RV2022-134-bijlage-20211005 t_NL.IMRO.1960.BPTuilHaarstraat8-1701.pdf
Tekst van het document
4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
• • •
bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.
Planspecifiek Er is in het plangebied een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd door Blom Ecologie (nr. BE/2019/724/r, d.d. 29 november 2019): zie bijlagen bij toelichting, bijlage 3. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Gelderland. Op een afstand van circa 60 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. Op een afstand van circa 60 m ligt het Natuurnetwerk Gelderland. Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden (trillingen, geluid, optische verstoring, etc.). Voor deze effecten wordt verwacht dat ondanks de korte afstand naar het Natura 2000-gebied (60 m) er door de ligging van de Waalbandijk en de vele verkeersbewegingen op de Graaf Reinaldweg een barrièrewerking aanwezig is die deze (eventuele) effecten opheft. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Gelderland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Verder zijn kapwerkzaamheden beoogd van een solitaire wilg. Deze kapwerkzaamheden op de planlocatie, vallen onder type a, b, c en d. Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet meldingsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten.
De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Stikstofdepositie Een ontwikkeling mag niet leiden tot een toename in stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden. Derhalve dient in beeld gebracht te worden wat de mogelijke effecten van de ontwikkeling zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van het nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. Reeds in april 2020 zijn berekeningen met de Aerius Calculator uitgevoerd. Bij brief van 19 juni 2020 heeft de Omgevingsdienst Rivierenland aangegeven dat de berekeningen en de ecologische onderbouwing aan de eisen voldoen en dat er geen significant negatieve effecten zijn. Er zijn evenwel nieuwe Aeriusberekeningen uitgevoerd, ook omdat per 1 juli 2021 de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking is getreden, waardoor geen beoordeling meer nodig is van de stikstofuitstoot in de bouwfase. Bovendien is in deze nieuwe berekeningen rekening gehouden met het feit
25
dat er thans maximaal vijf paarden worden gehouden. Het aantal paarden zal in de nieuwe situatie niet toenemen, eerder afnemen aangezien het beschikbaar oppervlakte aan weide afneemt. De berekeningen tonen aan dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Met het oog op de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar. De betreffende nieuwe berekeningen (Buro SRO, d.d. 22-09-2021) zijn als bijlagen bij toelichting, bijlage 6 toegevoegd. Uitvoerbaarheid bestemmingsplan De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van algemene broedvogels en (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming (zie hieronder). De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Haarstraat 8 te Tuil uitvoerbaar is. Kamsalamander In aanvulling op de quickscan merkt Blom Ecologie het volgende op ten aanzien van de geschiktheid van de slotgracht als compensatie voor de kamsalamander.
De kamsalamander is een amfibie die meestal te vinden is in matigvoedselrijke, niet verzuurde en vegetatierijke poelen, vijvers en vennen; meestal in wateren nabij bosgebieden, bosranden of landgoederen. Echter is de verplaatsing van de soort erg laag, dit is meestal minder dan 1 km. Salamanders zijn over het algemeen minder flexibel dan bijvoorbeeld de gewone pad of bruine kikker. De dichtstbijzijnde waarneming (van 2019) in de omgeving van het plangebied is echter 2,6 km. Daarnaast is het plangebied omringd door wegen, waardoor het voor de kamsalamander moeilijk is om zich te verplaatsen naar het plangebied. Hierdoor wordt de kans klein dat de soort gebruik zal maken van een uitgegraven amfibieënpoel in het onderhavige plangebied. Samengevat kan gesteld worden dat het van waarde is voor een aantal soorten om een amfibieënpoel uit te graven of de grachten te verbeteren. Echter is de kans bijzonder klein dat de kamsalamander hiervan gebruik zal maken. Te treffen maatregelen
•
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht).
•
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
•
Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.
•
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
•
De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
•
De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
•
Mogelijke overwinteringslocaties van (algemene) amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.
26
4.8 Archeologie en cultuurhistorie 4.8.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet en de Wet op Archeologie en Monumentenzorg. Op basis van deze wetten zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Met betrekking tot het aspect archeologie heeft de raad van de voormalige gemeente Neerijnen op 25 september 2008 de Archeologische waarden- en beleidskaart voor het grondgebied van Neerijnen vastgesteld. Planspecifiek De volgende afbeelding toont een fragment van de archeologische beleidskaart.
Fragment archeologische beleidskaart Neerijnen
Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het plangebied in een gebied met een hoge archeologische verwachting ligt, terwijl een klein deel aan de oostelijke plangrens een lage verwachtingswaarde heeft. Het deel met een lage verwachtingswaarde is in het voorliggende bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Deze dubbelbestemming is alleen relevant bij projecten in het kader van de Tracéwet en projecten met een bodemingreep/ verstorende werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 10.000 m². In gebieden met een hoge archeologische verwachting is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 250 m² en dieper dan 50 cm. Uit archeologisch bureauonderzoek (Transect-rapport 671, d.d. 01-06-2015) blijkt dat het kasteelterrein oorspronkelijk uit een omgrachte centrale versterkte woontoren met voorburg bestond. Later, waarschijnlijk in de Nieuwe Tijd, zijn hieraan bijgebouwen toegevoegd. Vanaf de Nieuwe tijd fungeerde de voorburg en het
27
direct ervoor gelegen terrein als tuin. Dit is indicatief voor de ontwikkeling van het kasteelterrein tot landgoed. Het landgoed is in de 19e eeuw in verval geraakt. Tussen 1846 en 1872 wordt het zuidelijke bijgebouw gesloopt. Tussen 1872 en 1890 is de westelijk van het kasteelterrein gelegen boerderij gesloopt. Tussen 1890 en 1923 wordt vervolgens de versterkte woontoren afgebroken en de gracht voor een groot deel gedempt. Vanaf 1923 lijkt het hele plangebied als boomgaard in gebruik te zijn geweest. De resten van 'Het huis Klingelenburg bij Thuijl' bevinden zich in de ondergrond van het plangebied en worden direct vanaf maaiveld verwacht. De ondergrondse resten van het kasteel zijn van zeer groot archeologisch belang voor de (begin-)datering van het kasteel, de ontwikkeling van het kasteelterrein, de datering van de verschillende bouwfasen en het gebruik van het kasteel. In het westelijke deel van het plangebied worden bovendien de resten verwacht van een historische boerderij. In het westelijke deel van het plangebied zijn ook aanwijzingen voor de mogelijke aanwezigheid van een nederzettingsterrein uit de laat-romeinse tijd gevonden. Deze kunnen zich manifesteren in de vorm van een oude woongrond. In het archeologisch bureauonderzoek wordt geadviseerd om het ontwerp van de nieuwbouw optimaal af te stemmen op de archeologische verwachting van de ondergrond.
In de planvorming is rekening gehouden met de bevindingen uit het vooronderzoek. Zo is de woning niet geprojecteerd ter plaatse van de voormalige versterkte woontoren. Ook wordt de slotgracht niet verder uitgegraven, maar wordt deze wel beleefbaar gemaakt. Overeenkomstig het advies uit het archeologisch bureauonderzoek, is geofysisch onderzoek uitgevoerd waarmee de ondergrondse funderingsresten in kaart zijn gebracht: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4. Uit radaronderzoek is naar voren gekomen dat op de locatie vermoedelijk funderingen aanwezig zijn in de ondergrond: op drie tot vier locaties zijn duidelijk zichtbare objecten aanwezig die funderingsrestanten doen vermoeden. Bij de verdere planvorming is rekening gehouden met deze bevindingen. Door VUhbs archeologie is vervolgens een 'Verkennend en karterend booronderzoek' uitgevoerd (zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 5). Daarmee heeft een nadere afstemming op het bebouwingsvoorstel plaats gehad. Uit het onderzoek is gebleken dat op de locatie van het woonhuis vanaf een diepte van 80 à 90 cm onder het huidige maaiveld (2.53 – 2.09 m -NAP) en ter plaatse van de stal vanaf 50 à 90 cm onder het huidige maaiveld (2.35 – 2.92 m NAP) nog archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn.
Uitgaande van het huidige maaiveld als 0-peil en ook rekening houdend met een bufferzone van 30 cm boven het archeologisch niveau, betekent dit dat zowel de bouw van het woonhuis als de stal een mogelijk leiden tot een verstoring van het archeologisch bodemarchief. Er wordt ingezet op behoud in situ. Om behoud in situ mogelijk te maken zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk. In de eerste plaats dient de verstoring door de palen tot een minimum te worden beperkt. Hiervoor kan uitgegaan worden van de richtlijnen zoals vastgelegd in de Handreiking Archeologievriendelijk Bouwen. Daarnaast dient het terrein en daarmee het 0-peil te worden verhoogd zodat de graafwerkzaamheden worden beperkt tot minimaal 30 cm boven het archeologisch niveau. Uitgaande van het hoogste voorkomen van het archeologisch niveau, dienen de graafwerkzaamheden ter plaatse van het woonhuis beperkt te worden tot 50 cm onder het huidige maaiveld (2.83 m NAP). Dit komt neer op een ophoging van minimaal 44 cm. Ter plaatse van de stal dient de ontgraving beperkt te worden tot 20 cm onder het huidige maaiveld (3.22 m NAP). Dit komt hier neer op een benodigde ophoging van minimaal 67 cm. Eventuele verplaatsing van de woning of de stal wordt niet als gunstigere optie gezien, omdat het archeologisch niveau in het overige deel van het plangebied plaatselijk nog hoger voorkomt.
Indien de bovengenoemde maatregelen niet mogelijk of wenselijk zijn, wordt aanvullend onderzoek noodzakelijk geacht om te bepalen of hier daadwerkelijk archeologische sporen en/of resten aanwezig zijn. Geadviseerd wordt om dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek ter plaatse van het woonhuis en de stal met eventueel een doorstart naar opgraving van de volledige bouwput. Voor dit proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) verplicht dat voorafgaand aan het onderzoek dient te zijn goedgekeurd door de bevoegde overheid. Het is aan de bevoegde overheid, i.e. de gemeente West Betuwe, om op basis van dit advies een besluit te nemen ten aanzien van het vervolgtraject. De archeologische meldingsplicht blijft hoe dan ook van kracht. Wanneer tijdens de graafwerkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen, dan dient dit, conform art. 5.10 van de Erfgoedwet, direct te worden gemeld bij de bevoegde overheid.
28
Conclusie In de planvorming is rekening gehouden met de bevindingen uit het vooronderzoek. Zo is de woning niet geprojecteerd ter plaatse van de voormalige versterkte woontoren. Ook wordt de slotgracht niet verder uitgegraven, maar wordt deze wel beleefbaar gemaakt. Bovendien wordt het terrein opgehoogd zodat het archeologisch niveau niet bedreigd wordt, zodat vervolgonderzoek niet nodig is. Daarbij heeft het gebied met een hoge archeologische waarde de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' gekregen, waarbij onder andere is bepaald dat in beginsel geen grondwerkzaamheden dieper dan 50 cm en over een oppervlakte groter dan 100 m² zijn toegelaten. Het meest oostelijke deel van het plangebied heeft een lage archeologische waarde. dit deel is voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Deze gronden dienen alleen bij projecten in het kader van de Tracéwet en projecten met een bodemingreep/ verstorende werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 10.000 m² te worden onderzocht op eventuele archeologisch waardevolle resten.
4.8.2 Cultuurhistorie Op 5 februari 2014 heeft de gemeenteraad van de voormalige gemeente Neerijnen de Nota cultuurhistorisch beleid vastgesteld. Cultuurhistorie is de drager van de identiteit van de voormalige gemeente Neerijnen en daarmee de basis voor ontwikkelingen op het grondgebied van de gemeente. Het belang van de cultuurhistorie ligt met name in twee periodes:
•
De cultuurhistorie uit de periode 450 – 1965 heeft binnen deze beleidsterreinen de nadrukkelijke aandacht. In deze periode wordt de rivier beteugeld en krijgen de nederzettingen de definitieve plaats zoals wij die nu nog kennen. Op dat moment is het huidige grondgebruik definitief gestart.
•
Daarnaast heeft de periode van 52 voor Christus – 450 de aandacht. In deze periode vestigden de Betuwenaren (Batavieren), onder dwang van de Romeinen, zich in dit gebied waarmee een periode van blijvend gebruik van ons grondgebied aanving.
Planspecifiek Uit het archeologisch onderzoek (zoals beschreven in toelichting paragraaf 4.8.1) is een en ander over de geschiedenis naar voren gekomen. In het bureauonderzoek wordt geconcludeerd dat ondanks dat de gangbare informatiebronnen intensief zijn nagelopen op informatie over het kasteelterrein, het blijkt dat deze nauwelijks of zeer spaarzaam voorhanden zijn. Een gedetailleerde beschrijving van de geschiedenis van het kasteelterrein bestaat dus nog niet. Het huis wordt in historische bronnen voor het eerst in het begin van de 14e eeuw genoemd. Het terrein bestond oorspronkelijk uit een omgrachte versterkte woontoren met voorburg. De onderstaande afbeelding uit 1828 met als onderschrift “Het huis Klingelenburg bij Thuijl” laat de woontoren zien.
Een prent van ""Het huis Klingelenburg bij Thuijl", 1828 (Bron: Gelders Archief)
29
Het terrein is in de loop der tijd voorzien van bijgebouwen, die op het kadastrale minuutplan als ‘schuren’ worden aangeduid en naar alle waarschijnlijkheid uit de Nieuwe Tijd (1500-1800) dateren. Vanaf de Nieuwe tijd fungeerde de voorburg en het direct ervoor gelegen terrein als tuin. Dit is indicatief voor de ontwikkeling van het kasteelterrein tot landgoed. Het landgoed is in de 19e eeuw in verval geraakt. Tussen 1846 en 1872 wordt het zuidelijke bijgebouw gesloopt. Later wordt ook de westelijk van het kasteelterrein gelegen boerderij gesloopt. Aan het eind van de 19e eeuw worden de versterkte woontoren afgebroken en de gracht voor een groot deel gedempt. In het huidige landschap blijft weinig zichtbaar. Vanaf 1923 is het hele plangebied als boomgaard in gebruik genomen. De beoogde ontwikkeling van het voormalige landgoed draagt bij aan de beleving van het ondergrondse erfgoed. Momenteel is de historie van het kasteelterrein amper zichtbaar. In de nieuwe situatie wordt het kasteelterrein wederom beleefbaar gemaakt. De cultuurhistorie is de basis voor de ontwikkeling en sluit daarmee aan op het beleid van de gemeente.
4.9 Niet Gesprongen Explosieven Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks conventionele explosieven gevonden. Onder Conventionele Explosieven wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. Voorheen werden CE ook wel aangeduid als Niet Gesprongen Explosieven. Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomenen als blindganger achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grond- of waterbodemroerende werkzaamheden en kan gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Planspecifiek In verband met de voorgenomen (grond)werkzaamheden in het kader van dijkversterking van de Waaldijk tussen Gorinchem en Waardenburg is onderzocht of rekening moet worden gehouden met het aantreffen van conventionele explosieven (CE) uit de Tweede Wereldoorlog. Door Bombs Away B.V. is onderzoek uitgevoerd: 'Vooronderzoek Conventionele Explosieven Dijkverbetering Gorinchem-Waardenburg Gemeenten Gorinchem, Lingewaal en Neerijnen' (d.d.
30 januari 2015). Het doel van dit vooronderzoek is het vaststellen of er in de geraadpleegde bronnen indicaties zijn waaruit blijkt dat (delen van) het onderzoeksgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog betrokken is (zijn) geweest bij oorlogshandelingen waardoor er (mogelijk) CE op/in de bodem zijn achtergebleven. Uit het onderzoek blijkt dat het onderzoeksgebied verdacht is op de aanwezigheid van de volgende conventionele explosieven:
• •
geallieerde afwerpmunitie (afgeworpen); Duitse kleinkalibermunitie, hand- en geweergranaten, geschutgranaten, granaatwerpers en munitietoebehoren (gedumpt/achtergelaten);
•
geallieerde geschutmunitie (verschoten).
munitie
voor
De bevindingen zijn verwerkt op diverse kaarten. Hieronder is een uitsnede van het gebied in de nabijheid van het onderhavige plangebied weergegeven. Daaruit blijkt dat het westelijke deel van het plangebied mitrailleurstellingen (M) bevatte, waardoor dat deel van het plangebied verdacht is ten aanzien van geschutsmunitie. Dit deel heeft in het voorliggende bestemmingsplan de bestemming 'Groen'. Ter plaatse van waar grondwerkzaamheden nodig zijn voor de bouw van de beoogde woning en de bijbehorende bouwwerken, is geen sprake van een 'verdacht gebied'.
30
Kaartuitsnede Vooronderzoek Conventionele Explosieven Dijkverbetering Gorinchem-Waardenburg
Uit het onderzoek blijkt dat blijkt dat het deel van het plangebied waaraan de woonbestemming is toegekend, niet verdacht is voor wat betreft de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven. Bovendien hebben geen graafwerkzaamheden plaats, maar wordt er juist plaatselijk opgehoogd. Omdat het wandel/klompenpad niet gefundeerd is en er verder geen ingrepen voorzien zijn, hoeft er geen detectieonderzoek te worden uitgevoerd. Dit is nader afgestemd met Bombs Away. Gezien ook voorgaande onderzoeken, hebben zij het gehele gebied veilig verklaard. Niet gesprongen explosieven vormen geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.
4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek In de huidige situatie wordt het terrein gebruikt als weide voor schapen en paarden. Omdat het een hobbyterrein is en geen commerciële veehouderij, levert dit momenteel weinig verkeersgeneratie op. In de beoogde situatie zal het gebied getransformeerd worden tot een vrijstaande woning, met ook een beleefbaar archeologisch monument. De woning zal een verkeersgeneratie opleveren van circa 8,6 verkeersbewegingen per etmaal.
Het wandelpad aan de oostkant en ten zuiden van het perceel heeft een beperkte aantrekkende functie voor de buurt, met name voor wandelaars. Naar verwachting levert dit geen extra autobewegingen op. Gezien de geringe toename aan verkeersbewegingen heeft dit geen nadelige gevolgen voor de omgeving. Het onderdeel verkeer vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
31
4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. De gemeente West Betuwe heeft haar parkeernormen vastgelegd in het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019'. Hierin is geregeld dat moet worde voldaan aan de minimum parkeernormen, zoals opgenomen in de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen'. Planspecifiek Er dient hier uitgegaan te worden van 'niet stedelijk' en 'buitengebied'. Verder kiest de gemeente West Betuwe ervoor om de maximale parkeernorm te gebruiken. Dat komt in het voorliggende geval neer op een parkeernorm van 2,8 parkeerplaatsen. Dat is te realiseren op het eigen terrein. Zoals reeds in de vorige paragraaf staat beschreven is het wandelpad vooral aantrekkelijk voor wandelaars uit de directe omgeving. Naar verwachting leidt het niet tot extra parkeerdruk. Indien in de praktijk blijkt dat er toch een parkeervraag ontstaat, kan het college hierin voorzien middels (inrichtings-)maatregelen.
4.11 Duurzaamheid Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20 % reductie van de CO2-uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2020 dient verder de bijdrage van duurzame energie 14 % van het totale energieverbruik te zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 30 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. BENG Vanaf 1 januari 2021 geldt dat alle nieuwbouw moet voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EFBD).
Planspecifiek Tijdens het verdere ontwerp van de woning zal aandacht worden besteed aan het aspect duurzaamheid. Uitgegaan wordt van een energiezuinige woning en van gasloos. Er zal ten minste voldaan worden aan de wettelijke vereisten op basis van het Bouwbesluit. Hiertoe is door HBA B.V. een BENG-berekening uitgevoerd (rapport nr. 2021-2205, d.d. 03-02-2021). Bij de bouw zal voorts geen gebruik worden gemaakt van chemische bestrijdingsmiddelen en er worden geen uitlogende materialen toegepast. Verder wordt gedacht aan natuurinclusief bouwen, waarbij voorzien wordt in nestlocaties en schuilgelegenheden. Daarnaast zijn maatregelen voorzien ten aanzien van de watergangen waarmee de ecologische betekenis hiervan wordt vergroot.
32
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Ook de dubbelbestemmingen zijn in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen.
Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. Algemene regels In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels en algemene afwijkingsregels. Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
33
5.3 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Groen Het plangebied is grotendeels bestemd tot 'Groen', met de binnen de gemeente gebruikelijke mogelijkheden. In aanvulling daarop is het gebruik als 'park' toegestaan door het opnemen van extensieve dagrecreatie in de bestemmingsomschrijving. Daarnaast voorziet deze bestemming in het behoud en herstel van aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden. Binnen deze bestemming is tevens de realisering van een bijgebouw geregeld; deze is als zodanig aangeduid op de verbeelding. Binnen deze bestemming dient een openbaar wandelpad te worden aangelegd en in stand gehouden. Hiertoe is een voorwaardelijke verplichting opgenomen en er is een zone op de verbeelding aangeduid waarbinnen het betreffende pad wordt gerealiseerd ('specifieke vorm van groen - wandelpad'). Tuin De tuin in het plangebied is ondergebracht in de bestemming 'Tuin'. Binnen deze gronden laat het bestemmingsplan geen gebouwen toe, met uitzondering van erkers. Er zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegelaten. Daarnaast worden ook de bestaande toegangspijlers geregeld. Water De bestaande te handhaven en te verbreden watergangen en de ringsloot zijn voorzien van de bestemming 'Water'. Binnen deze bestemming is ook de benodigde watercompensatie opgenomen.
Wonen De functie van wonen is bepalend voor de toekenning van deze bestemming. Het hoofdgebouw (de woning) dient binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak te worden gebouwd, waarbij de maximale maten zijn opgenomen voor de goot- en bouwhoogte; resp. 7 en 12 meter. Verder is de mogelijkheid opgenomen tot het stellen van nadere eisen omtrent de plaatsing en massa van bebouwing en de plaatsing en afmetingen van andere bouwwerken, op basis van het bij de regels gevoegde Beeldkwaliteitsplan Haarstraat 8 Tuil (zie bijlage 1 bij de regels). Ondergronds bouwen is, mede gelet op de archeologische waarden, uitgesloten. Aan-, uitbouwen en bijgebouwen zijn eveneens binnen deze bestemming toegelaten, waarbij in dit geval uitgegaan wordt van een maximale gezamenlijke oppervlakte van aan-, uitbouwen en bijgebouwen van 150 m². Met die maat wordt aangesloten bij de mogelijkheden zoals die ook in het bestemmingsplan 'Buitengebied Neerijnen, veegplan 2017' worden geboden. Binnen deze bestemming worden de in de gemeente gebruikelijke mogelijkheden voor aan-huis-verbonden beroepen geboden. In de Algemene regels is een bepaling opgenomen ten aanzien van het parkeren. De regeling is ontleend aan het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019'. In verband hiermee is de bijbehorende gebiedsindeling als bijlage 2 bij de regels gevoegd.
Waarde - Archeologie 1 Het gebied heeft een hoge archeologische waarde en heeft daarom de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1' gekregen. Hierbij is bepaald dat in beginsel geen grondwerkzaamheden dieper dan 50 cm en over een oppervlakte groter dan 100 m² zijn toegelaten. Waarde - Archeologie 4 Het oostelijke deel van het plangebied heeft een lage archeologische waarde en heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' gekregen. Deze gronden dienen alleen bij projecten in het kader van de Tracéwet en projecten met een bodemingreep/ verstorende werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 10.000 m² te worden onderzocht op eventuele archeologisch waardevolle resten. Waterstaat - Waterkering Deze dubbelbestemming voorziet in een beschermingsregeling voor de waterkering en de bijbehorende beschermingszone. Voor werkzaamheden binnen deze zone is een aanvullende omgevingsvergunning
34
noodzakelijk. Voordat deze vergunning kan worden afgegeven dient nader advies ingewonnen te zijn bij het Waterschap Rivierenland. De begrenzing van deze bestemming is overgenomen uit het bestemmingsplan 'Dijkversterking Gorinchem - Waardenburg'. Vrijwaringszone - dijk 1 en vrijwaringszone - dijk 2 De gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk 1' regelt de bescherming, onderhoud en instandhouding van de primaire waterkering. De 'vrijwaringszone - dijk 2' regelt de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering, waarbij ook de regels van Waterschap Rivierenland gelden. De regelingen zijn overgenomen uit het bestemmingsplan 'Dijkversterking Gorinchem - Waardenburg'.
35
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
• • •
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van de ontwikkeling zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de bestemmingsplanprocedure zullen via de gemeentelijke legesverordening/gemeentelijke plankosten en de anterieure exploitatieovereenkomst aan de initiatiefnemer worden doorberekend.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Inspraak en vooroverleg Het voorontwerpbestemmingsplan heeft van 29 juni 2018 t/m 9 augustus 2018 voor eenieder ter inzage gelegen op het gemeentehuis van de toenmalige gemeente Neerijnen. Hierop zijn twee inspraakreacties ontvangen. Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg op 21 juni 2019 gezonden aan overlegpartners. Van twee instanties is een inhoudelijke reactie ontvangen. In een separate 'Nota beantwoording Inspraak en vooroverleg' zijn de ingekomen reacties samengevat en van een gemeentelijke beantwoording voorzien: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 7. Tevens is daarin aangegeven of de betreffende reactie aanleiding gaf tot aanpassingen in het ontwerpbestemmingsplan.
6.2.2 Zienswijzen Te zijner tijd zullen eventueel ingediende zienswijzen in een aparte reactienota worden beantwoord.
36