CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2023-050-Bijlage-Groeneweg-naast-31-Buurmalsen-ABC-versie-met-bijlagen.pdf

Gemeenteraad 27 juni 2023, gemeente West BetuweBij agendapunt: 6: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Groeneweg, naast nummer 31, Buurmalsen21.069 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Keur waterkeringen en wateren In de Keur waterkeringen en wateren (Waterschap Rivierenland) staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Water- en rioleringsplan 2019 - 2023 Het Water- en rioleringsplan 2019 – 2023 is gebaseerd op de regionale blauwdruk en beschrijft de wijze waarop de gemeente West Betuwe invulling wil geven aan de zorgplicht voor (stedelijk) afvalwater, hemelwater en grondwater, alsmede een doelmatig en duurzaam beheer van de gemeentelijke riool- en watervoorzieningen en oppervlaktewater. Dit plan bevat de visie voor de lange termijn, alsmede de beleidskaders en de concrete activiteiten voor de aankomende planperiode (2019-2023). Ingevolge het water- en rioleringsplan is het van belang om het juiste bouwpeil en de ontwateringsdiepte vast te stellen. Dit gebeurt bij de te verlenen omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’. Voorts wordt gestimuleerd om hemelwater zo veel als mogelijk te hergebruiken (bijv. door het aanbrengen van regentonnen). En afvalwater dient in toenemende mate als waardevolle grondstof en energiebron te worden gebruikt (bijv. riothermie en / of aquathermie), voor zover mogelijk.

Verder geeft het water- en rioleringsplan aan dat het van belang is om rekening te houden met klimaatadaptatie. 5.5.4

Watertoets

Algemeen

30

Een belangrijk instrument om water belangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterberging Voor plannen met meer dan 500 m2 extra verharding in stedelijk gebied en meer dan 1.500 m2 verharding in landelijk gebied is compenserende waterberging nodig. Om te voorkomen dat particulieren voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes een enkele woning, moeten compenseren geldt voor particulieren een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m2 voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor landelijk gebied. Voor de planlocatie geldt dat de bestaande bedrijfsbebouwing van ongeveer 700 m2 wordt gesloopt. In de nieuwe situatie zal sprake zijn van een verharding van maximaal 400 m2 (200 m2 per woning). Dat betekent een afname van verhard oppervlak van ongeveer 300 m2.

Dit betekent dat er geen sprake is van een opgave voor watercompensatie. Hemelwater - Verordening hemel- en grondwater Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast en overstromingen toe. Dat vraagt om maatregelen, die samen met bewoners en projectontwikkelaars genomen moeten worden. Daarbij wordt nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw en bestaande bouw. Voor nieuwbouwlocaties in heel de gemeente geldt een waterbergingseis op eigen terrein. Het regenwater bergen is in de meeste gevallen haalbaar en wordt met de bouw meegenomen. Dit kan bijvoorbeeld in een krattensysteem, zandpakket, regenwaterschutting, regenwaterkelder (voor hergebruik), groen dak, et cetera. In artikel 4 van de verordening gelden voor deze waterberging bij nieuwbouw de volgende richtlijnen: 1. Met het oog op het beperken van wateroverlast, het beperken van verdroging en het doelmatig beheer van afvalwater wordt alleen hemelwater vanaf nieuwe gebouwen in een openbaar riool geloosd, als een hemelwaterberging is aangebracht en in stand gehouden. 2. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is: 1. 20 l per m2 verhard oppervlak op het perceel als de totale omvang van het verhard oppervlak niet meer is dan 500 m2; of 2. 43,6 l per m2 verhard oppervlak op het perceel als de totale omvang van het verhard oppervlak 500 m2 of meer is. 3.

In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder b, is de minimale capaciteit van de hemelwaterberging 20 l per m2 verhard oppervlak, als al compenserende waterberging is gerealiseerd op grond van de keur van het waterschap.

31

4. De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze tussen 1 en 3 dagen weer voor 90% beschikbaar is, tenzij het opgevangen hemelwater bestemd is voor hergebruik. 5. De hoeveelheid hemelwater die niet kan worden geborgen, kan worden geloosd in het openbare riool of in de openbare ruimte. 6. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de verplichting om een hemelwaterberging aan te brengen, voor zover het aanbrengen van de hemelwaterberging redelijkerwijs niet mogelijk is. Aan de Groeneweg bevindt zich een gemengd stelsel van de gemeente. Alleen DWA mag aangesloten worden op de riolering. Hemelwater dient op de locatie zelf geborgen te worden. Het afgekoppelde hemelwater kan rechtstreeks via lijngoten of ander afvoermateriaal afstromen en infiltreren in onverhard oppervlak. Op dit moment wordt het hemelwater opgevangen via de bestaande dakgoot die is aangesloten op de riolering. In of nabij het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig waarop aangesloten kan worden. Het hemelwater kan dus niet worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Het zal daarom worden opgevangen op eigen terrein, door regentonnen en door infiltratie op eigen terrein middels het aanbrengen van een grindpakket ter plaatse van de opritten.

Uit de tabellen op de volgende pagina blijkt dat er voor dit project sprake zal zijn van een afname van verharding van 88,64 m2. Dat betekent dat er meer water kan worden opgevangen. Door de afname van verharding is het mogelijk om meer hemelwater te infiltreren in het onverharde oppervlak. BESTAANDE SITUATIE Oppervlakte perceel Bestaande bebouwd / verhard oppervlak TOTAAL onverhard oppervlak

1.348 m2 140 m2 (woning) 708 m2 (bijgebouwen) 500 m2

NIEUWE SITUATIE Oppervlakte perceel Nieuw bebouwd / verhard oppervlak TOTAAL onverhard oppervlak

1.348,00 m2 759,36 m2 (zie tabel verharding hieronder) 588,64 m2

TOTALE AFNAME verharding

88,64 m2

Verharding 2 nieuwe percelen (in totaal groot 744,80 m2)

521,36 m2 (70% van 744,80)

1 bestaande woning (140 m2) met bijgebouw van 98 m2

238 m2

TOTALE VERHARDING NIEUW

759,36 m2

Hoogteligging + stroombanenkaart 32

Uit de klimaatatlas blijkt dat het terrein niet veel hoger of lager ligt dan de omgeving. Het is nu geen punt waar afstromend hemelwater zich verzameld. Bij ophoging of verandering van hoogtes dient er rekening gehouden te worden met de omliggende percelen. Hierop mag geen extra hemelwater terechtkomen wat (extra)wateroverlast kan veroorzaken.

Fig. 5.1 Hoogteligging en stroombanenkaart

Waterkering Er liggen geen waterstaatswerken of beschermingszones in het plangebied. De regels uit de Keur over activiteiten op en langs waterkeringen zijn dan ook niet van toepassing. Afvalwater De nieuwbouwwoningen zullen aan dat gemengde rioolstelsel worden aangesloten. Vanuit de nieuw te bouwen woningen wordt het afvalwater wel gescheiden aangeboden.

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Het waterschap rivierenland is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap.

5.6

Bodem

Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop of waarin deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (volledig) in werking getreden. Het doel van dit besluit is om de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het Besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid 33

om de bodem te beheren. In het Besluit bodemkwaliteit is ook het Bouwstoffenbesluit geïntegreerd. Dit besluit heeft alleen betrekking op steenachtige bouwstoffen. Andere materialen worden in de praktijk ook toegepast als bouwstof, maar deze vallen niet onder dit Besluit. Planspecifiek Door Lawijn Advies & Management is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Verkennend bodemonderzoek, Groeneweg 31 te Buurmalsen, d.d. 15 juli 2021, bijlage IV). Het onderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen van NEN 5740 / NEN 5707. Lawijn komt tot de volgende conclusies: Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: § In de bodemlaag onder de terreinverhardinglaag ter plaatse van het voorterrein zijn, zowel zintuiglijk als analytisch, geen verontreinigingen geconstateerd. § In de laag matig tot sterk zandige klei in de bovengrond ter plaatse van het noordelijk gedeelte van het voormalige bedrijfsgebouw zijn analytisch geen verontreinigingen geconstateerd. Zintuiglijk is geringe bijmenging van sporen puin en grind waargenomen. § In de bovengrond ter plaatse van het zuidoostelijk gedeelte van de locatie zijn lichte verontreinigingen met cadmium, koper, lood, minerale olie, PCB, PAK, DDD, DDE en DDT, alsmede lokaal een sterke verontreiniging met zink (boring 8). Zintuiglijk is bijmenging van sporen puin, grind en kolengruis waargenomen.

§ Bij het onderzoek op asbest is vastgesteld dat in de bovenlaag op de terreinstrook aan de oostzijde van het voormalige bedrijfsgebouw plaatselijk sprake is van de aanwezigheid van enkele stukjes asbesthoudend plaatmateriaal (golfplaat, hechtgebonden; chrysotiel + crocidoliet). § In de laag zwak zandige klei in de ondergrond van de locatie is een lichte verontreiniging met zink aangetroffen. Zintuiglijk zijn geen afwijkingen waargenomen in de bovengrond. § In het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten bestaat, conform de richtlijnen van de Wet Bodembescherming, aanleiding tot nader onderzoek voor de sterke verontreiniging met zink in de bovengrond op het oostelijk gedeelte van de locatie. Het voorgaande betekent dat er een nader onderzoek nodig is. Het doel van het nader bodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de gehaltes en de omvang van de verontreinigingen in de grond, danwel de terreinverhardinglaag. Ten aanzien van de verontreiniging in de grond dient te worden vastgesteld of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Op 18 juli 2022 is door Lawijn Advies & Management een nader bodemonderzoek uitgebracht (Nader bodemonderzoek, Groeneweg 31 te Buurmalsen, d.d. 18 juli 2022, zie bijlage V). Daaruit blijkt het volgende:

34

Op basis van de resultaten van het nader bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Verontreiniging met zink, oostzijde locatie Tijdens het verkennend bodemonderzoek in 2021 is in de bovengrond op de terreinstrook aan de oostzijde van het oude bedrijfsgebouw plaatselijk een sterke verontreiniging met zink geconstateerd (B8; 0.05-0.3 m). Zintuiglijk is bijmenging van sporen puin, grind en kolengruis waargenomen; Tijdens het nader onderzoek is bij de drie afperkende boringen, binnen een afstand van 7 meter vanaf boring 8 ten hoogste een lichte verontreiniging met zink aangetoond. In de bovenlaag onder het oude bedrijfsgebouw is geen verontreiniging met zink aangetoond. In de onderliggende laag, vanaf 0.3 meter beneden maaiveld, is nog een lichte verontreiniging met zink aangetroffen. Op basis van de resultaten van het nader onderzoek kan de sterke verontreiniging met zink in de bovengrond bij boring 8 worden beschouwd als een verontreinigingspot met een beperkte omvang. Verontreiniging met asbest, oostzijde locatie. In de puinhoudende toplaag ter plaatse van het zuidoostelijk gedeelte van de locatie is sprake van een sterke verontreiniging met asbest (SL11). De sterke verontreiniging wordt voornamelijk veroorzaakt door materiaal in de grove fractie.

In de bovengrond bij de afperkende sleuven (SL12, SL14) is visueel en analytisch geen verontreiniging met asbest geconstateerd. Ook in de bovenlaag bij inspectiesleuf SL13 aan de noordzijde van het gebouw zijn visueel geen asbestverdachte bestanddelen waargenomen. In de grond ter plaatse van de onderzoekslocatie is derhalve geen verontreiniging met asbest aangetoond. Wel is asbesthoudend materiaal aangetroffen in een ingesloten laag in de betonvloer ter plaatse van het oostelijk gedeelte van het bedrijfsgebouw (boring 24). Bij de twee andere boringen in de betonvloer is de ingesloten laag niet aangetroffen (nummers 25 en 26). Op basis van de verkregen onderzoekresultaten wordt de verspreidingoppervlakte van de verontreiniging met asbest in de puinverhardinglaag op het zuidoostelijk gedeelte van de locatie geschat op circa 10 à 15 m2. Uitgaande van een laagdikte van circa 0.25 meter bedraagt de omvang van de verontreiniging met asbest in de puinhoudende toplaag circa 5 m3.

Druppelzone, zuidelijke dakrand In de druppelzone onder de zuidelijke dakrand van het oude bedrijfsgebouw is geen verontreiniging met asbest aangetoond (gehalte < rapportagegrens). Naar aanleiding van het voorgaande komt Lawijn tot de volgende aanbevelingen: §

Voor de lokale sterke verontreiniging met zink in de bovengrond op het oostelijk gedeelte van de locatie is, op basis van de verkregen onderzoeksresultaten, geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Wel dient in geval van benodigde graafwerkzaamheden op het betreffende terreindeel vooraf afstemming plaats te vinden met het bevoegd gezag. 35

§

Voor de aangetroffen sterke verontreiniging met asbest in de puinverhardinglaag op het zuidoostelijk gedeelte van de locatie geldt een meldingsplicht in het kader van het Besluit asbestwegen milieubeheer. Het bevoegd gezag voor sanering van asbestwegen is de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT).

§

Voor de aanpak en de verwijdering van het asbesthoudende materiaal dat is ingesloten in de betonvloer in het oostelijk gedeelte van het bedrijfsgebouw dient een asbestinventarisatie volgens de arbeidsomstandighedenregeling te worden uitgevoerd, ten behoeve van het slopen van een bouwwerk.

§

Indien bij eventuele graafwerkzaamheden op de locatie, buiten de contouren van de sterke verontreiniging, licht verontreinigde grond of verhardingsmateriaal zal vrijkomen, dient er rekening mee te worden gehouden dat hiervoor beperkte hergebruikmogelijkheden bestaan. De toepassingsmogelijkheden voor dit materiaal op een andere locatie dienen te worden bepaald aan de hand van de voorwaarden van het Besluit bodemkwaliteit en/of de Bodemkwaliteitskaart van de gemeente West Betuwe (regio Rivierenland).

Conclusie Op de locatie is zowel een verontreinigde spot met zink als met asbest verontreinigde puinverharding aangetroffen. De verontreinigde spot met zink zal voorafgaand aan het bouwrijp maken van het terrein moeten worden gesaneerd. Voorafgaand aan de sanering moet een plan van aanpak worden ingediend bij de Omgevingsdienst Rivierenland. Na akkoord op dit plan van aanpak kunnen de saneringswerkzaamheden worden uitgevoerd. Op basis van het Besluit Asbestwegen is het verboden om een asbesthoudende weg (met een concentratie aan asbest > 100 mg/kg) in bezit te hebben. Na constatering dat er sprake is van een asbesthoudende weg zal deze zo spoedig mogelijk moeten worden gesaneerd. Bevoegd gezag in deze is Inspectie Leefomgeving en Transport. Na de sanering van de asbesthoudende weg zal een evaluatierapport moeten worden opgesteld. Het evaluatierapport dient bij de aanvraag om omgevingsvergunning aan de Omgevingsdienst rivierenland overgelegd te worden.

Aangezien een ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst op financiële haalbaarheid, wordt er geen belemmering verwacht wat betreft de uitvoerbaarheid van het plan. De kosten voor het opruimen van de verontreiniging met zink en asbest worden niet als zodanig ingeschat dat deze een financiële belemmering opleveren waardoor het plan niet kan doorgaan.

5.7

Bedrijven en milieuzonering

De scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies is noodzakelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Op die manier wordt voorkomen dat bij nieuwe ontwikkelingen sprake kan zijn van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies en wordt voldoende zekerheid geboden aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. 36

De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te zijn. Om te beoordelen of de afstanden tussen de milieubelastende activiteit en de milieugevoelige functie acceptabel is, kan worden aangesloten bij de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Zonering’. Planspecifiek In de nabijheid van minder dan 50 meter tot het plangebied waren aanvankelijk twee boomgaarden aanwezig. Het gaat om het kleine boomgaardje gelegen op circa 26 meter van het plangebied en de grotere boomgaard ter hoogte van Groeneweg 34 op circa 40 meter afstand van het plangebied (zie figuur 5.2).

Fig. 5.2 Fruitboomgaarden in de directe omgeving

Kleine boomgaard Deze boomgaard is inmiddels niet meer aanwezig. Nu ingevolge het van toepassing zijnde bestemmingsplan ‘Geconsolideerde versie Kern Buurmalsen 2013’ op dit perceel de bestemming ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ ligt, is een nadere beoordeling niet meer noodzakelijk. Boomgaard Groeneweg 34 Het plangebied gebied ligt op circa 40 meter vanaf de eerste bomenrij van de fruitboomgaard aan de Groeneweg 34. Hierover het volgende. Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen (zoals bij voorbeeld fruitbomen) in de open lucht worden geteeld en nabijgelegen woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van de risico’s van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers 37

en werknemers. De richtafstanden die zijn opgenomen in de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) hebben geen betrekking op open teelten en zijn daarmee niet bruikbaar (ABRvS 23 september 2009, zaaknummer 200900570/1/R2). Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die in het Activiteitenbesluit worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlaktewater. Het Activiteitenbesluit is evenmin bruikbaar. Vanwege het ontbreken van wetgeving is een in de praktijk (als gevolg van jurisprudentie) gegroeide vuistregel ontstaan die aangeeft dat een afstand van 50 m tussen agrarische gronden met open teelten (veelal fruitteelt) en een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies in acht moet worden genomen. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en dat er anderzijds geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. Deze afstand is echter indicatief. Daarnaast moet hierbij de kanttekening gemaakt worden dat deze zone van 50 meter uitgaat van de toepassing van bestrijdingsmiddelen zonder enige vorm van driftreductie.

Op grond van artikel 3.78a van het Activiteitenbesluit geldt dat er verplicht ten minste 75% driftreducerend gespoten moet worden. De afstand van het plangebied tot de eerste bomenrij bedraagt in dit geval circa 40 meter. Voorts is op het perceel aan de Groeneweg 34 een forse haag gerealiseerd van ongeveer 53,5 meter lengte (zie figuur 5.1 en 5.2). Deze groenhaag beperkt de driftblootstelling voor omwonenden. Verder wordt in dit kader opgemerkt dat de nadelige effecten voor gezondheid enkel optreden ter plaatse van de buitenruimten. Inpandig (binnenshuis) zijn er geen risico’s. Voor wat betreft de woningen die met dit plan mogelijk worden gemaakt, wordt opgemerkt dat de achterkantsituaties c.q. de achtererfgebieden (tuinen) van het perceel Groeneweg 34 afgekeerd liggen. De afstand van de boomgaard van Groeneweg 34 tot de achtererfgebieden bedraagt bovendien iets meer dan 50 meter. Ter plaatse van de achtererfgebieden wordt dus wel voldaan aan de 50 meter die doorgaans als vuistregel wordt aangehouden tussen boomgaarden en gevoelige bestemmingen. Voorts kunnen naast de haag, ook de nieuwe woningen zelf een afscherming vormen voor de driftblootstelling ingeval de bewoners buiten verblijven. Daarbij wordt opgemerkt dat de bewoners zich minder vaak en slechts voor korte tijd zullen ophouden aan de voorzijde van de woningen (vaak enkel bij verkeersbewegingen).

Gelet op al het voorgaande kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering zal ondervinden van de fruitboomgaard aan Groeneweg 34. Ter plaatse van de nieuwe woningen kan immers worden uitgegaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Milieubelastende activiteiten worden niet belemmerd in hun mogelijkheden. Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen 38

belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

5.8

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

5.8.1

Inleiding

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, moet daarom een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: -

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: 1. 2. 3. 5.8.2

de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Een milieueffectrapportage is niet aan de orde voor het project aan de Groeneweg 31 te Buurmalsen. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is niet benodigd om tot deze conclusie te komen. Bij de realisatie van de woningen is een vormvrije m.e.r.-beoordeling slechts noodzakelijk als het plan een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ vertegenwoordigt als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Op 15 januari 2020 heeft de Raad van State uitspraak gedaan inzake het uitwerkingsplan “Ravelijnstraat” in de gemeente Maastricht (ECLI:NL:RVS:2020:100). Uit deze uitspraak blijkt dat de bouw van 12 vrijstaande woningen door de Raad van State niet worden gezien als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Het voorliggend plan ziet op de toevoeging van 2 woningen. Op basis van voornoemde uitspraak kan worden geconcludeerd dat er geen vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft te worden uitgevoerd. Conclusie 39

Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten en dat er geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is.

5.9

Duurzaam bouwen

Duurzaam bouwen is bouwen met duurzaamheid als doel. Zowel in de ontwerpfase, de bouwfase en de gebruiksfase. Een duurzaam gebouw moet volgens de Nederlandse rijksoverheid idealiter: • energie besparen; • (schaarse) materialen besparen; • water besparen; • een gezond binnenmilieu hebben; • weinig hinder opleveren wat betreft licht, geluid en dergelijke; • niet tot vervuiling leiden, zoals bijvoorbeeld CO2-uitstoot; • uit materialen bestaan die men kan hergebruiken. Duurzaam bouwen is meer dan energiebesparing Duurzaam bouwen betekent dat gebouwen en andere bouwwerken ontwikkeld en gebruikt worden met respect voor mens en milieu. Het gaat bij duurzaam bouwen niet alleen om energiebesparing in huizen en gebouwen, maar bijvoorbeeld ook om: gebruik van duurzame materialen die rekening houden het milieu en de gezondheid van bewoners en gebruikers; een gezond binnenmilieu bijvoorbeeld door goede ventilatie om vocht, schimmel en ophoping van schadelijke stoffen te voorkomen; voorkomen dat grondstoffen voor bouwmaterialen uitgeput raken. Voor gebouwontwerpen kunnen van tevoren bepaald worden welk ambitieniveau gewenst is. De te nemen maatregelen kunnen door de gemeente of ontwikkelaar zelf worden gekozen om een bepaald niveau te bereiken. Hierna volgen enkele specificaties die betrekking hebben op duurzaamheid. De wettelijke eisen aan nieuwbouw van woningen staan in het Bouwbesluit.

De volgende eisen worden gesteld bij nieuwbouw en/of verbouwingen:. 1. Een minimale isolatiewaarde voor dichte uitwendige scheidingsconstructies. 2. Een maximale U-waarde voor ramen (glas en kozijn) en deuren. 3. Een minimale EPC waarde afhankelijk van het type gebouw. 4. Milieuprestatie Gebouw (MPG). De woningen worden volledig volgens de normen van het Bouwbesluit en de gemeentelijke bouwverordening uitgevoerd. De verwarming vindt plaats door middel van een warmtepomp en er wordt gebruikt gemaakt van zonnepanelen. De woningen worden bijna energie neutraal (BENG) gebouwd. 5.10

Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet- concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de 40

bebouwde kom. De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Planspecifiek In de directe omgeving zijn geen veehouderijen aanwezig. Hier ligt dan ook geen belemmering voor de realisatie van het plan. Tegenover het perceel Groeneweg 43 is wel een paardenbak aanwezig. De VNG-brochure kent geen indicatieve afstanden voor paardenbakken, zodat de raad aansluiting heeft gezocht bij de afstanden die de VNG-brochure hanteert voor een paardenfokkerij en een manege.

Wat het aspect geur betreft wordt hierbij een richtafstand van 50 meter gehanteerd en wat het aspect geluid betreft een richtafstand van 30 meter. De afstand van het plangebied tot het perceel bedraagt echter meer dan 100 meter. Hier ligt dan ook geen belemmering. Conclusie Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

6

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE

6.1

Archeologie

De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij het opstellen van o.a. nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met mogelijke archeologisch waardevolle vindplaatsen.

41

Ingevolge bestemmingsplan ‘Buitengebied 2022’ rust er op het perceel een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Dit bestemmingsplan is echter nog niet vastgesteld. Het geeft echter aan op welke wijze de gemeente wil dat mogelijk aanwezige archeologische waarden worden beschermd in het buitengebied. De regeling van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’, uit het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied 2022’, wordt in de planregels van dit bestemmingsplan overgenomen. Dat betekent onder meer dat op de gronden met de bestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ geen bouwwerken mogen worden opgericht, tenzij het nieuw te bouwen oppervlak niet groter is dan 500 m2. Het plangebied heeft hier een omvang van 1.390 m2. Op het westelijke deel (zie figuur 6.1) van het plangebied staat een bedrijfswoning, die de functie zal krijgen van reguliere woning. Op het oostelijke deel (zie figuur 6.1) van het plangebied worden de 2 vrijstaande woningen gerealiseerd. Het westelijke gedeelte heeft een oppervlakte van ongeveer 750 m2. De nieuw te bouwen oppervlak (dus het oostelijke deel van het plangebied) wordt per bestemmingsvlak gemaximeerd op 250 m2 (dat geldt dus voor de woning inclusief bijbehorende bouwwerken). Daarvoor wordt een specifieke planregel opgenomen onder de bestemming ‘Wonen’. Dat betekent dat binnen het totale plangebied de nieuw te bouwen oppervlak niet meer bedraagt dan 500 m2.

Daarmee wordt onder de vrijstellingsgrens van meer dan 500 m2 gebleven. Nu met dit plan onder deze vrijstellingsgrens wordt gebleven, is voor deze ontwikkeling geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Conclusie Nu met dit plan onder deze vrijstellingsgrens wordt gebleven, is voor deze ontwikkeling geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.

6.2

Cultuurhistorie

De Groeneweg kan worden gekarakteriseerd als een straat met lintbebouwing. Lintbebouwing kenmerkt zich vaak door afwisseling van bebouwing en openheid, en diverse soorten bebouwing. Aan een deel van de Groeneweg (richting de dorpskern) staat een cluster twee-onder-eenkap-woningen (zie onderstaande luchtfoto, cluster groen). Rondom het plangebied staan echter enkel vrijstaande woningen (zie onderstaande luchtfoto, cluster rood), die in de meeste gevallen bovendien in de diepte zijn geprojecteerd (relatief smalle en diepe percelen).

42

Fig. 6.2 Cluster 2-onder-1-kappers (groen) en cluster vrijstaande woningen (rood)

De nieuwe woningen op het perceel Groeneweg 31 sluiten aan op deze cultuurhistorische karakteristiek. Het betreft immers ook vrijstaande woningen, geprojecteerd in de diepterichting van het perceel (zie figuur 6.1). Voorts bevinden zich binnen het projectgebied geen gemeentelijke, provinciale of rijksmonumenten. Ook op de gronden, die direct aan het projectgebied grenzen of anderszins in de directe nabijheid van het projectgebied zijn gelegen, zijn geen monumenten aangewezen. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat in de toekomst een dergelijke aanwijzing zal plaatsvinden. Voorts ligt het plan niet binnen een beschermd stads- en dorpsgezicht. Conclusie Het plan voegt zich goed in de cultuurhistorische karakteristiek van de bestaande lintbebouwing.

43

7

JURIDISCHE PLANOPZET

7.1

Planstukken

Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding. Verder is er een toelichting opgenomen. De toelichting heeft geen bindende werking. De toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en / of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. 7.2

Toelichting op verbeelding

De verbeelding is getekend op een digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000. Op de verbeelding wordt door middel van aanduidingen specifieke informatie weergegeven, zoals de maximale bouw- of goothoogte. De verbeelding sluit aan bij de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2022’. 7.3

Toelichting op regels

Om de uniformiteit van de bestemmingsplannen onderling zoveel mogelijk te waarborgen, is er in de planregels voor gekozen aan te sluiten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2022’. Dat betekent dat de regels uit het bestemmingsplan voor het grootste deel, en voor zover relevant, van overeenkomstige toepassing zijn op dit bestemmingsplan.

44

8

UITVOERBAARHEID

8.1

Economisch

De gemeente is volgens de Wet ruimtelijke ordening verplicht om kostenverhaal toe te passen bij: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m² brutovloeroppervlakte. Hiervoor dient een exploitatieplan vastgesteld te worden, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Het kostenverhaal is anderszins geregeld als de gemeente West-Betuwe met ontwikkelaar een anterieure overeenkomst heeft gesloten. De gemeente West-Betuwe en de initiatiefnemer hebben in het kader van dit plan een anterieure overeenkomst gesloten met betrekking tot de financiële afhandeling van het plan. In de overeenkomst zijn afspraken gemaakt aangaande de realisatie van de plannen en het verhalen van ambtelijke kosten.

Het vaststellen van een exploitatieplan is derhalve niet meer nodig; het kostenverhaal is namelijk anderszins verzekerd.

8.2

Maatschappelijk

Vooroverleg Het ontwerp-bestemmingsplan is op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening toegezonden aan diverse instanties in het kader van het vooroverleg. De ingediende reacties gaven geen aanleiding tot wijziging van het plan. Draagvlak omgeving De initiatiefnemer heeft naaste buren geïnformeerd over de plannen. Geen van de omwonenden heeft aangegeven bezwaar te hebben tegen de plannen. Zienswijzen Er wordt geen voorontwerp-bestemmingsplan ter inzage gelegd, maar direct een ontwerpbestemmingsplan. Met de tervisielegging van het ontwerp-bestemmingsplan (voor de duur van zes weken) begon de formele vaststellingsprocedure. Gedurende de periode van de tervisielegging, van ….. tot ……, kon iedereen schriftelijk of mondeling zienswijzen op het plan of onderdelen daarvan inbrengen. Er zijn echter geen zienswijzen ingediend.

45

Beroep Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State en kan tevens een voorlopige voorziening worden aangevraagd. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

Bijlagen: I. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Groeneweg 31, Buurmalsen, De Milieuadviseur, d.d. 10 juni 2021 II. Quickscan Wet natuurbescherming Groeneweg 31 te Buurmalsen, Blom Ecologie, d.d. 16 april 2021, revisie 20 oktober 2022 III. Memo onderzoek stikstofdepositie Groeneweg 31 Buurmalsen, Langelaar Milieuadvies, d.d. 19 oktober 2022 IV. Verkennend bodemonderzoek, Groeneweg 31 Buurmalsen, Lawijn Advies & Management, d.d. 15 juli 2021 V. Nader bodemonderzoek, Groeneweg 31 te Buurmalsen, Lawijn Advies & Management d.d. 18 juli 2022

46

BIJLAGE I

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Groeneweg 31, Buurmalsen

De Milieuadviseur Datum: 10 juni 2021 Projectnummer: 21009

Samenvatting De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de Groeneweg, bedraagt 45 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. De omliggende 30 km-wegen hebben op basis van de Wgh geen zone. Formeel gelden de normen uit de Wgh dan ook niet voor 30 km-wegen. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zijn bij de beoordeling van de geluidsbelastingen zijn de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de hoogste toelaatbare geluidsbelastingen van 63 dB gebruikt. Deze normen gelden voor een vergelijkbare weg met een 50 km-regime. Bij de twee woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. De geluidsbelastingen liggen binnen de geluidsnormen uit de Wgh. Op grond van de Wgh zijn de optredende geluidsbelastingen dan ook acceptabel.

Colofon

De Milieuadviseur Amsterdamseweg 86 6814 GG Arnhem 06 - 29 33 43 53 info@milieuadviseur.nl

Project: Gemeente: Projectnummer: Datum

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Groeneweg 31, Buurmalsen West Betuwe 21009 10 juni 2021

Opdrachtgever: Contactpersoon:

Legalexion Sander van Keulen

Inhoud 1 1.1 1.2 2 2.1 2.2 2.3 3 3.1 3.2 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2

Inleiding Aanleiding Doel van het onderzoek Wettelijk kader Toetsingskaders Zones Rekenmethodiek Uitgangspunten Selectie van geluidsbronnen Uitgangspunten en verkeersgegevens Resultaten Onderzoeksopzet Geluidsbelastingen Conclusie Toetsing aan de Wet geluidhinder Toetsing aan het Bouwbesluit 2012

3 3 3 4 4 5 6 7 7 7 9 9 9 11 11 11

Bijlagen Bijlage A: Geluidsbelastingen, in tabelvorm Bijlage B, Overzichtstekening 1: Grafische weergave van het model Bijlage C: Invoergegevens van het model

1

2

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Op het perceel Groeneweg 31 in Buurmalsen staat een bedrijfsgebouw. Dit bedrijfsgebouw wordt gesloopt. Op de vrijgekomen ruimte worden twee vrijstaande woningen gerealiseerd. In de onderstaande luchtfoto is de globale ligging van de twee woningen weergegeven:

Figuur 1: Globale ligging van de nieuwe woningen

1.2

Doel van het onderzoek De nieuwe woningen kunnen op basis van het huidige bestemmingsplan niet worden gerealiseerd. Om de bouw van de nieuwe woningen mogelijk te maken wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. In het kader van het nieuwe bestemmingsplan moet akoestisch onderzoek de akoestische haalbaarheid van de woningen aantonen ten opzichte van de omliggende geluidsbronnen (wegen, spoorwegen en gezoneerde industrieterreinen). Dit onderzoek heeft tot doel inzicht te geven in het akoestisch klimaat van de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen ten gevolge van wegverkeerslawaai.

3

2

Wettelijk kader

2.1

Toetsingskaders In het akoestisch onderzoek wordt getoetst op basis van verschillende toetsingskaders, te weten: • Wet geluidhinder (Wgh) • Gemeentelijk geluidbeleid • Bouwbesluit 2012 De Wet geluidhinder (Wgh) en het Bouwbesluit 2012 zijn landelijke wetgeving. Gemeentelijk geluidbeleid is beleid dat gemeenten kunnen opstellen voor het vaststellen van hogere grenswaarden. In onderstaande paragrafen staat een beknopte samenvatting weergegeven van de drie toetsingskaders.

2.1.1 Wet geluidhinder (Wgh) De Wet geluidhinder (Wgh) heeft als doel het beschermen van de mens tegen geluidhinder. In de Wgh worden twee soorten grenswaarden genoemd: • Voorkeursgrenswaarde1: deze waarde garandeert een goed woon- en leefklimaat. Voor woningen waarbij de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden zijn op basis van de Wgh geen aanvullende maatregelen noodzakelijk, zoals de verlening van hogere grenswaarden. • Hoogste toelaatbare geluidsbelasting: deze waarde geeft de hoogste gevelbelasting weer waarvoor op basis van de Wgh een hogere waarde kan worden vastgesteld. De hoogte van de grenswaarden varieert, afhankelijk van het type geluidsbron, de ligging van de geluidsgevoelige bestemming (binnen of buiten de bebouwde kom) en het soort geluidsgevoelige bestemming. In onderstaande tabel staan de voorkeursgrenswaarde en de hoogste toelaatbare geluidsbelasting voor de nieuwe woning weergegeven. De nieuwe woningen liggen in de bebouwde kom van Buurmalsen (stedelijk gebied).

Overzicht van de normen uit de Wgh

Voorkeursgrenswaarde Hoogste toelaatbare geluidsbelastingen

Wegverkeer

Railverkeer

Industrie

48 dB (art. 82 Wgh)

55 dB (art. 4.9 lid 1 Bgh)

50 dB(A) (art. 44 Wgh)

63 dB (art. 83 lid 2 Wgh)

68 dB (art. 4.10 Bgh)

55 dB(A) (art. 59 lid 1 Wgh)

Tabel 1: Overzicht van de grenswaarden

2.1.2 Gemeentelijk geluidbeleid Eventuele verlening van hogere grenswaarden bij de realisatie van nieuwe woningen vindt plaats door de gemeente. Door middel van gemeentelijk geluidbeleid kan de gemeente aanvullende eisen vastleggen voor de verlening van hogere grenswaarden. De gemeente West-Betuwe heeft geen gemeentelijk geluidbeleid vastgesteld in het kader van de verlening van hogere grenswaarden. Door het ontbreken van gemeentelijk geluidbeleid wordt bij de verlening van hogere waarden alleen getoetst aan de normen uit de Wgh.

1

4

Formele term in de Wgh: ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting

2.1.3 Bouwbesluit 2012 Bij een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh dreigt ook een overschrijding van de binnenwaarde uit het Bouwbesluit 2012. Bij verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen (voorheen: bouwvergunning) wordt de binnenwaarde getoetst aan het Bouwbesluit 2012. Bij weg- en railverkeerslawaai mag de binnenwaarde 33 dB bedragen. Bij industrielawaai bedraagt de binnenwaarde 35 dB(A). Wanneer de nieuwe woningen worden gerealiseerd nabij diverse geluidsbronnen, dient de geluidsbelasting van de verschillende geluidsbronnen bij elkaar te worden opgeteld (gecumuleerd). Bij de bepaling van de cumulatieve geluidsbelasting mag geen gebruik worden gemaakt van de aftrek op grond van artikel 110g van de Wgh (aftrek van 2 of 5 dB). Bij woningen waarvoor hogere waarden in het kader van de Wet geluidhinder zijn toegestaan, is aanvullend bouwakoestisch onderzoek noodzakelijk voor de bepaling van eventueel noodzakelijke gevelisolatie, zodat de binnenwaarde uit het Bouwbesluit 2012 wordt behaald. Wegen met een 30 km-regime hebben op basis van de Wgh geen onderzoeksplicht. Voor deze wegen kunnen op basis van de Wgh ook geen hogere waarden worden verleend. Doordat geen hogere waarde wordt vastgesteld is een formele toetsing aan de binnenwaarde uit het Bouwbesluit 2012 niet noodzakelijk.

Echter om een goed woon- en leefklimaat bij nieuwe woningen te garanderen is toetsing aan de binnenwaarde uit Bouwbesluit 2012 ook bij 30 km-wegen wenselijk.

2.2

Zones Langs wegen en spoorlijnen en rondom gezoneerde industrieterreinen liggen zogenoemde zones. Wanneer een nieuwe woning wordt gerealiseerd in de zone, is akoestisch onderzoek noodzakelijk.

2.2.1 Wegverkeer De zone van een weg bevindt zich aan beide zijden van de weg en is afhankelijk van het aantal rijbanen en de ligging van de weg. Er wordt gemeten vanuit de rand van de weg. De grootte van de zones staat beschreven in artikel 74 van de Wgh. In onderstaande tabel staan de zones weergegeven:

Zones langs wegen Aantal rijstroken

Stedelijk gebied

Buitenstedelijk gebied

1 en 2 3 en 4 5 en meer

200 meter 350 meter 350 meter

250 meter 400 meter 600 meter

Tabel 2: Overzicht van zones langs wegen

Uit artikel 74 lid 2 van de Wgh blijkt dat 30 km-wegen en woonerven geen zone kennen. Daarom hoeven ze niet te worden onderzocht op basis van de Wgh. Echter ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening wordt voor drukkere 30 km-wegen wel akoestisch onderzoek uitgevoerd.

5

2.2.2 Railverkeer Langs landelijke spoorwegen liggen referentiepunten, waarvoor is vastgelegd hoeveel geluid de spoorlijn mag produceren, zogenaamde geluidsproductieplafonds (GPP’s). De hoogte van de geluidsproductieplafonds is vastgelegd in het geluidsregister. De grootte van de zone van een spoorweg is afhankelijk van het geluidsproductieplafond en is vastgelegd in artikel 1.4a uit het Besluit geluidhinder (Bgh). De zone van een spoorweg ligt aan beide zijden van de spoorweg en wordt gemeten van de buitenste spoorstaaf. De wettelijke zone van een spoorweg is afhankelijk van de toegestane geluidsbelasting op het referentiepunt uit het geluidregister. De zones van spoorlijnen zijn weergegeven in onderstaande tabel:

Zones langs spoorwegen Geluidsproductieplafond

Zone

Kleiner dan 56 dB Tussen de 56 en 61 dB Tussen de 61 en 66 dB Tussen 66 en 71 dB Tussen 71 en 74 dB Groter dan 74 dB

100 meter 200 meter 300 meter 600 meter 900 meter 1.200 meter

Tabel 3: Overzicht van zones langs spoorwegen

Naast de landelijke spoorlijnen zijn er in Nederland ook niet-landelijke spoorlijnen, zoals RandstadRail en de sneltram in Utrecht. De zones van deze spoorlijnen zijn vastgelegd in de ‘Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder’.

2.2.3 Industrielawaai Rondom een bedrijventerrein waar ‘grote’ lawaaimakers zijn toegestaan, ligt een geluidszone. De grootte van de geluidszone is vastgelegd in het zonebeheersplan van het gezoneerde bedrijventerrein en in het bestemmingsplan rondom het gezoneerde bedrijventerrein.

2.3

Rekenmethodiek Met behulp van het ‘Reken- en meetvoorschrift geluid 2012’ (RMG 2012) zijn de geluidsbelastingen berekend voor weg- en railverkeer en de cumulatieve geluidsbelastingen. De geluidsbelasting voor weg- en railverkeer is berekend met Standaardrekenmethode 2, met behulp van het computerprogramma GeoMilieu, versie 2020.2. De cumulatieve geluidsbelasting is berekend op basis van Bijlage I, hoofdstuk 2: ‘Rekenmethode cumulatieve geluidsbelasting’ uit het RMG 2012. Hierbij wordt de gezamenlijke geluidsbelasting van de relevante geluidsbronnen (wegen, spoorwegen en industrielawaai) bepaald.

6

3

Uitgangspunten De nieuwe woningen staan nabij diverse geluidsbronnen. Aan de hand van de zones rondom de diverse wegen, spoorwegen en gezoneerde bedrijventerreinen kan worden bepaald voor welke geluidsbronnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd.

3.1

Selectie van geluidsbronnen In de omgeving van de nieuwe woningen bevinden zich wegen. Gezoneerde industrieterreinen en spoorlijnen zijn in de nabijheid van de nieuwe woningen niet aanwezig. Het plangebied ligt dan ook niet in de zones van gezoneerde industrieterreinen en spoorlijnen. Akoestisch onderzoek naar gezoneerde industrieterreinen en spoorlijnen is dan ook niet nodig. De nieuwe woningen liggen direct aan de Groeneweg. De Groeneweg heeft een 30 km/uur-regime. Formeel geldt voor deze weg volgens de Wgh geen onderzoeksplicht, omdat de maximaal toegestane snelheid 30 km/uur bedraagt. De verkeersintensiteit op de Groeneweg is dusdanig dat een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet kan worden uitgesloten. Daarom is in het kader van een goede ruimtelijke ordening toch akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de Groeneweg.

3.2

Uitgangspunten en verkeersgegevens

3.2.1 Harde en zachte bodem In het rekenmodel is als standaard bodemfactor gerekend met een harde bodem (Bf=0). De zachte bodemgebieden zoals tuinen en groen zijn gemodelleerd. Bij tuinen is een bodemfactor (Bf) van 0,5 (half hard en half zacht) aangehouden. Bij de plantsoenen, weilanden en groene bermen is een bodemfactor (Bf) van 0,8 aangehouden.

3.2.2 Waarneemhoogten De nieuwe woningen mogen maximaal10 meter hoog worden. De woningen kunnen maximaal 3 lagen met geluidsgevoelige ruimten krijgen. In onderstaande tabel worden vloerhoogten en waarneemhoogten weergegeven: Overzicht van waarneemhoogten

Begane grond Eerste verdieping Tweede verdieping Maximale bouwhoogte

Vloerhoogte in meters

Waarneemhoogte in meters

0,0 3,0 6,0 10

1,5 4,5 7,5 -

Tabel 4: Overzicht van de waarneemhoogten

7

3.2.3 Verkeersgegevens De Omgevingsdienst Rivierenland heeft de verkeersgegevens van de Groeneweg aangeleverd. De Omgevingsdienst schat in dat de verkeersintensiteit op de Groeneweg maximaal 300 mvt/e bedraagt. De verkeersintensiteit voor het maatgevende jaar 2035 is berekend met een autonome groei van 1,5 % per jaar. In onderstaande tabel zijn de etmaalintensiteiten voor het prognosejaar 2030 en het maatgevende jaar 2035 weergegeven:

Overzicht van de verkeersintensiteiten in mvt/e 2030 (prognosejaar)

2035 (maatgevend jaar)

300

323

Groeneweg

Tabel 5: Overzicht van de etmaalintensiteiten

In onderstaande tabel zijn de periode- en voertuigverdelingen weergegeven:

Periode- en voertuigverdelingen Dagperiode (07:00 t/m 19:00)

0,77

99,11

ZMV %

0,04

MZMV %

0,36

LMV %

99,60

%/uur

3,64

ZMV %

%/uur

0,07

Nachtperiode (23:00 t/m 07:00)

MZMV %

ZMV %

0,71

99,22

LMV %

MZMV %

6,61

LMV %

%/uur

Groeneweg

Avondperiode (19:00 t/m 23:00)

0,79

0,10

Tabel 6: Periode- en voertuigverdelingen

De overige uitgangspunten, zoals snelheid, verkeersdrempels, wegdek en toegepaste aftrek op grond van artikel 110g Wgh, van de onderzochte wegen zijn weergegeven in onderstaande tabel:

Overzicht van de overige uitgangspunten

Groeneweg

Wegdek

Verkeersdrempels

Maximum snelheid in km/u

Aftrek op grond van artikel 110g Wgh in dB

Dicht asfaltbeton (referentiewegdek)

Ja

30

52

Tabel 7: Overzicht van de overige uitgangspunten

Op de Groeneweg liggen verkeersdrempels. Bij deze verkeersdrempels is een obstakelcorrectie toegepast.

2

8

Op grond van de Wgh moet bij wegen met een snelheid tot 70 km/uur een aftrek voor het stiller worden van het verkeer (aftrek op grond van artikel 110g Wgh) van 5 dB worden toegepast. Voor 30 km-wegen is deze aftrek niet vastgelegd in de Wgh, omdat deze geen zone hebben. Bij lagere snelheden is wordt het aandeel motorgeluid hoger ten opzichte van het bandengeluid. Het is aannemelijk dat het motorgeluid in de toekomst sterk zal afnemen, door andere gebruik van elektrische en hybride auto’s, bij 30 km-wegen, bij deze wegen is dan ook de aftrek voor het stiller worden van het verkeer (aftrek op grond van artikel 110g Wgh) van 5 dB toegepast. Hiermee is aangesloten bij de Raad van State uitspraak bij het bestemmingsplan “Parijsch Zuid” in Culemborg (zaaknummer: 201304862/3/R2)

4

Resultaten

4.1

Onderzoeksopzet Voor de nieuwe woningen zijn de geluidsbelastingen afkomstig van de omliggende wegen berekend. De geluidsbelastingen zijn getoetst aan de normen uit de Wgh.

4.2

Geluidsbelastingen De geluidsbelastingen afkomstig van de onderzochte wegen zijn bepaald met behulp van standaardrekenmethode 2-berekening. De gebruikte rekenmethode voor wegverkeer is beschreven in het RMG 2012, bijlage III, behorend bij hoofdstuk 3: Weg. Alle berekende geluidsbelastingen zijn weergegeven in bijlage A in tabelvorm. In de onderstaande figuur staat de nummering van de waarneempunten die is gebruikt in het model:

Figuur 2: Nummering van de waarneempunten

De grafische weergave van het model is weergegeven in overzichtstekening 1, bijlage B. In deze tekening is onder meer de ligging van de verschillende waarneempunten te zien. In bijlage C zijn de invoergegevens van het model weergegeven. Mocht het bevoegd gezag voor de beoordeling van het akoestisch onderzoek het rekenmodel digitaal willen ontvangen, dan kan hiervoor contact worden opgenomen met Johan van der Burg van De Mil ieuadviseur.

9

4.2.1 Groeneweg In de onderstaande figuur zijn de geluidsbelastingen (Lden), inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh, per verdieping (begane grond/eerste verdieping/tweede verdieping) afkomstig van de Groeneweg weergegeven:

Figuur 3: Geluidsbelastingen afkomstig van de Groeneweg

De hoogste geluidsbelastingen afkomstig van de Groeneweg staan in de onderstaande tabel: Geluidsbelastingen afkomstig van de Groeneweg Hoogste geluidsbelastingen in dB (incl. aftrek op grond van artikel 110g Wgh van 5 dB) Woning 1 Woning 2

44 45

Toetsingskader Voorkeursgrenswaarde uit de Wgh Hoogste toelaatbare geluidsbelasting uit de Wgh

48 63

Tabel 8: Geluidsbelastingen afkomstig van de Groeneweg

Conclusie De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de Groeneweg, bedraagt 45 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. De omliggende 30 km-wegen hebben op basis van de Wgh geen zone. Formeel gelden de normen uit de Wgh dan ook niet voor 30 km-wegen. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zijn bij de beoordeling van de geluidsbelastingen zijn de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de hoogste toelaatbare geluidsbelastingen van 63 dB gebruikt. Deze normen gelden voor een vergelijkbare weg met een 50 km-regime. Bij de twee woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh.

10

5

Conclusie Op het perceel Groeneweg 31 in Buurmalsen staat een bedrijfsgebouw. Dit bedrijfsgebouw wordt gesloopt. Op de vrijgekomen ruimte worden twee vrijstaande woningen gerealiseerd. Door de nieuwe ontwikkeling worden woningen (geluidsgevoelige bestemmingen) gerealiseerd. Voor de realisatie van deze nieuwe woningen is akoestisch onderzoek verricht. De geluidsbelasting van de nieuwe woningen wordt getoetst aan de normen uit de Wet geluidhinder (Wgh).

5.1

Toetsing aan de Wet geluidhinder De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de Groeneweg, bedraagt 45 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. De omliggende 30 km-wegen hebben op basis van de Wgh geen zone. Formeel gelden de normen uit de Wgh dan ook niet voor 30 km-wegen. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zijn bij de beoordeling van de geluidsbelastingen zijn de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de hoogste toelaatbare geluidsbelastingen van 63 dB gebruikt. Deze normen gelden voor een vergelijkbare weg met een 50 km-regime. Bij de twee woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. De geluidsbelastingen liggen binnen de geluidsnormen uit de Wgh. Op grond van de Wgh zijn de optredende geluidsbelastingen dan ook acceptabel.

5.2

Toetsing aan het Bouwbesluit 2012 Op grond van het Bouwbesluit 2012 dient een akoestische binnenwaarde van 33 dB bij woningen ten gevolge van wegverkeerslawaai gegarandeerd te worden. Volgens artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2012 bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB. De hoogste cumulatieve geluidsbelasting op de woningen bedraagt 45 dB, inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh en afronding. De hoogste cumulatieve geluidsbelasting bedraagt daardoor 50 dB, exclusief aftrek ex artikel 110g. Om de binnenwaarde bij de woningen te halen, moet een minimale geluidsisolatie van (50-33=) 17 dB worden bereikt. Ter indicatie: volgens artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2012 bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB. Als de gevels van de nieuwe woningen voldoen aan het Bouwbesluit 2012, dan worden de binnenwaarden van 33 dB ook gehaald.

11

12

Bijlagen Bijlage A: Geluidsbelastingen, in tabelvorm

Projectnummer: 21009

Datum: 10 juni 2021

Geluidsbelastingen afkomstig van de Groeneweg (30 km/uur), in tabelvorm Waarneempunt

Wnp.01 Wnp.01 Wnp.01 Wnp.02 Wnp.02 Wnp.02 Wnp.03 Wnp.03 Wnp.03 Wnp.04 Wnp.04 Wnp.04 Wnp.05 Wnp.05 Wnp.05 Wnp.06 Wnp.06 Wnp.06 Wnp.07 Wnp.07 Wnp.07 Wnp.08 Wnp.08 Wnp.08 Wnp.09 Wnp.09 Wnp.09 Wnp.10 Wnp.10 Wnp.10 Wnp.11 Wnp.11 Wnp.11 Wnp.12 Wnp.12 Wnp.12

Waar- Ligging van neemde hoogte waarneemin meter punt 1,5 4,5 7,5 1,5 4,5 7,5 1,5 4,5 7,5 1,5 4,5 7,5 1,5 4,5 7,5 1,5 4,5 7,5 1,5 4,5 7,5 1,5 4,5 7,5 1,5 4,5 7,5 1,5 4,5 7,5 1,5 4,5 7,5 1,5 4,5 7,5

W01 W01 W01 W01 W01 W01 W01 W01 W01 W01 W01 W01 W01 W01 W01 W01 W01 W01 W02 W02 W02 W02 W02 W02 W02 W02 W02 W02 W02 W02 W02 W02 W02 W02 W02 W02

Lden in dB

Geluidsbelasting per periode in dB(A) (excl. aftrek ex artikel 110g Wgh) dagperiode

avondperiode

nachtperiode

(07:00 t/m 19:00)

(19:00 t/m 23:00)

(23:00 t/m 07:00)

Excl. aftrek ex art. 110g Wgh

Aftrek ex art. 110g Wgh

Incl. aftrek ex art. 110g Wgh

48,66 48,53 47,83 44,22 44,33 43,87 41,13 41,70 41,72 17,77 17,10 18,65 39,80 39,90 39,62 43,65 43,63 43,11 48,82 48,64 47,91 44,31 44,26 43,72 39,65 39,78 39,53 19,81 19,20 18,22 44,69 44,69 44,03 39,93 40,07 40,44

45,94 45,80 45,11 41,51 41,61 41,15 38,41 38,99 39,01 15,05 14,39 15,94 37,10 37,18 36,90 40,93 40,91 40,39 46,09 45,92 45,19 41,59 41,54 41,00 36,94 37,06 36,80 17,10 16,49 15,50 41,97 41,97 41,31 37,22 37,35 37,72

39,37 39,23 38,53 34,92 35,03 34,58 31,83 32,41 32,43 8,47 7,80 9,35 30,50 30,60 30,32 34,34 34,33 33,80 39,52 39,35 38,61 35,01 34,96 34,42 30,35 30,48 30,22 10,52 9,90 8,93 35,39 35,39 34,73 30,63 30,78 31,14

49,36 49,22 48,52 44,92 45,02 44,57 41,82 42,40 42,42 18,46 17,80 19,35 40,50 40,59 40,31 44,34 44,32 43,80 49,51 49,34 48,60 45,00 44,95 44,41 40,35 40,47 40,22 20,51 19,90 18,92 45,38 45,38 44,72 40,63 40,77 41,13

5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5

44,36 44,22 43,52 39,92 40,02 39,57 36,82 37,40 37,42 13,46 12,80 14,35 35,50 35,59 35,31 39,34 39,32 38,80 44,51 44,34 43,60 40,00 39,95 39,41 35,35 35,47 35,22 15,51 14,90 13,92 40,38 40,38 39,72 35,63 35,77 36,13

Hoogste geluidsbelastingen W01 W02 Hoogste geluidsbelasting

49 49 49

46 46 46

39 40 40

49 50 50

44 45 45

Toetsingskader Voorkeursgrenswaarde uit de Wgh Maximaal toelaatbare geluidsbelasting uit de Wgh

48 63

Pagina 1 van 1

Bijlage B, Overzichtstekening 1: Grafische weergave van het model

Overzichtstekening 1

De Milieuadviseur

Grafische weergave van het model Wegen Toetspunten Bodemgebieden Gebouwen Obstakels

434000

6224 2786

0m

40 m

2190

schaal = 1 : 1000

1989 1991

1988 1986 1987

1984

1985

4834 4859

1978

1974 1972

4475

1977 6341 6387 6420 6396 1976

2775

1973

2788

1975

1971 2789

19681969

1970

1981

1983 1980 1979

1982

4503

2841 2787 6482

4474 4858

4472

1967 2236

2235

2783

2777

1966 1965

1963

2770

1964 2234

1962 3685 3857 69 6346 21

6353 4460 4856

69 20

1931

1960

4452 6345

6339 6376 6394 1961

1959

4464

6325

4495

433800

6352

4481 4877

4496 4860 4487

2231

730

1958 2233

5

691

6 691

7 691

1597

1598

1600

554

1609 1603 1604

1605

1607

1749

6333

1762 1778 1792 6395 6340 6377 1773

1775

1751 1755 1793

5245

1599

1596 1595 977

1594

2271

3748

3618 3617

5239 1593

148000 Wegverkeerslawaai - RMW-2012, [Groeneweg - Groeneweg] , Geomilieu V2020.2 Licentiehouder: De Milieuadviseur

148200

1949 1918

1758 1760 1752 1776

1777 1990

8

1601 2272

4861

1610

6913 6909 1608 6910 6903 6908 6902 6914 6904 6912 6911 6907 69016906 1602 6905

1606

1957

2232

9 691

2 638869 3105

1784 1794 1782

148400

1783

Bijlage C: Invoergegevens van het model

Invoergegevens van het model Rapport: Model:

Lijst van model eigenschappen Groeneweg

Model eigenschap Omschrijving Verantwoordelijke Rekenmethode

Groeneweg Johan #2|Wegverkeerslawaai|RMW-2012|

Aangemaakt door Laatst ingezien door Model aangemaakt met

Johan op 9-6-2021 Johan op 10-6-2021 Geomilieu V2020.2

Dagperiode Avondperiode Nachtperiode Samengestelde periode Waarde Standaard maaiveldhoogte Rekenhoogte contouren Detailniveau toetspunt resultaten Detailniveau resultaten grids Zoekafstand [m] Max. reflectie afstand tot bron [m] Max. reflectie afstand tot ontvanger [m] Standaard bodemfactor Zichthoek [grd] Maximale reflectiediepte Reflectie in woonwijkschermen Geometrische uitbreiding Luchtdemping Luchtdemping [dB/km] Meteorologische correctie Waarde voor C0

07:00 - 19:00 19:00 - 23:00 23:00 - 07:00 Lden Gem(Dag, Avond + 5, Nacht + 10) 0 7,5 Groepsresultaten Groepsresultaten ---0,00 2 1 Ja Volledige 3D analyse Conform standaard 0,00; 0,00; 1,00; 2,00; 4,00; 10,00; 23,00; 58,00 Conform standaard 3,50

Geomilieu V2020.2 Licentiehouder: De Milieuadviseur

10-6-2021 09:20:06

Invoergegevens van het model Commentaar

Geomilieu V2020.2 Licentiehouder: De Milieuadviseur

10-6-2021 09:20:06

Invoergegevens van het model Rapport: Model:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/574/documents/12742