RV2024-066-bijlage-Milieudeel-1a-Radarlocatie-Radarstation-Herwijnen-fase-1-Ontwerpbesluit.pdf
Tekst van het document
In het voorliggende rapport worden achtereenvolgens behandeld: x
Basisinformatie (hoofdstuk 2).
x
Doestelling, strategie en opzet bodemonderzoek (hoofdstuk 3).
x
Uitgevoerde werkzaamheden, resultaten, toetsing en kwaliteitsborging (hoofdstuk 4).
x
Samenvatting, conclusie en aanbevelingen (hoofdstuk 5).
2 Bron : Inpassingsplan, Broekgraaf 1 te Herwijnen, SAB,: 27 augustus 2020 Projectnummer: 160239.03
Bilfinger Tebodin Netherlands B.V. Onderzoek geldigheid en beperkt actualiserend bodemonderzoek Broekgraaf 1 Herwijnen Ordernummer: 55008.00 Document nummer: 16215001 Revisie: 2 10 november 2020 Pagina 7 / 19
De locatie ligt in de gemeente West Betuwe met het gemeentehuis in Geldermalsen. De milieu- en omgevingsaspecten in de regio worden behartigd door de Omgevingsdienst Rivierenland. 2.2
Dossieronderzoek
Het dossieronderzoek wat wordt gedaan in het kader van een bodemonderzoek wordt in Nederland gedaan conform de NEN 5725. Naast dit reguliere vooronderzoek is een doelstelling binnen het in deze rapportage beschreven project : de beoordeling in hoeverre het eerder uitgevoerde bodemonderzoek (zie paragraaf 2.2.5) nog geldig is. De achtergronden van deze vraag wordt in de volgende paragraaf besproken.
2.2.1
Geldigheid van bodemonderzoek
Een antwoord op de vraag of een bodemonderzoek nog geldig is, is eerder onderzocht en beantwoord door het Ministerie van Rijkswaterstaat (Bodem+). Op de website van bodem+ (pagina: Hoe lang is een (water)bodemonderzoek of partijkeuring geldig? , beraadslaging, 12 oktober 2020) wordt het volgende antwoord gegeven op deze vraag : Het Besluit bodemkwaliteit stelt bewust geen maximale geldigheidstermijn aan een partijkeuring of bodemonderzoek. Dit vergt maatwerk en moet dus per situatie door het bevoegde gezag worden bekeken. De geldigheid is onder meer afhankelijk van wat er in de tussenliggende periode is gebeurd met een locatie of partij grond en de typen verontreinigingen die eventueel in de bodem/grond zijn gevonden. Wel kunnen in een beoordelingsrichtlijn of normdocument verdere richtlijnen opgenomen zijn over de geldigheid. Ook wordt verwezen naar het onderzoeksrappRUW³2QGHU]RHNQDDUGHIHLWHQHQPHQLQJHQPEWGHJHOGLJKHLGVGXXUYDQ (water)bodemonderzoeken, Documentnaam m16b0230.r02, 19 december 2016, In opdracht van Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving´. De belangrijkste conclusie van het onderzoek is, dat partijen de voordelen van het hanteren van geldigheidstermijnen niet vinden opwegen tegen de nadelen. Men geeft de voorkeur aan een andere manier om de gewenste duidelijkheid te verkrijgen.
Bilfinger Tebodin Netherlands B.V. Onderzoek geldigheid en beperkt actualiserend bodemonderzoek Broekgraaf 1 Herwijnen Ordernummer: 55008.00 Document nummer: 16215001 Revisie: 2 10 november 2020 Pagina 13 / 19
3
Bodemonderzoek
3.1
Doelstelling onderzoek, hypothese en strategie
Uit het voorgaande hoofdstuk blijkt dat het meest recente bodemonderzoek (zie paragraaf 2.2.5.2) verouderd is omdat sindVGLHQGHWDQNPHW]¶QOHLGLQJHQZHUGYHUZLMGHUGHQKHWHHUGHUDDQZH]LJHJHERXZLVYHUZLMGHUG Doel van het onderzoek moet zijn: het vaststellen of voorheen aanwezige tank en de sloop van het gebouw een bodemverontreiniging heeft achtergelaten. Voorlopig is de hypothese: Een mogelijke aanwezige bodemverontreiniging met brandstofproducten (olie en aromaten) t.h.v. van de voormalige tankinstallatie en een mogelijk bodemverontreiniging in de vorm van zware metalen, PAK, minerale olie t.h.v. van het voormalige gebouw. Wanneer er puin wordt aangetroffen wordt opgeschaald met een plaatselijke bemonstering van de grond ter hoogte van de puinbijmenging (d.w.z. niet conform NEN 5707 of NEN 5897). 3.2
Opzet verkennend bodemonderzoek
Om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te leggen, is het bodemonderzoek uitgevoerd volgens een opzet afgeleid van de Nederlandse Norm NEN 5740: Bodem - Onderzoeksstrategie voor verkennend onderzoek ± Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond (Nederlands Normalisatie Instituut, januari 2009). Hierbij is de K\SRWKHVH µverdacht door op bodemverontreiniging door sloop onderzocht met een onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie gecombineerd met de hypothese verdacht op brandstofproducten door de voormalige aanwezigheid van ondergrondse brandstoftank. De onderzoeksopzet voor de locatie is in de navolgende tabel weergegeven. Tabel 1 Aantal proefgaten en peilbuis met het aantal mengmonsters /RFDWLH
6WUDWHJLH
A. Voorm. tank ± installa ie (250 m 2) B. Gesloopt gebouw ( ca. 750 m²)
NULBO
ONV
# : STAP ± grond :
x:
9HOGYHUULFKWLQJHQ %RULQJ %RULQJ WRW WRW P±09 P±09
tank leidingwerk Lekkage Pad
1 3
%RULQJ WRW P±09
3HLOEXLV WRW PPY
2
1
1
/DERUDWRULXPRQGHU]RHN 2OLH± 67$3 %7(;1 *URQG
DVEHVW 2OLH%7(;1 1(1 *URQGZDWHU 1
4
3
Gebouw
9 3 Puin op MengX 1 maaiveld standaard grond: negen metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink), PAK, PCB, minerale olie (GC), lutum- en organisch stofgehalte, AS3000. mengmonster van de bovengrond ter plaatse van bijmenging
Bilfinger Tebodin Netherlands B.V. Onderzoek geldigheid en beperkt actualiserend bodemonderzoek Broekgraaf 1 Herwijnen Ordernummer: 55008.00 Document nummer: 16215001 Revisie: 2 10 november 2020 Pagina 14 / 19
Om de grond en grondwater kwaliteit te actualiseren zijn de boringen geplaatst zoals in het onderzoek van 2011 (paragraaf 2.2.5.1) en 2015 (paragraaf 2.2.5.2).. Er is onderscheid gemaakt in deellocatie A (ondergrondse tank, leidingwerk, vul- en ontluchtingspunt, oliegestookte CV en voormalige (ontgraven) lekkage) en deellocatie B (overige). Opgemerkt wordt dat de genoemde aantallen boringen en monsters afgeleid zijn van de genoemde strategieën. Het onderzoek van de diverse deellocaties is waar mogelijk gecombineerd uitgevoerd. Eén en ander kan resulteren in minder onderzoek dan aangegeven in NEN 5740. Het asbestonderzoek is niet geheel conform NEN 5707 of NEN 5897, de meest verdachte deellocatie (met een puinmenging) is met een mengmonster onderzocht op asbest in de fijne fractie.
Bilfinger Tebodin Netherlands B.V. Onderzoek geldigheid en beperkt actualiserend bodemonderzoek Broekgraaf 1 Herwijnen Ordernummer: 55008.00 Document nummer: 16215001 Revisie: 2 10 november 2020 Pagina 16 / 19
4.2
Kwaliteitsborging
Bilfinger Tebodin volgt de SIKB veldwerkprotocollen en externe audit-SURJUDPPD¶V Onze werkzaamheden (waaronder veldwerk) zijn uitgevoerd op basis van een ISO-9001 en ISO-45001 gecertificeerd kwaliteits- en veiligheids-managementsysteem. Bilfinger Tebodin is gecertificeerd voor de BRL S,.%³YHOGZHUNELMPLOLHXK\JLsQLVFKERGHPRQGHU]RHN´SURWRFROOHQHQ De chemische analyses zijn uitgevoerd door Synlab te Hoogvliet. Synlab is geaccrediteerd volgens de door Raad van Accreditatie gestelde criteria voor Testlaboratoria conform NEN-EN-ISO/IEC 17025;2005. Bilfinger Tebodin verklaart dat zij de werkzaamheden als een onafhankelijke partij heeft uitgevoerd. Er is geen sprake van enige juridische of personele binding tussen Bilfinger Tebodin en de opdrachtgever. Vooraf aan het veldwerk is door Bilfinger Tebodin een KLIC melding uitgevoerd. 4.3
Toetsing
De analyseresultaten van de grond zijn getoetst aan het toetsingskader, zoals geformuleerd door het Ministerie van VROM, waarin de achtergrondwaarden (AW 2000) en interventiewaarden, alsmede de tussenwaarden zijn opgenomen (Circulaire bodemsanering 2013). De toetsingswaarden zijn als volgt gedefinieerd: -
Achtergrondwaarde
:
het niveau waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit;
-
streefwaarde
:
het niveau waarbij sprake is van een duurzame grondwaterkwaliteit;
-
Interventiewaarde
:
het gehalte aan een stof in grond of grondwater waarboven de bodem in belangrijke mate functionele eigenschappen mist die essentieel zijn voor mens, plant of dier;
-
tussenwaarde
:
het gemiddelde van de achtergrondwaarde (of streefwaarde) en interven iewaarde; het niveau waarbij nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
Conform het Besluit Bodemkwaliteit zijn de analyseresultaten van de grond en het grondwater getoetst met behulp van de Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa service). Voor deze gestandaardiseerde toetsing is gebruik gemaakt van het programma Terra-Index, waarin de BoToVa toets is opgenomen. Hierbij zijn de gemeten analyseresultaten voor de grond, op basis van de gemeten percentages organische stof en lutum, gecorrigeerd voor een standaard bodem (met een percentage organische stof van 10 % en een percentage lutum van 25 %). De gecorrigeerde analyseresultaten voor de grond zijn vervolgens getoetst aan de vastgesteld toetsnormen voor een standaard bodem. De getoetste analyseresultaten en toetsnormen uit de Circulaire bodemsanering 2013 zijn opgenomen in de tabellen van bijlage V. Asbest in de grond De resultaten van het asbestonderzoek grond zijn getoetst aan interventiewaarde zoals opgenomen in bijlage B (grond en baggerspecie) van de Regeling bodemkwaliteit. In deze bijlage is opgenomen dat voor de interventiewaarde een gehalte van 100 mg/kg ds wordt gehanteerd. Dit op basis van de gewogen norm (concentratie serpentijn asbest + 10 x concentratie amfiboolasbest).
In de NEN5707 (2015) is opgenomen dat indien het asbestgehalte kleiner is dan de helft van de interventiewaarde (zijnde de triggerwaarde), het statistisch aannemelijk is dat ook in een nader onderzoekstraject de interventiewaarde niet zal worden overschreden.
Bilfinger Tebodin Netherlands B.V. Onderzoek geldigheid en beperkt actualiserend bodemonderzoek Broekgraaf 1 Herwijnen Ordernummer: 55008.00 Document nummer: 16215001 Revisie: 2 10 november 2020 Pagina 17 / 19
In deze gevallen geldt er geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogst bepaalde waarde binnen een (deel)locatie ís hiervoor bepalend. De toetsingswaarden zijn als volgt gedefinieerd: - interventiewaarde
: het niveau waarbij sanering noodzakelijk wordt geacht.
- triggerwaarde
: het niveau waarbij nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
4.4
Lokale bodemopbouw
De lokale bodemopbouw en de zintuiglijke waarnemingen zijn weergegeven in de boorprofielen van bijlage III. Ter plaatse van de boringen nabij de voormalige tank, de boringen 402, 403, 404 en 405 is zand aangetroffen in de bovenste meter. Verder bestaat de grond in de gezette boringen bij deze deellocatie tot de einddiepte uit klei. Ter plaatse van het voormalige gebouw wordt zand aangetoond in de boringen 412, 413, 417, 418, 419 en 420. Meetpunt 420 betreft een mengmonster van het zand met bijmenging met puin. De tijdens het onderzoek aangetroffen gemiddelde grondwaterstand is 1,3 m ±MV. De lokale stromingsrichting van het ondiepe grondwater is in dit onderzoek niet vastgesteld. 4.5
Zintuiglijk afwijkende waarnemingen
Behoudens de lichte bijmenging met puin (meetpunt 420) zijn tijdens de veldwerkzaamheden verder geen waarnemingen gedaan die aanleiding geven tot het vermoeden van bodemverontreiniging. 4.6
Resultaten grondwater
De tijdens de bemonstering van de peilbuis gemeten grondwaterparameters zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Tabel 3 Grondwaterparameters Peilbuis
PB 403
Filterdiepte
Grondwaterstand
(m ±MV)
(m ±MV)
2,0-3,0
1,3
pH
EC
Troebelheid (NTU)
ȝ6FP 6,74
668
2,77
De gemeten zuurgraad (pH) en het elektrische geleidingsvermogen (EC-waarde) van het grondwater zijn niet ongebruikelijk voor de aangetroffen bodemtypes en omstandigheden. De troebelheid van het grondwater is < 10 NTU, wat aangeeft dat er tijdens de monstername weinig kleine deeltjes in het grondwater aanwezig waren. De resultaten van het laboratoriumonderzoek naar minerale olie en de vluchtige aromaten (BTEXN) is in de onderstaande tabel gegeven. Tabel 4 Overschrijdingstabel grondwater Watermonster 403-1-1
Filterdiepte (m -mv) 2,0 - 3,0
>S >I Index
: > Streefwaarde : > Interventiewaarde : (GSSD - S) / (I - S)
> S (+index)
> I (+index)
-
-
Er zijn voor de onderzochte stoffen geen verhoogde waarden geconstateerd.