RV2024-025-Bijlage5-Toelichting-Inpassingsplan-Radar-Herwijnen.pdf
Tekst van het document
De actualisatie van het onderzoek in 2020 was noodzakelijk, omdat (sinds het onderzoek uit 2015) de aanwezige bebouwing inmiddels was gesloopt en een in het verleden aanwezige ondergrondse tank was vervangen door een nieuwe tank van gelijke omvang. Doel van het onderzoek uit 2020 was het vaststellen of de sloop van het gebouw en de vervanging van de tank geresulteerd hebben in een (water)bodemverontreiniging. Uit de onderzoeksresultaten volgt dat, behoudens een zwakke puinbijmenging ter hoogte van een deel van het gesloopte gebouw, er tijdens de veldwerkzaamheden geen waarnemingen gedaan zijn die aanleiding geven tot het vermoeden van (water)bodemverontreiniging. Ter plaatse van het gebied rondom de ondergrondse tank is geen verontreiniging aangetoond in de grond of het grondwater. Ter plaatse van de voormalige bebouwing en het pad zijn licht verhoogde gehalten aan diverse zware metalen (kobalt, nikkel, zink en cadmium) PAK en PCB aangetoond boven de achtergrondwaarden. Deze verhogingen zijn dermate beperkt, dat er geen aanleiding is om nader (water)bodemonderzoek uit te voeren. Tot slot zijn er op het maaiveld en in het opgeboorde materiaal geen asbest verdachte materialen aangetroffen en is er analytisch geen asbest aangetoond. De resultaten van het onderzoek vormen uit het oogpunt van (water)bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het onderzoek uit 2020 wordt als actueel beschouwd, aangezien het bodemgebruik sinds het laatste (water)bodemonderzoek niet meer veranderd is en er geen (water)bodem verontreinigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Conclusie Onderzoek naar de grond en het grondwater heeft uitgewezen dat het aspect (water)bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor onderhavig plan. Wel dient, zoals eerder beschreven, bij eventuele afvoer van grond en/of verhardingsmaterialen van de onderzoekslocatie rekening gehouden te worden met het Besluit bodemkwaliteit.
4.3
Geluid
4.3.1
Radarstation Wettelijk kader De landelijke regels over geluid zijn neergelegd in de Wet milieubeheer en de Wet geluidhinder. De Wet milieubeheer regelt in hoofdstuk 11 – door middel van geluidproductieplafonds – de geluidbelasting van rijkswegen en spoorwegen. De Wet 31
geluidhinder is een beoordelingskader bij de aanleg en/of wijziging van provinciale en lokale (spoor)wegen en gezoneerde industrieterreinen. Deze wetten bevatten geen geluidnormen voor het radarstation Herwijnen. Ook is er, ter plaatse van het radarstation, geen lokale regelgeving die betrekking heeft op geluid. Om te komen tot een gedegen afweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening voor het aspect geluid is aangesloten bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van 21 oktober 1998 van het Directoraat-Generaal Milieubeer (hierna: de Handreiking). Op grond van de Handreiking wordt een grenswaarde gehanteerd van 50 dB(A) (LAr,LT) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en 70 dB(A) (LAmax) voor het maximale geluidsniveau. De maximale geluidbelasting is afhankelijk van de aard van de woonomgeving en wordt berekend op de gevels van de dichtstbijgelegen woningen en geluidsgevoelige bestemmingen. Op onderstaande afbeelding zijn de richtwaarden voor het geluidsniveau op woningen en geluidsgevoelige bestemmingen te zien.
Adviesbureau de Haan heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting van de SMART-L radar op dichtbijgelegen woningen in Herwijnen. Rapport Radarpost-Zuid, Herwijnen van Adviesbureau de Haan van 21 juni 2023 (bijlage 14 bij deze toelichting)
De dichtstbijgelegen woningen en geluidsgevoelige bestemmingen bevinden zich tussen 300 en 1300 meter van radarstation Herwijnen en liggen zowel in een landelijke omgeving als in een rustige woonwijk met weinig verkeer. Daarom wordt voor de woningen in een landelijke omgeving een richtwaarde van 40 dB(A) overdag, 35 dB(A) avond en 30 dB(A) nacht gehanteerd. Voor woningen in een rustige woonwijk met weinig verkeer geldt een richtwaarde van 45 dB(A) overdag, 40 dB(A) avond en 35 dB(A) nacht. Voor het selecteren van de woningen geldt dat de dichtstbijzijnde woningen het meest worden belast. Als op die woningen wordt voldaan aan de Handreiking geldt dat ook voor de verder weg gelegen woningen. Op de afbeelding hieronder zijn de dichtstbijgelegen woningen afgebeeld.
32
Het geluidsbronvermogen van de radarantenne is gebaseerd op kengetallen, deze kengetallen volgen uit metingen die zijn uitgevoerd bij de identieke SMART-L radar in Wier. Op het optredende geluidsniveau van de radar is vervolgens een toeslag van 5dB(A) toegepast. Dit vanwege het tonaalachtige karakter van het geluid dat is waargenomen bij de radar in Wier. De SMART-L radar wordt voorzien van een schuine vertanding van de tandkrans. Door de vertanding schuin toe te passen is de overbrenging van de krans soepeler. Het toepassen van de schuine vertanding levert een geluidreductie van 2 tot 5 dB(A) op.9 Het is zeer aannemelijk dat door deze geluidbeperkende maatregel het – hierboven beschreven – tonaalachtige karakter van het geluid in zijn geheel wordt weggenomen. Toch is – veiligheidshalve – gerekend met slechts een geluidbeperkend vermogen van de schuine vertanding van 2 dB(A). Daarnaast wordt een geluidreducerende radome over de SMART-L radar geplaatst. Als gevolg van het plaatsen van de radome treedt een verdere geluidsreductie op van 8 dB(A). Hieronder is een impressie weergegeven van de SMART-L radar met de radome, die als een koepel over de radar wordt geplaatst.
9
Dit volgt uit hoofdstuk 13 ‘Gear control’ in Lewis H. Bell en Douglas H. Bell, Industrial Noise Control – Fundamentals and Applications: Second Edition, CRC Press 2017. 33
Toetsing Het radarstation voldoet – met schuine vertanding en radome – aan de richtwaarden van 40 dB(A) overdag, 35 dB(A) avond en 30 dB(A) nacht – voor landelijk gebied – en 45 dB(A) overdag, 40 dB(A) avond en 35 dB(A) nacht – voor een stille woonwijk met weinig verkeer. De geluidbelasting die optreedt is in de tabel hieronder weergegeven.
Indirecte hinder In het akoestisch onderzoek van Bureau de Haan is ook de door de inrichting veroorzaakte indirecte hinder betrokken. Onder indirecte hinder wordt verstaan de nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt door activiteiten, die weliswaar plaatsvinden buiten de grens van de inrichting, maar wel aan de inrichting zijn toe te rekenen. De belangrijkste vorm van indirecte hinder is het op de openbare weg rijden van vracht- en personenwagens van en naar de inrichting. In het akoestisch onderzoek is rekening gehouden met een worst case benadering van het aantal voertuigbewegingen. Voor indirecte hinder geldt overeenkomstig de Circulaire geluidhinder wegverkeer van en naar de inrichting van 29 februari 1996. Op grond hiervan geldt een
34
voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) overdag, 45 dB(A) avond en 40 dB(A) nacht, met maximale grenswaarden van 65 dB(A) overdag, 60 dB(A) avond en 55 dB(A) nacht. Toetsing Na het verlaten van de inrichting rijden de voertuigen direct de openbare weg op, in dit geval de Broekgraaf op. Vanuit de Broekgraaf wordt de Nieuwe Steeg opgereden. Ter plaatse van de kruising van de Nieuwe Steeg en de Graaf Reinaldweg is het aan- en afrijdende wegverkeer door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer te onderscheiden van het overige verkeer. Hier zijn de voertuigen opgegaan in het heersende verkeersbeeld en behoeft vanaf daar niet meer als indirecte hinder beoordeeld te worden. Er treedt hierdoor geen overschrijding op van de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) overdag, 45 dB(A) avond en 40 dB(A) nacht, met maximale grenswaarden van 65 dB(A) overdag, 60 dB(A) avond en 55 dB(A) nacht. 4.3.2
Cumulatie Toetsingskader Artikel 110f van de Wet geluidhinder wijst erop dat een cumulatieonderzoek benodigd is wanneer een hogere grenswaarde wordt vastgesteld of dat er een tenminste een andere geluidsbron in de toekomstige situatie de voorkeursgrenswaarde overschrijdt. Voorliggend initiatief maakt een radar mogelijk. Dit betreft geen geluidgevoelig object. Ten aanzien van industrielawaai wordt de voorkeurgrenswaarde niet overschreden op de omliggende geluidgevoelige objecten, waardoor artikel 110f niet van toepassing is. Toch is in het kader van een goede ruimtelijke ordening onderzoek naar de cumulatie uitgevoerd. In de Wet geluidhinder zijn geen normen opgenomen voor de gecumuleerde geluidsbelasting. Om te beoordelen of sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat wordt de methode Miedema Milieu Kwaliteits Maat (MKM) gebruikt. Bij deze methode wordt de gecumuleerde geluidsbelasting geclassificeerd in verschillende klassen. Elke klasse is verbonden aan een akoestisch leefklimaat met minimale en maximale waarden in dB(A). In navolgende tabel is de rangschikking weergegeven.
Toetsing De geluidsbelasting op omliggende geluidsgevoelige objecten vanwege de cumulatie van wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai is onderzocht. Akoestisch onderzoek Radarstation Broekgraaf 1, Herwijnen van SAB van 11 oktober 2023 (bijlage 15 bij deze toelichting.
Voor wegverkeerslawaai zijn de provinciale weg N830, de Broekgraaf, de Mert, De Wadensteinsesteeg en de autosnelweg A15 meegenomen in het onderzoek. Ten
35
aanzien van spoorverkeerlawaai is de Betuwespoorlijn de enige akoestisch relevante spoorweg in de omgeving. Tot slot is voor de berekening van de geluidsbelasting als gevolg van industrielawaai gebruikgemaakt van het hiervoor beschreven akoestisch onderzoek van de Haan. De onderstaande tabel geeft de resultaten weer van de cumulatie inclusief en exclusief industrielawaai (oftewel het beoogde radarstation).
Uit de tabel blijkt dat voor beide situaties de MKM varieert van goed tot matig. Door de realisatie van de radartoren vindt er geen verschuiving in de klassen plaats. De hoogste toename bedraagt hooguit 0,51 dB. Aan de Mert 10 neemt op 1,5 meter hoogte de geluidsbelasting toe van 44,16 naar 44,67 dB. Deze toename is akoestisch niet te onderscheiden voor het menselijke oor. Daarmee kan worden geconcludeerd dat industrielawaai geen merkbaar effect heeft op het omgevingsgeluid. Conclusie Doordat er geluidsbeperkende maatregelen bij de radar zelf zijn getroffen (het plaatsen van een radome over de radar en het toepassen van schuine vertanding van de tandkrans) wordt bij alle geluidgevoelige objecten in de omgeving van het plangebied aan de richtwaarden voldaan. Er is geen sprake van indirecte geluidshinder, als gevolg van verkeer. De voertuigen die het radarstation verlaten gaan namelijk direct op in het overige verkeer. Tot slot is de gecumuleerd geluidhinder als gevolg van industrie-, railverkeer- en wegverkeerlawaai onderzocht. Hieruit volgt dat de toename akoestisch niet te onderscheiden is voor het oor. Gelet op voorgaande, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Het aspect geluid van het radarstation staat de uitvoering van het plan niet in de weg. 36
4.4
Straling Wettelijk kader De SMART-L radar in Herwijnen maakt gebruik van niet-ioniserende elektromagnetische straling, net als magnetronovens en draadloze telefoons. Dit is een ander soort straling dan ioniserende straling die in kerncentrales voorkomt of in ziekenhuizen wordt toegepast. Om de blootstelling aan niet-ioniserende straling te minimaliseren worden grenswaarden gehanteerd. De veilige grenswaarden voor blootstelling aan niet-ioniserende straling (hierna verder genoemd: straling) zijn niet wettelijk vastgelegd. Om te komen tot een gedegen afweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening voor de straling afkomstig van de SMART-L radar wordt gebruik gemaakt van de referentiewaarden van de International Commission on Non-Ionising Radiation Protection (ICNIRP).10 De ICNIRP toetst de referentiewaarden regelmatig. Het gebruik van deze richtlijn wordt geadviseerd door de Wereldgezondheidsorganisatie, de Raad van de Europese Unie en de Gezondheidsraad. En de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hanteert de ICNIRPrichtlijn bij het beoordelen van de toelaatbaarheid van straling. 11 Om de vertaalslag te kunnen maken van de referentiewaarden uit de ICNIRP-richtlijn naar de effecten op het woon- en leefklimaat, is onderzoek gedaan naar de stralingsbelasting van de SMART-L radar in Herwijnen op publiek toegankelijk terrein.
De blootstelling aan de straling van de SMART-L radar op publiek toegankelijk terrein vindt overigens niet overal tegelijkertijd plaats. Bij normaal gebruik draait de radarantenne namelijk rond, zodat systematisch het gehele omliggende luchtruim kan worden afgezocht naar aanwezige objecten. Dit normale gebruik wordt ook wel de roterende modus genoemd. Daarnaast is het mogelijk om bij specifieke dreigingen de stilstaande modus van de radarantenne te gebruiken. In de stilstaande modus is de stralingsbundel smaller om zo specifieke objecten te zoeken. Dit wordt ook wel de starende modus genoemd. Om inzichtelijk te maken waar een overschrijding van de ICNIRP-richtlijn – in roterende modus en starende modus – is uitgesloten, heeft Defensie een ICNIRP-contour opgesteld. ICNIRP-contour SMART-L. Voldoet aan de richtlijn en operationeel bruikbaar van Defensie van 16 maart 2023 (bijlage 16 bij deze toelichting)
Een uitsnede van deze contour is hieronder in blauw weergegeven, bebouwing is in oranje weergegeven.
10
Online raadpleegbaar via: https://www.icnirp.org/cms/upload/publications/ICNIRPrfgdl2020.pdf.
11
Vgl. onder andere: ABRvS 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:97; ABRvS 1 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:924; ABRvS 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:787. 37
Vanwege de positionering van de radar heeft de contour de vorm van een paddenstoel. Buiten deze paddenstoel kan geen sprake zijn van een overschrijding van de ICNIRP-richtlijn. Binnen deze paddenstoel kan het wel zo zijn dat de ICNIRP-richtlijn wordt overschreden – maar dat hoeft niet. Op de afbeelding hieronder is de onderzijde van de paddenstoel vergroot weergegeven. Hierop is te zien dat binnen de eerste 300 meter rondom het radarstation tot 6 meter geen sprake kan zijn van een overschrijding van de ICNIRP-richtlijn. Ook is te zien dat er binnen de eerste 300 meter geen woningen aanwezig zijn. Bij de dichtst bijgelegen woningen is de onderzijde van de paddenstoel al hoger dan 25 meter. Deze woningen krijgen dus niet te maken met een overschrijding van de ICNIRP-richtlijn. Vanaf de dichtst bijgelegen woningen loopt de paddenstoel verder omhoog. Hierdoor staat vast dat voor verderop gelegen woningen evenmin sprake kan zijn van een overschrijding van de ICNIRP-richtlijn. In de afbeelding is daarnaast dichtbij gelegen hoogbouw weergegeven. Bij hoogbouw op 700 meter afstand van het radarstation bevindt de onderzijde van de paddenstoel zich al op 35 meter. Bij hoogbouw op 1100 meter is op de afbeelding te zien dat de onderzijde van de paddenstoel zich op circa 55 meter bevindt. Na 1200 meter is er geen sprake meer van een overschrijding van de ICNIRP-richtlijn.
38
Thales Nederland B.V. (Thales) is de ontwikkelaar van de SMART-L radar. Thales is nagegaan wat de stralingsbelasting van de SMART-L op de omgeving is en of deze straling de referentiewaarden uit de ICNIRP-richtlijn overschrijdt. Dit zowel in roterende als starende modus. Thales garandeert dat de SMART-L radar zo is ontworpen dat de straling buiten de door Defensie opgestelde ICNIRP-contour – en dus op publiek toegankelijk terrein – voldoet aan de ICNIRP-richtlijn. Safety Assessment Report Verklaring omtrent de stralingsgevoeligheid van het SMART-L MM/F radarsysteem te Herwijnen van Thales van 4 mei 2023 (bijlage 17 bij deze toelichting)
Defensie heeft TNO gevraagd om de modellen die Thales gebruikt met betrekking tot de stralingsbelasting te verifiëren en de stralingsbelasting breder te analyseren. TNO heeft daarop meermaals beoordeeld of de SMART-L radar – in roterende en starende modus – binnen de referentiewaarden van de ICNIRP-richtlijn kan blijven. De conclusie is dat de SMART-L radar op voor publiek toegankelijk terrein voldoet aan de ICNIRP-richtlijn. Dit volgt uit de volgende rapporten: −
Stralingsgevaar Radarinstallatie Herwijnen van TNO van 8 april 2019 (bijlage 18 bij deze toelichting);
−
Stralingsgevaar Radarinstallatie Herwijnen/V2 van TNO van 17 juni 2019 (bijlage 19 bij deze toelichting);
−
Evaluatie van gezondheidsaspecten door RF-velden afkomstig van de voorgenomen SMART-L radar te Herwijnen van TNO van 13 januari 2020 (bijlage 20 bij deze toelichting);
−
Evaluatie van gezondheidsaspecten door bloostelling voorgenomen SMART-L te Herwijnen: aanvulling op rapportage TNO 2020 R10094 van TNO van 27 augustus 2020 (bijlage 21 bij deze toelichting);
DEKRA heeft na het plaatsen van de SMART-L radar in Wier ter plaatse metingen uitgevoerd om te verifiëren of de SMART-L ook in de praktijk voldoet aan de ICNIRPrichtlijn. De conclusie in het rapport is dat de SMART-L radar voldoet.
39
− Assessment Report RF Exposure – MPE van DEKRA van 6 juli 2021 (bijlage 22 bij deze toelichting);
Toetsing straling radarstation Herwijnen Op basis van de bovengenoemde onderzoeken is vast komen te staan dat het radarstation Herwijnen op publiek toegankelijk terrein voldoet aan de ICNIRP-richtlijn. Dit zowel in roterende modus als in starende modus. Nadat de radarinstallatie in Herwijnen is geplaatst en kan functioneren, worden in opdracht van Defensie ICNIRP-verificatiemetingen uitgevoerd. Deze metingen zullen periodiek worden herhaald en staan los van de eventuele metingen die de toezichthouder Rijksdienst voor de Digitale Infrastructuur kan uitvoeren. Op die manier wordt nog aanvullend gewaarborgd dat er geen overschrijdingen van de ICNIRP-richtlijn plaatsvinden op publiek toegankelijk terrein. Gelijktijdig samengestelde blootstelling Gelijktijdig samengestelde blootstelling is blootstelling van alle aanwezige afzonderlijke bijdragen van straling. Voor de locatie Herwijnen is het van belang om naar de samengestelde blootstelling te kijken, omdat er een weerradar van het KNMI staat en de scheepvaart over de Waal gebruik kan maken van navigatieradars. De ICNIRPrichtlijn schrijft een methodiek voor om te controleren of deze gecombineerde blootstelling de basisrestrictie gesteld in de ICNIRP-richtlijn niet overschrijdt. Door TNO is dit onderzocht en in twee rapporten en twee memoranda beschreven: −
Memorandum Stralingsbelasting Radarinstallatie Herwijnen/V2 van TNO van 17 juni 2019 (bijlage 19 bij deze toelichting)
−
Rapport Evaluatie van gezondheidsaspecten door RF-velden afkomstig van de voorgenomen SMART-L radar te Herwijnen van TNO van 13 januari 2020 (bijlage 20 bij deze toelichting)
−
Rapport Evaluatie van gezondheidsaspecten door blootstelling voorgenomen SMART-L radar te Herwijnen: aanvulling op rapportage TNO2020 R10094 van TNO van 27 augustus 2020 (bijlage 21 bij deze toelichting)
−
Memorandum SMART-L bijdrage samengestelde blootstelling van TNO van 23 september 2021 (bijlage 25 bij deze toelichting)
Toetsing gelijktijdig samengestelde blootstelling Uit deze stukken blijkt dat de bijdrage van de SMART-L aan de gelijktijdige samengestelde blootstelling op voor publiek toegankelijk terrein de blootstellingslimieten uit de ICNIRP-richtlijn niet overschrijdt. Conclusie Er is geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat door blootstelling veroorzaakt door de SMART-L radar. De onderzoeken naar de straling van de SMART-L radar tonen aan dat de blootstelling op publiek toegankelijk terrein voldoet aan de geldende richtlijn. Ook de eventueel gelijktijdig optredende blootstelling blijft onder de veilige grenswaarden uit ICNIRP-richtlijn. Het aspect straling van het radarstation staat de uitvoering van het plan daarom niet in de weg.
40
4.5
Luchtkwaliteit Wettelijk kader Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit vormt met ingang van 15 november 2007 de Wet milieubeheer de basis voor besluitvorming in het kader van onder andere de Wet ruimtelijke ordening. Op basis van de Wet milieubeheer gelden milieukwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. De eisen waaraan de luchtkwaliteit moet voldoen zijn opgenomen in hoofdstuk 5.2 (“luchtkwaliteitseisen”) van de Wet milieubeheer. Hierin is opgenomen dat een project doorgang kan vinden indien aan minimaal één van vier gestelde eisen wordt voldaan. Eén van die eisen is: − Het project resulteert niet in een overschrijding van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. De genoemde grenswaarden geven een niveau van de buitenluchtkwaliteit dat op een aangegeven tijdstip moet zijn bereikt. De grenswaarden voor de luchtkwaliteiteisen voor PM10, PM2,5 en NO2, zoals opgenomen in de Wet milieubeheer, zijn in onderstaande tabel weergegeven.
Grenswaarden fijnstof en stikstofdioxide
Toetsing Het radarstation zelf veroorzaakt geen luchtverontreiniging. In het geval van voorliggende ontwikkeling is er mogelijk wel sprake van een verslechtering van de luchtkwaliteit, veroorzaakt door de toename van verkeersbewegingen over de Broekgraaf. Voor de bijdrage van het verkeer aan de luchtkwaliteit zijn de emissies van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) bepalend. Hiertoe is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling in de NIBM-tool ingevoerd. Hierbij is uitgegaan van in totaal 22 verkeersbewegingen per dag, waarvan 10% vrachtverkeer, waarbij vertrek en aankomst als afzonderlijke bewegingen zijn aangemerkt. Navolgende figuur geeft het resultaat van de NIBM-tool weer.
41
Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat de planbijdrage van het plan kleiner is dan de NIBM-grens van 1,2 μg/m3. Daardoor zal het plan ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en is geen nader onderzoek nodig. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit geanalyseerd, zodat onacceptabele gezondheidsrisico’s kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is de monitoringstool uit de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De monitoring-stool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM2.5 en PM10) in het plangebied voor 2021 (meest actuele gegevens). Zichtjaar
2021 Grenswaarden
Concentraties wegen direct rondom het besluitgebied stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), fijn stof (PM2.5), jaargem. concentratie jaargem. concentratie jaargem. concentratie 14,6 μg/m3 16,3 μg/m3 9,5 μg/m3 3 3 40,0 μg/m 40,0 μg/m 25,0 μg/m3
De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in 2021 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Ook wanneer de resultaten van de NIBM-tool worden opgeteld bij de concentraties uit de monitoringstool, zal er geen sprake zijn van een overschrijding van de grenswaarden. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Conclusie De nieuwe bebouwing heeft op zichzelf geen luchtvervuilende werking. De beperkte verkeersaantrekkende werking van het nieuwe radarstation zal ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De huidige concentraties NO2, PM10 en PM2,5 liggen ruim onder de Europese grenswaarden. Ook worden de grenswaarden niet overschreden, indien de resultaten uit de NIBM-tool hierbij worden opgeteld. Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat,
42
zowel vanuit de Wet Milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening, luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
4.6
Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Om het effect van bedrijven (of andere milieubelastende functies) op milieugevoelige functies te toetsen, wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Met milieuzonering wordt bedoeld het zorgen voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende functies en milieugevoelige functies (bijvoorbeeld woningen). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen, zodat de kwaliteit van het woon- en leefmilieu gehandhaafd en/of bevorderd kan worden. Bovendien biedt het bedrijven voldoende zekerheid om hun activiteiten duurzaam, binnen aanvaardbare voorwaarden, uit te kunnen voeren. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen functies met een milieuzone en gevoelige functies is de VNGhandreiking als leidraad voor milieuzonering gebruikt12 . In de VNG-handreiking is een groot aantal milieubelastende activiteiten, met bijbehorende richtafstanden, opgenomen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De publicatie geeft slechts richtlijnen voor algemene gevallen en heeft geen juridische status.
Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Toetsing Hinder als gevolg van onderhavige ontwikkeling In de VNG-handreiking is een ‘radarinstallatie’ opgenomen, met categorie 6. Het radarstation Herwijnen lijkt binnen deze functieomschrijving te vallen, al wijkt het sterk af van de grote industriële inrichtingen die als regel in categorie 6 zijn opgenomen.. Nr.
11 37
Omschrijving
Installaties radarinstallaties
geur
stof
0
0
Afstanden in meters geluid gevaar
0
1.500
Categorie grootste afstand 1.500
6
Op basis van bovenstaande gegevens uit de VNG-publicatie geldt voor een radarinstallatie een richtafstand van 1.500 meter. Dit betekent dat buiten 1.500 meter kwetsbare bestemmingen zonder verdere onderbouwing gerealiseerd kunnen worden, binnen 1.500 meter is een onderbouwing wenselijk om aan te tonen dat het verantwoord is. Voor radarinstallaties geldt de richtafstand voor het aspect ‘gevaar’. ‘Gevaar’ betreft volgens de VNG-brochure alle gevaaraspecten, inclusief brandgevaar en
12
VNG-publicatie “Bedrijven en Milieuzonering Handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk”, editie 2009. 43
stofexplosies. Bij voorliggende ontwikkeling kan worden afgeweken van deze richtafstand, want bij het in gebruik nemen van de militaire radarinstallatie wordt niet gewerkt met gevaarlijke stoffen. Gevaren voor de omgeving door brand, explosies of een gifwolk van gevaarlijke stoffen zijn dan ook niet aan de orde. Ondanks dat de dichtstbijzijnde woning op 370 meter afstand ligt van de radar (Nieuwe Steeg 56a), speelt het aspect ‘gevaar’ zoals bedoeld in de VNG publicatie, hier geen rol. Er is dan ook geen strijd met de richtafstand uit deze publicatie. Bij dit project is alleen straling mogelijk van belang. De verschillende onderzoeken (zie paragraaf 4.4) tonen aan dat de straling binnen de blootstellingslimieten in de ICNIRPrichtlijn valt. Tevens heeft Thales een verklaring omtrent de stralingsveiligheid van de radar afgegeven (bijlage 24 bij deze toelichting). Uit deze onderzoeken blijkt dat aan de wettelijke norm voldaan wordt. Overigens kent de functie ‘radarinstallatie’ geen richtafstand voor het aspect ‘geluid’. Dit is echter wel een aspect dat onderzocht is middels een akoestisch onderzoek (zie bijlage 14 bij deze toelichting). Uit het onderzoek volgt dat bij alle geluidgevoelige objecten in de omgeving van de radar aan de richtwaarden wordt voldaan. Dit aspect is verder toegelicht in paragraaf 4.3.
Hinder van bestaande bedrijvigheid op de ontwikkeling Binnen het plangebied van het inpassingsplan worden geen hindergevoelige functies mogelijk gemaakt. Er is in dit kader dan ook geen sprake van hinder van bestaande bedrijvigheid op het radarstation. Conclusie Het radarstation Herwijnen lijkt binnen de omschrijving van “radarinstallatie” (categorie 6) uit de VNG-handreiking te vallen, al wijkt dit sterk af van de grote industriële inrichtingen die als regel in categorie 6 zijn opgenomen. Voor inrichtingen in categorie 6 geldt een afstand van 1.500 meter in verband met ‘gevaar’. Dit betekent dat buiten 1.500 meter kwetsbare bestemmingen zonder verdere onderbouwing gerealiseerd kunnen worden, binnen 1.500 meter is een onderbouwing wenselijk om aan te tonen dat het verantwoord is. Aangezien bij het radarstation niet gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen, is er geen bezwaar om af te wijken van de richtafstand van 1500 meter tussen het radarstation en de dichtstbijzijnde woning op 370 meter afstand. Alleen straling hier van mogelijk belang. In paragraaf 4.4 is nader toegelicht dat de (niet-ioniserende) straling binnen de blootstellingslimieten valt en dat aan de wettelijke norm daarvoor wordt voldaan.
4.7
Externe veiligheid Toetsingskader Het begrip externe veiligheid heeft betrekking op risico’s die voor mens en milieu kunnen ontstaan bij het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. De overheid kent verschillende wet- en regelgeving voor het snijvlak van externe veiligheid en ruimtelijke ordening. Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico's voor de omgeving vanwege gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het transport van gevaarlijke stoffen over weg, water, spoor of buisleidingen.
44
Een radarstation is geen risicovolle inrichting, als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), aangezien er zich geen gevaarlijke stoffen in, op, bij of naast de inrichting bevinden. Een radarstation wordt op basis van artikel 1, lid 1, onder i van de Bevi aangemerkt als een ‘beperkt kwetsbaar object’ vanwege de mogelijkheid dat ter plaatse mensen voor onderhoud en bewaking aanwezig zijn. Hierna wordt derhalve nagegaan of het verantwoord is om het radarstation op deze locatie te realiseren, gegeven mogelijke externe risicobronnen buiten het radarstation. In deze beschouwing staat dan ook de eventuele kwetsbaarheid van het radarstation zelf centraal. Dit in tegenstelling tot de invalshoek uit de voorgaande paragraaf over milieuzonering waarbij de eventuele kwetsbaarheid van bestemmingen in de omgeving van het radarstation centraal stonden. Bij externe veiligheid staan twee begrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico wordt omschreven als de kans (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de kans van één op de honderdduizend per jaar (10 -5 per jaar) als grenswaarde.
Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. In het Bevi (stb. 250, 2004) wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (art. 13). De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico's acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico's te verkleinen. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de wet Basisnet Het Bevt stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk.
Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke
45
veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Tevens zijn in het Bevb bebouwingsvrije zones opgenomen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Buisleidingen zijn in de omgeving niet aanwezig. Toetsing Onderzoek naar de risico's vanwege stationaire risicobronnen moet plaatsvinden indien het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de meest relevante risicobronnen (BEVI-bedrijven). Aanvullend moeten veiligheidsafstanden worden aangehouden rondom minder risicovolle bedrijven. Bij het raadplegen van de kaart ‘veiligheidsinformatie milieubelastende activiteiten’ van de Atlas Leefomgeving is gebleken dat er enkele stationaire bronnen in de nabijheid van het plangebied gelegen zijn, die mogelijk een risico vormen in het kader van externe veiligheid. Een uitsnede van de provinciale risicokaart is opgenomen op de navolgende afbeelding.
Uitsnede veiligheidskaart, plangebied aangeduid met rood kader (bron: Atlas Leefomgeving).
Stationaire risicobronnen Nabij het plangebied bevinden zich een aantal propaantanks: aan de Mert 7 (circa 740 meter ten noordwesten), aan de Graaf Reinaldweg 5 (circa 1.100 meter ten zuidwesten), aan de Waaldijk 45 (circa 1.400 meter ten zuidwesten). De gegevens van de
46
risicokaart tonen dat dit geen Bevi-inrichtingen zijn. Daarmee valt de risicobron onder het Activiteitenbesluit. Dit betekent dat de veiligheidsrisico’s worden opgelost binnen het eigen terrein en daarmee is een nadere beschouwing van deze risicobronnen niet noodzakelijk. Mobiele risicobronnen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid alleen relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroute, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones). Op grond van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: − de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute, en − de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige beperkt kwetsbare objecten binnen het plangebied (d.w.z. de nieuwe radar). Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen.
Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 16 augustus 2016 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarbij onderstaande advies is afgegeven. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbaar object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Advies veiligheidsregio Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen.
Conclusie Een radarstation wordt aangemerkt als een ‘beperkt kwetsbaar’, als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute. Vanuit het plangebied zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Het aspect externe veiligheid staat dus niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
47
5 5.1
Overige aspecten Flora en fauna Toetsingskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied. Bescherming in het kader van de wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming en beschermde houtopstanden. Gebiedsbescherming Op grond van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/of habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat significant negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. De provincie Gelderland spreekt niet van Natuurnetwerk Nederland maar van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Binnen het GNN en de GO staat de bescherming van de kernkwaliteiten centraal. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en omgevingscondities.
Per saldo moet elke ontwikkeling in het GNN een verbetering van de betreffende kernkwaliteiten opleveren. De GO heeft een dubbeldoelstelling. Er is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de ecologische samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden. Door de samenhang met de aangrenzende en inliggende natuur van het GNN herbergt de GO ook kenmerkende natuurwaarden. Bij ruimtelijke ingrepen in de GO wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwvestiging, uitbreiding van bestaande bestemmingen en de schaal/omvang van de ingreep. De provincie Gelderland vindt het verder van belang dat rustgebieden voor winterganzen geschikt blijven voor ganzen. De provincie stuurt daarom op het behoud van de openheid en de rust in deze gebieden. Ook zijn weidevogelgebieden aangewezen. De provincie wil hier een landbouwpraktijk stimuleren en in stand houden die rekening houdt met weidevogels. Beschermde weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden liggen voornamelijk in de GO en voor het overige deel in het GNN. Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten, voor Habitatrichtlijnsoorten en voor andere soorten.
Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel
48
mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. De provincie Gelderland heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Daarnaast zijn de verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden is geregeld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. Toetsing Er is een natuurtoets uitgevoerd door SAB ter plaatse van het plangebied. −
Rapport Natuurtoets Radarstation Broekgraaf 1, Herwijnen van SAB van 22 februari 2023 (bijlage 11 bij deze toelichting.
De bevindingen uit dit onderzoek zijn navolgend beschreven. Gebiedsbescherming Natura 2000 Het plangebied ligt niet binnen een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Wel liggen er enkele Natura 2000gebieden in de omgeving van het plangebied. Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem ligt op 3,7 kilometer ten zuidwesten, Lingegebied en Diefdijk-Zuid op 3,8 kilometer ten noordwesten en Rijntakken op 8,2 kilometer ten zuidoosten van het plangebied.
49
Globale ligging van het besluitgebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: Aerius.
Door de afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebieden zijn verstoringen, zoals verstoring door licht, geluid of trilling, uitgesloten. Met de geplande ruimtelijke ontwikkeling is een toename in stikstofuitstoot in het plangebied te verwachten. In het kader van voorliggende ontwikkeling heeft SAB op 13 oktober 2023 een onderzoek naar de stikstofdepositie uitgevoerd (bijlage 24 bij deze toelichting). Hierin is in het kader van de Wet natuurbescherming de stikstofuitstoot door de beoogde ontwikkeling voor de aanleg- en gebruiksfase inzichtelijk gemaakt. Met de gehanteerde parameters blijkt dat uit de uitgevoerde berekeningen van de aanleg- en gebruiksfase er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Gelet op het voorgaande, wordt geconcludeerd dat significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op voorhand op basis van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten. Een vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming is derhalve niet benodigd. Gelders Natuurnetwerk Het plangebied ligt niet binnen Gelders Natuurnetwerk (zie navolgende afbeelding). Op 190 meter ten oosten van het plangebied ligt gebied dat tot de Groene ontwikkelingszone en als Weidevogelgebied is aangewezen. Gelders natuurnetwerk ligt ongeveer 2 kilometer van het plangebied verwijderd.
Weidevogelleefgebied ligt ook op ongeveer 2 kilometer afstand van het plangebied. Ganzenfoerageergebied ligt op meerdere kilometers afstand in Natura 2000-gebied Rijntakken.
50
Globale ligging van het plangebied ten opzichte van provinciaal beschermde natuurgebieden. Bron: Provincie Gelderland.
Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op minimaal 190 meter ten oosten van het plangebied. De bescherming van het GNN kent in de provincie Gelderland niet het begrip externe werking. Aangezien het plangebied niet binnen de GNN of GO ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorgenomen ingreep zal geen effect hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Gelders Natuurnetwerk hebben. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig plan. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Voor al de in het wild levende soorten geldt de zorgplicht uit de Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht dient te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Vogels Uit de Natuurtoets blijkt verder dat in en direct rond het besluitgebied vogels aanwezig zijn en ook kunnen broeden. Voor deze vogels geldt artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, die het onder meer verbiedt vogels te doden, te vangen of in gebruik zijnde nesten van vogels te beschadigen of te vernielen. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied soorten met niet jaarrond beschermde nesten aangetroffen als kauw en houtduif.
Dergelijke soorten kunnen mogelijk in het plangebied tot broeden komen. In het plangebied is daarnaast een vogelnest waargenomen van waarschijnlijk een houtduif. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode gestart.
51
Naast de reguliere bescherming in het broedseizoen zijn er verschillende vogelsoorten van wie de nesten jaarrond worden beschermd. De aanwezigheid van nestlocaties van deze soorten (huismus, gierzwaluw en overige vogelsoorten) binnen het plangebied is tijdens het veldbezoek uitgesloten. Overige soorten Op basis van de Natuurtoets (en het bijbehorende veldbezoek) kan niet worden uitgesloten dat in en nabij het plangebied soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Dit betreft bijvoorbeeld de soorten bruine kikker en gewone pad. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Wel geldt ook voor deze soorten altijd de eerder beschreven zorgplicht. Door het uitgevoerde onderzoek is duidelijk geworden dat essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van beschermde soorten waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt, niet aanwezig zijn. Doordat deze elementen niet aanwezig zijn, zijn negatieve effecten op deze categorie beschermde soorten niet te verwachten. Daarmee staat de bescherming van deze soorten de ontwikkeling niet in de weg.
Vleermuizen Langs de randen van het plangebied staan essen en eiken waarin enkele vleermuiskasten hangen. Deze vleermuiskasten zijn geplaatst in het kader van de ontheffing voor de omgang met de vleermuisverblijfplaats in de oude, inmiddels gesloopte bebouwing. Hiervoor zijn als tijdelijke maatregelen vier kasten in de omgeving opgehangen. Als permanente maatregel wordt in de te realiseren nieuwbouw vier permanente vleermuiskasten gebouwd. Na de gewenningsperiode mogen de tijdelijke kasten weggehaald worden onder ecologische begeleiding. Bescherming houtopstanden Binnen het plangebied is geen houtopstand aanwezig. In het plangebied zijn wel bomen en struiken aanwezig, maar deze bomen en struiken zijn geen onderdeel van een eenheid bomen en struiken waarvan de oppervlakte groter is dan duizend vierkante meter en zijn ook geen onderdeel van een rijbeplanting die groter is dan 20 bomen. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied, het Gelders Natuurnetwerk of een Groene ontwikkelingszone. De verwachte toename in stikstofuitstoot als gevolg van voorliggende ontwikkeling is middels het onderzoek stikstofdepositie inzichtelijk gemaakt voor de aanleg- en gebruiksfase. Uit dit onderzoek volgt dat significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op voorhand op basis van objectieve gegevens zijn uitgesloten.
In en nabij het plangebied kunnen soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten
52
de geplande ontwikkeling niet in de weg. Wel dient er te allen tijde rekening gehouden te worden met de zorgplicht en met broedende vogels. Ook dient de omgang met de aanwezige vleermuiskasten plaats te vinden conform de eerder verleende ontheffing Flora- en faunawet. De aanwezigheid van beschermde soorten binnen het plangebied waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, wordt uitgesloten. Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld, waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan vormt.
5.2
Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Erfgoedwet Door ondertekening van het Verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet 2016, uitgewerkt in het Besluit Erfgoedwet archeologie, is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Besluit ruimtelijke ordening Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Beleid provincie Gelderland Raadpleging van de kaart ‘historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie’ van de provincie Gelderland wijst uit dat het plangebied geen specifieke archeologische waarde kent. Ten aanzien van cultuurhistorie wordt het plangebied op de kaart aangeduid als ‘oude ontginningen in kommen’. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
53
Uitsnede kaart ‘Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie, plangebied aangeduid met rood kader (bron: provincie Gelderland).
Beleid gemeente West Betuwe De raad van de gemeente West Betuwe heeft op 28 januari 2021 de herziene Archeologische beleidskaart vastgesteld voor het grondgebied van de gemeente. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze archeologische beleidskaart.
54
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente West Betuwe, plangebied aangeduid met rood kader (bron: gemeente West Betuwe).
55
Toetsing Archeologie Op basis van de beleidskaart van de gemeente West Betuwe is bepaald welke gebieden een hoge of lage archeologische verwachting hebben. Onderhavig plangebied ligt deels in een gebied met een ‘lage verwachte dichtheid’ (categorie 7) en deels in een gebied met een ‘hoge verwachte dichtheid, relatief diep gelegen’ (categorie 5). Archeologisch inventariserend veldonderzoek is bij categorie 5 verplicht als de oppervlakte van bodemingrepen groter is dan 2.500 m2 en de diepte van de ingreep dieper reikt dan 150 cm onder maaiveld. Voor categorie 7 is onderzoek nodig bij bodemingrepen groter dan 5.000 m2 en een diepte van 30 cm onder maaiveld. Aangezien het nieuw te bouwen radarstation een oppervlakte kleiner dan 2.500 m2 heeft, is archeologisch onderzoek niet nodig. Bovendien is sprake van herbouw/vervanging van een bestaand bouwwerk, waarbij de grond reeds geroerd is. Ter bescherming van eventuele toekomstige ingrepen zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 5’ en ‘Waarde - Archeologie 7’ opgenomen in voorliggend inpassingsplan, waarmee aansluiting is gevonden bij de waarden uit het gemeentelijk archeologisch beleid.
Cultuurhistorie Met betrekking tot onderhavig plan is met name de ligging in het inundatiegebied van de Nieuwe Hollandse Waterlinie relevant (zie ook paragraaf 3.3.2).Voor het gebied is de openheid van het gebied van grote cultuurhistorische en landschappelijke waarde. De voorgenomen ontwikkeling betreft een herbestemming. Zoals gesteld door de Rijksbouwmeester in 2019 (zie bijlage 8) kenmerkt het landschap zich in aanleg en
56
daarin voorkomende objecten als militair landschap. Deze functie van radartoren zou gebiedseigen genoemd kunnen worden. Een neutrale, functionele verschijningsvorm ligt daarbij voor de hand. Na aanpassing van het bouwplan, met de toevoeging van een koepel over de radarinstallatie, heeft de Rijksbouwmeester op 24 augustus 2023 opnieuw een advies uitgebracht (zie bijlage 9). Na bestudering van het plan heeft deze aangegeven geen nadere inzichten te hebben ten opzichte van het advies uit 2019. In haar rol als adviseur van de vergunningverlener heeft de Rijksbouwmeester een derde geactualiseerd advies uitgebracht op 31 oktober 2023 met als strekking dat de kleurstelling van het gehele complex een zorgvuldige inpassing in de omgeving dient te ondersteunen (zie bijlage 10). Daarnaast is de ontwikkeling dusdanig klein van schaal dat de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied niet worden aangetast. Met andere woorden; het karakter van het voormalige inundatiegebied blijft zeer herkenbaar aanwezig. Voor de ruimtelijke kwaliteit van het landschap van de Nieuwe Hollandse Waterlinie is het wel van belang het terrein te voorzien van een passende erfbeplanting. Dit is reeds het geval. De huidige beplanting zal zoveel mogelijk gehandhaafd blijven, zeker de bossingels langs de terreingrenzen (zie paragraaf 2.2).
Tot de Kernkwaliteiten Nieuwe Hollandse Waterlinie behoort naast openheid, groen en een rustig karakter ook duisternis. Er komt geen of nauwelijks extra verlichting. Conclusie Op basis van het gemeentelijk archeologisch beleid is archeologisch onderzoek bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen uitsluitend nodig, indien bepaalde drempelwaarden worden overschreden. Voorliggende ontwikkeling blijft onder deze drempelwaarden. Bovendien zijn archeologische dubbelbestemmingen opgenomen, ter bescherming van eventuele toekomstige ingrepen binnen het plangebied. In het kader van de ligging in de Nieuwe Hollandse Waterlinie is het ontwerp door de Rijksbouwmeester positief beoordeeld. Gelet op voorgaande, vormen de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
5.3
Water Toetsingskader Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. De Legger van Waterschap Rivierenland toont aan dat direct ten zuiden van het plangebied een waterloop categorie B gelegen is en ten westen een waterloop categorie C (zie onderstaande afbeelding). B-wateren zijn van secundair belang voor het waterbeheer en dienen door de aangrenzende eigenaren te worden onderhouden. C-wateren zijn van tertiair belang voor het waterbeheer, waarbij geen jaarlijks onderhoudsplicht
57
geldt. Tevens wijst de Legger uit dat het plangebied niet in een kern- of beschermingszone van een waterstaatswerk gelegen is.
Legger Waterschap Rivierenland, plangebied aangeduid met rood kader
Toetsing Ter plaatse van het plangebied bevond zich het voormalig radarstation. De bebouwing is inmiddels gesloopt en op dezelfde locatie wordt het nieuwe radarstation Herwijnen gebouwd. De bestaande verhardingen worden zoveel als mogelijk gehandhaafd en hergebruikt. Het verhard oppervlak neemt in vergelijking met de oude situatie niet toe. Afwatering van het hemelwater op de verharding wordt afgekoppeld en kan in de berm infiltreren. Het overige groene terrein geeft hemelwater voldoende mogelijkheden om via de natuurlijke weg te infiltreren in de bodem. Voor onderhavig plan is de digitale watertoets doorlopen. De uitgevoerde watertoets is als bijlage 25 opgenomen bij deze toelichting. Uit deze watertoets volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. In deze fase van de planvorming (inpassingsplan) kan volgens het waterschap worden volstaan met een korte procedure. De korte procedure houdt in dat de initiatiefnemer zelfstandig een toelichting in het plan opneemt, waarin wordt beschreven hoe op een goede manier wordt omgegaan met de relevante wateraspecten. De volgende aspecten worden als relevant gezien door het waterschap. Waterschapsbeleid Zoals hierboven beschreven, beschikt Waterschap Rivierenland over een verordening (Keur) voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die
58
betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voorliggende ontwikkeling heeft geen effect op de waterlopen nabij het plangebied. Klimaatadaptatie Het waterschap streeft naar een klimaatbestendige inrichting van de leefomgeving. Voorliggend plan heeft hier nadrukkelijk oog voor door de hoeveelheid verharding tot het minimum te beperken. Het perceel krijgt een groene inrichting, met ruimte voor gras en een nieuwe houtwal met bomen. Op die manier is er voldoende ruimte voor een natuurlijke infiltratie van hemelwater. Verhard oppervlak Het waterschap stelt dat bij een toename van het verharde oppervlak mogelijk extra waterberging gerealiseerd dient te worden. Dat is bij voorliggend plan niet aan de orde aangezien het oppervlakte verharding niet toeneemt. Waterkwaliteit Met het oog op waterkwaliteit is de toepassing van uitloogbare materialen uitgesloten. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.4
Gezondheid In hoofdstuk 4 is een aantal aspecten beschouwd die van invloed zijn op de gezondheid, waaronder bodemkwaliteit, geluidhinder, straling, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Effecten zijn, waar mogelijk, kwantitatief of meetbaar en ook op kaart in beeld gebracht. Voor de ontwikkeling van het radarstation is met name het aspect straling van belang (zie paragraaf 4.4). In opdracht van Defensie heeft TNO in januari 2020 een evaluatie van gezondheidsaspecten door de voorgenomen radarstation Herwijnen (zie bijlage 20 bij deze toelichting) opgesteld. Hierin is gekeken naar het effect van (niet-ioniserende) straling op de gezondheid van mensen. Binnen Nederland is toepassing van de ICNRIP-richtlijn het toetsingskader dat wordt gebruikt om vast te stellen of de gezondheid van mensen in voldoende mate wordt beschermd. Uit de toetsing blijkt dat het radarstation voldoet aan de blootstellingslimieten die de ICNIRPrichtlijn voorschrijft. Ook indien gekeken wordt naar de gelijktijdig samengestelde blootstelling, dus blootstelling van alle aanwezige afzonderlijke bijdragen van straling, wordt aan de richtlijn voldaan. Doordat aan de ICNIRP-richtlijn wordt voldaan, wordt de gezondheid van mensen voldoende beschermd tegen de mogelijke nadelige gevolgen van (niet-ioniserende) straling.
Bovendien wordt - na plaatsing van de radar - door een onafhankelijk bureau onderzoek uitgevoerd, waarin stralingsmetingen worden verricht.
5.5
Verkeer en parkeren Op de locatie wordt niet permanent door personeel gewerkt. De locatie wordt alleen bezocht voor onderhoud en bewaking. Daarbij wordt uitgegaan van hoogstens 22 verkeersbewegingen per dag waarbij vertrek en aankomst als afzonderlijke bewegingen zijn aangemerkt . Het plan heeft geen nadelige gevolgen voor de verkeerssituatie.
59
In het “Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019” van de gemeente West Betuwe is aangegeven dat het uitgangspunt bij een ruimtelijke ontwikkeling is dat de initiatiefnemer er alles aan doet om het aantal benodigde parkeerplaatsen (inclusief laden en lossen) als gevolg van de ontwikkeling op eigen terrein te realiseren. Doordat onderhavig plangebied slechts incidenteel wordt betreden, heeft het een beperkte parkeerbehoefte. Op het terrein zijn zes parkeervakken voorzien. Dit is ruim voldoende om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien. Nu de CROW kencijfers geen kencijfer heeft voor een radarstation is ervoor gekozen om niet letterlijk aan te sluiten bij de normering die het Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019 geeft maar maatwerk in het inpassingsplan op te nemen door te borgen dat zes parkeerplaatsen worden aangelegd en in stand worden gehouden, Daarmee word ruimschoots voorzien in de parkeerbehoefte van personeel voor onderhoud en bewaking en is zodoende sprake van een goede ruimtelijke ordening.