

Parkeren Bij het bouwen, uitbreiden of wijzigen van gebruiksfuncties dient altijd voldoende parkeergelegenheid gegarandeerd te zijn. Evenals bij het aantal verkeersbewegingen is de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (december 2018) gehanteerd om de benodigde parkeerplaatsen te bepalen Voor huurappartementen (midden/goedkoop) in ‘rest bebouwde kom’ met een matig stedelijk karakter wordt per appartement uitgegaan van gemiddeld 1,4 benodigde parkeerplaatsen. Voor de 5 beoogde appartementen komt dit in totaal neer op ten gemiddeld 7 parkeerplaatsen. In de beoogde situatie worden er 11 parkeerplaatsen gerealiseerd (figuur 7). Met dit aantal wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor de appartementen in de beoogde situatie. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

30

Figuur 7 Beoogde situatie met parkeerplaatsen rood omkaderd

31

HOOFDSTUK

6 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het ruimtelijk plan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.

6.1

Economische uitvoerbaarheid Bij in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen dient op grond van artikel 3.6.1 van Bro in de plantoelichting de economische uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk te worden gemaakt. Wanneer sprake is van een bouwplan zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 van Bro, dient er conform 6.12 van Wro een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Conform artikel 6.2.1 a onder c van Bro kan hiervan worden afgeweken indien sprake is van verhaalbare kosten welke uitsluitend betrekking hebben op de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen. Voor het planvoornemen zijn enkel vergunningen benodigd die op basis van legesheffing worden geïnd en de kosten derhalve anderszins zijn verzekerd. Het is dan ook niet noodzakelijk om een exploitatieplan op te stellen.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid De initiatiefnemer heeft de omgeving op de hoogte gebracht van het planvoornemen. Er heeft een gesprek plaatsgevonden waarvan een kort verslag is opgesteld. De omwonenden hebben, door middel van het ondertekenen van het verslag, aangegeven op de hoogte te zijn van de plannen. In de bijlage is de omgevingsdialoog bijgevoegd, waarbij tevens de reactie/opmerkingen vanuit de omgeving is opgenomen. Het ontwerpbestemmingsplan ‘Oudenhof 1, Geldermalsen’ heeft conform de procedure in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende 6 weken ter visie gelegen. Hierbij is gelegenheid geboden tot het indienen van zienswijzen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt. Door de gemeente is een Nota van Zienswijzen opgesteld, welke is bijgevoegd in de bijlage.

32

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/695/documents/16468