CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2024-111-Bijlage-Buitengebied-Neerijnen-Veegplan-2017-herziening-Ammanswal-5-Toelichting.pdf

Oordeelsvormende vergadering(en) 10 september 2024, gemeente West BetuweBij agendapunt: 7: Gewijzigd vaststellen ontwerpbestemmingsplan ‘Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5’11.812 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5 ontwerp

bestemmingsplan Toelichting

Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5 ontwerp 14-12-2023

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Opbouw bestemmingsplan 1.5 Leeswijzer

7 7 7 8 10 11

Hoofdstuk 2 Het initiatief 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie

13 13 14

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal en gemeentelijk beleid

17 17 19 21

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid 4.1 Milieu 4.2 Water 4.3 Ecologie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Cultuurhistorie en archeologie 4.6 Economische uitvoerbaarheid

25 25 32 34 35 35 36

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Algemeen 5.2 Verbeelding 5.3 Planregels 5.4 Wijze van bestemmen

39 39 39 39 39

Hoofdstuk 6 Procedure 6.1 Algemeen

41 41

3

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

4

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

Toelichting

5

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

6

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Door de eigenaar van het perceel Ammanswal 5, tevens initiatiefnemer van dit project, is er een laagstam perenboomgaard opgericht van circa 8 ha. aan de Ammanswal te Waardenburg. Hierdoor ontstaat er op deze locatie een nieuw volwaardig fruitteeltbedrijf. Voor een duurzame en verantwoorde bedrijfsvoering wil het bedrijf ter plaatse beschikken over een eigen agrarisch bedrijfsgebouw. Het voornemen is om de bouwmogelijkheden van een agrarisch bouwperceel gelegen aan de Gerestraat te Heesselt, te verplaatsen naar het agrarisch perceel aan de Ammanswal te Waardenburg. Het bouwvlak aan de Gerestraat ligt op een ongunstige locatie voor het fruitteeltbedrijf. Met verplaatsing van het bouwperceel is de bedrijfsvoering aan de Ammanswal beter mogelijk. De gemeente (destijds Neerijnen, nu West Betuwe) heeft op 27 juni 2017 besloten onder voorwaarden medewerking aan het initiatief te verlenen. Om de ontwikkelingen mogelijk te maken, is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.

1.2

Ligging plangebied

Het beoogde bouwperceel ligt aan de Ammanswal te Waardenburg, gemeente West Betuwe. Het plangebied bestaat uit de kadastrale percelen bekend als gemeente West Betuwe, sectie X, nr. 403. Het perceel wordt begrensd door de Oude Culemborgse Vaart (oostzijde), een watergang aan de noordzijde en een watergang aan de oostzijde met daarachter de Slimweistraat. Onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving en de beoogde situering van het bouwperceel.

Luchtfoto plangebied met beoogde ligging bouwperceel (rood)

De bouwmogelijkheden van het agrarisch bouwperceel met dezelfde oppervlakte, gelegen aan de Gerestraat te Heesselt, kadastraal bekend gemeente Varik, sectie E, nr. 110 en 111 komen te vervallen, zie onderstaande afbeelding.

7

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

Luchtfoto plangebied met het te vervallen bouwperceel (rood)

1.3

Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied van het beoogde bouwperceel vigeert het bestemmingsplan 'Buitengebied Neerijnen, veegplan 2017' van de voormalige gemeente Neerijnen. Dit bestemmingsplan is op 6 juli 2017 vastgesteld en ziet voor het perceel op een planologische voortzetting van het bestemmingsplan 'Ammanswal ong.'. Dit laatste bestemmingsplan is destijds opgesteld om de boomgaard mogelijk te kunnen maken.

8

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

Uitsnede www.ruimtelijkeplannen.nl

In onderstaande afbeelding is het agrarisch bouwperceel aan de Gerestraat te Heesselt weergegeven. De oppervlakte van het bouwperceel bedraagt circa 2.900 m2 .

9

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

Uitsnede www.ruimtelijkeplannen.nl

In het geldende bestemmingsplan is geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een agrarisch bouwperceel te kunnen verplaatsen. Tevens is het bestemmingsplan Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019 van de gemeente West Betuwe van toepassing.

1.4

Opbouw bestemmingsplan

Het bestemmingsplan is een bindend plan voor zowel overheid als burgers. In een bestemmingsplan wordt de bestemming, ofwel de functie van de grond aangewezen. Ook geeft het bestemmingsplan regels over het gebruik van de grond en wat daarop gebouwd mag worden. Omgevingsvergunningen moeten worden getoetst aan het bestemmingsplan. Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en planregels. Toelichting De toelichting wordt opgesteld overeenkomstig artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de toelichting is opgenomen: een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen; een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding; de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 Bro bedoelde overleg; de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek; een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken; de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.

10

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

Omdat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer is opgesteld, worden in de toelichting, conform artikel 3.1.6 lid 2 Bro, ten minste neergelegd: een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden; voor zover nodig een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met overige waarden van de in het plan begrepen gronden en de verhouding tot het aangrenzende gebied; een beschrijving van de wijze waarop krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer vastgestelde milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Verbeelding De verbeelding, een kaart, geeft de bestemming van de grond aan met daarbij eventuele aanduidingen zoals bouwvlakken. Door op de verbeelding te kijken is te zien welke bestemmingen en mogelijke aanduidingen er gelden. De verbeelding omvat de laatste afspraken over InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO) en Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012. Planregels De planregels geven de gebruiksmogelijkheden aan van de grond en vaak ook op welke wijze de gronden bebouwd mogen worden. In het vormgeven van de planregels wordt aangesloten bij de SVBP 2012.

1.5

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk is in Hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In Hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In Hoofdstuk 4 is het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tevens is in dit hoofdstuk ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. In Hoofdstuk 5 is vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot gaat Hoofdstuk 6 in op de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid van het plan.

11

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

12

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

Hoofdstuk 2

Het initiatief

In dit hoofdstuk komt het initiatief aan bod. Daartoe wordt eerst inzicht gegeven in de huidige functie(s) en bebouwing in het plangebied. Daarbij wordt mede de relatie met de omgeving betrokken. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1

Huidige situatie

Historie De nederzetting Waardenburg is ontstaan op de hoger gelegen gronden van een stroomrug. Van hieruit werden kleine akkers aangelegd. De eerste bedijking in dit deel van het Rivierenland vond plaats in de 10de en 11de eeuw na Chr. Na de aanleg van de dijken werden de kommen in ontginning genomen en ontstond het kenmerkende slagenlandschap. In de tweede helft van de 19e eeuw zijn met de ruilverkaveling percelen samengevoegd. De Oude Culemborgse Vaart, vroeger de Tuilsche Vliet genoemd, was de oude waterverbinding voor trekschuiten tussen Culemborg en Waardenburg uit ca. 1400. Landschappelijke context Het is een lager gelegen gebied op een oostelijke oeverwal van ongeveer +2m NAP. Ten noorden van de locatie zijn open weide gronden. Dit gebied is door de Provincie Gelderland aangemerkt als waardevol weidevogelgebied. Ook is de locatie gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Ten zuiden van het gebied is de bebouwde zone. Een open zone met enkele fruitboomgaarden strekt zich uit naar de rivier de Waal met haar brede uiterwaarden. De Oude Culemborgse Vaart ligt als brede waterloop langs de onbebouwde zone en vormt een belangrijke verbindende drager, zowel in ecologisch als recreatief opzicht. De Oude Culemborgse Vaart is een belangrijke waterverbinding met hoge cultuurhistorische waarde.

Met de ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers met flauw talud is de natuurwaarde hiervan versterkt. De aanleg van een 7 meter brede berm heeft een zichtlijn over de Oude Culemborgse Vaart op de poldermolen gecreëerd en de mogelijkheid om een laarzenpadroute te volgen. Op de hoek Oude Culemborgse Vaart en Ammanswal zijn voorzieningen aangelegd om recreatief medegebruik aan te moedigen. Een combinatie van fruitteelt, waterverbinding, natuurwaarde en recreatieve voorzieningen maakt het gebied aantrekkelijk en kan daarmee als ‘groene buffer’ functioneren. Locatie Gerestraat Heesselt Op het perceel Gerestraat 8a Heesselt is in de huidige situatie een agrarisch bouwperceel gelegen. Ter plaatse was sprake van een tweetal agrarische opstallen die ondertussen gesaneerd zijn. De resterende verharding is grotendeels afgevoerd.

13

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

Luchtfoto plangebied met het te vervallen bouwperceel (rood)

2.2

Toekomstige situatie

Locatie Ammanswal Waardenburg De bebouwing en erven in het gebied liggen verspreid aan de Ammanswal, de Slimweistraat en de Haarstraat. Het bedrijfsterrein Slimweipark is met een stevige groene rand fysiek gescheiden van de locatie. Het bouwvlak wordt zodanig gepositioneerd dat het buiten de 'groen buffer' staat. Het bebouwingsvlak volgt de oost-west oriëntatie van de fruitboomgaard. Door het gebouw te koppelen aan een bestaand onderhoudspad door de fruitboomgaard wordt de opzet eenvoudig gehouden met manoeuvreerruimte tussen de bebouwing en de schuur. Voorstel is om het bouwvlak zodanig te positioneren dat het buiten de 'groen buffer' staat. Het gebouw van circa 1.250 m2 is gelegen op een erf/kavel van circa 2.900 m2 in de zuidwestelijke hoek van de boomgaard. In het bedrijfsgebouw zullen de volgende activiteiten plaatsvinden: het opslaan van oogstmateriaal, verpakkingsmateriaal, het sorteren en verpakken van fruit, het koelen van fruit en het stallen van tractoren en machinerieën. Met een brede oprit/dam is het erf vanaf de smalle Ammanswal bereikbaar. De knotwilgen langs de Ammanswal blijven gehandhaafd. Op het erf is er mogelijkheid voor parkeren (bezoekers, 15 auto's). Door de voorste rijen fruitboomgaard te handhaven ligt het gebouw en erf beschut en deels uit het zicht. Een open zone met bloemrijkgras en een groep sierkersen of sierperen vormen een accent bij de entree.

Hier begint de laarzenpadroute en is er ruimte voor recreatieve voorzieningen. Ten behoeve van waterberging wordt de zuidelijke watergang langs het laarzenpad verbreed met natuurvriendelijke oever. Langs de oprit worden aan de slootzijde een rij knotwilgen geplaatst, gelijk aan het naastgelegen perceel. Hierdoor is het gebouw ook vanuit oostelijke richting landschappelijk ingepast.

14

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

Voor de ontwikkeling is een landschappelijke inpassing opgesteld (zie Landschappelijke inpassing Ammanswal). Locatie Gerestraat Heesselt Voor de locatie aan de Gerestraat Heesselt geldt dat de bouwmogelijkheden voor een agrarisch bouwperceel komen te vervallen met dit bestemmingsplan. De gronden worden voor agrarisch grondgebruik ingezet.

15

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

16

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

Hoofdstuk 3

Beleidskader

De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied moet passen binnen het vigerend beleid op zowel nationaal, provinciaal, regionaal als gemeentelijk niveau. In dit hoofdstuk zijn de belangrijkste bevindingen uit het (ruimtelijk) relevante beleid beschreven en wordt aangegeven hoe voorliggende ontwikkeling hierop inspeelt.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en ontwikkelingen van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI wordt ingegaan op urgente opgaven die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Deze opgaven omvatten onder andere klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Het uitgangspunt in de aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Er zijn vier nationale belangen waar het Rijk op wil sturen en richting geven: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkelingen van het land. Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1.

2.

3.

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Uitvoering De NOVI bevat ook een Uitvoeringsagenda. Daarin wordt niet alleen inzichtelijk gemaakt welke inzet Rijk en regio nu al plegen, maar ook welke (gezamenlijke) acties de NOVI daaraan toevoegt. Daarbij zijn de kansen en risico’s uit de plan MER betrokken. Bedoeling is dat de NOVI zich aan nieuwe ontwikkelingen kan aanpassen, in een permanent en cyclisch proces. Conclusie Dit bestemmingsplan maakt een nieuw bedrijfsgebouw mogelijk. De NOVI doet geen specifieke uitspraken over dit initiatief of het plangebied. Het initiatief is daarmee in lijn en niet strijdig met de NOVI.

17

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) trad op 30 december 2011 in werking. Het Barro stelt niet alleen regels omtrent de 13 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de voormalige Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de Nationale omgevingsvisie, maar stelt ook regels die in bestemmingsplannen moeten worden opgenomen waaronder een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Conclusie Aangezien de voorliggende ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling betreft, is een toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk. Voor het overige is de voorgenomen ontwikkeling in lijn met en niet strijdig met het Barro. 3.1.3

Startnotitie NPLG en Klimaatmeetlat

Het NPLG Het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) is een beleidsprogramma dat voortvloeit uit de NOVI. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn hiervoor de opdrachtgevers. In de NPLG heeft het Rijk gebiedsgerichte opgaven en maatregelen voor natuur, stikstof, landbouw, water, bodem en klimaat opgesteld. De EU-verplichtingen zijn hierin leidend: Vogel- en Habitatrichtlijn, Kaderrichtlijn Water (KRW) en onder andere de Europese Klimaatwet voor broeikasgassen. De NPLG is specifiek bedoeld om invulling te geven aan de nationale wettelijk verplichte doelstellingen. Klimaatmeetlat De maatlat schept het kader voor klimaatadaptief bouwen en richt zich op locatie-inrichting en manier van bouwen. Het gaat daarbij om de klimaatthema’s hitte, wateroverlast, droogte en gevolgbeperking van overstromingen. Daarnaast worden ook de thema’s bodemdaling en biodiversiteit betrokken. Handreiking decentrale regelgeving klimaatadaptief ontwikkelen Op initiatief van het Ministerie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties en Het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is de werkgroep ‘Verkenning (bouw)regelgeving t.b.v. klimaatbestendige inrichting’ opgericht.

Op verzoek van deze werkgroep is onderzoek gedaan naar knelpunten bij klimaatadaptief bouwen en inrichten en een advies uitgebracht over mogelijke oplossingsrichtingen. Uit het onderzoek komt naar voren dat het huidige wettelijke stelsel al veel mogelijkheden biedt aan decentrale overheden om klimaatadaptief bouwen juridisch te borgen. Het komt in de praktijk echter regelmatig voor dat in organisaties de kennis over wat juridisch wel en niet mogelijk is, ontbreekt. Daarom heeft de werkgroep het initiatief genomen om een handreiking over decentrale regelgeving bij klimaatadaptief bouwen en inrichten uit te werken. Conclusie Het project ligt in een, door de NPLG aangegeven, transitiegebied. Dit houdt in dat er voor dit gebied verschillende uitgangspunten gelden. Het tegengaan van verslechtering van de verslechtering, en het verbeteren van de staat van instandhouding van de natuur in elk N2000-gebied. De kenmerken van het water en bodemsysteem worden als onderlegger gebruikt voor de ruimtelijke verdeling van stikstofreductie. Richtinggevende emissiereductie doelstelling voor de gebieden in Gelderland zijn 12%. Het Rijksbeleid geeft aan stikstofuitstoot zoveel mogelijk te willen reduceren. Dit aspect van het beleid dat te maken heeft met klimaatadaptatie en milieuvriendelijkheid is belangrijk.

In het hoofdstuk uitvoerbaarheid worden verschillende aspecten rondom het thema milieu belicht. Daarnaast reikt her Rijk handvatten aan om de klimaatadaptie in de leefomgeving specifiek aan te pakken.

18

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Gelderland

Op 19 december 2018 hebben provinciale staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat over 'Gaaf Gelderland'. 'Gaaf' is een woord met twee betekenissen. 'Gaaf' betekent 'mooi' en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien – heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard. Maar 'Gaaf' verwijst ook naar dat wat 'cool' en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard. Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie. Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal. Gezond en veilig is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. Schoon en welvarend is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen.

En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. De visie geeft zeven ambities voor een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland, onder andere op het terrein van economisch vestigingsklimaat en het woon- en leefklimaat. Met vier spelregels of Doe-principes' – DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN – geeft de provincie hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen de provincie werkt en afwegingen maakt.

De provinciale hoofddoelen zijn vertaald in provinciale ambities, die zijn onderverdeeld in drie thema's. Het thema Divers Gelderland betreft de regionale verschillen in maatschappelijke vraagstukken en opgaven en het koesteren van de regionale identiteiten. Onder het thema Dynamisch Gelderland staan de provinciale ambities die zich afspelen op met name ruimtelijk-economisch vlak, bijvoorbeeld wonen, werken, mobiliteit. Het derde thema, Mooi Gelderland, betreft de Gelderse kwaliteiten die bescherming dan wel ontwikkeling nodig hebben en die tegelijk richting geven aan ontwikkelingen.

19

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

Conclusie Het initiatief voor de verplaatsing van een agrarisch bouwperceel ten behoeve van de verdere ontwikkeling van een laagstam boomgaard valt binnen de speerpunten wat betreft Agribusiness. Hierbij wordt tevens een vitaal platteland nagestreefd met de nadruk op een ruimtelijk beleid waar lokaal maatwerk wordt geleverd. Er wordt ruimte geboden voor initiatieven met kwaliteit. Het initiatief is in overeenstemming met de Omgevingsvisie van Gelderland. 3.2.2

Omgevingsverordening Gelderland

Op 24 september 2014 is de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Gelderland. Op 21 december 2022 is de laatste actualisatie vastgesteld. De omgevingsverordening is een uitwerking van de omgevingsvisie. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen hiervan of gebiedsgerichte thema's. De onderwerpen die in de verordening aan de orde komen en waarvoor regels opgenomen zijn, zijn: wonen, bedrijvigheid, glastuinbouw, veehouderij, grond- en drinkwater, natuur en landschap, energie, gebruik gesloten stortplaatsen, grondwaterbescherming met het oog op de waterwinning, bodem, geluidhinder, vaarwegen, regionaal waterplan, handelingen in watersystemen, wegen, vervoer gevaarlijke stoffen en luchtvaart. Ter plaatse van het plangebied zijn twee artikelen van toepassing: Artikel 2.17: Verbod met betrekking tot de vestiging van glastuinbouwbedrijven. De regels hebben geen betrekking op dit initiatief aangezien er geen glastuinbouwbedrijf wordt gerealiseerd. Het agrarische bedrijf ter plaatse is bestaand, er wordt enkel voorzien in een loods ter plaatse. Artikel 2.65b: Klimaatadaptatie. In dit artikel is aangegeven dat een nieuw bestemmingsplan ingaat op de risico's van klimaatverandering en hoe deze beperkt kunnen worden.

In paragraaf 4.2 wordt ingegaan op het waterbergende vermogen in het plangebied en hoe de wateroverlast beperkt wordt. In het plangebied wordt geen droogte of hittestress ervaren. Ter plaatse wordt een bedrijf opgezet dat toekomst bestendig is en dat, indien nodig, kan omgaan met de gevolgen van langere droogte of hitte. Artikel 3.12: Grondwaterbeschermingsgebied. In de huidige verordening is het plangebied aangemerkt als grondwaterbeschermingsgebied. Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een omgevingsvergunningplichtige inrichting op te richten van een categorie die is aangewezen in bijlage Grondwaterbescherming, onderdeel B van de provinciale verordening. Daarvan is sprake en is realisatie van het initiatief niet zonder meer mogelijk. Intussen heeft de provincie actualisatieplan 8 opgesteld. Hieronder worden de gevolgen met betrekking tot grondwater uitgewerkt. Actualisatieplan 8 In de laatste ontwerp actualisatieplannen, in actualisatieplan 8, is de regeling voor grondwaterbeschermingsgebieden aangepast.. Het zogenaamde 'inrichtingenbegrip' uit de Wet milieubeheer komt namelijk in de Omgevingswet niet meer terug. Daarom is het noodzakelijk om de regels voor grondwaterbescherming in de omgevingsverordening te wijzigen. Dat komt onder andere omdat het inrichtingenbegrip vervalt.

Zo is de lijst van verboden inrichtingen in waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden omgezet naar een nieuwe lijst van verboden activiteiten, gebaseerd op het Besluit activiteiten leefomgeving. Daarnaast is de lijst van schadelijke stoffen aangepast. Daarbij speelt niet alleen het vervallen van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming een rol, maar ook het feit dat die verwijzing in het verleden onbedoeld ongenuanceerd is opgenomen in betreffende bijlage van de verordening; daarbij ging het maatwerk verloren dat binnen die richtlijn uitdrukkelijk van toepassing is. Met de nieuwe verkorte lijst wordt dit gebrek hersteld. De inhoud van de omschrijving van schadelijke stoffen blijft hetzelfde: schadelijke stoffen waren en blijven kortgezegd alle stoffen waarvan verwacht wordt dat ze

20

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

het grondwater kunnen vervuilen. De lijst in de bijlage van de verordening geeft daar een eerste invulling aan. Twee activiteiten zijn in de nieuwe regels explicieter verboden dan in de huidige regels. Dat is het verbod om in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied een ondergrondse opslagtank aan te leggen, en het verbod om in alle beschermingsgebieden de beschermende werking van een bodemlaag aan te tasten. Hoewel de huidige regels hier theoretisch gezien nog uitzonderingen op mogelijk maken, is praktisch gezien al sprake van een verbod. Dit is in de nieuwe regels expliciet gemaakt. De beschermende bodemlagen waar het om gaat staat bij de informatie van de betreffende beschermingsgebieden wat de maximale (boor)diepte is, waarbij ervan uit mag worden gegaan dat de beschermende werking van een bodemlaag niet wordt aangetast. Door het actualisatieplan wordt de ontwikkeling mogelijk gemaakt en kan de loods ter plaatse gebouwd worden. De verboden activiteiten in de provinciale lijst worden ter plaatse van dit initiatief uitgesloten in de regels van dit bestemmingsplan. Activiteiten die het grondwaterbeschermingsgebied kunnen schaden, worden in dit bestemmingsplan niet toegestaan. Het initiatief is daarmee uitvoerbaar en in lijn met de provinciale verordening.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het initiatief in lijn is met de Omgevingsverordening Gelderland (Actualisatieplan 8). Het provinciale beleid staat het initiatief niet in de weg.

3.3

Regionaal en gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie West Betuwe

Op 22 februari 2022 is de Omgevingsvisie West Betuwe door de gemeenteraad vastgesteld. Deze gemeentelijke omgevingsvisie geeft het toekomstverhaal van West Betuwe weer. In de visie zijn zeven strategische opgaven en ambities opgenomen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Gezonde en leefbare leefomgeving; Wonen en voorzieningen; Mobiliteit en bereikbaarheid; Economie en ondernemerschap; Landbouw; Energie en klimaat; Natuur, cultuur en recreatie.

Deze opgaven en ambities gelden voor het grondgebied van de gehele gemeente. West Betuwe kent echter een variëteit aan gebieden, van kernen, werklocaties tot agrarische gebied. In de omgevingsvisie wordt ook nog verder ingezoomd op drie deelgebieden: de kernen, het buitengebied en de werklocaties. Het plan voorziet in het toevoegen van een agrarische schuur in het buitengebied bij Waardenburg. Ter plaatse van het perceel is reeds een agrarisch bedrijf aanwezig. Voor een efficiëntere bedrijfsvoering wordt de schuur toegevoegd. Het initiatief is hiermee in lijn met de West Betuwse ambities voor het agrarisch gebied waarbij agrariërs de mogelijkheid krijgen hun activiteiten op een perceel uit te breiden. Conclusie Gezien de verschillende ambities van de gemeente rondom energie, klimaat, landbouw, en Economie en ondernemerschap, past de beoogde ontwikkeling bij het beleid van de gemeente. Het initiatief bestaat namelijk uit het creëren van een meer efficiënte manier van Landbouw, wat de economie en het ondernemerschap ten goede komt. Ook wordt er in het ontwerp rekening gehouden met klimaat bestendigheid, door de reistijd van de landbouwwagens te reduceren, en de bedrijfshal te laten voldoen aan de duurzaamheidseisen, zoals gesteld door de gemeente. De beoogde ontwikkeling is dus niet in strijd met het gemeentelijk beleid.

21

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

3.3.2

Landschapsontwikkelingsplan Stroomlijnen door het landschap

In 2008 hebben de drie gemeentes Lingewaal, Geldermalsen en Neerijnen, die later opgegaan zijn in de gemeente West Betuwe gezamenlijk een landschapsontwikkelingsplan (LOP) laten opstellen. Het LOP is als beleidsstuk een handvat om ruimtelijke ontwikkelingen landschappelijk verantwoord plaats te laten vinden. Daarnaast geeft een LOP inspiratie voor projecten om landschappelijke structuren te versterken. Omdat het LOP uit 2008 stamt en omdat de drie voormalige gemeentes waarvoor het LOP gemaakt inmiddels zijn gefuseerd, is het LOP te geactualiseerd. Het LOP uit 2008 is daarbij het vertrekpunt, omdat de visie op het landschap door de jaren heen niet veel veranderd is. Wel zijn andere thema’s actueler geworden ((energie, klimaat, circulair, kringlooplandbouw, woningbouwopgave, biodiversiteit, natuurinclusiviteit) en dienen er accentverschillen te worden aangebracht. Daarnaast is het in 2021 vastgestelde erfgoedbeleid belangrijke input bij deze actualisatie en willen we het LOP opnieuw positioneren ten opzichte van andere beleidsstukken, mede gelet op de komst van de Omgevingswet Het landschapsontwikkelingsplan, “Stroomlijnen door het landschap”, is gericht op het versterken van de landschappelijke eenheid en kwaliteit, en op het bieden van ruimte aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen.

De landschapsvisie stelt dat het stromenlandschap van de gemeente een groene parel in verstedelijkend Nederland is. De gemeente wil die groene natuurparel koesteren en oppoetsen door die parel trots te tonen langs de bovenregionale stromen, de lokale historische stromen te beschermen en te versterken met nieuwe landschapselementen en ontwikkelingsruimten te doorstromen met een robuuste groenstructuur. Planspecifiek Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de visiekaart van het landschapsontwikkelingsplan weergegeven. Op de kaart is het plangebied aangemerkt als waardevol open gebied. Daarnaast is de wetering in de buurt van het plangebied aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol.

Uitsnede visiekaart

22

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

De identiteit van het landschap wordt bepaald door de verschillen en de samenhangen tussen zeven verschillende eigentijdse ‘landschaps-ensembles’. Het landschap in het plangebied betreft het ensemble 'de dynamische stroom van Geldermalsen naar Haaften'. Op de stroomrug wordt de komende jaren gewerkt aan een robuuste groenstructuur van wegbeplanting, struwelen, singels en bosjes. Op eigen initiatief kunnen particulieren werken aan fraaie erven met kenmerkende landschapselementen. Het gebied tussen Waardenburg en Meteren/Est is nog niet zo verstedelijkt als de beide uiteinden van dit ensemble, maar ondervindt wel de druk hiervan. Ook hier is het daarom nodig te bouwen aan een nieuwe robuuste groenstructuur. Met smalle wandelpaden en kruidenrijke bermen of akkerranden krijgen de akkers gouden randen. Voor het plangebied is verder geen specifieke landschappelijke opgave op de visiekaart weergegeven. Uit de LOP-ensemble boeken is in de benoemde 'Dynamische zone tussen Geldermalsen en Haaften opgenomen dat paden voor 'dorpsommetjes 'gestimuleerd dienen te worden. Bij de ontwikkeling van de boomgaard aan de Ammanswal is dit onderdeel reeds opgenomen. Met de landschappelijke en ecologische invulling in de randen van het plangebied van de boomgaard wordt een invulling gegeven aan de uitgangspunten en doelstellingen van het LOP.

Bij de ontwikkeling van het bouwperceel is vervolgens sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing, zie paragraaf 2.2.

23

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

24

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

Hoofdstuk 4

Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplanwijziging moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem etc.) alsook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1

Milieu

4.1.1

Bodem

In de Wet Bodembescherming (Wbb) is aangegeven dat aangetoond moet worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming is met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Hiermee wordt in beeld gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Planspecifiek In het kader van de ontwikkeling van de boomgaard is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd (Econsultancy, Historisch bodemonderzoek NEN 5725 Ammanswal (ong) te Waardenburg, 4 november 2016). Met het onderzoek is bevestigd dat er geen milieukundige belemmeringen bestaan voor de geplande bestemmingsplanwijziging van de boomgaard. Dezelfde conclusie kan in redelijkheid ook getrokken worden voor het planologisch bestemmen van een agrarisch bouwperceel op de betreffende locatie. De bodemkwaliteit is voldoende, of voldoende te maken, voor uitvoering van het bouwplan. Indien gebouwen of bouwwerken gerealiseerd worden waar mogelijk mensen voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijven is verkennend bodemonderzoek noodzakelijk in het kader van de omgevingsvergunning. Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem. 4.1.2

Lucht

De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' is het in voorliggend geval van belang te bepalen wat de bijdrage van het plan is aan die luchtkwaliteit. Bijdrage aan luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (paragraaf 5.2). De Wet introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3 ) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing.

Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'. Planspecifiek

25

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

De toename van het aantal verkeersbewegingen door realisatie van een agrarisch bouwperceel is zeer beperkt. Ook de overige beheersactiviteiten zullen weinig uitstoot aan fijnstof of stikstofdioxide veroorzaken. Aangenomen kan worden dat de bijdrage van het initiatief aan een eventuele verslechtering van de luchtkwaliteit van geringe omvang is ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit initiatief in 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. 4.1.3

Geluid

De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh): woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen); andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh); een verzorgingstehuis; een psychiatrische inrichting; een kinderdagverblijf. Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Verder gaat de Wgh onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek De oprichting van een agrarisch bouwperceel leidt niet tot het oprichten van een nieuwe geluidgevoelige functie.

Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te verwachten dat dit initiatief niet bijdraagt aan de verslechtering van de akoestische situatie van omliggende geluidgevoelige bestemmingen. Een nader onderzoek naar de akoestische gevolgen van het initiatief is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid. 4.1.4

Milieuzonering

Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functies krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.

26

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen: het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. Planspecifiek Bedrijvigheid De beoogde locatie van het agrarisch bouwperceel aan de Ammanswal ligt in het buitengebied van Waardenburg.

De dichtstbijzijnde omliggende functies liggen aan de Slimweistraat 8 (burgerwoning) en Slimweistraat 7 (niet-agrarisch bedrijf zonder bedrijfswoning), Slimweistraat 6a (niet-agrarisch bedrijf) en de Zandweistraat (bedrijventerrein). Een agrarisch bouwperceel zonder bedrijfswoning is geen gevoelig object of een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer. Een nadere toets naar milieuzonering voor wat betreft de richtafstanden van de bedrijven in de omgeving op het agrarisch bouwperceel kan achterwege blijven. Voor wat betreft de uitstraling van het agrarisch bouwperceel op de omgeving geldt dat de dichtstbijzijnde (bedrijfs)woning (Slimweistraat 6a) op ruim 175 meter is gelegen. De bedrijfsactiviteiten Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen) vallen onder milieucategorie 2 met een bijbehorende richtafstand van 30 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan deze richtafstand. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het initiatief. 4.1.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten is verbonden voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het veiligheidsbeleid in Nederland is gebaseerd op een tweetal begrippen, het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute of nabij een inrichting verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer, de opslag en/of de handeling van gevaarlijke stoffen. Daarbij is de omvang van het risico een functie van de afstand waarbij geldt: hoe groter de afstand, des te kleiner het risico. De risico’s worden weergegeven in PR risicocontouren. Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportroute of een inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde.

Deze oriëntatiewaarde kan gezien worden als een streefwaarde en heeft geen juridische status. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Toetsingskader Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het

27

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Ook zijn in de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid ambities opgenomen over het toelaten van nieuwe risicobronnen en "bijzonder kwetsbare objecten". Er zijn in deze situatie echter geen specifieke EVgerelateerde ambities van toepassing. Planspecifiek Via de website www.risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Onderstaand een uitsnede van die website.

Uitsnede risico kaart. Plangebied paars omlijnd.

Risicovolle inrichtingen Binnen de beoogde bestemming "Agrarisch (A)" passen geen risicovolle activiteiten, zoals Bevi-activiteiten. Het plan voorziet hier dan ook niet in. Er bevindt zich één Bevibedrijf in de directe omgeving van het plangebied. Dit betreft het bedrijf AGE-Rijnvallei aan de Zandweistraat 20. Bij dit bedrijf worden meer dan 10 ton verpakte gevaarlijke stoffen (bestrijdingsmiddelen) bewaard in een opslagruimte met een oppervlak van meer dan 400 m² en een automatische gasblusinstallatie. Rond de uitwendige constructie van deze opslagruimte moet op grond van de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) een PR 10-6 contour van 20 meter en een grens van het invloedsgebied van 90 meter worden aangehouden. De PR 10-6 contour ligt niet over het plangebied en wordt voldaan aan de grenswaarde en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico. Het invloedsgebied ligt wel gedeeltelijk over het beoogde bouwperceel (circa 70 meter tot grens bouwperceel). Op grond van art. 13 van het Bevi moet in dat geval een verantwoording van het groepsrisico plaatsvinden. Verantwoording

28

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

Op grond van het gestelde in het Bevi moet het groepsrisico worden verantwoord vanwege de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen bij het bedrijf AGE-Rijnvallei aan Zandweistraat 20. Bij een verantwoording moet inzicht worden gegeven in: personendichtheid binnen het invloedsgebied; hoogte van het groepsrisico in relatie tot de oriënterende waarde; mogelijke maatregelen ter beperking van het groepsrisico; alternatieven met een lager GR; de mogelijkheden tot bestrijding en beperking van rampen; de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen in het plangebied. Ten aanzien van de laatste twee aspecten is de Veiligheidsregio aangewezen als adviseur. In het kader van het opstellen van het bestemmingsplan Slimwei is reeds een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgesteld. Binnen de grens van het invloedsgebied rondom de opslagruimte bevindt zich een gebied met een oppervlakte van maximaal 5.500 m2 op bouwpercelen van derden. Uitgaande van een kental van 40 personen per hectare voor het bedrijventerrein Slimwei kunnen 22 personen aanwezig zijn binnen het invloedsgebied. De toevoeging van een agrarisch bouwperceel brengt een zeer beperkte toename van het aantal personen met zich mee. Verwacht wordt dat met deze zeer beperkte toename de oriëntatiewaarde in dat geval niet wordt overschreden.

Het maatgevende scenario bij de opslag van gevaarlijke stoffen, waarbij een toxisch effectgebied ontstaat, kan optreden bij een brand in die opslagvoorziening. Daarbij kan een te hoge concentratie giftige rook in het bedrijfsgebouw slechts ontstaan bij een brand in de PGS 15 loods en als het automatisch blussysteem in de loods faalt én als er sprake is van specifieke weersomstandigheden. De kans op dit worstcase scenario is zeer klein. Voor de verantwoording van het groepsrisico is op 4 september 2018 een advies van Veiligheidsregio Gelderland-Zuid (VRGZ) ontvangen over de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Bestrijdbaarheid Bij een brand in de PG515 opslag wordt normaliter opgetreden vanaf bovenwinds gebied. Een benedenwinds effectgebied kan slechts beperkt betreden worden. De Ammanswal kan vanuit twee windrichtingen benaderd worden. De benodigde inzetcapaciteit is afhankelijk van de aard en omvang van de brand en de effecten op de omgeving. Inzettactieken zijn het bestrijden van de brand of de PGS 15 opslag uit te laten branden waardoor door de pluimstijging een verdunning van de toxische concentratie ontstaat. Er is geen primaire bluswatervoorziening aan de Ammanswal aanwezig. Het agrarische bedrijfsgebouw is binnen de zorgnormtijd door de eerste brandweereenheid vanuit brandweerpost Waardenburg te bereiken.

Zelfredzaamheid De personen in het plangebied kunnen zich in eerste instantie tegen een optredend scenario beschermen door in het agrarische bedrijfsgebouw te schuilen. Bij het toxische scenario kan bij het langdurig optreden de concentratie van deze stof in het gebouw toenemen. Het is afhankelijk van de exacte locatie en het exacte verloop van het scenario of vluchten mogelijk is. Door nooduitgangen die van de bron af gericht zijn, neemt het handelingsperspectief toe. Ook het handmatig regelen van de ventilatie in het gebouw kan zorgen dat het schuilen langer mogelijk blijft. Maatregelen Gezien het bovenstaande is door de VRGZ geadviseerd om de volgende maatregelen te laten treffen: nooduitgangen van het bedrijfsgebouw die van de bron af gericht zijn; centraal bedienbare ventilatie in het gebouw; het in het bedrijfsnoodplan beschrijven van organisatorische maatregelen vanwege de scenario's met gevaarlijke stoffen in de PGS 15 opslag.

29

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

Overeenkomstig het advies van de veiligheidsregio wordt de volgende maatregel doorgevoerd om de zelfredzaamheid te bevorderen: In de planregels wordt een nadere eis bepaling opgenomen, waardoor bij nieuwbouw van het bedrijfsgebouw extra bouweisen ten aanzien van het realiseren van een (extra) nooduitgang vanuit het bedrijfsgebouw (in een richting die is afgekeerd van de nabijgelegen Bevi-inrichting) en een centraal bedienbare ventilatie in het gebouw kunnen worden opgelegd. In geval van een calamiteit dient tijdig te worden gewaarschuwd. Dit gebeurt normaliter door het in werking stellen van waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Vervoer gevaarlijke stoffen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A2, de Betuweroute en het spoor Meteren-Utrecht. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroutes, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones).

Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroutes; en de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 11 september 2018 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouwen de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Buisleidingen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen. Conclusie Het aspect externe veiligheid is relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A2, de Betuweroute en het spoor Meteren-Utrecht. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voor het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze

30

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

transportroutes. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld in het kader van het aspect externe veiligheid. Daarnaast is het aspect EV relevant vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting. Bij een worstcase-scenario als gevolg van een brand in de PGS 15 opslag zijn personen in het te realiseren bedrijfsgebouw aan de Ammanswal 1 mogelijk niet voldoende beschermd tegen een toxische wolk en zijn de mogelijkheden van de brandweer voor het bestrijden van dit scenario beperkt. Argumenten om dit restrisico te accepteren zijn: De kans op een worstcase-scenario, waarbij personen in het bedrijfsgebouw niet voldoende zijn beschermd, is zeer klein. Het gaat dan om het scenario, waarbij een te hoge concentratie giftige rook in het bedrijfsgebouw kan ontstaan bij een brand in de nabijgelegen PGS 15 loods, waarbij het automatisch blussysteem in de loods faalt én er sprake is van specifieke weersomstandigheden. Het gaat om een bedrijfsgebouw, waar slechts een beperkt aantal personen aanwezig zal zijn. De zelfredzaamheid van deze personen is goed. Er wordt een nadere eis bepaling opgenomen, die geldt voor de nieuwbouw van het bedrijfsgebouw, waarmee kan worden bereikt dat zinvolle maatregelen worden gerealiseerd om de mogelijkheden voor de zelfredzaamheid te verbeteren. 4.1.6

Milieueffectrapportage

Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. 2. 3.

De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

Planvoornemen In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De voorgenomen activiteiten in het plan liggen ruim onder de plandrempel waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Gelet hierop, wordt geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor deze ontwikkeling geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets.

31

bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Ammanswal 5

Conclusie De conclusie van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat er geen sprake is van zodanige belangrijke nadelige milieugevolgen, dat een volwaardige m.e.r.-procedure moet worden doorlopen.

4.2

Water

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: Vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. Schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.

Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009-2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/695/documents/16475