CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2023-087-Bijlage-NL-IMRO-1960-VARBPMolenblok-ONT1.pdf

Gemeenteraad 24 oktober 2023, gemeente West BetuweBij agendapunt: 11: Vaststellen bestemmingsplan Molenblok, deelgebied 4 Varik (portefeuillehouder Jacoline Hartman)16.678 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Molenblok deelgebied 4, Varik Gemeente West Betuwe

Planstatus:

ontwerp

Plan identificatie:

NL.IMRO.1960.VARBPMolenblok-ONT1

Datum:

2023-05-17

Contactpersoon Buro SRO:

J.J. van Nuland | F.M. Polderman

Kenmerk Buro SRO:

SR210161

Opdrachtgever:

Gemeente West Betuwe

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 8

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 9 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 9 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 12 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 14 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 16 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 17

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 19 4.1 Herijking milieu- en omgevingsaspecten........................................................................................................... 19 4.2 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 19 4.3 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 20 4.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 21 4.5 Geluid ................................................................................................................................................................ 22 4.6 Bodem ............................................................................................................................................................... 23 4.7 Externe veiligheid ..............................................................................................................................................

24 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 27 4.9 Archeologie ....................................................................................................................................................... 28 4.10 Cultuurhistorie ................................................................................................................................................ 32 4.11 Waterhuishouding........................................................................................................................................... 34 4.12 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 38 4.13 Duurzaamheid en klimaatverandering ............................................................................................................ 40

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 42 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 42 5.2 Toelichting ......................................................................................................................................................... 42 5.3 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 42 5.4 Plansystematiek ................................................................................................................................................ 42

6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 45 6.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 45 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 45

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De gemeente West Betuwe is voornemens om nieuwbouw van woningen te realiseren te noorden van de plaats Varik. Met de realisatie van 31 woningen is er in het verleden reeds een start gemaakt met het plan Molenblok (deelgebied 1). De ontwikkeling wordt vervolgd met deelgebieden 2, 3 en 4. Het vervolg van het plan Molenblok ziet toe op de ontwikkeling van nog eens 25 woningen, waarvan de meeste in deelgebied 2 en 3. Onderliggend bestemmingsplan heeft betrekking op deelgebied 4, waar in totaal zes woningen gerealiseerd zullen worden. Het voorgenomen plan is in strijd met het geldende bestemmingsplan 'Molenblok Varik 2014'. Het plangebied beschikt in het geldende bestemmingsplan nog over een agrarische bestemming. Voor de gronden van deelgebied 2 en 3 geldt de Gebiedsaanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 1', welke het realiseren van maximaal 17 woningen mogelijk maakt. Voor deelgebied 4 is echter geen wijzigingsbevoegdheid voor woningbouw opgenomen. Derhalve wordt er met voorliggend bestemmingsplan hier invulling aan gegeven door het mogelijk maken van de zes beoogde woningen.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen direct ten noorden van de plaats Varik. De planlocatie is kadastraal bekend als de gemeente Varik, sectie E, en deels perceelnummer 1169. De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.

Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)

5

Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Molenblok Varik 2014', zoals vastgesteld door de gemeente Neerijnen op 19 december 2014. Op 1 december 2020 is het bestemmingsplan 'Dijkversterkingen Tiel- Waardenburg' vastgesteld. In dit bestemmingsplan zijn de nieuwe grenzen van de dijk en daarbij horende beschermingszones opgenomen. Tevens geldt het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019', welke is vastgesteld op 30 juni 2020.

6

De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan, plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Een noordelijke deel van het plangebied heeft de enkelbestemming 'Agrarisch'. Het bouwen van woningen is hier niet toegestaan. Een strook in het zuidwesten van het plangebied is bestemd als 'Water'. Deze gronden zijn mede bestemd voor waterstaatkundige doeleinden ten behoeve van waterbeheersing en waterberging en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Omdat het plangebied grenst aan de Waalbandijk zijn in het plangebied meerdere gebiedsaanduidingen van toepassing die de dijk beschermen. Voor een groot deel van het plangebied geldt de Gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone dijk 1' of vrijwaringszone- Dijk 2'. Bouwen op gronden met de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone dijk 1' wordt met deze aanduiding beperkt. Met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan 'Dijkversterking Tiel - Waardenburg' zijn de grenzen van de aanduidingen verschoven. De meest recente aanduidingen zijn in de verbeelding van dit bestemmingsplan overgenomen. Voor het noordoostelijke deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische Waardevol gebied'. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van archeologische waarden. Hier mag uitsluitend gebouwd worden voor zover bij de bouw hiervan geen grondwerkzaamheden niet dieper reiken dan 30 cm beneden het bestaande maaiveld.

De rest van het plangebied beschikt over de 'Waarde - Archeologie 2'. Archeologisch onderzoek dient plaats te vinden bij werkzaamheden die dieper reiken dan 50 cm onder het maaiveld en een oppervlakte hebben groter dan 250 m². Ten slotte geldt voor de gronden van het plangebied de Gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'. Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' gelden nadere regels voor het beschermen van de functie van de in dit gebied voorkomende molen als werktuig en van de waarde als landschapsbepalend element.

7

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het plan beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 komen de verschillende relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische aspecten. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan.

8

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen ten noorden van de plaats Varik, een dorp met ca. 920 inwoners. De kern is gelegen aan de Waal en is onderdeel van de gemeente West Betuwe. De gemeente West Betuwe is in 2019 ontstaan uit de fusie van de voormalige gemeenten Neerijnen, Geldermalsen en Lingewaal. Het plangebied is direct gelegen aan de Waalbandijk. Door de hoge ligging van de dijk is het gehele plangebied te overzien. Momenteel heeft het terrein een landbouwfunctie en wordt het gebruikt als akker. Het gehele terrein is momenteel onbebouwd. Het plangebied maakt onderdeel uit van de ontwikkeling van Molenblok. Molenblok betreft de ontwikkeling van een nieuwe woonbuurt te noorden van Varik waarmee in totaal 56 woningen worden gerealiseerd. Het eerste deelgebied is reeds gerealiseerd en bestaat uit 31 woningen. Bij de ontwikkeling van dit deelgebied is ook een nieuwe ontsluitingsweg gerealiseerd waarmee het plangebied wordt ontsloten. De realisatie van woningen in deelgebied 4 is een voorzetting van de plannen. De navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied en omgeving.

Impressie plangebied huidige situatie (bron: Blom Ecologie, augustus 2021)

2.2 Toekomstige situatie Met de beoogde ontwikkeling wordt de realisatie van zes extra woningen in deelgebied 4 van Molenblok mogelijk gemaakt. Het plangebied is onderdeel van het vigerende bestemmingsplan 'Molenblok Varik 2014'. Met dit bestemmingsplan is het plangebied aangewezen als toekomstige woonbuurt. Bij de ontwikkeling van Molenblok is uitgegaan van een gefaseerde aanpak. Het zuidelijke deel van het plan Molenblok is reeds gerealiseerd (31 woningen). Dit bestemmingsplan ziet toe op de realisatie van deelgebied 4 van plan Molenblok. In deze deelgebieden komen uiteindelijk zes vrijstaande woningen te staan.

9

Navolgende afbeelding toont een situatietekening van de verschillende deelgebieden.

Situatietekening toekomstige situatie

Stedenbouwkundige toelichting Het stedenbouwkundig plan bouwt voort op de bestaande ontwikkeling van Molenblok. De woonstraat Buitenhof loopt vanaf de Kerkstraat het plangebied in en maakt het begin van een ‘lus’ die al in het oorspronkelijk ontwerp was voorzien. In het huidige ontwerp wordt deze lus ook daadwerkelijk aangelegd. Richting de molen wordt een nieuwe ‘informele’ woonstraat aangelegd, een zogenaamd ’karrespoor. Dit karrespoor is aan weerszijden voorzien van een walletje, waarmee de oorspronkelijke buitengracht van Huis Varik wordt gesymboliseerd. Het terrein van Huis Varik valt buiten het plangebied. Ook het Veerhuis en de Waalbandijk vallen buiten het plangebied. Met deze structuur ontstaan drie deelgebieden waarbinnen de woningen worden gerealiseerd. Deelgebied 2: woningen onder aan de Waalbandijk Tussen de Buitenhof en de Waalbandijk worden woningen gesitueerd aan de Buitenhof. Langs de straat worden diverse woningen gebouwd, te beginnen met een kort rijtje, dat een bijzonder volume vormt, met een ‘kop’ aan de Kerkstraat.

10

Verderop langs de straat liggen seniorenwoningen, twee-onder-een kap woningen en vrijstaande woningen. De laatste woning in het rijtjes is een bijzonder volume, verwijzend naar de zogenaamde ‘spiekers’ in de Betuwe. De bebouwing wordt na de rijwoningen onderbroken door een parkeerkoffer. Verder vindt parkeren plaats aan de straat en op eigen terrein. De straat wordt aan deze zijde voorzien van groenstroken, bomen en waterberging. In hoogte loopt het terrein vanaf de Kerkstraat naar beneden. In de straat gebeurt dit geleidelijk, terwijl dit bij de woningen gebeurt door enkele terrassen aan te leggen. Deelgebied 3: Buitenhof-oost Achter de woningen Buitenhof 24-42 richten de nieuwe woningen zich naar een brede watergang. Het gaat om twee-onder-een kap woningen en vrijstaande woningen. De achtertuinen grenzen aan de achtertuinen van de bestaande woningen. Het parkeren vindt plaats aan de straat en op eigen terrein. Deelgebied 4: vrije kavels nabij de molen Deelgebied 4 bestaat uit 6 vrije kavels en kan worden getypeerd als een ‘tuinen-domein’: gebruikstuin, fruittuin, natuurtuin of moestuin. Open van karakter met nadruk op tuin, zonder veel verhardingen en afscheidingen. De vrije, niet starre indelingen van de percelen zijn open van karakter, gescheiden door lage hagen of struiken met relatief lage beplanting en bomen van de derde grootte.

Het ontwerp van de buitenruimte is belangrijk en de erfafscheidingen vervullen een prominente rol. Binnen het erf maken de tuinen visueel verbinding met elkaar en vormen zo een geheel. De toegangsweg is de enige hoofdstructuur, en deze wordt vormgegeven als een landelijk ‘karrespoor’. De basisgedachte is om in de gehele buurt een Betuwse identiteit te doen ontstaan. De drie delen kunnen in de uitwerking iets van elkaar verschillen, waarbij er wel een onderlinge samenhang blijft. Om aan te sluiten bij het beoogde Betuwse stedenbouwkundige beeld is het van belang om heldere spelregels te definiëren. Dat gebeurt in de vorm van een Beeldkwaliteitsplan, waarin zowel stedenbouwkundige als architectonische criteria zijn opgenomen voor de uitwerking van het plan (zie bijlage). Onderstaande afbeelding toont een verdere uitwerking van Molenblok deelgebied 4.

Situatietekening toekomstige situatie (Bron: Wissing, d.d. 1 mei 2023)

11

3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit en het realiseren van woningen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016, 1 januari 2017 en 1 december 2020 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling heeft geen raakvlak met het Barro. De belangen van het Barro zijn niet specifiek van toepassing, waarmee het geen belemmering vormt voor voorliggende planontwikkeling. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

12

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Dit bestemmingsplan ziet toe op de realisatie van zes vrijstaande woningen. Daarnaast wil de gemeente door middel van een wijzigingsplan voor deelgebied 2 en 3 nog eens 17 extra woningen mogelijk maken. Dit maakt het totaal juridisch-planologisch toe te voegen woningen op 23. Derhalve zal de ontwikkeling getoetst moeten worden aan de Ladder. De locatie ligt, gezien de huidige bestemming binnen het bestaand stedelijk gebied. Gezien de ligging nabij de dorpskern van Varik is een transformatie van het perceel tot woonbestemming een gewenste ontwikkeling. Behoefte Binnen de provincie Gelderland is er een tekort aan alle type woningen: goedkope koopwoningen, dure huurwoningen, appartementen en starterswoningen, rijtjeshuizen met tuin en woningen zonder tuin.

Omdat er een tekort is aan woningen heeft de provincie in maart 2020 het 'Actieplan Wonen 2020-2025, sneller, betaalbaar, flexibel' opgesteld. Met het Actieplan wil de provincie inzetten op de versnelde bouw van woningen. In totaal moet het ertoe leiden dat er in vijf jaar 45.000 woningen worden gerealiseerd. In de regionale Woonagenda Rivierenland wordt de regionale behoefte naar woningen besproken. Hier komt naar voren dat er in de afgelopen jaren niet genoeg woningen zijn afgeleverd en dat er sprake is van een woningtekort. Voor de regio betreft het totale woningbouwprogramma tussen de 7.900 en 12.550 woningen. Voor de gemeente West Betuwe zijn dit tussen de 1.150 en 2.200 woningen. Met de beoogde ontwikkeling van Molenblok (inclusief deelgebied 2 en 3) worden 25 woningen gerealiseerd, waarvan er voor 23 nog een juridisch-planologische titel moet komen. In het gemeentelijke woningbouwprogramma zijn er voor Molenblok 25 woningen opgenomen. De plannen zijn ook regionaal afgestemd. Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen het provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskader en voldoet aan het afwegingskader van de in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen 'ladder voor duurzame verstedelijking' en de ‘Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik'.

13

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De Omgevingsvisie Gaaf Nederland is vastgesteld op 19 december 2018. In de Omgevingsvisie staat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. De provincie Gelderland legt bij de uitoefening van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities – op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economisch vestigingsklimaat en op het woon- en leefklimaat – wordt daaraan richting gegeven. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland bevat thematische visieschetsen. De schetsen zijn een grove schets van in het oog springende bestaande en nieuwe initiatieven, kansen, mogelijkheden en ontwikkelingen. De ambities die hieruit volgen zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer. Circulaire economie: sluiten van kringlopen. Biodiversiteit: werken met de natuur. Bereikbaarheid: duurzaam verbonden. Vestigingsklimaat: Een krachtige, duurzame topregio! Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam.

Planspecifiek In de omgevingsvisie zet de provincie hoog in op duurzaamheid en de energietransitie. Met de beoogde ontwikkeling worden zes extra woningen gerealiseerd. Voor het type woningen van Molenblok is gekozen voor woningtypes van verschillende woonmilieus. Hierdoor zal er sprake zijn van een divers woonklimaat. Het eerste deel van Molenblok, dat reeds gerealiseerd is, bestaat voornamelijk uit rijwoningen. Met de ontwikkeling van deelgebied 4 worden zes vrijstaande woningen met ruime verkaveling gerealiseerd. De nieuwe woningen zullen gasloos worden gerealiseerd. In deelgebied 2 en 3 wordt een divers woonmilieu gerealiseerd bestaande uit 5 rijwoningen, 4 vrijstaande woningen en 10 twee-onder-één-kapwoningen. Uiteindelijk dient de buurt diverse woningtypen te bevatten met voor- en achtertuin waardoor het een groen karakter verkrijgen zal. Hiermee zal het aansluiten met de ambities van de provincie Gelderland. Het kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de omgevingsvisie Gaaf Gelderland. 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland Met een omgevingsverordening stelt de provincie regels aan bestemmingsplannen van gemeenten. De provincie Gelderland heeft op 24 september 2014 de Omgevingsverordening vastgesteld, die vervolgens op 18 oktober 2014 in werking is getreden. Deze Omgevingsverordening is partieel gewijzigd.

Voor de beoordeling van het onderhavige bestemmingsplan is getoetst aan de geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland januari 2023. De provincie beschikt over een palet van instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De Omgevingsverordening is er een van. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. De verwachting is dat de omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.

14

Planspecifiek Aan de hand van de bij de Omgevingsverordening behorende kaart zijn de voor de planontwikkeling relevante bepalingen geïdentificeerd. Het plangebied is verbonden met de navolgende bepalingen:

• • •

Artikel 2.17 (eenmalige uitbreiding bestaand glastuinbouwbedrijf) Artikel 2.64 (bescherming windvang molen) Artikel 2.65b (klimaatadapatie)

Een groot deel van deze provinciale regels is niet van toepassing op de voorgenomen planontwikkeling. In de Verordening zijn regels opgenomen over het planologisch toevoegen van woning (afdeling 2.1). In dit thema wordt bepaald dat nieuwe woningen alleen mogelijk wordt gemaakt als die ontwikkeling past binnen een door de Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. De ontwikkeling is passend binnen de Regionale Woonagenda Rivierenland. Dit wordt nader toegelicht in toelichting paragraaf 3.3.1. Het gebied rondom de molen dient te worden vrijgehouden van obstakels ten behoeve van een goede windvang. Om een monumentale molen met een vrije windvang te laten functioneren, geldt dat binnen een straal van 400 meter gerekend vanaf het middelpunt van de molen, hoogtebeperkingen moeten worden gesteld aan het oprichten van bebouwing en beplanting. Het gehele plangebied is gelegen binnen 400 meter van de molen. De beoogde bebouwing zal op de windvang van de molen geen (negatieve) invloed uitoefenen. In toelichting paragraaf 4.10 is de molenbiotoop nader besproken. Risico's van klimaatverandering In artikel 2.65b van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. b. c. d.

waterveiligheid; wateroverlast; droogte; en hitte.

Onderstaand wordt per aspect ingegaan op de vier bovengenoemde risico's. In toelichting paragraaf 4.13 wordt hier tevens nader op ingegaan. Waterveiligheid De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. Uit het raadplegen van de klimaateffectatlas blijkt dat voor het plangebied een kleine tot een zeer kleine kans op overstromingen van tussen de 1/300 per jaar en 1/30.000 per jaar geldt. Het thema overstromingen is gelet op de aard en omvang van het initiatief verder niet van belang. Wateroverlast De planlocatie is gelegen ten noorden van Varik waar voldoende infiltratiemogelijkheden zijn. Rond en in het plangebied zijn verschillende watergangen aanwezig. Met de beoogde ontwikkeling worden daarnaast wadi's gerealiseerd. De watergangen en de wadi's zorgen ervoor dat bij extreme neerslag water kan worden afgevoerd. Verdere maatregelen om wateroverlast door overvloedige neerslag tegen te gaan worden op deze locatie niet nodig geacht. Droogte Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft.

Langdurige droogte kan leiden tot bijvoorbeeld schade aan funderingen, verdroging van groen, een slechte oppervlaktewaterkwaliteit, versnelde bodemdaling en hittestress. Om droogte te voorkomen kunnen onder andere eisen gesteld worden aan het openbaar groen, oppervlaktewater en de gewenste grondwaterstand. Door water binnen en rondom het plangebied vast te houden wordt droogte tegengegaan. In de huidige situatie zijn er in het westen van het plangebied al

15

watergangen aanwezig. Door het plangebied verder groen in te richten en met het toevoegen van nieuwe watergangen en waterpartijen in het plangebied wordt een bijdrage geleverd in het vasthouden van water. Hitte In het stedelijk gebied speelt het thema hittestress een belangrijke rol. Het plangebied wordt groen ingericht. Het planten van nieuwe bomen zorgt voor meer groen en schaduw. Dit levert een bijdrage aan het tegengaan van hittestress. De omgevingsverordening Gelderland heeft voor de rest geen betrekking op het plangebied. Geconcludeerd kan worden dat de verordening geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Woonagenda Rivierenland De provincie Gelderland geeft in de omgevingsverordening aan dat van de regio's wordt verwacht dat zij hun beleid op het gebied van wonen afstemmen met (externe) partners in een 'Regionale Woonagenda'. Hierin zijn de belangrijkste thema's omschreven waaraan de betreffende regio gaat werken. Het is feitelijk een regionaal actieprogramma. In de regionale woonagenda zijn de volgende thema's opgenomen:

• • • • • • • •

Regionaal woningbouwprogramma; Bestaande woningvoorraad; Wonen en zorg; Doorstroming; Arbeidsmigranten; Verblijfsgerechtigden; Woonlasten en betaalbaarheid; Flexibele tijdelijke woonvormen.

Het Regionaal Woningbouwprogramma heeft direct invloed op woningbouwplannen. De Omgevingsverordening bepaalt namelijk in artikel 2.2.1.1 dat in een bestemmingsplan nieuwe woningbouwlocaties, en de daar te bouwen woningen, slechts worden toegestaan wanneer dit past in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woningbouwprogramma en de vastgestelde Kwantitatieve Opgave Wonen voor de betreffende regio. De overige thema's worden op regionaal of lokaal niveau uitgewerkt in beleid of in uitvoeringsacties. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden zes extra woningen gerealiseerd als onderdeel van de nieuwe ontwikkeling Molenblok. In de regionale woonagenda wordt aangegeven dat er in de provincie de afgelopen periode niet genoeg nieuwe woningen zijn afgeleverd en dat er sprake is van een woningtekort. In het Actieplan Wonen 2020–2025 van de provincie Gelderland wordt gepleit voor een inhaalslag in de vorm van een versnelling van de nieuwbouwproductie. In de Regionale Woonagenda wordt gesproken over een gebrek aan doorstroming in de kleinere kernen. In veel van de kleinere kernen in de regio zijn de effecten van de vergrijzing en ontgroening steeds zichtbaarder. De leefbaarheid komt steeds meer onder druk te staan, onder andere doordat het draagvlak voor voorzieningen dreigt weg te vallen.

Het vasthouden en aantrekken van jonge gezinnen kan hier tegenwicht aan bieden. Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling is met de Regionale Woonagenda Rivierenland.

16

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie West Betuwe Op 22 februari 2022 is door de raad van de gemeente West Betuwe de Omgevingsvisie West Betuwe vastgesteld. De omgevingsvisie is een beleidsinstrument voor de gemeente, voortkomend uit de Omgevingswet. Met deze omgevingsvisie wil de gemeente vooruit blikken naar het West Betuwe van 2040. Hiermee worden de visies van de gemeenten Geldermalsen, Neerijnen en Lingewaal samengevoegd en doorgetrokken tot 2040. In de omgevingsvisie heeft de gemeente de huidige kwaliteiten van de fysieke leefomgeving beschreven. Daarnaast heeft de gemeente de verschillende ontwikkelingen met impact op de fysieke leefomgeving in beeld gebracht en in samenhang bekeken. In de omgevingsvisie beschrijft de gemeente zeven strategische opgaven en ambities voor de fysieke leefomgeving van West Betuwe. Dit zijn de volgende thema's:

• • • • • • •

Gezonde en leefbare leefomgeving; Wonen en voorzieningen; Mobiliteit en bereikbaarheid; Economie en ondernemerschap; Landbouw; Energie en klimaat; Natuur, cultuur en recreatie.

Voor de komende decennia is de gemeente West Betuwe voornemens om de woningvoorraad te vergroten. Hierbij is het van belang dat de ontwikkeling in alle kernen van West Betuwe evenwichtig verloopt en past bij de schaal van de desbetreffende kern. Nieuwe plannen moeten bij voorkeur bijdragen aan de diversiteit van de woningvoorraad. Planspecifiek In de omgevingsvisie geeft de gemeente aan dat de woningvoorraad tot 2030 met ten minste 2.200 woningen dient te worden vergroot. De beoogde ontwikkeling ziet toe op het toevoegen van zes woningen in Varik. Dit is onderdeel van de grotere ontwikkeling van Molenblok waarbij in totaal 25 woningen worden gerealiseerd. De ontwikkeling van Molenblok draagt bij aan het vergroten van de woningvoorraad maar ook aan de diversiteit hiervan. Op de gebiedsvisie kaart wordt het plangebied aangegeven als ‘(kleinschalige) woningbouw in de kern’. Het realiseren van de zes woningen wordt hier als passend gezien. De realisatie van de vrijstaande woningen is passend binnen het dorpse karakter van Varik. De beoogde woningen zullen voldoen aan het meest recente duurzaamheidsbeleid en worden gasloos en (bijna) energieneutraal opgeleverd. Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie West Betuwe.

3.4.2 Woonvisie West Betuwe Op 15 december 2020 heeft de gemeenteraad van West Betuwe de Woonvisie 'Wonen naar behoefte' vastgesteld. In de woonvisie geeft de gemeente aan hoe zij de komende jaren een toekomstbestendige woningmarkt willen bewerkstelligen, waarin ruimte is voor alle doelgroepen, zodat Wet Betuwe een leefbare, maar ook groene gemeente is en blijft. De gemeente wil een woningaanbod die aansluit op de behoefte van de bewoners van de 26 kernen. Dorpen waar jong en oud naar tevredenheid wonen. Hiervoor heeft de gemeente vier leidende principes opgesteld: 1. 2. 3.

het beschermen van de unieke landschappelijke kwaliteiten en het dorpse karakter van West Betuwe en haar 26 kernen; voor elke inwoner is een passende woning haalbaar en betaalbaar; Ieder kan gezond en veilig wonen;

17

4.

woningbouw is mogelijk in elke kern, passend bij de aard en schaal van de kern. Extra groei krijgt de ruimte in de A2-corridor.

Tot 2040 groeit het aantal inwoners fors, van ruim 51.000 nu naar ca.58.000 volgens het trendscenario (bron: Rigo 2020) tot 60.000 in het versnellingsscenario, waarin het effect van het versneld afronden van de nieuwbouwwijk De Plantage is meegerekend. De druk op de koopwoningmarkt is vrij hoog, kopers overbieden op de aangeboden woningen en naar verwachting zal deze druk, afhankelijk van de kern, nog meer toenemen. In West Betuwe is er sprake van een sterke vergrijzing, na verwachting zal de vergrijzing tot 2040 nog fors toenemen. In de Woonvisie is een verdeling opgenomen in prijsklassen bij het realiseren van nieuwbouwplannen. De verdeling van de woningbouw dient 30% goedkoop, 40% midden-duur en 30% duur te zijn. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling vindt er een functiewijziging plaats die de bouw van zes extra woningen mogelijk maakt. De ontwikkeling maakt deel uit van de grotere ontwikkeling van Molenblok. Het plan Molenblok bevat 56 woningen bestaande uit een mix van rijwoningen, 2-onder-1-kap-woningen (waarvan 4 seniorenwoningen) en vrijstaande woningen. Nadat in deelgebied 1 de nadruk lag op het realiseren van goedkopere rijwoningen, ligt in deelgebieden 2, 3 en 4 het accent meer op woningen in de midden dure en duurdere segment. De indeling van de prijsklassen volgt niet precies de verdeling van de woonvisie. Het plan Molenblok dateert van voor de Woonvisie.

Voor reeds bestaande plannen geldt een uitzondering als het gaat om de verdeling van prijsklassen. In het Molenblok zal met inbegrip van deelgebied 1 sprake zijn van een verdeling van ca. 18% goedkoop, 59% midden en 23% duur. Er is in het plangebied geen sprake van een uniek landschap. Wel is het plangebied gelegen binnen de molenbiotoop van stellingmolen De Bol. Dit is in toelichting paragraaf 4.10 nader toegelicht. Tevens ligt het plangebied in de invloedsfeer van het oude kasteel Huis Varik. Het kasteelterrein alsmede de oude grachtenstructuur blijft gevrijwaard van bebouwing. Wel komt de ontsluiting van deelgebied 4 op de oude buitengracht te liggen. Dit is in toelichting paragraaf 4.9 nader toegelicht. De woningen zullen passend zijn bij de kern Varik. In de gemeente is de druk op de koopwoningmarkt vrij hoog. De realisatie van Molenblok speelt in op de vraag naar koopwoningen binnen de gemeente. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de woonvisie van de gemeente West Betuwe.

18

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Herijking milieu- en omgevingsaspecten Onderhavig plan betreft een functiewijziging waarbij de specifieke bouwaanduiding ter plaatse nieuwe bebouwing uitsluit. Het vigerende bestemmingsplan uit 2014 is gemaakt voor de ontwikkeling van de locatie Molenblok. Toentertijd was dit bestemmingsplan verscheidene milieuaspecten getoetst met wanneer nodig de bijbehorende onderzoeken. Omdat het enkele jaren geleden is dat deze onderzoeken hebben plaatsgevonden is een herijking van de milieu- en omgevingsaspecten benodigd. Met onderhavig bestemmingsplan wordt de ontwikkeling waar nodig opnieuw getoetst aan de milieu- en omgevingsaspecten.

4.2 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.

19

Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 6 extra woningen. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 4. Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Dit besluit wordt opgenomen als bijlage bij de aanvraag omgevingsvergunning. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan. Op basis van deze plantoelichting welke gezien kan worden als aanmeldingsnotitie kan geconcludeerd worden dat een m.e.r.-beoordeling niet vereist is. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

4.3 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.

20

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven), zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek De omgeving van het plangebied heeft een overwegend een woon- en agrarische functie. Ten zuiden van het plangebied zijn voornamelijk woningen aanwezig. Ten westen en noordwesten van het plangebied zijn enkele bedrijven aanwezig. Ten noorden van het plangebied bevinden zich agrarische activiteiten in de vorm van sierteelt en akkerbouw. Het Veerhuis Ten zuidoosten van het plangebied, gelegen aan de Waalbandijk, staat het Veerhuis Varik. In het Veerhuis is er de mogelijkheid om op het terras iets te drinken of om een vergaderzaal te huren. Daarbij heeft het Veerhuis ook een bed & breakfast. Voor deze bedrijfsactiviteiten geldt een milieucategorie van 1 met een richtafstand van 10 meter. De afstand van het plangebied tot aan het Veerhuis bedraagt ca. 150 meter. Derhalve vormt het Veerhuis geen belemmering voor de ontwikkeling. Achterstraat 24a en 26 Aan de Achterstraat 24a en 26 zijn agrarische bedrijven actief. Deze bedrijven bevinden zich op een afstand van meer dan 150 meter van het plangebied. Gezien het type bedrijfsactiviteiten en de afstand tot het plangebied worden deze bedrijven niet als een belemmering gezien. Brandweer Varik Ten oosten van het plangebied, gelegen aan Achterstraat 1b, staat de brandweerkazerne van de brandweer van Varik. Voor een brandweer geldt een milieucategorie van 3.1 en een richtafstand van 50 meter. Het plangebied bevindt zich op ca.

250 meter van brandweerkazerne. Deze wordt dan ook niet als belemmering gezien. Conclusie Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Milieubelastende activiteiten worden niet belemmerd in hun mogelijkheden. Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.

21

Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt zes extra woningen mogelijk. Het project is daarmee aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied.

De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM 10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 15,8 μg/m³, 9,0 μg/m³ en 13,4 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Daarnaast zullen auto's in de toekomst 'schoner' worden en minder stikstofdioxide en fijnstof uitstoten, waardoor de luchtkwaliteit zal verbeteren. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen;

•

andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.

geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt de bouw van woningen mogelijk gemaakt. Een woning is een geluidgevoelig object zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De ontwikkeling ligt binnen de bebouwde kom van Varik grenzend aan de Waalbandijk, binnen de geluidzone van de weg en de Achterstraat op 236 meter van de wegas van het gedeelte buiten de bebouwde kom. De overige wegen in de omgeving (waaronder de Kerkstraat) betreffen 30 km wegen zonder geluidzone. Derhalve is er voor de locatie een

22

akoestisch onderzoek uitgevoerd (Adviesburo van der Boom, d.d. 21 oktober 2021, bijlagen bij toelichting, bijlage 1). De geluidbelasting door de Waalbandijk en de Achterstraat ligt in dit hele plangebied beneden de voorkeursgrenswaarde van 48 dB na aftrek van 5 dB. De geluidbelasting door alle wegen samen ligt in dit hele gebied beneden de 53 dB. Er hoeft voor de woningen geen hogere waarde te worden aangevraagd voor de geluidbelasting door wegverkeer. Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh en het Bouwbesluit. Aan het toetsingskader van de Wgh wordt zonder aanvullende voorwaarden maatregelen voldaan. Er zal voor het aspect geluid sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woningen tevens wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. Bij het bepalen van de benodigde geluidwering mag geen aftrek plaatsvinden ex. artikel 110-g Wgh. De geluidbelasting ligt in het hele plangebied beneden de 53 dB zonder aftrek. De benodigde karakteristieke geluidwering voor de gevels van de woningen GA;k bedraagt dan 20 dB. Er zijn voor de gevels van de woningen geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig.

4.6 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek In juli 2014 is er reeds een bodemonderzoek voor het plangebied uitgevoerd. Echter was dit onderzoek enkel voor deelgebied 1 van Molenblok (Grontmij, d.d. 14 juli 2014, zie bijlagen bij toelichting, bijlage2). De andere delen van het Molenblok zijn nog niet onderzocht. Daarom is er voor de locatie een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd (Stantec, d.d. 21 september 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 3).

Het doel van dit onderzoek is inzicht verkrijgen in hoeverre het voormalige, dan wel het huidige gebruik van de onderhavige locatie en haar omgeving heeft geleid tot verontreiniging van de bodem. Indien de resultaten daartoe aanleiding geven wordt advies gegeven over eventueel vervolgonderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten blijkt dat de bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat tot een diepte van circa 3,0 mmv globaal uit klei. Enkel ter plaatse van boring 1 is een zandlaag aangetroffen. Aan het maaiveld of in de grond is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In het opgeboorde materiaal is wel bodemvreemde bijmenging met baksteen aangetroffen. In de kleiige en plaatselijk zandige bovengrond zijn licht verhoogde gehalten zware metalen, PAK, PCB, minerale olie en OCB’s gemeten. De kleiige en plaatselijk zandige ondergrond is vanwege de toekomstige werkzaamheden en de verdachtheid van de bovenste (wel onderzochte) laag niet geanalyseerd. Omdat de ondergrond eenzelfde bodemsamenstelling heeft wordt hier eenzelfde of betere bodemkwaliteit verwacht. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium en molybdeen gemeten. Door de aard en concentraties van de in de grond aanwezige stoffen kent bij eventuele graafwerkzaamheden vrijkomende grond mogelijk een beperkt hergebruik.

Conclusie en aanbevelingen Hoewel er in de bodem verontreiniging is aangetroffen voldoet de toplaag aan de eisen van bodemkwaliteitsklasse Achtergrondwaarde. Derhalve wordt vervolgonderzoek voor de locatie verder niet

23

nodig geacht. In het kader van het aspect bodem is de beoogde ontwikkeling uitvoerbaar. Het verdient altijd aanbeveling om tijdens grondwerkzaamheden alert te zijn op een eventuele onvoorziene verontreiniging van de bodem. Indien vrijkomende grond elders wordt hergebruikt kunnen partijkeuringen conform het Besluit bodemkwaliteit noodzakelijk zijn om de uiteindelijke hergebruiksmogelijkheden van de grond vast te stellen.

4.7 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde.

Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/592/documents/13671