CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2023-087-Bijlage-NL-IMRO-1960-VARBPMolenblok-ONT1.pdf

Gemeenteraad 24 oktober 2023, gemeente West BetuweBij agendapunt: 11: Vaststellen bestemmingsplan Molenblok, deelgebied 4 Varik (portefeuillehouder Jacoline Hartman)16.678 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

24

milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) regelen onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.

Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

25

Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.

Risicokaart (plangebied rood omkaderd, bron: Atlas Leefomgeving)

Inrichtingen gevaarlijke stoffen In de omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen gevaarlijke stoffen aanwezig. Vervoer gevaarlijke stoffen Op ca. 500 meter ten zuidwesten van het plangebied loopt de Waal. De Waal maakt onderdeel uit van het Basisnet water. Over de Waal is er sprake van de transport van gevaarlijke stoffen. Volgens de Regeling basisnet kent de Waal een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) van 0 m. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Tevens ligt de ontwikkeling niet binnen 200 m vanaf de transportroute, gemeten vanaf het midden van de rivier. Daarmee is het niet noodzakelijk om het groepsrisico te berekenen. Bovendien voorziet de ontwikkeling slechts in zes extra woningen ten opzichte van de huidige situatie. Er kan gesteld worden dat het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waal geen belemmeringen vormt voor de beoogde ontwikkeling. Er dient wel aandacht te zijn voor bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in geval van een incident. Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid is het van belang dat het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten. Het plangebied is goed bereikbaar en kent voldoende ontvluchtingsmogelijkheden. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten vanaf verschillende windrichtingen. Het is mogelijk om via de nieuwe ontsluitingsweg van Molenblok om te vluchten.

Het plangebied zal zodanig ingericht worden dat er diverse mogelijkheden zijn tot het ontvluchten. Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan.

26

4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:

• • •

bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.

Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

• • •

vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:

• •

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op de realisatie van zes extra woningen. Het plangebied wordt in de huidige situatie gebruikt als landbouwgrond. Voor het bestemmingsplan 'Molenblok Varik 2014' is in het verleden al een ecologische quickscan uitgevoerd, dit onderzoek is echter verjaard. Derhalve is er voor de locatie een ecologische quickscan uitgevoerd (Blom Ecologie, d.d. 7 oktober 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4).

27

Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, Gelders Natuurnetwerk of de Groene Ontwikkelingszone. Op circa 40 m ten oosten van de planlocatie is het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ gesitueerd. Tussen de planlocatie en het Natura 2000-gebied is een dijk gelegen, welke als een barrière voor externe effecten zoals trillingen, geluid en optische verstoring werkt. Daarnaast vinden er verkeersbewegingen plaats op de dijk waardoor er tevens geen sprake zal zijn van een netto toename aan verstoring. Hiermee kan een significante toename aan verstoring op het nabij gelegen natuurgebied uitgesloten worden. Stikstofberekening Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS Calculator. Een AERIUS-berekening is reeds uitgevoerd (Buro SRO, d.d. 15 december 2022, zie bijlagen bij toelichting. bijlage 5).

Er is hier intern gesaldeerd met het huidige gebruik van het perceel binnen het plangebied. In de huidige situatie wordt er op de landbouwgrond bemest. Bij bemesting is er sprake van een stikstofuitstoot. Omdat de woningen gasloos gerealiseerd zullen worden is enkel met de stikstofuitstoot van de verkeersgeneratie van het plangebied gerekend. Uit de stikstofberekening volgt dat er sprake is van een afname in de totale depositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De beoogde ontwikkeling heeft geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Uit de stikstofberekening blijkt de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op het nabijgelegen Natura-2000 gebied. Gezien significante negatieve externe effecten op voorhand uitgesloten kunnen worden, is een Ecologische Voortoets niet noodzakelijk.

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de realisatie van de woningen uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

4.9 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan

28

wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Archeologiebeleid West Betuwe In 2021 heeft de gemeente West Betuwe een Archeologische Beleidskaart laten maken. De kaart is gebaseerd op een uitgebreide inventarisatie van het gemeentelijk bodemarchief en geeft aan welke gebieden een archeologische verwachting hebben. Per gebied is vastgelegd wanneer bij ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden met archeologie. De regimes die hiervoor gelden zijn weergegeven op de Beleidskaart Archeologie. Voor iedereen is dan in één oogopslag duidelijk aan welke regels moet worden voldaan bij ruimtelijke ontwikkelingen waar archeologische waarden in het geding kunnen zijn. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling vindt er een bestemmingswijziging plaats waarbij vervolgens woningen worden gerealiseerd. Aan de hand van de archeologische beleidskaart uit 2021 van de gemeente West Betuwe kan worden bepaald wat de archeologische verwachting van het plangebied is. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de Archeologische beleidskaart.

Uitsnede archeologische beleidskaart

Het plangebied is deels gelegen in gebied dat onderdeel is van de historische dorpskern. Voor de rest van het plangebied geldt een 'hoge verwachte dichtheid' van de archeologische verwachting. Voor het bestemmingsplan 'Molenblok Varik 2014' zijn meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6, 7, 8 en 9). Met de onderzoeken is in beeld gebracht waar de archeologische resten zich bevinden. In het plangebied zijn meerdere archeologische vondsten gedaan.

29

Onderstaande afbeelding toont de vermoedelijke ligging van het Huis Varik.

Archeologische resten

Ten behoeve van de realisatie van deelgebied 1 heeft archeologische opgraving plaats gevonden. Voor de ontwikkeling van de overige deelgebieden is getracht met het ontwerp de archeologische resten ‘in situ’ te behouden.

30

Dat is gebeurd door in eerste plaats het terrein van het oude kasteel Huis Varik te vrijwaren van bebouwing. Het plan Molenblok laat dit gebied grotendeels ongemoeid. Wel is het voornemen op het terrein ruimte te bieden voor een speelgelegenheid. Bij de aanleg hiervan zal rekening moeten worden gehouden met de beperkingen om de grond te roeren. Voorts is in het plan voor deelgebied 4 de ontsluiting en een wadi op de oude gracht gelegd. Bij het ontwerp hiervan is ingezet op het beleefbaar maken van de gracht. Dit door te kiezen voor beperkte verharding (karrespoor) en de aanleg van wallen aan weerszijden van de weg (zie afbeelding). De onder de weg aan te leggen riolering zal onder archeologische begeleiding worden uitgevoerd.

Situatietekening toekomstige situatie (Bron: Wissing, d.d.26 juni 2022)

Dwarsprofiel deelgebied 4 (Bron: Wissing, d.d. 31 mei 2022)

31

Op andere delen van het plangebied van Molenblok worden de archeologische waarden beschermd door ophoging. De voor het plan Molenblok gekozen ophogingen variëren per plek en zijn bepaald op basis van deze noodzakelijke bescherming i.c.m. de gewenste ophoging ter voorkoming van wateroverlast. Bij het bepalen van de minimale ophoging ten behoeve van archeologie moet rekening gehouden worden met het feit dat door langdurig agrarisch gebruik de eerste 30 cm van de gronden ernstig is geroerd. Tevens is door Stantec een actuele hoogtemeting gedaan van het bestaande maaiveld. Ter plaatse van de oude nederzetting is het maaiveld volgens actuele meting tussen ca 4.29-4.63m +NAP. Archeologische waarden zitten hier op ca 4.10m +NAP (ongeveer 20 tot 50cm -mv). De grond wordt ter plaatse opgehoogd tot 5.60m +NAP. Het vloerpeil van de woningen komt op 5.80m +NAP, Uitgaande van een bouwkuip van max 50 cm diep biedt dit een beschermingslaag van meer dan een meter. In de tuinen zijn diepe ingrepen uitgesloten door de beschermingszones van de dijk. De ophoging biedt ruim voldoende bescherming. Het westelijke deel is in 2016 overigens opgegraven en geheel vrijgegeven. Ter plaatse van de oude woonterp is het maaiveld volgens actuele meting 4.08-4.47m +NAP. Een stuk lager dan de archeologische rapportage suggereert (4.40m +NAP). Het huidige maaiveld noch de metingen weerspiegelt een terplichaam.

De resten zouden op 4.10m +NAP aangetroffen zijn ter hoogte van de strook met huidige maaiveldhoogtes 4.08-4.18m +NAP. Dat is dicht onder de oppervlakte. Door het agrarisch gebruik van de gronden in de afgelopen jaren is het maaiveld minimaal 30 cm diep geroerd geweest. Eventuele waarden zijn derhalve pas te verwachten in de zone tussen 3.88 en 3.98m +NAP. De grond wordt ter plaatse opgehoogd tot 4.70m +NAP. Het vloerpeil van de woningen komt op 4.90m +NAP. Uitgaande van een bouwkuip van max 50 cm diep biedt dit een beschermingslaag van minimaal 40 cm. In de tuinen zijn diepe ingrepen uitgesloten door de beschermingszones van de dijk. Dat ophoging biedt hiermee voldoende bescherming. Uit archeologisch oogpunt zijn er derhalve geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Het plangebied is gelegen ten noorden van Varik. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Wel bevindt zich in het noordoosten van het plangebied de ligging van voormalig Huis Te Varik. Met de beoogde gehele ontwikkeling van Molenblok wordt er op deze gronden niet gebouwd. Ook is het plangebied onderdeel van de molenbiotoop stellingmolen De Bol welke is gelegen ten noorden van het plangebied. De stellingmolen is een monumentale, ronde bakstenen stellingmolen uit 1867. Het plaatsen of verhogen van objecten (gebouwen, bomen, dijken, etc.) binnen een straal van 400 meter van een windmolen kan nadelige gevolgen hebben voor de windvang van een molen en dus gelden hier beperkingen omtrent de maximale bouwhoogte.

Binnen de zone gemeten van 100 m vanaf de molen tot een afstand van 400 m gemeten vanaf de molen, mag oplopend steeds hoger worden gebouwd. Het gehele plangebied bevindt zich binnen een straal van 300 meter. Om in beeld te brengen hoe hoog gebouwd kan worden is een onderzoek Windvang uitgevoerd (EAGM, d.d. 22 maart 2022, bijlagen bij toelichting bijlage 10). Eind oktober is een nader onderzoek uitgevoerd in verband met het aanpassen van het stedenbouwkundig plan. Woning B is in het nieuwe stedenbouwkundig plan verplaatst richting het noorden en is dus dichter bij de molen komen te liggen. Derhalve is er een nieuwe berekening uitgevoerd (EAGM, d.d. 31 oktober 2022, bijlagen bij toelichting bijlage 11).

32

Molenbiotoop De Provincie Gelderland acht bescherming van de molenbiotoop belangrijk. Zij heeft hiertoe een Gelderse Molenverordening (1996, gewijzigd bij besluit GS d.d. 30 oktober 2007) vastgesteld. Ingevolge artikel 4, derde lid van de Gelderse Molenverordening is het verboden in de molenbiotoop zonder vergunning van Gedeputeerde Staten of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorwaarden, bouwwerken op te richten, te wijzigen, werken aan te leggen of bomen, struiken of heesters aan te planten of te hebben van zodanige aard of omvang, dat daardoor het normale of toekomstig gebruik van een molen of molenrestant met wind- of waterkracht wordt verminderd, belemmerd of onmogelijk gemaakt of de monumentale waarde van de molen of het molenrestant wordt aangetast. Om een monumentale molen met een vrije windvang te laten functioneren, geldt dat binnen een straal van 400 meter gerekend vanaf het middelpunt van de molen, hoogtebeperkingen moeten worden gesteld aan het oprichten van bebouwing en beplanting. Verder dient rekening te worden gehouden met de belevingswaarde en het historisch karakter van de omgeving van de molen. Door maatwerk/compensatie wordt de belevingswaarde en het functioneren van de molen door middel van windvang niet beperkt.

Met name in een bebouwde omgeving kunnen ook andere belangen in het geding zijn waarbij zekere beperkingen ten aanzien van de windvang of de belevingswaarde niet altijd zijn uit te sluiten. De omgevingsverandering geeft bij zwaarwegende redenen ruimte voor het afwijken van de verordening: In deze verordening houdt de provincie Gelderland een cirkel met een straal van 400 meter aan. Binnen deze straal houdt de provincie een schuin oplopende lijn, gerekend vanuit het hart van het molenerf aan. De hellingshoek van deze lijn wordt bepaald aan de hand van een formule waarin de factoren als askophoogte, windreductiecoëficient en ruwheidsfactor van de omgeving een rol spelen. Hiervoor wordt de molenbiotoop formule van De Hollandsche Molen gebruikt. Volgens deze formule mogen binnen een straal van 100 meter rond de molen geen gebouwen en bomen worden opgericht met een hoogte boven het onderste punt van de verticaal staande wiek. Onderzoeksresultaten In de bestaande situatie wordt de windvang van Molen De Bol gereduceerd met 23% ten opzichte van de ideale situatie (in het studie/rekengebied). In de ideale situatie kan molen De Bol 51 dagen per jaar malen, in de bestaande situatie is dit 40 dagen. Deze reductie is de gemiddelde reductie gerekend over een gemiddeld jaar. In de zomermaanden is de reductie groter en in wintermaanden kleiner.

Vanuit het theoretisch rekenmodel zijn de in eerste instantie door de gemeente aangedragen richtgetallen voor nok- en goothoogtes onderzocht op hun belemmerende waarde. Dit is gedaan zowel voor de situatie zonder reductie, dus totaal geen windhinder voor de molen en voor de situatie waarbij 5% reductie is toegestaan volgens de coëfficiënt van de Hollandsche Molen. Voor de woningen binnen het plangebied geldt een maximale bouwhoogte ten aanzien van het N.A.P. tussen de 13,05 en 14,65 meter. Alle woningen in het plangebied worden ten aanzien van het N.A.P 13.85 meter hoog, waarmee aan deze maximale bouwhoogte wordt voldaan. Voor twee woningen (woningen B en C) geldt dat deze niet voldoen aan de eisen. Woning C zal in deze situatie een totaalreductie in maaldagen veroorzaken van ca. 4% op de windvang van molen De Bol. De woning is geprojecteerd in sectoren 20 en 21. Deze hebben idealiter samen 18 maaldagen, gemiddeld op jaarbasis. Vergeleken met de huidige situatie, waarin geen reductie plaats vindt met de ideale situatie, zal na realisering van woning C het aantal maaldagen op jaarbasis verminderen met 1 dag (4%).

33

De afrondingen resulteren in 17 maaldagen in de toekomstige situatie, een reductie van 1 dag. Het aantal maaldagen is immers niet tot achter de komma te berekenen. Uit het onderzoek blijkt dat de verhouding tussen de hoogte van de woning in het plangebied en de afstand tot de molen te hoog is in de situatie met 0% reductie. Deze verhouding bepaalt namelijk de afstand die de wind nodig heeft op te herstellen na een obstakel. Er zijn enkele factoren die dit bepalen: 1. 2.

3.

Er zijn in geval van woning C geen bestaande belemmerende objecten voor en achter de woning die de impact kunnen reduceren. De betreffende woning staat wel in een windhoek van waaruit relatief veel (harde) wind waait (sector 20 met 4% (6 dagen) en met name sector 21 met 8% (9 dagen) van het totaal maaldagen per jaar). Vanuit het theoretisch rekenmodel zijn de in het plan Molenblok opgegeven nok- en goothoogtes onderzocht op hun belemmerende waarde. Dit is gedaan zowel voor de situatie zonder reductie, dus totaal geen windhinder voor de molen en voor de situatie waarbij 5% reductie is toegestaan volgens de coëfficiënt van de Hollandsche Molen.

Het uitgangspunt van de omgevingsverordening is dat ontwikkelingen geen beperking opleveren voor de functionaliteit van de molen. Uit de beoordeling van het rekenmodel blijkt dat er in de toekomstige situatie een vermindering is van het aantal maaldagen met 1 stuk. Uit het uitgevoerde navolgende onderzoek dat is uitgevoerd in verband met het aanpassen van het stedenbouwkundig plan blijkt dat woning B een totaalreductie in maaldagen veroorzaken van ca. 5%. De woning is geprojecteerd in sectoren 22 en 23. Het gebouw is op deze locatie, met een nokhoogte van 9 meter, te hoog. Maximale hoogte op deze locatie volgens de gestelde eisen is dan 8,76 meter boven maaiveld. Derhalve wordt hier een maximale hoogte van 8 meter boven maaiveld geadviseerd. Het rapport is voorgelegd aan de provincie. Hieruit is gebleken dat het wijzigingsplan voldoet aan de eisen. Voor het bestemmingsplan adviseert de provincie de maximale bouwhoogte van woning C met 1 meter ter verlagen. De gemeente heeft dit advies opgevolgd en de maximale bouwhoogte aangepast. Daarmee is geen sprake meer van beperking. Omdat uit navolgend onderzoek is gebleken dat ook woning B niet voldoet aan de eisen wordt ook bij deze woning de maximale hoogte bijgesteld tot 8 meter. Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat er voor twee woningen in het plangebied niet wordt voldaan aan de eisen.

Na toetsing zijn door de gemeente definitieve bouwhoogtes aangepast vastgesteld. De gemeente heeft deze vastgesteld op basis van de maximaal toelaatbare hoogtes van het door EAGM gehanteerde rekenmodel. Deze bouwhoogtes worden in dit bestemmingsplan vastgelegd.

4.11 Waterhuishouding Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

34

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerplan zijn de kaders voor het waterbeheer gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen in het stedelijk gebied streeft het Waterschap minimaal naar het stand-still beginsel. Dit houdt in dat door bouwplannen de waterhuishouding niet mag verslechteren, bij eventuele verhardingen dient hiervoor dan ook gecompenseerd te worden in de vorm van open water. Als vuistregel kan gehanteerd worden dat voor 1 ha verharding ter compensatie 2.180 m² = 436 m³ open water moet worden gerealiseerd.

Daarnaast geldt voor de realisatie van kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Hiervoor geldt dat het moet gaan om een verhard oppervlak of voorziening die op zichzelf staat. Wanneer het verharde oppervlak in eerste instantie weliswaar kleiner is dan respectievelijk 500 m² en 1.500 m², maar deel uitmaakt van een groter geheel, zou er van latere aanbouw of uitbreiding een cumulatief effect kunnen uitgaan. In deze gevallen moet bij een volgende uitbreiding, die het totaal verharde oppervlak groter doet zijn dan respectievelijk 500 m² en 1.500 m², de meerdere oppervlakte alsnog worden gecompenseerd. Planspecifiek Watertoets De gemeente wil een goede waterhuishouding realiseren in het plangebied, zodat toekomstbestendig en veilig kan worden gewoond in plangebied. Voor de locatie heeft de gemeente een waterplan op laten stellen (SWECO, d.d. 3 februari 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 12). Hierin zijn o.a. de hemelwaterafvoer, de waterstructuur en de realisatie van de waterberging in opgenomen. Dit document bevat de uitwerking van de waterhuishouding. Om een goede waterhuishouding te waarborgen, worden de randvoorwaarden en afspraken vastgelegd in de waterparagraaf van een

35

bestemmingsplan. Het watertoetsproces omvat het geheel van afstemming, beschrijving en vastlegging van alle waterhuishoudkundige aspecten van het planvoornemen. Het proces resulteert in een waterparagraaf voor het bestemmingsplan. In dit geval zijn dat het wijzigingsplan voor deelgebieden 2 en 3 en het nieuwe bestemmingsplan voor deelgebied 4. Omdat de ontwikkeling van de vier deelgebieden niet los van elkaar kan worden gezien, wordt de watertoets voor de totale ontwikkeling als geheel uitgevoerd. Hemelwaterberging en -afvoer Er wordt een gescheiden rioleringssysteem aangelegd in Molenblok. Het hemelwater in Molenblok wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater, via oppervlakkige afvoer, infiltratie en via een gescheiden hemelwaterriolering. Het vuilwaterriool wordt aangesloten op het reeds bestaande vuilwaterriool van deelgebied 1. Ophoging Door SWECO is tevens de benodigde ophoging berekend. Ophoging van het plangebied is benodigd in verband met het grondwaterpeil en de ontwateringsnorm. De meeste ophoging is nodig in deelgebied 2. Dit komt omdat dit deelgebied langs de dijk ligt en onder invloed van de rivier de hoogste grondwaterstanden voorkomen. De grootste ophoging vinden we aan de zuidzijde van deelgebied 2. De rivierkwel kan hier niet goed weg, door afwezigheid van oppervlaktewater. De maatgevende grondwaterstanden worden daardoor hoger.

Met de voorgestelde ophoging is binnen het plangebied geen sprake van wateroverlast. Onderstaande afbeelding toont de benodigde ophoging in deelgebieden 4.

Benodigde ophoging in deelgebied 4

Waterstructuur Het hemelwater wordt in Molenblok afgevoerd naar de diverse hemelwatervoorzieningen in het plan, waar het water vastgehouden wordt. De waterbergingsvoorzieningen staan via een overloop (slok op) in verbinding met het oppervlaktewater, waardoor overtollig hemelwater afgevoerd kan worden. Watercompensatie Door SWECO is berekend hoeveel verharding per deelgebied gecompenseerd dient te worden en hoe dit dient plaats te vinden. Het toenemend verhard oppervlak bedraagt 18.495 m², ruimschoots meer dan de grens waarbij vrijstelling van compensatie mogelijk is. Verharding die is aangesloten op hemelwatervoorzieningen, moet worden gecompenseerd met de norm van 664 m³ / ha. Wanneer direct wordt geloosd op oppervlaktewater, geldt een norm van 436 m³ / ha. De benodigde compensatie bedraagt voor deelgebieden 1 tot en met 4 in totaal 994 m³. Watercompensatie zal plaatsvinden op eigen percelen, via de reeds aangelegde watergang en via de 'Dijkversterking Tiel- Waardenburg'. De totale berging in oppervlaktewater, compensatie vanuit de dijkversterking en berging in de voorzieningen, is in onderstaande

36

tabel weergegeven. Met de bergingsopgave wordt ruimschoots voorzien in de benodigde 994 m³ berging als compensatie voor het nieuwe verharde oppervlak. Beschikbare berging in de voorzieningen Voorziening Berging [m³]

Afvoer [m³]

Controle [m³]

Oppervlaktewater A/B Voorziening C Voorziening F Voorziening E* Voorziening D/G Totaal

507 98 10 142 237 944

4 70 -6 -60 33 41

511 168 4 82 270 1035

* Loopt over naar C

De onderstaande afbeelding toont de hemelwaterafvoer van Molenblok en de beoogde aanpassingen aan de watergangen.

Hemelwater afvoer Molenblok

37

Waterkering In het plangebied is een waterkering aanwezig langs de Waal. Dit is een primaire waterkering, in beheer bij Waterschap Rivierenland. De waterkering is voor versterking opgenomen in het HWBP, waarvan de planuitwerkingsfase medio 2021 is afgerond. Het Projectplan Waterwet5, MER en bestemmingsplannen zijn vastgesteld op 29 september 2021. In het bestemmingsplan 'Dijkversterking Tiel-Waardenburg' zijn de Dubbelstemming Waterstaat – Waterkering en de Gebiedsaanduidingen Vrijwaringszone – Dijk 1 en 2 van belang. Deze geven restricties op de bouw mogelijkheden binnen Molenblok. De opgenomen dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen zullen in het bestemmingsplan Molenblok worden overgenomen.

4.12 Verkeer en parkeren 4.12.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Voor het bepalen van verkeersgeneratie wordt gebruik gemaakt van de kengetallen van CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen'. Hierbij is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk' en 'rest bebouwde kom'. Met de ontwikkeling van de deelgebieden 2,3 en 4 van Molenblok worden maximaal 25 woningen gerealiseerd.

In deelgebied 2 en 3 komen 19 woningen, met een beoogd programma van 4 vrijstaande woningen, 10 twee-onder-één-kapwoningen en 5 rijwoningen Dit programma leidt tot een gemiddelde verkeersgeneratie van 4 * 8,2 = 32,8 voor de vrijstaande woningen, 10 * 7,8 = 78 voor de twee-onder-één-kapwoningen en 5 * 7,4 = 37 voor de 5 rijwoningen. In totaal zorgt dit voor een gemiddelde verkeersgeneratie van 147,8 per etmaal. In deelgebied 4 komen maximaal 6 vrijstaande woningen. Dit leidt tot een verkeersgeneratie van 6 * 8,2 = 49,2 per etmaal. De ontsluiting van Molenblok vindt plaats via de nieuw aangelegde Buitenhof welke uitkomt op de Kerkstraat. Vervolgens is er de mogelijkheid om via de Waalbandijk het dorp richting het noorden of het zuiden te verlaten. De wegenstructuur in het plangebied wordt hierdoor op een logische manier aangesloten op de bestaande wegen in de kern, waardoor het verkeer zich zal verdelen over de omringende wegen. Gelet op dit aantal extra voertuigbewegingen en het realiseren van een nieuwe ontsluitingsweg kan gesteld worden dat de extra verkeersgeneratie opgevangen kan worden met de huidige verkeersstructuur. 4.12.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen.

Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming, gebaseerd op ervaringen uit het verleden. Parkeernormen worden vaak gebruikt voor het vormgeven van generiek parkeerbeleid. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Deze wordt uitgedrukt in een bandbreedte van het aantal parkeerplaatsen per eenheid. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een globaal beeld worden verkregen of

38

voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. De gestelde bandbreedte geeft de mogelijkheid tot maatwerk. Op 30 juni 2020 is door de raad van de gemeente West Betuwe het Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019 vastgesteld en onherroepelijk in werking getreden. Het doel van het Paraplubestemmingsplan is het vastleggen van het generieke gemeentelijke parkeerbeleid. Bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen moet het Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019 als juridisch-planologisch kader worden meegenomen. Voor het hanteren van parkeernormen wordt in het Paraplubestemmingsplan doorverwezen naar de parkeernormen zoals die gesteld zijn in de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen'. Volgens de gebiedsindeling van het Paraplubestemmingsplan geldt er voor het plangebied een stedelijkheidsgraad van 'Niet stedelijk' in de 'Rest bebouwde kom'. Het Paraplubestemmingsplan Parkeren gaat uit van de maximale parkeernormen zoals die zijn gehanteerd in de CROW publicatie 'toekomstbestending parkeren'. Planspecifiek Voor het plangebied geldt het Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019. Voor het hanteren van parkeernormen wordt hierin doorverwezen naar de parkeernormen zoals die gesteld zijn in de CROWpublicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen'.

Volgens de gebiedsindeling van het Paraplubestemmingsplan geldt er voor het plangebied een stedelijkheidsgraad van 'Niet stedelijk' in de 'Rest bebouwde kom'. Het Paraplubestemmingsplan Parkeren wil dat er wordt uitgegaan van de maximale parkeernormen zoals die zijn gehanteerd in de CROW publicatie 'toekomstbestending parkeren'. Voor het plangebied geldt daarmee een parkeerbehoefte voor de vrijstaande woningen van 4 * 2,7 = 10,8, voor de twee-onder-één-kapwoningen van 10 * 2,6 = 26 en voor de rijwoningen 5 * 2,4 = 12. In totaal komt dit voor deelgebied 2 en 3 neer op 48,8 parkeerplaatsen. Voor deelgebied 4 zijn nog eens 6 * 2,7 = 16,2 plaatsen. Voor de uitbreiding van Molenblok betekent dit een parkeerbehoefte van 65 parkeerplaatsen. Uitgangspunt is dat het parkeren voor de reguliere woningen zoveel mogelijk op eigen terrein plaatsvindt, zodat de hoeveelheid geparkeerde auto’s in de openbare ruimte beperkt blijft en de straatprofielen een groene uitstraling kunnen krijgen. Voor halfvrijstaande en vrijstaande woningen betekent dit dat minimaal twee parkeerplaatsen op eigen terreinen dienen te worden gerealiseerd. Bij de realisatie van deelgebied 1 is een parkeernorm van 1,5 parkeerplaats per woning gehanteerd. In de praktijk blijkt de parkeerbehoefte aanzienlijk hoger wat er toe leidt dat buiten de parkeervakken wordt geparkeerd.

Met de huidige normen zou er per gebouwde woning 0,9 parkeerplaats extra nodig zijn. Dit komt neer op 28 plaatsen. Parkeeraanbod In het vervolg van de planontwikkeling van Molenblok worden zowel parkeerplaatsen in de openbare ruimte, als parkeerplaatsen op privaat terrein ontwikkeld. Parkeren in de openbare ruimte gebeurt in de vorm van langs- en haaksparkeren en in deelgebied 2 ook in de vorm van een parkeerkoffer. In totaal komen er in het plan Molenblok 83 parkeerplaatsen bij. Dat is 18 meer dan nodig voor de bouw van de resterende woningen. De extra parkeerplaatsen hebben als doel de parkeerdruk vanuit deelgebied 1 significant te verlagen. Deze extra capaciteit is niet strikt noodzakelijk om onderhavig plan te onderbouwen. Dit bestemmingsplan maakt voor deelgebied 4 in totaal 20 parkeerplaatsen mogelijk. Hiervan zijn er 18 privé en de andere 2 openbaar. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de totale parkeerbehoefte van dit plandeel. Dit bestemmingsplan regelt tevens de een verkeersbestemming voor het gewenste haaksparkeren aan de bestaande watergang aansluitend deelgebied 1 en 3. Conclusie Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zal ondervinden betreft het verkeer en parkeren.

39

4.13 Duurzaamheid en klimaatverandering Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 49% reductie van de CO2-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990. In 2030 dient verder de bijdrage van duurzame energie 32% van het totale energieverbruik te zijn. In 2050 moet de energievoorziening bijna helemaal duurzaam en CO 2-neutraal zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 40 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Energie (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw.

Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden. De BENG kijkt naar de energie prestatie van een gebouw aan de hand van de drie energieprestatie-indicatoren: 1. 2. 3.

de energiebehoefte indicator; de primaire fossiele energie-indicator; en het aandeel hernieuwbare energie.

Klimaatverandering Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. De bijbehorende kaders zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland. In artikel 2.65b van de Omgevingsverordening staat dat in een bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering en de klimaat impact van een ontwikkeling op de omgeving. Daarbij dienen de aspecten waterveiligheid, wateroverlast, droogte, hitte, biodiversiteit en bodemdaling te worden betrokken. Naast het provinciaal beleid is er regionaal een Regionale Adaptatie Strategie (RAS) vastgesteld met daarin 9 speerpunten voor een leefbare, veilige, gezonde leefomgeving. De gemeente West Betuwe heeft de ‘Lokaal Adaptatie Strategie vastgesteld’ (LAS) met daarin principes en uitgangspunten voor een klimaatadaptieve inrichting van de leefomgeving. Recent is door het Rijk de ‘Landelijke Maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ gepresenteerd. De gemeente West Betuwe wil zijn ontwikkelingen in de geest van deze maatlat realiseren. De landelijke maatlat maakt duidelijk hoe klimaatadaptief bouwen eruitziet. Het instrument beschrijft de doelen en prestatie-eisen en geeft richtlijnen voor bovengenoemde aspecten. Planspecifiek De beoogde woningen zullen bijna energieneutraal (BENG) gerealiseerd worden zijn.

De woningen worden gasloos en volgens de BENG methode gebouwd. In de toekomst is het mogelijk om de bijna energieneutrale woningen verder te verduurzamen en minimaal energieneutraal te laten zijn. In toelichting paragraaf 3.2.2 al kort ingegaan op de risico's van klimaatverandering. In deze paragraaf worden de ingrepen met betrekking tot de effecten van klimaatverandering nader toegelicht. De effecten van klimaatverandering voor het plangebied kunnen inzichtelijk worden gemaakt doormiddel van het raadplegen van de zogenaamde Klimaateffectatlas. Hieruit blijkt dat er voor het plangebied geen noemenswaardige kans op overstromingen is. Molenblok wordt gerealiseerd in gebied dat landschappelijk gezien valt onder “vlakten in binnendijkse gebieden laaglandrivier”. Deze gebieden liggen lager dan de stroomruggen en zijn vlak bij de rivier de Waal gelegen. Hierdoor zijn deze gronden gevoelig voor rivierkwel. Door waterdruk vanuit de rivier

40

komt dan achter de dijken grond/rivierwater omhoog. Molenblok wordt zo ingericht dat er veel water kan worden vastgehouden. Er worden meerdere Wadi's binnen het plangebied gerealiseerd waarmee regenwater kan worden geborgd en langzaam kan infiltreren in de bodem. Ook wordt in deelgebied 2 van Molenblok een regentuin gerealiseerd. Een regentuin is een diepe, dichte bak gevuld met grofzand, waarin water kan infiltreren. In totaal wordt er in Molenblok 1.035 m³ aan waterberging gerealiseerd. Deelgebied 4 wordt ontsloten met een karrespoor en er wordt hier halfverharding toegepast. Er wordt halfverharding toegepast omdat dit bijdraagt aan een groene beleving van de wijk. Het weglaten van overbodige verharding draagt positief bij aan de omgevingstemperatuur en zorgt ervoor dat plaatsgevallen hemelwater in het gebied wordt verwerkt. Met de realisatie van de waterberging in Molenblok wordt wateroverlast bij extreme neerslag verminderd, maar wordt ook droogte tegengegaan. Door regenwater te bufferen in plaats van af te voeren, kan het langzaam de bodem insijpelen. Hierdoor gaat het grondwaterpeil – dat in droge periodes daalt – weer omhoog en kunnen grondwatervoorraden zich herstellen. Met de ontwikkeling van Molenblok worden hagen rondom de huizen gerealiseerd in plaats van schuttingen.

Deze natuurlijk afscheiding biedt, samen met de bomen die geplant worden, ruimte als schuil- en nestmogelijkheden voor planten en dieren. De beoogde hagen en bomen hebben een belangrijk ecologische functie voor bodemleven, insecten en vogels. Het beoogde groen in combinatie met het te realiseren oppervlaktewater voorkomt ook hittestress en een gewortelde ondergrond zorgt voor betere infiltratiemogelijkheid en opname van hemelwater. Gezien het voorgaande is de voorliggende ontwikkeling voor dit moment voldoende in lijn met de duurzaamheidsambities van de provincie, regio en gemeente West Betuwe. Gesteld kan worden dat er voldoende rekening is gehouden met de aspecten duurzaamheid en klimaatverandering.

41

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.4 Plansystematiek In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De planregels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5.4.1 Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

42

Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. 5.4.2 Bestemmingsregels De bestemmingsregels van het plangebied worden grotendeels overgenomen van het geldende betstemmingsplan 'Molenblok Varik 2014'. Tevens wordt het bestemmingsplan 'Dijkversterking Tiel Waardenburg' gehanteerd. Agrarisch Voor het oostelijke deel van het plangebied wordt de bestemming 'Agrarisch' opgenomen. De regels voor deze bestemming zijn overgenomen van het geldende bestemmingsplan 'Molenblok Varik 2014'. Tevens is er voor de locatie een wijzigingsgebied overgenomen. Hiermee wordt het in de toekomst mogelijk gemaakt de gronden te wijzigen naar een groenbestemming waarin recreatief gebruik zoals een speelgelegenheid mogelijk gemaakt kan worden. Groen Deze bestemming is bestemd voor het structurele groen en bijbehorende voorzieningen, zoals speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, waterberging, inritten, voet- en fietspaden etc. Binnen de bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, zoals speeltoestellen, prullenbakken, wegwijzers, banken e.d.

De bestemming ‘groen’ is specifiek bestemd voor de gronden die per se groen moeten blijven en waarvan de locatie en de omvang niet ter discussie staan. Het groen dat onderdeel is van de straatindeling valt onder de bestemming ‘verkeer’. Verkeer De gronden met een verkeersfunctie, zoals wegen en parkeerplaatsen, zijn bestemd als ‘verkeer’. Daarnaast valt ook het zogenaamde ‘snippergroen’ langs de wegen en parkeerplaatsen onder deze bestemming. Het realiseren van een wadi is binnen deze bestemming ook mogelijk. Binnen de bestemming zijn uitsluitend kleine gebouwen van openbaar nut en bouwwerken, geen bouwen zijnde, toegestaan, zoals wegverlichting. Wonen Op de locatie van de woningen zal de bestemming 'wonen' worden opgenomen. Deze regeling is één op één overgenomen uit het geldende bestemmingsplan 'Molenblok Varik 2014'. Waarde - Archeologie 2 Voor het westelijke deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. De regeling is overgenomen vanuit het geldende bestemmingsplan 'Molenblok Varik 2014'. Hiervoor geldt dat bij werkzaamheden groter dan 250 m² en dieper dan 50 cm archeologisch onderzoek dient plaats te vinden. Waarde - Archeologie 4 Voor een heel klein deel in het noorden van het plangebied wordt de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 4' opgenomen.

Hiervoor geldt dat bij ontwikkelingen groter dan 10.000 m² archeologisch onderzoek dient plaats te vinden. Waarde - Archeologisch waardevol gebied Het oostelijke deel van het plangebied bevat de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch Waardevol gebied'. Deze gronden zijn bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. Hier mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Waterstaat - Waterkering Het oostelijke deel van de gronden van het plangebied zal de bestemming 'Waterstaat - Waterkering overnemen van het bestemmingsplan 'Dijkversterking Tiel - Waardenburg'.

43

5.4.3 Algemene regels In de algemene regels zijn de regels opgenomen welke voortvloeien uit het vanuit het geldende bestemmingsplan 'Molenblok Varik 2014'. 5.4.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik. Slotregel Als laatste wordt de slotregeling opgenomen. Deze regeling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsregeling.

44

6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Onderhavige ontwikkeling wordt uitgevoerd door de gemeente West Betuwe. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de gemeente. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met relevante instanties. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de gemeenteraad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. 6.2.2 Vooroverleg In deze paragraaf of in een separate bijlage worden te zijner tijd de resultaten van het wettelijk vooroverleg opgenomen.

6.2.3 Zienswijzen In deze paragraaf of in een separate bijlage worden te zijner tijd de eventuele zienswijzen op het ontwerp bestemmingsplan samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien.

45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/592/documents/13671