CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2024-034-Bijlage4-toelichting-Planstukken-ontwerpbestemmingsplan.pdf

Gemeenteraad 26 maart 2024, gemeente West BetuweBij agendapunt: 13: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Vuren, Sportlaan 816.308 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het plangebied wordt groen ingericht middels streekeigen beplanting Die bestand zijn tegen warmte, droogte en erosie terugdringen. Dit komt naast de klimaatadaptatie de groene uitstraling van het gebied ten goede. Vuren is een historisch dorp met een grote sociale samenhang. De bewoners van het Vuren hebben groot belang bij de instandhouding van de voorzieningen in hun dorp. Het sluiten van voorzieningen zal negatieve gevolgen hebben voor de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van het dorp Vuren (met name voor jongeren en gezinnen). De maatschappelijke voorzieningen zorgen voor een sociale samenhang in het dorp. De voornaamste uitdaging is dus om het voorzieningenniveau in het dorp en daarmee deze sociale samenhang in het dorp te behouden. In dit kader is het van groot belang om te voorzien in voldoende woningen voor nieuwe gezinnen. Dit plan draagt bij aan de instandhouding van de voorzieningen en daarmee de leefbaarheid van het historische dorp Vuren. 4.3.2 Wonen naar behoefte, woonvisie West Betuwe 2020 – 2030 Op 15 december 2020 heeft de gemeente West-Betuwe de visie “Wonen naar behoefte, woonvisie West Betuwe 2020 – 2030” vastgesteld. Met deze woonvisie wordt het woonbeleid van de drie voormalige gemeenten Geldermalsen, Lingewaal en Neerijnen geharmoniseerd. De woonvisie gaat uit van vier leidende principes: •

We beschermen de unieke landschappelijke kwaliteiten en het karakter van West Betuwe en haar kernen: Dit principe geeft aan dat bescherming van het unieke karakter van het gebied en de kernen altijd voorop staat. De beleidskeuzes die hier bij horen zijn: - Nieuwbouw heeft een dorps karakter: veel grondgebonden woningen, groene en ruime planopzet en voldoende parkeerruimte. - We beschermen het open landschap in en buiten de kernen. - We zetten flankerende maatregelen in om voorzieningen bereikbaar te houden.

•

Voor elke inwoner is een passende woning haalbaar en betaalbaar: Dit betekent dat de gemeente zich inzet om voor alle groepen woningen te bieden die passen bij de persoonlijke situatie. De beleidskeuzes die hier bij horen zijn: - Nieuwbouwplannen krijgen een goede mix van duur, middelduur en goedkoop (sociale huur en goedkope koop). In nieuwe plannen in de woningbouwprogrammering nemen we tenminste 30% goedkoop (koop tot € 230.000,-- en huur tot € 737,14) en 30% in het middensegment op (duurdere huur en koopwoningen tussen € 230.000,-- en € 400.000,--). - In de sociale woningmarkt is sprake van een transitieopgave. We bouwen sociale huurwoningen voor ouderen en kleine huishoudens. T.b.v. de transitie wordt bestaand bezit beperkt verkocht, waarbij in plaats van deze woningen nieuwe worden gerealiseerd die passen bij de vraag. De verkoop op beperkte schaal van bestaand bezit biedt kansen voor koopstarters. - We stimuleren doorstroming van ouderen en faciliteren koopstarters bij het kopen van een goedkope woning. - We bieden ruimte voor huisvesting van overlast veroorzakende inwoners.

27

•

Ieder kan gezond en veilig wonen: De beleidskeuzes die hier bij horen zijn: - Ouderen kunnen zo lang mogelijk gezond thuis wonen. - Nieuwbouw van seniorenwoningen plannen we nabij voorzieningen. De woningen zijn zorggeschikt en met voldoende buitenruimte. We bevorderen de doorstroming van ouderen in de huur- en koopmarkt. - We blijven de stimuleringsregeling toekomstbestendig wonen inzetten. - We stimuleren meer “zorg nabij”. - Grijs, groen en gelukkig. We stimuleren kleinschalige zorginitiatieven. - We maken de plaatsing van mantelzorgunits gemakkelijker en staan zorgunits toe. - We zetten sterk in op de verduurzaming van woningen. - We bouwen klimaatadaptief en duurzaam.

•

Woningbouw is mogelijk in elke kern, passend bij de aard en schaal van de kern. Extra groei krijgt de ruimte in de A2-corridor. De beleidskeuzes die hier bij passen zijn: - We kiezen voor het versnellingsscenario waarbij tot 2030 2.200 woningen worden gerealiseerd. - Flankerend: we zetten ons in voor een intercity-status voor station Geldermalsen. - We versnellen de ontwikkeling van De Plantage. De wijk wordt niet in 2036, maar al voor 2030 geheel gerealiseerd. - Woningbouw in elke kern, passend bij de aard en schaal. - Beesd is aan de beurt. De ontwikkeling van ca.150 woningen in Beesd krijgt prioriteit. - Dorpen aan zet: bij lokaal draagvlak is er in elke kern ruimte voor kleinschalige ontwikkeling. - We stimuleren collectieve wooninitiatieven. - We faciliteren tijdelijke flexibele woonvormen. - We zorgen voor een evenwichtige verdeling van woningen over projecten, kernen en prijsklassen.

Het plan betreft de nieuwbouw van één vrijstaande woning. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling in een bestaand bebouwingscluster in het buitengebied van Vuren. Het plan betreft een kwalitatieve toevoeging aan de woningvoorraad van de gemeente West-Betuwe. De woning betreft een woning in het hogere prijssegment voor eigen gebruik van de initiatiefnemers van dit plan. De woning worden gasloos en gebouwd conform de duurzaamheidseisen van het Bouwbesluit. Wat betreft de architectonische uitstraling van de nieuwe woning wordt aangesloten bij het landelijke dorpse karakter en de huidige bebouwing in de omgeving. Het plan is in overeenstemming met het gemeentelijk woningbouwbeleid. 4.3.3 Woningbouwprogrammering 2021-2030 Op 15 december 2020 heeft de gemeente West-Betuwe de visie “Wonen naar behoefte, woonvisie West Betuwe 2020 – 2030” vastgesteld. In navolging op de woonvisie heeft de gemeente WestBetuwe een woning- bouwprogrammering 2021-2030 opgesteld. Met deze woningbouwprogrammering geeft West Betuwe ruimte voor het ontwikkelen van nog ruim 2.600 woningen tot 2030. Het doel van de woningbouwprogrammering is een evenwichtige planning van woningbouw voor de komende 10 jaar. De woningbouwprogrammering bouwt voort op eerder vastgelegde afspraken (in bestemmingsplannen en/of in afspraken/ overeenkomsten met derden).

Als onderdeel van dit woningbouwprogrammering zijn criteria opgesteld voor de beoordeling van de zogeheten “tweede tranche-initiatieven”, ook wel kleinschalige particuliere initiatieven genoemd. Uitgangspunten voor de programmering zijn als volgt. 1. Prioriteit voor: a. Grote plannen (meeste impact en grootste kans op realisatie visie): concreet doelen we hier op met name bestaande plannen De Plantage, uitbreidingslocatie Beesd en Haaften-centrum. Maar ook bestaande grotere plannen bij de overige kernen. In al deze bestaande plannen is er ook aandacht voor het mogelijk vergroten van het aandeel sociale huur/goedkope koop.

28

2.

3.

4. 5.

6.

b. Ruimte voor elke kern: ruimte houden voor kwaliteitsverbetering door transformatie en ruimte voor CPO-projecten. c. Projecten met sociale huurwoningen en/of goedkope koopwoningen. Versoepelen van mogelijkheden voor de realisatie van tijdelijke (tot 10 jaar) meergeneratie- en mantelzorgwoningen. Daarbij wel blijven zorgdragen voor goede ruimtelijke inpassing. Omdat het om tijdelijke woonvoorzieningen gaat tellen deze niet mee in de woningbouwprogrammering (die gaat over permanente woningen). In de uitvoering willen we flexibiliteit inbouwen en de mogelijkheid om adaptief te sturen. Dat wil zeggen: kunnen inspelen op onverwachte ontwikkelingen, die in lijn zijn met de geest van onze woonvisie, met de regionale afspraken, met goede ruimtelijke ordeningskansen (zoals het uitplaatsen overlast gevende bedrijven of het behoud van monumentale panden door transformatie). Beperkte ruimte voor kleinschalige particuliere initiatieven. Alleen in bijzondere gevallen is het mogelijk is dat 1 of meerdere woningen of wooneenheden worden toegevoegd op een bestaande woonlocatie, en alleen binnen de bebouwde kom. Buiten de bebouwde kom geldt het beleidskader voor vrijkomende agrarische bebouwing (VAB). Plannen dienen daarnaast altijd te voldoen aan algemene eisen van een goede ruimtelijke Ordening en aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking.

Het plan betreft de bouw van een vrijstaande woning in ruil voor de sloop van een kassencomplex (vrijkomende agrarische bebouwing). Dit plan kan worden geschaard onder de bijzondere gevallen (punt 5) om een woning toe te voegen conform het beleidskader voor vrijkomende agrarische bebouwing (VAB).

29

4.4 Conclusie Op basis van hoofdstuk 4 ‘Beleidskaders’ kan worden geconcludeerd dat: • •

• •

Er is géén sprake van een ‘stedelijke ontwikkeling’, waardoor toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk is; Het plan heeft geen nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Bij de uitwerking van het plan is aandacht besteed aan de kernkwaliteit en ontwerprichtlijnen als genoemd in het document ‘Kernkwaliteiten Nieuwe Hollandse Waterlinie – DEEL I Nationaal Landschap en DEEL II inundatiekom Tielerwaard. Het plan resulteert een verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving (wegbestemmen glastuinbouwlocatie); Het plan past binnen de rijks-, provinciale en gemeentelijke beleidskaders.

30

5 Milieuaspecten 5.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Voor de bedoelde gevallen (onder de drempelwaarden bij zgn. D-activiteiten) geldt een ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordelingsplicht zoals bedoeld in artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r., op basis waarvan al dan niet de verplichting tot het opstellen van een MER ontstaat. Onderzoek Dit plan betreft de bouw van een vrijstaande woning in ruil voor de sloop van een kassencomplex (vrijkomende agrarische bebouwing). Het ruimtebeslag en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is beperkt en niet substantieel genoeg om aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het besluit m.e.r. De activiteit die het plan mogelijk maakt is niet opgenomen in bijlage C en D van het besluit m.e.r. Derhalve is geen m.e.r.- beoordeling of –besluit nodig. Conclusie Er hoeft geen (vormvrije) m.e.r.(beoordelings)-procedure doorlopen te worden en er hoeft dus ook geen m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd.

Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 7.17 van de Wet milieubeheer.

31

5.2 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Onderzoek Spoorwegverkeerslawaai In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen spoorlijnen. Het aspect spoorweglawaai hoeft derhalve niet nader onderzocht te worden. Industrielawaai Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een (gezoneerd) bedrijventerrein.

Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Graaf Reinaldweg (N830) en de Achterdijk. Voor het plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: •

• •

De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Graaf Reinaldweg en de Achterdijk ten hoogste respectievelijk 45 en 21 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelastingen zijn niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, incl, aftrek art. 110g Wgh voor wegverkeerslawaai; De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen ten hoogste 45 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; De woning alzijdig over geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte beschikt, waardoor er wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid.

Voor de nieuwe woning hoeft geen hogere waarden te worden vastgesteld. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluidhinder geen belemmeringen. Er hoeven geen hogere geluidgrenswaarden te worden vastgesteld.

32

5.3 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven) en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruikgemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.

Tabel 1: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Gemengd gebied In het kader van de VNG-analyse is uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn andere functies als sportvoorzieningen en agrarische bedrijven in de omgeving gelegen. Verder is het plangebied gelegen in de nabijheid van de Graaf Reinaldweg (N830). De Graaf Reinaldweg (N830) vormt de hoofdontsluiting van het dorp Vuren. Deze weg heeft een behoorlijke verkeersintensiteit en daarmee geluidsbelasting op de omgeving. Dit duidt erop dat er geen sprake is van een rustig buitengebied. Op grond hiervan kan het plangebied (en omgeving) worden aangemerkt als 'gemengd gebied' en kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd. Onderzoek Het plan betreft de nieuwbouw van één woning. In het kader van bedrijven en milieuzonering is hiermee sprake van toevoeging van een milieugevoelige functie. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).

In de omgeving van het plangebied zijn onderstaande milieubelastende functies/bedrijven gelegen: Tabel 2: Omliggende bedrijven Adres Functie Sportlaan 2 Zijl 4 Waaldijk 130

Graaf Reinaldweg 6

Veldsportcomplex met verlichting (voetbal) Veldsportcomplex met verlichting (voetbal) Agrarisch bedrijf (intensieve veehouderij) Agrarisch bedrijf

Milieuc at. 3.1

Richtafstand

Afstand

30 meter

21 meter*

3.1

30 meter

240 meter

3.2

50 meter

150 meter

3.2

50 meter

300 meter

* Gemeten tussen het bouwvlak van de nieuwe vrijstaande woning en het bestemmingsvlak ‘Sport’ van het veldsportcomplex.

33

Graaf Reinaldweg 6

Plangebied Zijl 4

Waaldijk 130 Sportlaan 2

Afbeelding 13: Omliggende milieubelastende functies/bedrijven

Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat, behoudens de sportvelden van de voetbalvereniging (Sportlaan 2 Vuren), wordt voldaan aan de gestelde (richt)afstanden conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). De VNG-afstanden betreffen echter richtafstanden. Deze generieke afstanden zijn niet op elke situatie toepasbaar. Er kunnen bijzondere omstandigheden zijn waarom in het specifieke geval de richtafstanden niet representatief zijn. Onder bepaalde omstandigheden is het gerechtvaardigd om een kleinere richtafstand aan te houden. Dit is echter alleen toegestaan indien ondanks de afwijking alsnog een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De richtafstanden uit de VNG Handreiking dienen normaliter gemeten te worden vanaf de grens van de bestemming die een milieubelastende functie toelaat (in dit geval de bestemming ‘Sport’) tot de uiterste situering van de gevel van de woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. Voor de categorie ‘Veldsportcomplex met verlichting’ is ‘geluid’ de bepalende factor (richtafstand van 30 meter in gemengd gebied). Wat betreft de geluidsuitstraling van een veldsportcomplex zijn het trappen tegen een bal en het blazen op een scheidsrechter-fluitje de maatgevende geluidsfactoren. Deze activiteiten vinden uitsluitend plaats op een sportveld.

In de praktijksituatie is de afstand van de nieuwe woning (waarvan de voorgevel op één lijn komt te liggen met de ‘voorgevel’ van de kas die er momenteel nog staat) tot het dichtstbijzijnde sportveld 30 meter. De sportvereniging is aan de noordzijde voorzien van een brede groenstrook. De groenstrook is in het huidige bestemmingsplan tevens bestemd als ‘Sport’, maar is en zal in de toekomst niet als zodanig worden gebruikt. Derhalve is het in dit geval aanvaardbaar om te meten van de voorgevel van de nieuwe woning tot het dichtstbijzijnde sportveld. Gezien de afstand van 30 meter tussen de voorgevel van de nieuwe woning en het sportveld 30 meter bedraagt, kan worden gesteld dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en de sportvereniging niet in de activiteiten wordt beperkt als gevolg van dit bouwplan. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen.

34

5.4 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem voor het toekomstige gebruik ‘wonen’ in kaart te brengen is een verkennend bodem- en asbestbodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: De bodem ter plaatse bestaat uit zandige en siltige rivierklei. Vanaf 2.8 is de bodem venig. In de meeste boringen rond de woning en kas is de bovengrond zandig. Er is zand waargenomen tot een diepte van maximaal 0.8 m-mv. Vanaf 0.5 m-mv bevat de bodem sporen van roest, een natuurlijk verschijnsel. In meerdere boringen is puin aangetroffen, tot een diepte van 0.5 m-mv. Het bestaat uit onverdacht en steenachtig materiaal zoals baksteen en dakpan. Het gehalte is als licht of sporen van gekwalificeerd.

Er is visueel nergens asbest-verdacht materiaal zoals plaatjes aangetroffen. Grond In de boven- en ondergrond van het terrein aan de Sportlaan worden met uitzondering van zink geen tussenwaarden overschreden. Zink is boven de tussenwaarde verhoogd in een bovengrondmengmonster van vier boringen aan de voor- en achterzijde van de kas. De grond in deze boringen bevat hooguit wat sporen aan baksteenpuin. Van de PFAS-componenten zijn de som PFOS en PFOA meetbaar verhoogd in de bovengrond, maar gehaltes liggen onder de achtergrondwaarde. Van de bestrijdingsmiddelen zijn hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen licht verhoogd in de toplaag. DDT en de afbraakproducten DDE en DDD zijn ook meetbaar aanwezig in de bovengrond, maar de gehaltes liggen onder de achtergrondwaarde. Naar aanleiding van de tussenwaarde-overschrijding voor zink is de bovengrond van de vier betrokken boringen separaat geanalyseerd op het metaal. Het hoogst gemeten zinkgehalte in de bovengrond van de boringen is met 620 mg/kg ds matig verhoogd. De interventiewaarde voor het metaal is 720 mg/kg ds. Het zink is naar alle waarschijnlijkheid te relateren aan de kas. Zink is onderdeel van de legering van het frame van de kas. De ernst, omvang en consequenties van de verontreiniging kunnen als volgt worden samengevat. • • •

Het hoogst gemeten zinkgehalte ligt onder de interventiewaarde. Een ernstig geval van verontreiniging kan dus uitgesloten worden. Het (enige) criterium daarvoor is een volume aan sterk verontreinigde grond van tenminste 25 m3. Zink is van de negen metalen uit het standaard analysepakket één van de minst schadelijke of risicovolle. Matig verhoogde gehaltes aan zink hebben geen consequenties voor een bouwvergunning of bestemmingswijziging, maar wel voor eventuele afvoer van de grond. Aan de afvoer en een nieuwe bestemming van de grond zijn restricties verbonden.

Grondwater Het grondwater achter de woning stond medio februari op 1.5 m-mv. Barium, molybdeen en xylenen zijn licht verhoogd in het grondwater. De metalen zijn vermoedelijk regionaal verhoogd. Er werd zink in het grondwater verwacht. Het metaal is wel meetbaar, maar het gehalte ligt onder de streefwaarde. Xylenen worden met regelmaat boven de streefwaarde aangetroffen in humeuze bodems. Vermoedelijk is dat ook hier de oorzaak van de aanwezigheid van de stof. Omdat het gehalte ver onder de tussenwaarde ligt is verder onderzoek niet nodig.

35

Asbest Visueel is nergens asbestverdacht (plaat)materiaal gevonden in of op de grond op de locatie aan de Sportlaan. Er zijn vijf representatieve mengmonsters van grond van het terrein geanalyseerd op asbest. Ook analytisch is asbest daarin niet aantoonbaar. Conclusie van het bodemonderzoek is dat het lichte puin in de bovengrond niet resulteert in daadwerkelijke verontreiniging. Licht verhoogde gehaltes zijn geen risico voor de volksgezondheid en zijn geen belemmering voor een eigendomsoverdracht of de eventuele ontwikkeling van de locatie. Omdat er geen tussenwaarden worden overschreden (en geen interventiewaarden in individuele grondmonsters) is er geen aanleiding voor verder onderzoek. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen.

36

5.5 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Gemeentelijk archeologiebeleid (Erfgoed in de gemeente West-Betuwe) In opdracht van de gemeente West Betuwe hebben RAAP en MAB een harmonisatie van de bestaande erfgoedkaarten van de voormalige gemeenten Geldermalsen, Neerijnen en Lingewaal uitgevoerd. Het doel hiervan is de totstandkoming van één set erfgoedkaarten voor de gemeente West Betuwe. De harmonisatie komt voort uit de fusie van de voormalige gemeenten Geldermalsen, Neerijnen en Lingewaal per 1 januari 2019. Het rapport ‘Erfgoed in de gemeente West Betuwe’ bevat een bundeling, actualisatie en aanvulling van de eerder gemaakte archeologische waardenen verwachtingskaarten en cultuurhistorische waardenkaarten. Deels is het een samenvoeging van eerdere teksten, deels ook zijn ze geïntegreerd of nieuw opgesteld. De archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart geeft een overzicht van de archeologische vondsten, verwachtingen en vindplaatsen in de gemeente.

De archeologische waarden- en verwachtingskaart vormt de basis voor de archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft het gemeentelijk archeologiebeleid weer. Op deze beleidskaart en in de begeleidende tekst staat verwoord hoe in het planproces moet worden omgegaan met de verschillende bekende archeologische terreinen en met de verwachtingszones, in het bijzonder in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen. In de beleidsregels zijn vrijstellingsgrenzen opgenomen voor de oppervlakte en diepte van de voorgenomen ingreep. Indien een plangebied groter is dan de gestelde oppervlakteondergrens en de ingreep dieper gaat dan de diepte-ondergrens dient archeologisch onderzoek conform KNA te worden uitgevoerd. Onderzoek Op de archeologische beleidskaart is te zien dat het plangebied valt in het verwachtingsgebied: • Waarde – Archeologie 6: middel hoge verwachte dichtheid. Bij bodemingrepen dieper dan 30 cm – mv en groter dan 2.500 m2 dient een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.

Afbeelding 14: Uitsnede archeologische beleidskaart

37

Voor het plan is door ADC ArcheoProjecten een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Deze melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente West-Betuwe. Cultuurhistorische waarden Beleidskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten.

In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging.

Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2019 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Onderzoek Het plangebied is gelegen in een gebied met onderkende cultuurhistorische waarden (Nieuwe Hollandse Waterlinie). Het plan is kleinschalig van aard.

In het plangebied of de directe omgeving van het plangebied zijn geen verdedigingswerken, voormalige schootsvelden, waterwerken en/of overige elementen als beschutte wegen, (resten van) loopgraven en tankgrachten gelegen. Het plan zorgt met de sloop van het kassencomplex voor een versterking van de karakteristieke openheid en rustige karakter van het gebied. Hiermee is tevens sprake van het herstel /opwaardering van het vochtige graslandgebied als waardevol leefgebied voor weidevogels. Het noordelijke deel

38

van de kavels blijft/wordt voor een groot deel vochtig graslandgebied. De woonkavels worden groen ingericht middels streekeigen beplanting, zoals knotwilgen. De bestaande beplanting blijft zoveel mogelijk behouden en wordt waar mogelijk versterkt. Hiermee ontstaat ‘een groen eiland’ in de open ruimte. De historische polderstructuur blijft ongewijzigd. Bij de uitwerking van het plan is aandacht besteed aan openheid en zichtlijnen over de polder. Om het doorzicht over het noordelijke deel van het plangebied te behouden blijft op deze gronden de bestemming ‘Agrarisch’ ongewijzigd (zonder bouwvlak). Middels het plan wordt verloedering van de glastuinbouwlocatie en daarmee aantasting van de cultuurhistorische waarden van het landschap voorkomen. Bij de uitwerking van de vrijstaande woning zal worden aangesloten bij de directe omgeving. De bouwstijl, architectuur, kleur- en materiaalgebruik van de nieuwe woning zal aansluiten bij de bestaande bebouwing in de directe omgeving. De nieuwe woning zal overeenkomstig de omgeving een landelijke en ingetogen uitstraling krijgen.

Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van aantasting van de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en dat het plan past binnen de ontwerprichtlijnen als genoemd in het document ‘Kernkwaliteiten Nieuwe Hollandse Waterlinie - ten zuiden van de Lek – DEEL I - Nationaal Landschap en DEEL II – inundatiekom Tielerwaard. Ter bescherming van de cultuurhistorische waarden van het gebied is de dubbelbestemming ‘Waarde – Nieuwe Hollandse Waterlinie’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – inundatiekommen’ overgenomen in dit bestemmingsplan. Het document ‘Kernkwaliteiten Nieuwe Hollandse Waterlinie – DEEL I Nationaal Landschap en DEEL II inundatiekom Tielerwaard is aan de regels van het bestemmingsplan gekoppeld.

Plangebied Fort Vuren

Afbeelding 15: Inundatiekom Tielerwaard

Conclusie Het plan ondervindt wat betreft archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen. Conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag.

39

5.6 Waterparagraaf Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheerder, de beheerder van waterkeringen en de beheerder van zuiveringsinstallaties. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheer zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: 1. Beschermen tegen overstromingen. 2. Water eerlijk verdelen. 3. Voorbereiden op extreem weer. 4. Schoon water. 5. Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. 6. Zwemwater. 7. Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit. 8. Toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen.

Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-waterloop mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden. Voor een A-watergang geldt een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunnings- en/of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraan- en/of -afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Watergangen Het plangebied is omkaderd door de B-watergangen 025327 en 025289 en de C-watergangen 076985, 077009 en 077010. De sloop van het kassencomplex vindt plaats buiten beschermingzones van B-watergangen. Er worden geen wijzigingen gedaan aan de watergangen. Voor het aanplanten en behouden van bomen zal worden voldaan aan de voorwaarden en criteria van het waterschap Rivierenland. Het aanvragen van een watervergunning dan wel indienen van een melding bij het Waterschap Rivierenland is niet noodzakelijk.

Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied TLW055. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -0,3 m NAP en een winterpeil van -0,5 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter.

40

Afbeelding 16: Uitsnede Legger Wateren

Plangebied

Afbeelding 17: Uitsnede peilgebieden Tielerwaard

41

Waterberging en compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. Voor het plan is een verhardingsbalans opgesteld (zie tabel 3). Tabel 3: Verhardingsbalans Bestaande situatie Woning Sportlaan 8 Schuur bij woning Schuilstal Kassencomplex Terreinverharding

Oppervlakte (m2) 60 m2 130 m2 20 m2 2.500 m2 500 m2

Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Woning Sportlaan 8 Schuur bij woning Sportlaan 8 Erfverharding Sportlaan 8 (20%* van 4.260 m2 minus 190 m2) Nieuwe vrijstaande woning Bijgebouwen bij nieuwe woning Erfverharding nieuwe woning (20%* van 4.670 m2) Toegangsweg Totaal nieuwe situatie

3.210 m2

60 m2 130 m2 814 m2 100 m2 100 m2 894 m2 150 m2 2.248 m2

Verschil 962m2 afname * Het waterschap Rivierenland hanteert als leidraad bij vrijstaande woningen in landelijk gebied dat ongeveer 70% van de kavel verhard wordt. Gezien de grootte van de kavels (Perceel 1297: 4.260 m2 en perceel 1298 4.670 m2) is voor dit plan een verhardingspercentage van 70% niet reëel. Derhalve is besloten om een verhardingspercentage van 20% te hanteren. Het plan resulteert in een afname aan verharding, waardoor watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk zijn. Primaire waterkering Het plangebied is niet gelegen nabij een primaire en/of een regionale waterkering. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • • • • • •

Het gebruiken van het hemelwater; Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie.

42

Verordening afvoer hemel -en grondwater West Betuwe Op 29 april 2021 is door de gemeente West Betuwe de verordening afvoer hemel- en grondwater vastgesteld. De verordening is opgesteld met het oog op het beperken van wateroverlast, het beperken van verdroging en het doelmatig beheer van afvalwater regels te stellen over het beëindigen van lozingen van grondwater en hemelwater op de vuilwaterriolering en een verplichte waterbergingscapaciteit bij zowel bestaande bouw als nieuwbouw. Vanwege de klimaatontwikkelingen, waardoor steeds vaker steeds heftigere buien vallen, is het nodig dat ook particulieren een bijdrage leveren aan het vasthouden van dit regenwater op het eigen terrein. Daarom kiest de gemeente er voor om bij nieuwbouw in alle gevallen een waterberging verplicht te stellen. Op grond van de verordening afvoer hemel- en grondwater West-Betuwe moet alle nieuw te bouwen gebouwen/verharding worden gecompenseerd. Hierbij kan gedacht worden aan het creëren van een wadi, het verbreden van watergangen of het toepassen van waterkratten. Dit zal in het kader van de omgevingsvergunning voor de bouw van de nieuwe woning nader worden uitgewerkt. Ter juridische borging van het beleid is artikel 4 ‘Verplichting tot waterberging bij nieuwbouw van de verordening’ overgenomen in de regels van dit bestemmingsplan (artikel 10.3).

Hemelwaterafvoer Hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem of afgevoerd naar de omliggende watergangen. Dit plan voorziet in een afname aan verharding, waardoor hemelwater beter kan infiltreren in de bodem. Beide woonpercelen worden groen ingericht met voldoende mogelijkheden voor hemelwateropvang. Vuilwaterafvoer Vuil water zal worden afgevoerd via het bestaande gescheiden rioleringsstelsel van de gemeente West-Betuwe. De nieuwe woning wordt aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Het rioolstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente West-Betuwe. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.

43

5.7 Flora en fauna Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Gelders Natuurnetwerk (GNN) De provincie Gelderland heeft om haar biodiversiteit veilig te stellen het Gelders Natuurnetwerk (GNN) in haar beleid opgenomen. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Dit Gelders Natuurnetwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS en bevat tevens een zoekgebied van 7.300 ha voor de te realiseren 5.300 ha nieuwe natuur. Onderzoek 5.7.1 Soortenbescherming Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het plangebied geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten.

Het plangebied is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). De sloop van de kassen ten behoeve van de realisatie van een vrijstaande woning aan de Sportlaan 8 en Sportlaan ong. te Vuren is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Te treffen maatregelen: • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

• Het plangebied tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

44

5.7.2 Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 900 meter ligt het Natura 2000-gebied ‘Loevestein, Pompveld en Kornsche Boezem’. Op een afstand van circa 900 meter ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 380 meter ligt de Groene Ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 1,3 kilometer ligt een weidevogelgebied.

Afbeelding 18: Plangebied t.o.v. Natura2000-gebieden

Afbeelding 19: Plangebied t.o.v. Gelders Natuurnetwerk

45

Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. 5.7.3 Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Uit het stikstofdepositieonderzoek blijkt dat de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Het stikstofdepositieonderzoek is toegevoegd in de bijlage. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.

Conclusie Het plan is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Het plan ondervindt wat betreft ecologie geen belemmeringen.

46

5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 4: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 μg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 μg/m

Vanaf 11 juni 2011

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m3 25 μg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2022) het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 15,28 μg NO2/m3 • Een fijnstofconcentratie van 20,63 μg PM10/m3 • Een fijnstofconcentratie van 13,37 μg PM2,5/m3 Op basis van bovenstaande kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan alle grenswaarden wordt voldaan. Gesteld kan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM) en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.

Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het Besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.

47

5.9 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Risicovolle bedrijven Binnen de beoogde bestemming passen geen risicovolle activiteiten, zoals Bevi-activiteiten. De vestiging van een Bevi-inrichting binnen het plangebied is daarmee uitgesloten. Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen. Vervoer gevaarlijke stoffen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid alleen relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waal en de Betuweroute. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroutes, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones).

Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: • De bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroutes en • De zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 21 januari 2020 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "zeer kwetsbaar gebouw", bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NLalert. Bij het genoemde 48

incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Buisleidingen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebieden niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen. Conclusie Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waal en de Betuweroute. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er in het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Dit betekent dat er geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld in het kader van het aspect externe veiligheid.

49

5.10 Technische infrastructuur (kabels en leidingen) Beleidskader Planologische relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekeningen te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Binnen de grenzen van het plangebied of in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. De uitvoering van het plan levert om die reden geen bijzondere aandachtspunten op ten gevolge van aanwezige kabels en leidingen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

50

6 Juridische planopzet 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Vuren, Sportlaan 8’ bestaat uit drie delen, de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplanen bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Vuren, Sportlaan 8’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Vuren, Sportlaan 8’ is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Reparatieplan Bestemmingsplan Buitengebied 2014’, het bestemmingsplan ‘Buitengebied Parapluplan Nieuwe Hollandse Waterlinie’ en Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

6.3 Bestemmingen Agrarisch Het noordelijk deel van het plangebied behoudt de bestemming ‘Agrarisch’ (zonder bouwvlak) met de gebiedsaanduiding ‘openheid’. Verkeer De toegangsweg naar de woningen (incl. de keermogelijkheid), welke in de nieuwe situatie in eigendom zijn van de gemeente West-Betuwe, wordt bestemd als ‘Verkeer’. Wonen - 1 Het overgrote deel van het plangebied krijgt de bestemming ‘Wonen – 1’. Op het bestemmingsvlak worden twee bouwvlakken opgenomen. De nieuwe woning dient binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd. Waarde – Nieuwe Hollandse Waterlinie De dubbelbestemming ‘Waarde – Nieuwe Hollandse Waterlinie’ is mede bestemd voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van het erfgoed van uitzonderlijke universele waarde van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

6.4 Aanduidingen • • • •

Bouwvlak; Functieaanduiding ‘openheid’ Gebiedsaanduiding ‘overige zone – inundatiekommen’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte / maximum goothoogte: 10 en 6’;

51

7 Economische uitvoerbaarheid 7.1 Exploitatie Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente wordt er een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1 Participatie In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid van een plan zijn er meerdere opties om omwonenden van een woningbouwontwikkeling te informeren. De initiatiefnemers van dit plan hebben er voor gekozen om in een vroeg stadium de naaste buren te informeren over het plan door persoonlijk langs te gaan bij de omwonenden met de mededeling van de plannen voor nieuwbouw van een tweede woning op de locatie Sportlaan 8 te Vuren. De initiatiefnemers van het plan hebben de buren een toelichting gegeven van de plannen. Naar aanleiding van de gesprekken met de buren is een duidelijk beeld ontstaan wat al deze mensen afzonderlijk van elkaar heeft bewogen om zich hier te wortelen. De natuurlijke omgeving, het buitenleven, het ruimtelijke gevoel, de rust, de onderlinge saamhorigheid maar vooral de private sfeer zijn redenen waarom men hier nu met veel plezier woont. Omwille van hierboven genoemde redenen is in samenspraak met de buren de situering van de nieuwe vrijstaande woning tot stand gekomen (verder van de Sportlaan). De situering van de woning conform het landschappelijk inpassingsplan is voor alle buren zeer acceptabel en iedereen is hiermee content.

8.2 Vooroverleg ex. art. 3.1.1 Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het wettelijk vooroverleg is het plan voorgelegd aan de overlegpartners. Het plan is beoordeeld door het waterschap Rivierenland. Het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Het plan is conform de eisen en wensen van het waterschap Rivierenland. Het plan is beoordeeld door de provincie Gelderland. De reactie van de provincie Gelderland met betrekking tot stikstofdepositie en aanvullende strategische voorraden drinkwatervoorziening zijn verwerkt in hoofdstuk 4.2.2 Omgevingsverordening Gelderland (februari 2022) en 5.7.3 Stikstofdepositieonderzoek.

8.3 Zienswijzen Het ontwerp-bestemmingsplan en bijbehorende stukken worden gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid wordt gesteld om een zienswijze kenbaar te maken. Desgevraagd zal ook een mondelinge zienswijze gegeven kunnen worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/669/documents/15056