RV2023-083-Bijlage-4-Toelichting-Waardenburg-versie-1-mei-2023.pdf
Tekst van het document
5.3
Natuur
Vanuit de huidige natuurwetgeving is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de in het projectgebied mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden. Het plan dient aan de Wet Natuurbescherming getoetst te worden. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden en van diersoorten en plantensoorten. Deze natuurwetgeving kan mogelijk beperkingen opleggen aan de voorgenomen sloop- en nieuwbouwactiviteiten. De Wet natuurbescherming heeft als doel de volgende gebieden te beschermen: • Het Natuurnetwerk Nederland; • Bijzondere provinciale natuurgebied; • Bijzondere provinciale landschappen; • Nationale parken; • Bijzondere nationale natuurgebieden; • Natura 2000-gebieden. Voorts gelden er ingevolge de Wet Natuurbescherming algemene verboden tot het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor activiteiten die een bedreiging kunnen vormen voor deze beschermde soorten, moet ontheffing worden gevraagd. Vooral wanneer er soorten voorkomen uit de zogenaamde 36
‘strenge’ categorie (Bijlage 4 van de Habitatrichtlijn en de bedreigde soorten van de diverse Rode Lijsten), kan dit een belemmering vormen voor het plan. Dit is het geval wanneer een plan significant nadelige effecten kan hebben voor deze soorten. 5.3.1
Natuurtoets
Voor wat betreft beschermde soorten het volgende. Voor de projectlocaties zijn door Blom Ecologie meerdere quickscans uitgevoerd. Deze scans hebben overigens betrekking op meer locaties dan alleen het projectgebied. Hieronder volgt een overzicht: Locatie Koningin Wilhelminalaan Voor deze locatie is een quickscan uitgevoerd (Quickscan flora en fauna renovatieprojecten De Goede Woning – Neerijnen Locaties: Waardenburg (107), Tuil (201) & Haaften (309/314), d.d. 14 mei 2019 (zie bijlage III) In dit onderzoek zijn de 4 twee-onder-een-kap woningen aan de Koningin Wilhelminalaan 6 t/m 12 onderzocht. Daaruit blijkt dat er een vervolgonderzoek nodig is voor vanwege vleermuizen en huismussen. Dit aanvullend onderzoek heeft inmiddels plaatsgevonden (Huismus- en vleermuisonderzoek aan de Koningin Wilhelminalaan Waardenburg, d.d. 11 nov. 2019). Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de woningen op de planlocatie geen nestlocaties bieden voor de huismus. Ten aanzien van de huismus is er geen sprake van het overtreden van Wet natuurbescherming waardoor de voorgenomen ontwikkeling uitvoerbaar is. In de periode juni – september 2019 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in de woningen aan het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Vleermuisprotocol (NGB, 2017).
Tijdens het onderzoek is 1 paarverblijfplaats de gewone dwergvleermuis vastgesteld. De paarverblijfplaats is waargenomen in de woning aan Koningin Wilhelminalaan 16. Deze woning valt buiten de begrenzing van het plangebied. De beoogde renovatie leidt niet tot het wegnemen van deze verblijfplaats. Gezien de afstand tussen de verblijfplaats en het plangebied is tevens geen sprake van verstoring van de functionaliteit van de waargenomen verblijfplaats. De voorgenomen ontwikkeling leidt ten aanzien van vleermuizen niet tot overtreding van Wet natuurbescherming en is derhalve uitvoerbaar. Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot het vaststellen van de aan- dan wel afwezigheid van huismus en vleermuizen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op nesten en/of verblijflocaties van andere soorten op de planlocatie. Er zijn geen nesten van gebouwbewonende soorten waargenomen. Tevens zijn er geen nesten waargenomen in groenstructuren in de directe omgeving van het plangebied. Op dit moment wordt een actualisatie uitgevoerd van het reeds eerder uitgevoerde vervolgonderzoek. De uitkomsten hiervan worden later in de procedure ingevoegd.
37
Locatie Koningin Julianaplantsoen Voor deze locatie is een quickscan uitgevoerd (Quickscan flora en fauna renovatieprojecten De Goede Woning – Neerijnen Locaties: Waardenburg (103, 104, 106, 111 en 112), Blom Ecologie, d.d. 13 september 2019, zie bijlage IV). Uit de quickscan is gebleken dat de locatie aan het Koningin Julianaplantsoen 1-13 en 17-31 potentie biedt voor vleermuizen. Dat betekent dat nader onderzoek nodig is. Uit het vervolgonderzoek is gebleken dat er een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis is geconstateerd en dat ontheffing noodzakelijk is. Op 18 november 2019 is door de provincie Gelderland ontheffing verleend voor het verwijderen van de aanwezige paarverblijfplaats. Deze geldigheidstermijn van deze ontheffing verliep op 31 december 2021. Aanvullend onderzoek Inmiddels heeft Blom Ecologie een aanvullend onderzoek uitgevoerd (Aanvullend onderzoek ecologie Koningin Julianaplantsoen te Waardenburg, Aanvullend onderzoek naar huismus, gierzwaluw en vleermuizen in het kader van de Wet natuurbescherming, d.d. 23 september 2022, zie bijlage V). Uit dit onderzoek volgt dat er een ontheffing dient te worden aangevraagd vanwege de gewone dwergvleermuis. Zoals aangegeven is op 18 november 2019 ook reeds een ontheffing verleend voor een verblijfplaats vleermuizen. Daarmee is er zicht op een nieuwe ontheffing.
De uitvoerbaarheid van het plan is dus voldoende geborgd. Het is wel noodzakelijk dat het nieuwe onderzoek afgerond is en toegevoegd wordt aan de stukken voordat het plan definitief wordt. Conclusie Op basis van de uitgevoerde natuurtoets wordt vooralsnog geconcludeerd dat er uit het oogpunt van flora en fauna geen belemmeringen aanwezig zijn voor de realisatie van het plan (onder voorbehoud van de uitkomsten van het vervolgonderzoek en de (wellicht) aan te vragen ontheffing). 5.3.2
Onderzoek stikstofdepositie
Voor het beoogde plan heeft Ecofect een stikstofonderzoek uitgevoerd (Stikstofonderzoek Het Plantsoen Waardenburg, 8 maart 2023, bijlage VI). In dit onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek, en de daarbij behorende berekeningen, kan worden geconcludeerd dat in de nieuwe gebruiksfase de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jr niet wordt overschreden. Er is met de nieuwe gebruiksfase geen sprake van een significante verslechtering maar wordt een structurele afname van 0.14 mol/ha/j gerealiseerd. De aanlegfase geeft in fase 1 en in fase 2 een resultaat van respectievelijk 0,05 mol/ha/j daarom is de huidige gebruiksfase ook berekend. De huidige gebruiksfase heeft een bijdrage van 0.02 en 0.05 mol/ha/j. Dit is per saldo een afname van 0,07 mol/ha/j in de aanlegfase. Voorgesteld wordt de uitstoot in de aanlegfase intern te salderen met de huidige gebruiksfase.
38
Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek van Ecofect blijkt dat het bouwplan na saldering geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden.
5.4
Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijk stoffen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet men rekening houden met verplichte afstandsnormen tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de risicobron (inrichtingen met of vervoer van gevaarlijke stoffen) volgens onderstaande wetten: • •
Besluit externe veiligheid inrichtingen 2004 (Bevi), staatsblad 2004 nr. 250; Besluit externe veiligheid buisleidingen 2011 (Bevb), staatsblad 2010 nr. 636;
Risicovolle objecten zijn o.a.: • ondergrondse buisleidingen met transport van aardgas of andere stoffen; • transport van gevaarlijke stoffen over o.a. rijkswegen en spoorbanen; • bedrijven vallend onder de Wet Milieubeheer met grootschalige opslag van chemisch stoffen; • grootschalige opslag van chemische stoffen (PGS15); • LPG-tankstations. Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Het algemene uitgangspunt is dat niemand blootgesteld mag worden aan een kans om door een activiteit met gevaarlijke stoffen te overlijden, die groter is dan één op de miljoen (10-6). In dat geval wordt gesproken over het plaatsgebonden risico, dat wordt weergegeven in een risicocontour. Daarnaast bestaat er een zogenoemd groepsrisico: de kans dat bij één gebeurtenis een groep met ten minste een bepaalde omvang om het leven komt. Het groepsrisico wordt niet weergegeven in een contour, maar in een grafiek. Een aantal calamiteiten met gevaarlijke stoffen, zowel in binnen- als buitenland, heeft aangetoond dat een maatschappij zonder risico's niet bestaat. Het beleid op het gebied van externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's.
De beleidsmatige kernpunten zijn: • het ontstaan van nieuwe knelpunten tegengaan; • het stimuleren van de eigen verantwoordelijkheid van inrichtingen; • het saneren van bestaande knelpunten; • zorgvuldige risicocommunicatie; • hulpverlening: het bevorderen van de samenwerking en de kwaliteit van de uitvoering en het richting geven aan de organisatorische versterking. Planspecifiek In de directe omgeving van de projectlocatie aan bevinden zich de potentiële risicobronnen: • Rijksweg A2 • Spoortraject Meteren – Den Bosch 39
• •
Twee buisleidingen Inrichting met LPG
Door De Milieuadviseur is voor dit plan een verantwoording van het groepsrisico opgesteld (Beperkte verantwoording groepsrisico 2 woningbouwplannen in Waardenburg, d.d. 17 februari 2023, zie bijlage VII). Uit dit onderzoek blijkt dat er voor geen van de hierboven genoemde potentiële risicobronnen sprake is van een plaatsgebonden risico. Voor wat betreft het groepsrisico blijkt uit het document van De Milieuadviseur dat er bij geen bovengenoemde bronnen sprake zal zijn van een relevante verhoging van het groepsrisico. Tevens bevat het onderzoek van De Milieuadviseur een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico, waarbij wordt ingegaan op bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Voor de onderdelen bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid dient het bevoegd gezag deze verantwoording (wettelijk) verplicht ter advisering aan de Veiligheidsregio Gelderland Zuid, voor te leggen. Uit het onderzoek van De Milieuadviseur blijkt dat er uit het oogpunt van externe veiligheid geen belemmeringen zijn. Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat er vanuit het oogpunt van externe veiligheid geen belemmeringen aanwezig zijn voor de realisatie van het project. Het is wel noodzakelijk om dit plan ter advisering aan de Veiligheidsregio voor te leggen.
5.5
Water
5.5.1 Algemeen De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), vormt het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving in het bestemmingsplan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze paragraaf gaat daar nader op in. Via de ‘De Digitale Watertoets’ (www.dewatertoets.nl) kan een automatisch gegenereerd advies worden opgevraagd waaruit blijkt of overleg met het waterschap noodzakelijk is. Wanneer het plan uit deze toets het advies 'geen belang' krijgt, hoeft het plan niet meer aan het waterschap voorgelegd te worden. 5.5.2
Waterschap Rivierenland
Op 26 november 2021 heeft het bestuur van Waterschap Rivierenland het Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode (2022-2027) wil bereiken en hoe het waterschap dat wil 40
doen. Met het Waterbeheerprogramma wordt de lijn van het vorige waterbeheerplan doorgezet. Waterschap Rivierenland zorgt voor veilige dijken en een evenwichtig watersysteem. Deze missie is het vertrekpunt voor alle activiteiten en projecten van Waterschap Rivierenland. Deze langetermijnvisie staat in de Watervisie 2050. Deze visie hebben is in het Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 uitgewerkt met oplossingen, maatregelen en ideeën voor de korte termijn; een planperiode van zes jaar. Naast het Waterbeheersprogramma beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Gewijzigde wet- en regelgeving (voornamelijk Waterwet en Wet Milieubeheer) hebben geleid tot veranderingen in organisatie en beleid van de waterketen. Een belangrijke ontwikkeling voor de wijze van samenwerking tussen waterschap en gemeenten is het landelijke Bestuursakkoord Water 2011 (BAW). In het BAW worden de watertaken "scherper" toebedeeld aan de overheden én wordt een nieuwe impuls gegeven aan samenwerking tussen deze overheden.
In deze setting past het beter om te spreken van "een kader voor het maken van afspraken", dan van een beleidsnota. Hierom is op 19 december 2012 het afsprakenkader voor riolering 'Samen door één buis' vastgesteld. 5.5.3
Water- en rioleringsplan 2019 - 2023
Het Water- en rioleringsplan 2019 – 2023 is gebaseerd op de regionale blauwdruk en beschrijft de wijze waarop de gemeente West Betuwe invulling wil geven aan de zorgplicht voor (stedelijk) afvalwater, hemelwater en grondwater, alsmede een doelmatig en duurzaam beheer van de gemeentelijke riool- en watervoorzieningen en oppervlaktewater. Dit plan bevat de visie voor de lange termijn, alsmede de beleidskaders en de concrete activiteiten voor de aankomende planperiode (2019-2023). 5.5.4
Verordening afvoer hemel- en grondwater en Rioolaansluitverordening
De Verordening afvoer hemel- en grondwater en Rioolaansluitverordening zijn een actualisatie en harmonisatie van beleid uit de voormalige gemeenten. Verordening afvoer hemel- en grondwater Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast en overstromingen toe. Dat vraagt om maatregelen, die samen met bewoners en projectontwikkelaars genomen moeten worden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw en bestaande bouw. Zie hiervoor nader de watertoets als bedoeld in paragraaf 5.5.5. Rioolaansluitverordening Een aansluitleiding is de leiding die vanaf een (particulier) bouwwerk naar het gemeentelijk verzamelriool loopt. Deze aansluitleiding transporteert afvalwater naar het riool. Met een rioolaansluitverordening legt de gemeente het beleidskader vast voor het eigendom en beheer van aansluitleidingen op de openbare riolering, zoals onderhoud, renovatie, 41
vervanging en verstopping. De inhoud van deze rioolaansluitverordening heeft geen consequenties voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan. 5.5.5
Watertoets
Algemeen Een belangrijk instrument om water belangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterberging - Op basis van de Keur Voor plannen waarbij nieuwbouw plaatsvindt is compenserende waterberging nodig. Vanuit de keur van het waterschap Rivierenland geldt dat voor plannen met meer den 500 m2 extra verharding in stedelijk gebied en meer dan 1.500 m2 verharding in landelijk gebied is compenserende waterberging nodig. Om te voorkomen dat particulieren voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes een enkele woning, moeten compenseren geldt voor particulieren een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m2 voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor landelijk gebied. Voor dit plan geldt dat er sprake is van vervangende nieuwbouw. Dat betekent dat er niet of nauwelijks sprake zal zijn van een toeof afname van de verharding.
Dit betekent dat er geen sprake is van een opgave voor watercompensatie vanuit de keur. - Op basis van de Verordening afvoer hemel- en grondwater Voor de Verordening afvoer hemel- en grondwater geldt dat met oog op het beperken van wateroverlast, het beperken van verdroging en het doelmatig beheer van afvalwater alleen hemelwater vanaf nieuwe gebouwen in een openbaar riool wordt geloosd, als een hemelwaterberging is aangebracht en in stand wordt gehouden. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is 20 liter per m2 verhard oppervlak op het perceel als de totale omvang van het verhard oppervlak niet meer is dan 500 m2 of 43,6 liter per m2 verhard oppervlak op het perceel als de totale omvang van het verhard oppervlak 500 m2 of meer is als er geen compenserende waterberging is gerealiseerd op grond van de keur van het waterschap. Het regenwater bergen is in de meeste gevallen haalbaar en wordt met de bouw meegenomen. Dit kan bijvoorbeeld in een krattensysteem, regenwaterschutting, regenwaterkelder (voor hergebruik), groen dak, et cetera. De hemelwaterberging dient zo ontworpen en in stand gehouden te worden dat deze tussen 1 en 3 dagen weer voor 90% beschikbaar is, tenzij het opgevangen hemelwater bestemd is voor hergebruik.
Bij herinrichtingsprojecten, met daarin bijvoorbeeld gevoelige locaties uit klimaatstresstesten, wordt samen met de bewoners bekeken wat de beste oplossingen en maatregelen zijn.
42
Ingevolge de Verordening afvoer hemel- en grondwater is het verboden hemelwater te lozen op het openbaar vuilwaterriool. Uitgangspunt is dat hemelwater gescheiden wordt afgevoerd. Het afgekoppelde hemelwater kan rechtstreeks via lijngoten of ander afvoermateriaal afstromen naar een aan te leggen hemelwaterstelsel. In of nabij het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig waarop aangesloten kan worden. Om te voldoen aan de gemeentelijke hemelwaterverordening zal bij elke woning op eigen terrein een voldoende grote wateropvang gerealiseerd worden. Hiervoor worden hoogstwaarschijnlijk infiltratiekratten voor gebruikt, al bestaat ook de mogelijkheid dat nieuwe technieken worden toegepast. Een en ander wordt in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag nader uitgewerkt. In dit kader wordt opgemerkt dat de ontwikkeling overigens leidt tot een afname van het verhard oppervlak (zie onderstaande tabel) en er meer groen wordt aangebracht. Hierdoor is er sprake dat er voor hemelwater meer mogelijkheden zijn om te infiltreren. Daarnaast worden de nieuwe parkeervakken met gebruikmaking van waterdoorlatende bestrating uitgevoerd. Ook dit leidt tot meer infiltratiemogelijkheden ter plaatse.
Bebouwd opp. Woningen (m2) Opp. Tuinen (m2) Opp. verharding Opp. halfverharding Opp. groen Totale oppervlakte
Huidige situatie in m2 2.157
Toekomstige situatie in m2 1.921
3.300 1.153 107 744 7.461
2.950 1.492 217 881 7.461
Riolering De beoogde woningen worden aangesloten op het reeds aanwezige gescheiden rioolstelsel. Afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtstbijzijnde afvalwaterzuivering. Voor zover bekend zijn er geen problemen bekend omtrent de capaciteit van riolering of zuivering. Waterkering Er liggen geen waterstaatswerken of beschermingszones in het plangebied. De regels uit de Keur over activiteiten op en langs waterkeringen zijn dan ook niet van toepassing. Afvalwater De nieuwbouwwoningen zullen aan het bestaande rioolstelsel worden aangesloten. Vanuit de nieuw te bouwen woningen wordt het afvalwater wel gescheiden aangeboden. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Het waterschap rivierenland is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap.
43
5.6
Bodem
Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop of waarin deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (volledig) in werking getreden. Het doel van dit besluit is om de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het Besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. In het Besluit bodemkwaliteit is ook het Bouwstoffenbesluit geïntegreerd. Dit besluit heeft alleen betrekking op steenachtige bouwstoffen. Andere materialen worden in de praktijk ook toegepast als bouwstof, maar deze vallen niet onder dit Besluit. Planspecifiek Door Verhoeven Milieutechniek is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Diverse bodemonderzoeken, Vier onderzoekslocaties aan de Koningin Julianaplantsoen en Koningin Wilhelminalaan te Waardenburg, d.d. 29 januari 2022, zie bijlage VIII). Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan er volgens Verhoeven Milieutechniek geen bezwaren tegen de voorgenomen herontwikkeling, rekening houdend met de volgende aanbevelingen.
Bij een indicatieve toetsing van de geanalyseerde (meng)monster(s) aan het Besluit bodemkwaliteit blijkt dat voor diverse (meng)monsters op de onderzoekslocaties II en III de maximale achtergrondwaarde wordt overschreden, maar wel voldoet aan grond met de klasse wonen en/of industrie. Daarnaast blijven bij ontgraven van de grond de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van kracht. Een extra aandachtspunt bij deze locatie is dat grondstromen die op basis van voorliggende rapportage verschillende indicatieve kwaliteiten hebben niet met elkaar mogen worden vermengd. Bij de eventuele afvoer van de grond dient rekening gehouden te worden met de resultaten van de NEN-, OCB en de PFAS-parameters uit voorliggend onderzoek. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen worden verlangd. Daarnaast kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden. Verhoeven Milieutechniek adviseert om, na verwijdering van de momenteel aanwezige belemmering, nog aanvullend een maaiveldinspectie uit te voeren om een definitieve uitspraak te kunnen doen over de contactzone. Conclusie Uit het bovenstaande blijkt dat de gronden uit milieu-hygiënisch oogpunt geschikt zijn voor de functie wonen.
44
5.7
Bedrijven en milieuzonering
De scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies is noodzakelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Op die manier wordt voorkomen dat bij nieuwe ontwikkelingen sprake kan zijn van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies en wordt voldoende zekerheid geboden aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te zijn. Om te beoordelen of de afstanden tussen de milieubelastende activiteit en de milieugevoelige functie acceptabel is, kan worden aangesloten bij de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Zonering’. Planspecifiek Wonen wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige functie. Derhalve is gekeken naar de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van het plangebied. Ten zuidoosten van het plangebied, aan de Steenweg 29, is een winkel in tweewielers gevestigd. Een detailhandelsvestiging is volgens de publicatie Bedrijven en Milieuzonering aan te merken als een bedrijf vallende onder categorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.
Bij bedrijven met een dergelijke milieucategorie is de aan te houden richtafstand tussen de bedrijfsactiviteiten en de gevoelige functie in principe 10 meter. Gezien de ligging nabij de Rijksweg A2 en verderop ook het spoor, mag echter uitgegaan worden van het omgevingstype gemengd gebied waardoor de aan te houden richtafstand 0 meter is. De ligging van het plangebied nabij de winkel vormt derhalve geen belemmering. Verder is aan de Steenweg 37 een kantoorgebouw aanwezig (bank). De afstand tot het projectgebied bedraagt ongeveer 30 meter (tot gevel woning Koningin Julianaplantsoen 1). Voor een kantoor geldt ingevolge de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering een richtafstand van 10 meter (milieucategorie 1). Vanwege het feit dat het hier gemengd gebied betreft, geldt een richtafstand van 0 meter. Daaraan wordt voldaan. Verder is aan de Steenweg 43 een horecagelegenheid aanwezig (Chinotaria, betreft hier lichte horeca). De afstand tot het projectgebied bedraagt ongeveer 26 meter (tot gevel woning Koningin Julianaplantsoen 1). Voor een lichte horeca (broodjeszaak, cafetaria, lunchroom, snackbar etc.) geldt een richtafstand van 10 meter (milieucategorie 1). Vanwege het feit dat het hier gemengd gebied betreft, geldt een richtafstand van 0 meter. Daaraan wordt voldaan. Aan de overzijde van de Steenweg zijn daarnaast nog twee bedrijven gelegen.
Gezien de afstand tot het plangebied en de aanwezigheid van woningen op een kortere afstand van de bedrijven vormt de ligging van het plangebied nabij deze bedrijven geen belemmering. Conclusie Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat ter plaatse van de herontwikkelingslocatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 45
5.8
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
5.8.1
Inleiding
Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, moet daarom een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: -
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.
-
De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: 1. 2. 3. 5.8.2
de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Een milieueffectrapportage is niet aan de orde voor dit plan. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is niet benodigd om tot deze conclusie te komen. Bij de realisatie van de woningen is een vormvrije m.e.r.-beoordeling slechts noodzakelijk als het plan een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ vertegenwoordigt als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Op 15 januari 2020 heeft de Raad van State uitspraak gedaan inzake het uitwerkingsplan “Ravelijnstraat” in de gemeente Maastricht (ECLI:NL:RVS:2020:100). Uit deze uitspraak blijkt dat de bouw van 12 vrijstaande woningen door de Raad van State niet worden gezien als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Het voorliggend plan ziet op de toevoeging van slechts 3 woningen. Op basis van voornoemde uitspraak kan worden geconcludeerd dat er geen vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft te worden uitgevoerd. Hierbij kan voorts worden opgemerkt dat: §
de plangebieden al een woonbestemming hebben en het dus niet de verandering van een niet-stedelijke bestemming naar een stedelijke bestemming betreft; 46
§ §
het plangebied al goeddeels is bebouwd en verhard, dit verandert met dit plan niet (wezenlijk); de plangebieden zijn gelegen binnen de bebouwde kom van Waardenburg en niet in het buitengebied.
Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten en dat er geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is. 5.9
Duurzaam bouwen
Duurzaam bouwen is bouwen met duurzaamheid als doel. Zowel in de ontwerpfase, de bouwfase en de gebruiksfase. Een duurzaam gebouw moet volgens de Nederlandse rijksoverheid idealiter: • energie besparen; • (schaarse) materialen besparen; • water besparen; • een gezond binnenmilieu hebben; • weinig hinder opleveren wat betreft licht, geluid en dergelijke; • niet tot vervuiling leiden, zoals bijvoorbeeld CO2-uitstoot; • uit materialen bestaan die men kan hergebruiken. Duurzaam bouwen is meer dan energiebesparing Duurzaam bouwen betekent dat gebouwen en andere bouwwerken ontwikkeld en gebruikt worden met respect voor mens en milieu. Het gaat bij duurzaam bouwen niet alleen om energiebesparing in huizen en gebouwen, maar bijvoorbeeld ook om: gebruik van duurzame materialen die rekening houden het milieu en de gezondheid van bewoners en gebruikers; een gezond binnenmilieu bijvoorbeeld door goede ventilatie om vocht, schimmel en ophoping van schadelijke stoffen te voorkomen; voorkomen dat grondstoffen voor bouwmaterialen uitgeput raken. Voor gebouwontwerpen kunnen van tevoren bepaald worden welk ambitieniveau gewenst is. De te nemen maatregelen kunnen door de gemeente of ontwikkelaar zelf worden gekozen om een bepaald niveau te bereiken. Hierna volgen enkele specificaties die betrekking hebben op duurzaamheid. De wettelijke eisen aan nieuwbouw van woningen staan in het Bouwbesluit.
De volgende eisen worden gesteld bij nieuwbouw en/of verbouwingen: 1. Een minimale isolatiewaarde voor dichte uitwendige scheidingsconstructies. 2. Een maximale U-waarde voor ramen (glas en kozijn) en deuren. 3. Een minimale EPC waarde afhankelijk van het type gebouw. 4. Milieuprestatie Gebouw (MPG). De woningen worden volledig volgens de normen van het Bouwbesluit en de gemeentelijke bouwverordening uitgevoerd. De verwarming vindt plaats door middel van een warmtepomp en er wordt gebruikt gemaakt van zonnepanelen. De woningen worden bijna energie neutraal 47
(BENG) gebouwd. Dit betekent onder andere dat de woningen gasloos worden uitgevoerd; de woningen worden wel aangesloten op de Stadsverwarming. Ten opzichte van de oorspronkelijke bebouwing is dan ook sprake van woningen die veel energiezuiniger zijn. Dit leidt ertoe dat minder CO2 wordt uitgestoten en sprake is van een betere energie-efficiënte. Voorts leidt de ontwikkeling tot een afname van het verhard oppervlak, waardoor er meer groen wordt aangebracht. Hierdoor is er sprake dat er voor hemelwater meer mogelijkheden zijn om te infiltreren. Daarnaast worden de nieuwe parkeervakken met gebruikmaking van waterdoorlatende bestrating uitgevoerd. Ook dit leidt tot meer infiltratiemogelijkheden ter plaatse. De beoogde woningen worden aangesloten op het reeds aanwezige gescheiden rioolstelsel. Afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtstbijzijnde afvalwaterzuivering. Voor zover bekend zijn er geen problemen bekend omtrent de capaciteit van riolering of zuivering. Om te voldoen aan de gemeentelijke hemelwaterverordening zal bij elke woning op eigen terrein een voldoende grote wateropvang gerealiseerd worden. Hiervoor worden hoogstwaarschijnlijk infiltratiekratten voor gebruikt, als bestaat ook de mogelijkheid dat nieuwe technieken worden toegepast (bijvoorbeeld schuttingen die hemelwater kunnen opvangen).
Een en ander wordt in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag nader uitgewerkt.
5.10
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet- concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Planspecifiek In de directe omgeving zijn geen veehouderijen aanwezig. Hier ligt dan ook geen belemmering voor de realisatie van het plan.
Conclusie Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. 48
6
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE
6.1
Archeologie
De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij het opstellen van o.a. nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met mogelijke archeologisch waardevolle vindplaatsen. De gemeente West Betuwe heeft in 2021 nieuw archeologisch beleid vastgesteld, met daarbij een archeologische beleidskaart (Erfgoedbeleid, d.d. 28 september 2021). Deze beleidsnota is bedoeld om de keuzes vast te leggen die de gemeente West Betuwe over haar erfgoed wil maken. Het doel van dit nieuwe erfgoedbeleid is het beleid voor de hele gemeente West Betuwe op elkaar afstemmen (‘harmoniseren’) en het erfgoedbeleid geschikt maken voor de invoering van de Omgevingswet. Op de archeologische beleidskaart is het plangebied aangeduid als een gebied met een hoge verwachte dichtheid maar relatief diep gelegen (Waarde-Archeologie 4). Bij bodemingrepen die dieper gaan dat 30 cm onder het maaiveld en groter dan 500 m2 moet vroegtijdig een waardestellend archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Dit wordt in de regels opgenomen.
Fig. 6.1 Uitsnede uit archeologische beleidskaart (blauwe pijlen: plangebieden)
In dit kader wordt opgemerkt dat de woningen voor circa 90% worden gerealiseerd op de footprints van de bestaande woningen. Dat betekent dat er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat, indien al sprake zou zijn van beschermende archeologische waarden binnen het plangebied, deze reeds zijn verstoord door de bestaande bouw.
6.2
Cultuurhistorie
Binnen het projectgebied bevinden zich geen gemeentelijke, provinciale of rijksmonumenten. Ook op de gronden, die direct aan het projectgebied grenzen of anderszins in de directe 49
nabijheid van het projectgebied zijn gelegen, zijn geen monumenten aangewezen. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat in de toekomst een dergelijke aanwijzing zal plaatsvinden. Voorts ligt het plan niet binnen een beschermd stads- en dorpsgezicht. Het plangebied ligt in het deel van Waardenburg dat in 1965 - 1966 is gebouwd. In het plangebied ligt daarmee geen historisch stratenpatroon of een agrarisch landschap waar cultuurhistorisch rekening mee gehouden dient te worden. Ook uit dit oogpunt is er geen belemmering voor cultuurhistorie.
50
7
JURIDISCHE PLANOPZET
7.1
Planstukken
Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding. Verder is er een toelichting opgenomen. De toelichting heeft geen bindende werking. De toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en / of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. 7.2
Toelichting op verbeelding
De verbeelding is getekend op een digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000. Op de verbeelding wordt door middel van aanduidingen specifieke informatie weergegeven, zoals de maximale bouw- of goothoogte. 7.3
Toelichting op regels
Om de uniformiteit van de bestemmingsplannen onderling zoveel mogelijk te waarborgen, is er in de planregels voor gekozen aan te sluiten bij de regels van overige recente bestemmingsplannen in de directe omgeving. 7.4
Handhaving
Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving houdt in elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles. Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting.
Repressieve handhaving bestaat uit de
51
aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels.
52
8
UITVOERBAARHEID
8.1
Economisch
De gemeente is volgens de Wet ruimtelijke ordening bij de bouw van een of meer woningen verplicht om kostenverhaal toe te passen. Hiervoor dient een exploitatieplan vastgesteld te worden, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Het kostenverhaal is anderszins geregeld als de gemeente West-Betuwe met ontwikkelaar een anterieure overeenkomst heeft gesloten. De gemeente West-Betuwe en de initiatiefnemer hebben in het kader van dit plan een anterieure overeenkomst gesloten met betrekking tot de financiële afhandeling van het plan. In de overeenkomst zijn afspraken gemaakt aangaande de realisatie van de plannen en het verhalen van ambtelijke kosten. Het vaststellen van een exploitatieplan is derhalve niet meer nodig; het kostenverhaal is namelijk anderszins verzekerd.
8.2
Maatschappelijk
Burgerparticipatie Sinds de start van het project zijn de huidige bewoners en de direct omwonenden op verschillende momenten op de hoogte gebracht. In 2022 hebben ook nog diverse communicatiemomenten plaatsgevonden. Zo is er 1x per maand een inloopmiddag georganiseerd, waarbij bewoners en omwonenden vrij binnen kunnen lopen en vragen beantwoord krijgen. Ook hebben diverse klankbordbijeenkomsten plaatsgevonden. En in september 2022 is ook een inloopmiddag en -avond georganiseerd, niet alleen voor bewoners maar ook voor omwonenden. De opkomst was zo’n 50 personen. Mede gelet op deze actieve informatieronden wordt het niet nodig geacht om eerst een voorontwerp-bestemmingsplan ter inzage te leggen. Vooroverleg Het ontwerp-bestemmingsplan is op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening toegezonden aan diverse instanties in het kader van het vooroverleg. De ingediende reacties gaven geen aanleiding tot wijziging van het plan. Zienswijzen Met de tervisielegging van het ontwerp-bestemmingsplan (voor de duur van zes weken) begon de formele vaststellingsprocedure. Gedurende de periode van de tervisielegging, van ….. tot ……, kon iedereen schriftelijk of mondeling zienswijzen op het plan of onderdelen daarvan inbrengen. Er zijn echter geen zienswijzen ingediend. Beroep Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd.
Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking 53
Bijlagen: I. Stedenbouwkundig plan, Urban Jazz, d.d. 11 juli 2022 II. Woningbouw Koningin Julianaplantsoen en Koningin Wilhelminalaan in Waardenburg, Akoestisch onderzoek, Van Kooten Akoestisch Advies, d.d. 31 januari 2022 III. Quickscan flora en fauna renovatieprojecten De Goede Woning – Neerijnen Locaties: Waardenburg (107), Tuil (201) & Haaften (309/314), Blom Ecologie, d.d. 14 mei 2019 IV. Quickscan flora en fauna renovatieprojecten De Goede Woning – Neerijnen Locaties: Waardenburg (103, 104, 106, 111 en 112), Blom Ecologie, d.d. 13 september 2019 V. Aanvullend onderzoek ecologie Koningin Julianaplantsoen te Waardenburg, Aanvullend onderzoek naar huismus, gierzwaluw en vleermuizen in het kader van de Wet natuurbescherming, Blom Ecologie, d.d. 23 september 2022 VI. Stikstofonderzoek Het Plantsoen Waardenburg, Ecofect, 8 maart 2023 VII. Beperkte verantwoording groepsrisico 2 woningbouwplannen in Waardenburg, De Milieuadviseur, d.d. 17 februari 2023 VIII. Diverse bodemonderzoeken, Vier onderzoekslocaties aan de Koningin Julianaplantsoen en Koningin Wilhelminalaan te Waardenburg, Verhoeven Milieutechniek, d.d. 29 januari 2022
54