RV2024-113-Bijlage-Toelichting-Bestemmingsplan-Oudenhof 1-Geldermalsen.pdf
Tekst van het document
Toelichting ‘Oudenhof 1, Geldermalsen’ NL.IMRO.1960.GDMOudenhof1-VA01 Gemeente West Betuwe
Colofon Toelichting: Oudenhof 1, Geldermalsen Rapportnummer: 2022.2289 Status: Vastgesteld Datum: 10 juli 2024 Projectlocatie Oudenhof 1 4191 NW Geldermalsen Opdrachtnemer Reland Bezoekadres: Mgr. Bekkersstraat 56 5846 AJ Ledeacker Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland Telefoon 085 043 1949 Email info@reland.nl
© juli 2024 Reland
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving
Inhoud HOOFDSTUK 1 Inleiding ......................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding ............................................................................................................................... 5
1.2
Doel ........................................................................................................................................ 5
1.3
Plangebied .............................................................................................................................. 5
1.4
Leeswijzer ............................................................................................................................... 6
HOOFDSTUK 2 Gebieds- en projectprofiel ............................................................................................. 7 2.1
Inleiding .................................................................................................................................. 7
2.2
Gebiedsprofiel......................................................................................................................... 7
2.3
Huidige situatie plangebied .................................................................................................... 7
2.4
Bestemmingsplan ................................................................................................................... 8
HOOFDSTUK 3 Beoogde situatie ......................................................................................................... 10 3.1
Inleiding ................................................................................................................................ 10
3.2
Ontwikkeling ......................................................................................................................... 10
HOOFDSTUK 4 Beleidskader ............................................................................................................... 11 4.1
Inleiding ................................................................................................................................ 11
4.2
Rijksbeleid ............................................................................................................................ 11
4.2.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) .................................................................................... 11
4.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ................................................................... 11
4.2.3
Ladder voor duurzame verstedelijking.............................................................................. 12
4.3
Provinciaal beleid.................................................................................................................. 12
4.3.1
Omgevingsvisie Gelderland .............................................................................................. 12
4.3.2
Omgevingsverordening Gelderland .................................................................................. 13
4.4
Gemeentelijk beleid .............................................................................................................. 13
4.4.1
Omgevingsvisie West Betuwe .......................................................................................... 13
4.4.2
Woonvisie West Betuwe 2020-2030................................................................................. 15
HOOFDSTUK 5 Omgevingsaspecten ................................................................................................... 16 5.1
Milieu .................................................................................................................................... 16
5.1.1
M.e.r. plicht ....................................................................................................................... 16
5.1.2
Bodem .............................................................................................................................. 17
5.1.3
Lucht ................................................................................................................................. 17
5.1.4
Geluid ............................................................................................................................... 19
5.1.5
Externe veiligheid ............................................................................................................. 21
5.1.6
Bedrijven en milieuzonering ............................................................................................. 24
5.1.7 5.2
Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen ....................................................................... 25 Water .................................................................................................................................... 26
5.2.1
Beleid ............................................................................................................................ 26
5.2.2
Toekomstige waterhuishoudkundige situatie ............................................................... 27
5.2.3
Watertoets .................................................................................................................... 27
5.3
Natuur ................................................................................................................................... 27
5.3.1
Gebiedsbescherming ........................................................................................................ 27
5.3.2
Soortenbescherming......................................................................................................... 28
5.4
Archeologie ........................................................................................................................... 29
5.5
Landschap en cultuurhistorie ................................................................................................ 29
5.6
Verkeer en parkeren ............................................................................................................. 29
5.6.1
Mobiliteit ............................................................................................................................ 29
5.6.2
Parkeren ........................................................................................................................... 30
HOOFDSTUK 6 Uitvoerbaarheid........................................................................................................... 32 6.1
Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................. 32
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................................ 32
BIJLAGEN Bijlage I
Ontwerpschets beoogde situatie
Bijlage II
Historisch bodemonderzoek
Bijlage III
Akoestisch onderzoek
Bijlage IV
Onderzoek Externe Veiligheid
Bijlage V
Quickscan Bedrijven en milieuzonering
Bijlage VI
Afschrift Digitale Watertoets
Bijlage VII
Aerius-berekening
Bijlage VIII
Omgevingsdialoog
Bijlage IX
Nota van Zienswijzen
4
HOOFDSTUK 1.1
1 Inleiding
Aanleiding De initiatiefnemer is eigenaar van de locatie aan Oudenhof 1 te Geldermalsen. Het pand binnen het plangebied is in 1976 als kantoorpand opgericht en heeft ook altijd dienst gedaan als kantoorpand. Aangezien de vraag naar kantoorruimte in de regio afneemt, blijkt de verhuurbaarheid van het pand met een kwalitatieve verzorgde uitstraling voor een langere tijd moeilijk. Derhalve is de eigenaar op zoek gegaan naar andere mogelijke invullingen van het pand. Vanuit het oogpunt van de locatie aan de rand van de kern Geldermalsen, de grootte van het perceel in combinatie met het aanwezige groen en de ruime parkeermogelijkheden op het eigen terrein, is de locatie geschikt voor de ontwikkeling van een kleinschalig woongebouw. Gelet op de huidige woningmarkt en de vergrijzing, waardoor de vraag naar passende woningen voor senioren groter is dan het aanbod, wordt ingezet op het realiseren van voornamelijk levensloopbestendige woningen door middel van een goede en duurzame transformatie van de bestaande bebouwing door verbouwing en kleinschalige uitbreiding. De gewenste ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan conform het geldende bestemmingsplan. Op 10 mei 2022 is een principeverzoek ingediend bij de gemeente West Betuwe waarin het initiatief nader is gemotiveerd.
Op 26 oktober 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente besloten om medewerking te verlenen aan het planvoornemen. Om de gewenste ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk te maken, dient een herziening van het bestemmingsplan plaats te vinden. Onderliggend document betreft de toelichting behorende bij het bestemmingsplan waarin het plan wordt toegelicht, gemotiveerd en onderbouwd.
1.2
Doel Het doel van dit bestemmingsplan is om de bestemmingswijziging ter plaatse van Oudenhof 1 te Geldermalsen juridisch te borgen. De huidige kantoorbestemming op de gronden van het plangebied wordt gewijzigd in een woonbestemming, zodat het mogelijk maken van onderhavig planvoornemen planologisch-juridisch is geborgd.
1.3
Plangebied Het plangebied is gelegen binnen het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Geldermalsen, sectie H, nummers 1276, 1517 en 3655 en heeft een oppervlakte van 1.614 m2. In figuur 1 is het plangebied weergegeven.
5
Figuur 1 Luchtfoto kadastrale situatie met plangebied rood omkaderd
1.4
Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 het projectprofiel waarin de huidige situatie van het plangebied wordt beschreven. Hoofdstuk 3 betreft de gewenste ontwikkeling en een schets van de toekomstige situatie. Hierdoor wordt een goed beeld verkregen met betrekking tot de beoogde wijziging. Hoofdstuk 4 betreft het beleidskader op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 5 wordt getoetst of de ontwikkeling al dan niet effect heeft op de omgevingsaspecten. Ten slotte wordt in hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst.
6
HOOFDSTUK 2.1
2 Gebieds- en projectprofiel
Inleiding In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van de huidige situatie van het plangebied en de omgeving waarin het zich bevindt.
2.2
Gebiedsprofiel Het plangebied aan de Oudenhof 1 ligt aan de westkant van de kern Geldermalsen. Aan de zuidkant van het plangebied ligt de Provincialeweg Oost (N327). De Oudenhof loopt evenwijdig aan deze Provinciale weg. Ten zuiden van deze wegen ligt een bedrijventerrein. De kern van Geldermalsen waar geclusterde voorzieningen zijn gevestigd, ligt op een afstand van circa 700 meter van het plangebied. Op circa 500 meter ten noordwesten van het plangebied ligt het treinstation van Geldermalsen met aan de westzijde het industriegebied ‘Watermolen’. In de directe omgeving van het plangebied zijn, gezien de ligging binnen de bebouwde kom, voornamelijk woonfuncties te vinden. Bedrijvigheid vindt met name plaats binnen het bedrijventerrein ten zuiden van het plangebied. Op de aangrenzende percelen zijn burgerwoningen, een pompgebouw van een waterleiding en een nutsvoorziening (gasontvangststation) aanwezig. Ondanks de ligging in de kern, kan de direct omgeving van het plangebied door de vele verschillende functies als gemengd gebied worden aangemerkt. Door de ligging op korte afstand van de Provinciale weg en het treinstation kan de omgeving tevens worden aangemerkt als gemengd gebied.
2.3
Huidige situatie plangebied Binnen het plangebied is in de huidige situatie een kantoorpand met bijbehorend bijgebouw aanwezig. Het kantoorpand heeft een oppervlakte van circa 235 m2 en het bijgebouw heeft een oppervlakte van circa 78 m2. Parkeren vindt aan de voorzijde van het plangebied plaats. In totaal zijn er 19 parkeerplaatsen aanwezig. Aan de oostzijde van het kantoorpand ligt verharding als verlenging van de inrit. De overige gronden zijn ingericht en in gebruik als kantoortuin. De locatie is aangekleed met verschillende groenelementen zoals bomen, groene hagen en struiken.
7
Figuur 2 Luchtfoto huidige situatie met plangebied rood omkaderd
2.4
Bestemmingsplan Voor het plangebied is het bestemmingsplan ‘Geldermalsen woongebied 2011’ (vastgesteld 18 december 2013) geldend. Conform dit bestemmingsplan heeft het plangebied de enkelbestemmingen ‘Kantoor’ en ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ (figuur 3). Rondom de bebouwing is een bouwvlak opgenomen en ter plaatse van het kantoorpand is de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – hoofdgebouw’ van toepassing. Daarnaast is de maatvoering ‘maximum bouwhoogte: 12 m’ en ‘maximum goothoogte: 6 m’ van toepassing. Ten slotte mag het bouwvlak voor maximaal 80% worden bebouwd. Het voornemen om ter plaatse levensloopbestendige appartementen te realiseren en de locatie in gebruik te nemen voor woondoeleinden, is niet rechtstreeks toegestaan conform het huidig geldende planologisch-juridische kader. Derhalve wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen en wordt de kantoorbestemming omgezet naar een woonbestemming.
8
Figuur 3 Uitsnede bestemmingsplan met plangebied rood omkaderd
9
HOOFDSTUK 3.1
3 Beoogde situatie
Inleiding In dit hoofdstuk wordt het initiatief in onderhavig plan toegelicht. In zowel functionele als ruimtelijke zin wordt beschreven wat de ontwikkeling inhoudt, hoe deze gevormd is en zich verhoudt tot de omgeving.
3.2
Ontwikkeling In deze paragraaf is de beoogde situatie van de locatie Oudenhof 1 in Geldermalsen weergegeven. Om een goed beeld te krijgen van de beoogde situatie is een tekening van de beoogde inrichting van het perceel bijgevoegd (figuur 4). Het inrichtingsvoorstel is tevens als separate bijlage bijgevoegd. Het bestaande pand op de locatie aan Oudenhof 1 wordt verbouwd ten behoeve van de realisatie van 5 appartementen. Het bestaande bijgebouw aan de achterzijde van het huidige kantoorpand blijft als bijgebouw bij de appartementen behouden. De huidige inrit blijft ongewijzigd behouden. Aan de oostzijde van het perceel wordt per appartement een berging gerealiseerd. Het parkeren vindt plaats aan de voorzijde van het plangebied. In totaal worden er 13 parkeerplaatsen gerealiseerd. De gronden rondom de bebouwing en de verharding zijn/worden ingericht als tuin.
Figuur 4 Inrichtingsvoorstel beoogde situatie
10
HOOFDSTUK 4.1
4 Beleidskader
Inleiding In dit hoofdstuk wordt onderhavige ontwikkeling getoetst aan het algemene Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid en de wet- en regelgeving. Aan het eind van iedere paragraaf is een conclusie dan wel doorwerking opgenomen van het specifieke beleid en wet- en regelgeving voor het plangebied. Het sectorale beleid is in hoofdstuk 5 per aspect beschreven.
4.2
Rijksbeleid
4.2.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) naar de Tweede Kamer gestuurd. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komen 30 jaar verandert. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de toekomstige generaties. De NOVI biedt perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen.
Bij kleinschalige ontwikkelingen op lokaal niveau dient rekening gehouden te worden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan is een kleinschalig initiatief passend binnen de nationale omgevingsvisie NOVI. Uit hoofdstuk 5 blijkt dat de genoemde milieuaspecten geen belemmering vormen voor het planvoornemen. Daarnaast wordt door de transformatie van de locatie ongewenste leegstand voorkomen en draagt de stedenbouwkundige inpassing van de nieuwe seniorenappartementen bij aan een aantrekkelijkere leefomgeving. Er bestaan vanuit de Nationale omgevingsvisie NOVI geen belemmeringen voor het initiatief.
4.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over 11
bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. In dit geval wordt geen gebruik gemaakt van kaderstellende uitspraken ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen waarbij Nationale belangen gemoeid zijn. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit initiatief.
4.2.3
Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Deze systematiek is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is in principe een uitwerking van Nationaal belang 4, efficiënt gebruik van de ondergrond, oftewel zorgvuldig ruimtegebruik. De Ladder is er voor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke functies geldt daarom dat de Ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en in sommige gevallen zelfs kwantitatief is. Voor woningbouw geldt dat het niet nodig is om de Ladder te doorlopen, wanneer er sprake is van de ontwikkeling van 11 of minder woningen en het dus geen stedelijke ontwikkeling betreft.
In dit geval worden slechts vijf appartementen mogelijk gemaakt, waardoor dit geen Ladderplichtige ontwikkeling betreft. De Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing.
4.3
Provinciaal beleid
4.3.1
Omgevingsvisie Gelderland Op 9 juli 2014 heeft de Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ vastgesteld. In deze omgevingsvisie heeft de provincie twee doelen vastgesteld die de rol en taken van de provincie willen benadrukken. Deze doelen zijn: 1. Duurzame economische structuurversterking; 2. Het borgen van de kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving. Deze doelen versterken elkaar en kunnen niet los van elkaar gezien worden. De economische structuurversterking vraagt namelijk om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Het betekent onder andere een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland. In de omgevingsvisie staat de fysieke leefomgeving centraal. Daarnaast zit er een
12
sterke sociale component aan de opgaven voor sterke steden en een vitaal buitengebied. Het beoogde woningbouwkavel ligt binnen de kern van Geldermalsen waar in de directe omgeving veel bebouwing is te vinden. Het plangebied is in de huidige situatie zelf reeds bebouwd, maar wordt getransformeerd ten behoeve van woningbouw naar aanleiding van de huidige woningbehoefte. Er wordt geen nieuwe ruimte gevraagd, waardoor sprake is van een inbreidingslocatie. Het initiatief sluit aan bij de aanwezige functies in de omgeving. Het realiseren van woningen ter plaatse betreft een aanvaardbare invulling van de locatie binnen een reeds bebouwde omgeving. Voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de Omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’.
4.3.2
Omgevingsverordening Gelderland Op 24 september 2014 heeft de provincie Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld en op 31 maart 2021 de geconsolideerde versie vastgesteld. De Omgevingsverordening richt zich op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. In dit geval gaat de realisatie van de nieuwe woning gepaard met de sloop van een aanzienlijk oppervlakte aan verouderde bebouwing op het tegenovergelegen perceel. Het toevoegen van nieuwe bebouwing gaat gepaard met een kwaliteitsverbetering in de omgeving. Op het gebeid van de fysieke leefomgeving kan worden gesproken van een gewenste ontwikkeling. De verordening bevat algemene regels waaraan gemeenten zich dienen te houden bij het opstellen van bestemmingsplannen en het verlenen van omgevingsvergunningen waarbij afgeweken wordt van bestemmingsplannen. Ook wordt in de omgevingsverordening geregeld op welke wijze het regionaal ruimtelijk overleg, waarin afspraken worden gemaakt over verstedelijking (wonen, werken en voorzieningen), wordt georganiseerd. In de verordening is opgenomen dat woningbouw binnen gemeenten passend moet zijn binnen de regionale woonagenda.
Uit paragraaf 4.4.3 blijkt dat de woning passend is binnen de woonvisie en aansluit bij de woningbehoefte tot 2024. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen in lijn is met het beleid conform de Omgevingsverordening Gelderland.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Omgevingsvisie West Betuwe Op 22 februari 222 is de Omgevingsvisie West Betuwe vastgesteld. Deze visie vertelt het verhaal van de toekomst van de gemeente. De wens voor 2040 is een gemeente die toekomstbestendig kan worden doorgegeven aan de volgende generaties. Daarbij staan de gemeente voor enkele grote uitdagingen, waaronder de klimaatopgave en de krapte op de woningmarkt.
13
In de visie zijn een aantal opgaven benoemd. De opgaven met betrekking tot ‘Wonen en voorzieningen’ hebben betrekking op het groeiende inwoneraantal en demografische ontwikkelingen waar heel Nederland momenteel mee te maken heeft. De verwachting is dat het inwoneraantal in de gemeente West Betuwe tot 2040 groeit van 51.000 inwoners nu naar circa 58.000 tot 60.000 inwoners. Gezien de huidige krapte op te woningmarkt is het toevoegen van woningen daarom noodzakelijk. Daarnaast is er sprake van vergrijzing. Het aandeel inwoners ouder dan 75 jaar zal naar verwachting stijgen van 8% in 2021 naar 75% in 2050. Naast meer woningen dient dus ook te worden gekeken naar het type woningen. Ten aanzien van de (demografische) ontwikkelingen op het gebied van ‘Wonen en voorzieningen’ heeft de gemeente de volgende ambities: • Woningvoorraad tot 2030 vergroten met ten minste 2.200 woningen • Ruimte bieden voor het bouwen naar woonbehoefte van inwoners. Dit onder voorwaarde dat het dorpse karakter en open landschap in West Betuwe wordt beschermd; • Nieuwe plannen dienen een bijdrage te leveren aan de diversiteit van de woningvoorraad. Gelet op de demografische ontwikkeling is de ambitie om meer in te zetten op kleinere (gestapelde) woningen; • Stimuleren dat senioren zo lang mogelijk thuis kunnen wonen.
Daarom wordt ingezet op de realisatie van seniorenhuisvesting nabij dagelijkse voorzieningen, zorg en vervoer. Conform de plankaart behorende bij de Omgevingsvisie ligt het plangebied in een ‘grote kern met voorzieningen’ (Geldermalsen). Voor dit gebied zijn specifieke ambities en vraagstukken opgenomen: - Geldermalsen ontwikkelen we tot een hoofdcentrum. Dit is het meest diverse centrumgebied in de gemeente met onder andere een zo divers mogelijk winkelaanbod. Daarvoor is een grote aantrekkingskracht door de boodschappenfunctie een voorwaarde. Moderne supermarkten en goed bezoekgemak zijn daar een belangrijk onderdeel van. Ook is er ruimte voor ontmoeting in een multifunctionele accommodatie. Hier vindt de realisatie van seniorenhuisvesting plaats in de nabijheid van voorzieningen. - We zetten in op een uitstekende verbondenheid van Geldermalsen mede door een OV-knooppunt waar overstappen van de ene modaliteit op de andere uitstekend geregeld is. Daarnaast is er rondom het stationsgebied een diversiteit aan wonen, werken en voorzieningen in de directe omgeving. Onderdeel van het stationsgebied is het ontwikkelen van de Fruit Tech Campus. - We zetten in op het oplossen van bestaande verkeersknelpunten in de gemeente waaronder de rotonde Laageinde – N327 (Lingeborgh) Geldermalsen en de Parallelweg N327 tussen Geldermalsen en Leerdam.
Het realiseren van woningen welke geschikt zijn voor senioren sluit aan bij de ambitie om, als gevolg van demografische ontwikkelingen, meer woningen voor deze doelgroep te realiseren. Daarnaast vindt de ontwikkeling plaats op een reeds bebouwd perceel, waardoor er geen nieuwe ruimte wordt gevraagd en de ambities voor Geldermalsen niet worden belemmerd. Kortom, de ontwikkeling is in lijn met het beleid zoals opgenomen in de Omgevingsvisie West Betuwe.
14
4.4.2
Woonvisie West Betuwe 2020-2030 West Betuwe is een geliefde woongemeente met een gezonde ontwikkeling. Dit wil de gemeente zo houden, waardoor er dient te worden ingespeeld op verschillende ontwikkelingen. Denk hierbij aan de voortgaande vergrijzing wat vraagt om nieuwe woonzorgarrangementen, de stikstofproblematiek die de bouw fors heeft vertraagd, waardoor de behoefte om op korte termijn te versnellen groeit, de grote druk op de woningmarkt in de Randstad welke zorgt voor toenemende vraag naar woningen in gebieden met een mooie omgeving. Met de woonvisie geeft de gemeente aan hoe ze de komende 10 jaar wil inspelen op deze ontwikkelingen. • • • • • •
•
Woningbouw is in elke kern wenselijk om aan alle inwoners voldoende en passende woonruimte te kunnen bieden. Het dorpse karakter betekent dat overwegend grondgebonden woningen worden gerealiseerd en dat woongebieden ruim van opzet zijn. Woningbouw voor senioren vindt bij voorkeur in de grotere kernen met voorzieningen plaats. Vergrijzing is een grote opgave. Maatwerk per kern is nodig. In elke kern is behoefte aan voldoende aan de zorgvraag aangepaste woningen, en aan woningen voor kleinere huishoudens. We willen een woningvoorraad in balans, ook bij toekomstige plannen. We willen betere doorstroming naar het midden- en hoge segment en de financieringsmogelijkheden van de (goedkopere) bestaande voorraad voor koopstarters faciliteren. Nieuwbouw vraagt om evenwichtig programmeren, incl. voldoende sociaal (ook voor vernieuwingsopgave) en middensegment.
Specifiek voor Geldermalsen - Aanpak leegstand centrum, versterken leefbaarheid - Realisatie woningbouw nabij station en langs de Linge - Verduurzamen woningen, gereed maken voor warmtetransitie Het realiseren van appartementen voor senioren binnen een bestaand pand, sluit op verschillende vlakken aan bij de ambities van de gemeente zoals opgenomen in de Woonvisie. Zo wordt onder andere leegstand van het kantoorpand voorkomen door het mogelijk maken van een nieuwe/andere functie en wordt ingespeeld op de groter wordende vraag naar passende woningen als gevolg van vergrijzing. De ontwikkeling is dan ook in lijn met de gemeentelijke woonvisie.
15
HOOFDSTUK 5.1
5 Omgevingsaspecten
Milieu In deze paragraaf wordt ingegaan op de relevante milieuaspecten en bekeken in hoeverre er sprake is van belemmeringen voor de voortgang van het plan.
5.1.1
M.e.r. plicht Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Met onderhavige ontwikkeling worden er maximaal 5 wooneenheden gerealiseerd. De realisatie hiervan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r., waardoor er geen sprake is van de verplichting om een m.e.r.-procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r. kan het realiseren van woningen worden onderverdeeld onder de ontwikkeling: “de aanleg of wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject”. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r.
kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject namelijk gaan om “bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan”. Gezien er sprake is van een gebied dat aanzienlijk kleiner is dan 100 ha en het plan aanzienlijk minder dan 2.000 woningen omvat, is formeel geen sprake van een m.e.r.beoordelingsplicht overeenkomstig het Besluit m.e.r. (categorie D11.2) Vormvrije m.e.r.-beoordeling Aanvullend op het voorgaande is op 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. De ontwikkeling kan vallen onder onderdeel D11.2: “de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject”. Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van maximaal 5 woningen. Een dergelijk kleinschalig initiatief betreft geen ontwikkeling als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Als gevolg hiervan hoeft voor de ontwikkeling van de woning dan ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.
16
5.1.2
Bodem In het kader van de Wro dient te worden aangegeven of de bodemkwaliteit geschikt is om een nieuwe functie en hoe eventuele bodemverontreiniging kan worden voorkomen. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijziging. Beoordeling van het bodemaspect kan in een aantal situaties achterwege blijven. Bij het wijzigen van het gebruik van een bebouwd perceel, waarbij de nieuwe gebruiksvormen een voor de beoordeling van het aspect bodemkwaliteit minder kritische gebruik kennen, is beoordeling van dit aspect niet aan de orde. In de huidige situatie is het plangebied ingericht en in gebruik ten behoeve van een kantoorfunctie. Aangezien de geldende bestemming wordt omgezet naar een woonbestemming, is er planologisch gezien sprake van een gevoeligere bestemming. Ten aanzien van deze gevoeligere bestemming, dient door middel van een onderzoek te worden bepaald of de bodemkwaliteit aanvaardbaar is voor een woonfunctie. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek weergegeven. De volledige onderzoeksrapportage is bijgevoegd in de bijlage. Uit het onderzoek blijkt dat er geen aanwijzingen zijn gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de onderzoekslocatie te verwachten.
Daarnaast blijkt dat er sprake is van voormalig gebruik als fruitboomgaard, waardoor het vermoeden van bodemverontreiniging aanwezig is. Verwacht wordt, dat er verspreid over de locatie wisselende gehalten aan verontreinigende stoffen voorkomen. De verwachte verontreinigende stoffen voor deze situatie zijn organochloorbestrijdingsmiddelen. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem wordt geadviseerd om in het kader van de voorgenomen ontwikkeling nader onderzoek te doen conform de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). De initiatiefnemer heeft de grond bouwrijp aangekocht van de gemeente Geldermalsen. Hierdoor is het mogelijk dat de mogelijk vervuilde grond als gevolg van de vroegere fruitboomgaard reeds is afgevoerd. In dat geval zijn er geen belemmeringen te verwachten met betrekking tot de bodemkwaliteit.
5.1.3
Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. b.
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
17
c. d.
een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Ter plaatse van de te realiseren wooneenheden dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van de luchtkwaliteit. In de Wet Milieubeheer zijn daarom grenswaarden gesteld met betrekking tot fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Voor het vaststellen van de achtergrondconcentraties fijn stof en stikstofdioxide zijn de grootschalige depositie- en concentratiekaarten van het RIVM geraadpleegd. Fijn stof De grens voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 µg/m 3 en de grens voor de daggemiddelde concentratie bedraagt 50 µg/m3. De achtergrondconcentratie voor fijn stof (PM10) op de locatie bedraagt circa 15,09 µg/m3 (figuur 5). Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de wettelijk gestelde grenswaarden.
Figuur 5 Achtergrondconcentratie fijn stof met plangebied rood omcirkeld
Stikstofdioxide Voor stikstofdioxide (NO 2) geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie en 200 µg/m3 voor een daggemiddelde concentratie. De achtergrondconcentratie voor stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied bedraagt circa 11,68 µg/m3 (figuur 6). Dat betekent dat ook de hoeveelheid stikstofdioxide ruim beneden de gestelde grenswaarden conform de Wet milieubeheer ligt. Initiatief
18
Figuur 6 Achtergrondconcentratie stikstofdioxide
Uit paragraaf 5.6.1 blijkt dat de realisatie van de zorgappartementen ten opzichte van de huidige situatie zorgt voor een afname van het aantal verkeersbewegingen per etmaal. Dit heeft een positief effect op de luchtkwaliteit ter plaatse en in de omgeving. Hierdoor is een onderzoek naar de luchtkwaliteit niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.1.4
Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien binnen het plangebied geluidgevoelige functies zijn voorzien binnen de invloedssfeer/onderzoekszones van omliggende (spoor)wegen en/of industrieterreinen, een akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan of afwijking van het bestemmingsplan. Industrielawaai - Geluidbelasting sport-/gymzaal Het plangebied ligt op korte afstand van een sport-/gymzaal. De geluidsbelasting afkomstig van deze functie is getoetst op een hoogte van 1,5, 4,5 en 7,5 meter en de waardes zijn bepaald door 1,5 meter boven de maaihoogte en de vloerverdiepingen. Uit de berekeningen blijkt dat de hoogste geluidbelasting (zonder correctie artikel 110 Wgh) als gevolg van industrielawaai (op de noordgevel van appartement 6) 64 dB bedraagt. Op basis van het bouwbesluit geldt een minimale karakteristieke geluidwering voor de uitwendige scheidingsconstructie van 20 dB(A). Daarmee kan ervan uitgegaan worden dat bij langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van ten hoogste 48 dB(A) in de avondperiode het binnenniveau wordt gewaarborgd. Op basis van het bouwbesluit geldt een minimale karakteristieke geluidwering voor de uitwendige scheidingsconstructie
19
van 20 dB(A). Daarmee kan ervan uitgegaan worden dat bij langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van ten hoogste 48 dB(A) in de avondperiode het binnenniveau wordt gewaarborgd. Met inachtneming van het voorgaande is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de appartementen Daarnaast wordt de gymzaal niet belemmerd in de bedrijfsvoering. - Geluidsbelasting gasontvangststation Direct ten oosten van het plangebied is een gasontvangststation gevestigd aan de Laageinde. De geluidsbelasting afkomstig van deze functie is getoetst op een hoogte van 1,5, 4,5 en 7,5 meter en de waardes zijn bepaald door 1,5 meter boven de maaihoogte en de vloerverdiepingen. In de berekeningen is rekening gehouden met de maximale planologische mogelijkheden op deze locatie (worstcasescenario). Uit de berekeningen blijkt dat de hoogste geluidbelasting (zonder correctie artikel 110 Wgh) als gevolg van industrielawaai 55 dB bedraagt. Het langetijdgemiddelde beoordelingsniveau van 50 dB(A) etmaalwaarde wordt met de representatieve bedrijfssituatie overschreven ter hoogte van de beoogde appartementen. Het maximale beoordelingsniveau van 70 dB(A) etmaalwaarde wordt met de representatieve bedrijfssituatie niet overschreden ter hoogte van de beoogde appartementen. -
Maatregelen Ten behoeve van het borgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, zal een geluidsscherm worden geplaatst. Het beoogde scherm van 5,5 meter valt op circa dezelfde hoogte als het bijgebouw én zal bestaan uit kokosschermen. Een dergelijk geluidsscherm is een begroeibaar geluidsscherm waarbij de buitenzijde afgewerkt is met duurzame kokosvezels. Behalve een aanzienlijke geluidsisolatie en -absorptie biedt de geluidswerende schutting de ideale aanhechting voor diverse soorten klimplanten. Met inachtneming van het bovenstaande is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de appartementen en wordt het nabij gelegen gastontvangststation niet in haar mogelijkheden belemmerd. Spoorweglawaai Op basis van beschikbaar gegevens zijn de geluidsniveaus op de erfgrens van de kavel als gevolg van de spoorlijn Geldermalsen - Zaltbommel berekend. De geluidbelasting van de spoorlijn voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB(A). Derhalve is een procedure hogere waarde ten behoeve van spoorweglawaai niet aan de orde. Dit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.
Wegverkeerslawaai Voor wat betreft wegverkeerslawaai geldt een onderzoeksplicht voor alle wegen, met uitzondering van: • wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt Op basis van de beschikbare verkeersgegevens is de gevelbelasting als gevolg van het verkeer van de omliggende wegen berekend. Ter plaatse van de gevels van de appartementen bedraagt de geluidbelasting afkomstig van de weg Oudenhof inclusief correctie van artikel 110g ten hoogste 53 dB. Derhalve wordt niet voldaan aan de
20
voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar wordt wel voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Cumulatieve geluidsbelasting Uit de berekening met betrekking tot wegverkeerslawaai blijkt dat niet kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Derhalve dient de gecumuleerde geluidbelasting te worden berekend om de benodigde gevelwering te bepalen. Binnen het Bouwbesluit is geregeld dat een waarde van 33 dB in de woning als gevolg van omgevingslawaai moet zijn gewaarborgd. Uit de gecumuleerde rekenresultaten blijkt ter plaatse en nabij de gevels over het algemeen een redelijke tot tamelijk slechte geluidsniveau heerst. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het tamelijk slechte geluidsniveau voornamelijk plaatsvindt ten noorden van de ontvangsthal van het pand, ter hoogte van de achterzijde van een van de appartementen en het gebied tussen de ontvangsthal en dit appartement. Voor de buitenruimte bij de appartementen heerst over het algemeen een redelijke tot matige geluidsniveau. Tevens ligt ten westen van het plangebied op vergelijkbare afstand een reeds bestaande woning waarbij de achtertuin op circa dezelfde afstand van de sport-/gymzaal ligt als voor het beoogde complex. Zodoende is het geen gebiedsvreemd geluid. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk tot matig woon- en leefklimaat.
De hierboven genoemde resultaten voor wat betreft de geveldelen kunnen tevens dienen voor toetsing van de buitenverblijven van het appartementencomplex daar het enkel balkons zijn.
5.1.5
Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm
21
fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer.
In de ‘Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico’ zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron
Wanneer groepsrisicoverantwoording?
Inrichtingen (Bevi)
Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.
Buisleidingen (Bevb)
Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1.
Spoor-, (Bevt)
Rijks-
en
waterwegen
Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit to vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het 1
Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer:
1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
22
Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing Ten behoeve van de ontwikkeling is een quickscan met betrekking tot het aspect Externe veiligheid uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit de quickscan weergegeven. Het volledige rapport is bijgevoegd in de bijlage. Uit de quickscan blijkt dat het plangebied binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Utrecht – Den Bosch en binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleiding W527-02 ligt. Spoorlijn Utrecht – Den Bosch Voor de spoorlijn kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico aangaande de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Aardgastransportleiding W-527-02 Vanwege de nabijgelegen aardgastransportleiding is het plaatsgebonden risico en het groepsrisico berekend met het rekenprogramma CAROLA. Uit de berekening blijkt dat de leiding geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar heeft. Er zijn wat betreft het plaatsgebonden risico dan ook geen beperkingen. Daarnaast blijkt uit de berekening dat het groepsrisico niet toeneemt. Er kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Beperkte verantwoording groepsrisico In het plangebied zijn nieuwe kwetsbare objecten voorzien (appartementen).
Aangezien het plangebied binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Utrecht – Den bosch en binnen het invloedsgebied van de buisleiding W-527-02 ligt, dient het groepsrisico te worden verantwoord. Uit de resultaten van de CAROLA-berekening voor de buisleiding blijkt dat het groepsrisico niet toeneemt ten gevolge van het plan. Er kan worden volstaan met een verantwoording van het groepsrisico aangaande de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Zelfredzaamheid Uitgangspunt is dat de aanwezige personen zelfredzaam zijn. Het plan beoogt niet specifiek een functie voor verminderd zelfredzame personen te realiseren. De aanwezige personen kunnen worden gealarmeerd door het luchtalarm en NL-alert en hierop zelfstandig reageren. Afhankelijk van de locatie van het ongeval met gevaarlijke stoffen en de omvang van het incident is voor onderhavig plangebied het handelingsperspectief schuilen of vluchten. Indien het incident op grotere afstand van het plangebied plaatsvindt en de appartementen geen gevaar lopen, is schuilen in de appartementen de beste optie. In andere gevallen is vluchten het handelingsperspectief. Vanaf de appartementen kan de Oudenhof als vluchtroute worden gebruikt. Dit moet altijd van de bron af gebeuren en zal in onderhavige situatie logischerwijs in westelijke of noordwestelijk richting gebeuren.
23
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten, in hoeverre zij in staat zijn hun taken goed uit te kunnen voeren en om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Een adequate bluswatervoorziening en een goede bereikbaarheid van zowel de bluswatervoorzieningen als de incidentlocatie, zijn randvoorwaarden voor een effectieve en efficiënte incidentbestrijding door de brandweer. Ten aanzien van het plangebied is er een brandweerkazerne gelegen op circa 1,0 kilometer afstand, aan de Rijksstraatweg 62 te Geldermalsen. De opkomsttijd bedraagt circa 2 minuten. Het plangebied ligt tevens binnen het dekkingsgebied van het waarschuwings- en alarmeringssysteem. De dichtstbijzijnde sirene ligt op een afstand van circa 100 meter van het plangebied, op het bedrijventerrein aan de overzijde van de Provincialeweg Oost. Het plangebied is bereikbaar via de Oudenhof. Deze route kan tevens worden gebruikt als vluchtroute. Bij een fakkelbrand van een buisleiding zal voornamelijk worden ingezet op evacuatie en afscherming van de omgeving totdat de leidingexploitant het betreffende leidingdeel kan blokken of dichten. In de planregels behorende bij onderhavig bestemmingsplan zijn voor de gronden binnen een zone van 15 meter rondom het gasontvangststation nadere regels opgenomen.
Deze regels zien toe op het verbod om beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten te plaatsen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.1.6
Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. De beoogde woningen betreffen geen bedrijf of inrichting welke moet worden getoetst aan een minimumafstand tot andere gevoelige objecten. Omdat de beoogde woningen gevoelige objecten betreffen, is gekeken naar de omliggende functies en de bijbehorende aan te houden afstanden tot gevoelige objecten. In de directe omgeving van de nieuwe woning zijn voornamelijk burgerwoningen gelegen, maar er zijn tevens een aantal andere functies gelegen. Ten behoeve van de ontwikkeling is een quickscan uitgevoerd in het kader van bedrijven en milieuzonering. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit de quickscan weergegeven. De volledige rapportage is bijgevoegd in de bijlage.
24
Binnen een afstand van 200 meter zijn een aantal bedrijven en maatschappelijke functies aanwezig. - Gasontvangststation → Ten aanzien van het gasontvangstation geldt een veiligheidsafstand van 70 meter. Het plangebied ligt binnen een afstand van 70 meter. Derhalve is een nader onderzoek (externe veiligheid) uitgevoerd. Uit dit onderzoek (paragraaf 5.1.5) blijkt dat het gasontvangststation geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. - Nutsvoorzieningen → Op circa 50 meter ten noorden van het plangebied ligt een nutsvoorziening in de vorm van een pompgebouw voor leidingwater. De richtafstand voor de nutsvoorziening is afhankelijk van het pompvermogen. Bij een vermogen van ten hoogste 1 MW bedraagt de richtafstand 10 meter en is de inrichting niet relevant. Bij een vermogen van 1 tot 15 MW is de richtafstand 50 meter en valt het plan hierbinnen. In dat geval is een akoestisch onderzoek noodzakelijk. Gelet op de reeds aanwezige omliggende woonbestemmingen op kortere afstand tot de inrichting wordt geconcludeerd dat nader onderzoek achterwege kan blijven gezien de nieuwe wooneenheden niet meer beperkend zijn dat de woningen op kortere afstand. - Sporthal/gymzaal → Voor deze functie geldt een richtafstand van 30 meter specifiek voor geluid. Een nader akoestisch onderzoek wordt dan ook wenselijk geacht.
Uit paragraaf 5.1.4 blijkt dat, een hogere waarde dient te worden verleend en in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor het onderdeel ‘bouwen’ een gevelweringonderzoek wordt geadviseerd. - Bedrijventerrein → De kortste afstand tot het plangebied bedraagt circa 40 meter. Binnen het bedrijventerrein zijn in algemene zin inrichtingen tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan waarvoor een richtafstand van 50 meter geldt. Binnen 50 meter afstand tot het plangebied is de specifieke aanduiding ‘bouwmarkt’ vastgelegd. Bouwmarkten vallen in milieucategorie 2 met richtafstand 10 meter, waardoor dit geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Met betrekking tot de overige bestemmingsvlakken binnen 50 meter afstand wordt gesteld dat deze weliswaar binnen 50 meter afstand tot het plangebied zijn gelegen, maar op meer dan 50 meter afstand tot het bouwvlak. Ervan uitgaande dat de woningen binnen dit bouwvlak blijven, wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter en is nader onderzoek niet noodzakelijk. Uit deze paragraaf en de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat er ten aanzien van dit aspect geen belemmeringen zijn. Omliggende functies en bedrijven worden niet meer in de mogelijkheden beperkt dan in de huidige situatie reeds het geval is.
5.1.7
Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het plangebied kabels, leidingen en hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden moet worden. Kabels en leidingen Uit het geldende bestemmingsplan en paragraaf 5.1.5. blijkt dat er binnen of in de nabijheid van het plangebied geen kabels en/of leidingen aanwezig zijn die een beschermingszone in het kader van de te voeren planologische procedure hebben.
25
In het kader van dit bestemmingsplan zijn in de planregels voor de gronden binnen een zone van 15 meter rondom het gasontvangststation nadere regels opgenomen. Deze regels zien toe op het verbod om beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten te plaatsen. Hoogspanningslijnen Uit de Netkaart blijkt dat er binnen of in de directe nabijheid van het plangebied geen hoogspanningslijnen aanwezig zijn. Dit zorgt dan ook niet voor hinder van onderhavige ontwikkeling.
5.2
Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen.
5.2.1
Beleid Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Rivierenland. De doelen van het waterschap staan beschreven in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. In aansluiting op het landelijke beleid hanteert het Waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen onderzocht en aangegeven dient te worden hoe omgegaan wordt met het schone hemelwater. Het uitgangspunt is om ontwikkelingen hydrologisch neutraal uit te voeren. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Het streven is daarbij om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. De beleidsnotitie 'Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk’ maakt inzichtelijk welke hydrologische consequentie(s) ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hebben op het watersysteem.
Het bevat beleidsuitgangspunten, voorwaarden en normen om negatieve hydrologische consequenties te compenseren.
26
Uitgangspunt Waterschap Rivierenland Het uitgangspunt van Waterschap Rivierenland is dat nieuwe ontwikkelingen ‘hydrologisch neutraal’ dienen te worden uitgevoerd. Hemelwater mag niet versneld worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Bij een toename van het verhard oppervlak is compensatie aan water vereist. Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, een enkele woning, etc., moeten compenseren geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m2 voor stedelijk gebied.
5.2.2
Toekomstige waterhuishoudkundige situatie In de toekomstige situatie wordt het bestaande pand verbouwd tot een vijftal appartementen. Het hemelwater dat op de verharde (dak)oppervlakten valt, zal worden opgevangen, opgeslagen en onder andere gebruikt ten behoeve van de beregening van de tuinen. Het overtollige hemelwater zal ter plaatse in de bodem worden geïnfiltreerd door bijvoorbeeld wadi’s. Een en ander wordt nader uitgewerkt in het kader van de vergunning voor het onderdeel ‘Bouwen’. Met betrekking tot de afvoer van afvalwater is er sprake van een gescheiden stelsel, waarbij wordt afgekoppeld op de bestaande riolering. De bebouwing is en blijft dus aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Voorliggend project zorgt niet voor een verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie.
5.2.3
Watertoets Ten behoeve van de ontwikkeling is de Digitale Watertoets uitgevoerd. In de bijlage is een afschrift van het resultaat bijgevoegd. Uit de Watertoets wordt geconcludeerd dat er sprake is van een ‘klein plan met weinig relevante wateraspecten’. Dat betekent dat de ontwikkeling een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. Gelet op het voorgaande worden er in het kader van het wateraspect geen belemmeringen verwacht.
5.3
Natuur
5.3.1
Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht.