RV2022-134-bijlage-20211005 t_NL.IMRO.1960.BPTuilHaarstraat8-1701.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan
Kern Tuil, herziening Haarstraat 8 Gemeente West Betuwe
Planstatus:
ontwerp
Plan identificatie:
NL.IMRO.1960.BPTuilHaarstraat8-1701
Datum:
05-10-2021
Contactpersoon Buro SRO:
H.J.M. van Arendonk
Kenmerk Buro SRO:
SR190405
Opdrachtgever:
Fam. de Waal
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 4 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 4 1.3 Geldende bestemmingsplannen ......................................................................................................................... 5 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 6
2 Initiatief .................................................................................................................................................... 7 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 7 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 8
3 Beleid ..................................................................................................................................................... 12 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 13 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 14
4 Onderzoek .............................................................................................................................................. 16 4.1 Bodem ............................................................................................................................................................... 16 4.2 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 16 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 17 4.4 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 18 4.5 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 19 4.6 Water ................................................................................................................................................................ 20 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................
25 4.8 Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................................................... 27 4.9 Niet Gesprongen Explosieven ........................................................................................................................... 30 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 31 4.11 Duurzaamheid ................................................................................................................................................. 32
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 33 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 33 5.2 Planregels .......................................................................................................................................................... 33 5.3 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 34
6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 36 6.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 36 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 36
3
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens op een perceel aan de Haarstraat aan de rand van de kern Tuil een woonhuis te bouwen. Deze ontwikkeling geschiedt in samenhang met het opwaarderen van het terrein van het voormalige Huis Tuil (ook wel 'Huis Klingelenburg' of 'landgoed Klingelenburg' geheten). Het terrein vormt, door de aanwezigheid van ondergrondse restanten van Huis Tuil, een archeologisch monument. Onderdeel van de beoogde ontwikkeling is het beleefbaar maken van het archeologisch monument voor wandelaars. In ruil voor het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit is het mogelijk een woning te realiseren. Binnen het vigerende bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling niet mogelijk. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de benodigde bestemmingswijziging. Het college van Burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Neerijnen heeft bij brief van 13 mei 2016 geregeerd op het 'Principeverzoek medewerking herontwikkeling landgoed Huis Klingelenburg te Tuil'. Daarin gaf het college te kennen in principe bereid te zijn om medewerking te verlenen aan een bestemmingsplanprocedure, mits sprake is van het behoud van de resten van Huis Klingelenburg en een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Hierover heeft Gelders Genootschap diverse adviezen uitgebracht. Het voorliggende plan houdt rekening met de gemaakte opmerkingen.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan ligt aan de Haarstraat 8 aan de zuidelijke rand van de kern Tuil, gemeente West Betuwe (voormalige gemeente Neerijnen). Ten oosten van het plangebied ligt de nieuwbouwwijk Klingelenberg. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan de Waaldijk en de doorgaande Graaf Reinaldweg. Aan de overige zijden wordt het plangebied omgeven door woonpercelen en het voormalige pand van de basisschool Klingelenburg aan de westzijde. Navolgende afbeeldingen tonen de ligging en begrenzing van het plangebied.
Globale ligging plangebied (bron: google maps)
4
Globale begrenzing plangebied (bron: google maps)
1.3 Geldende bestemmingsplannen De gronden in het plangebied vallen binnen het bestemmingsplan 'Dijkversterking Gorinchem Waardenburg', vastgesteld door de gemeenteraad van West Betuwe op 26 januari 2021. In dat plan is het zuidelijke deel van het plangebied voorzien van 'vrijwaringszone - dijk 1', gericht op de bescherming, onderhoud en instandhouding van de primaire waterkering. Aan het noordelijke deel van het plangebied is 'vrijwaringszone - dijk 2' toegevoegd, als buitenbeschermingszone van de primaire waterkering. Kleine delen aan de zuidkant van het plangebied hebben ook de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Voorts heeft het gehele plangebied de bestemming 'Agrarisch'. Er zijn hier uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegelaten. Tevens gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde Archeologie 4'.
Plangebied binnen vigerend bestemmingsplan 'Dijkversterking Gorinchem - Waardenburg'
Voorts is de 'Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019' van de gemeente West Betuwe (vastgesteld op 30 juni 2020) van toepassing op het plangebied.
5
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante rijks-, provinciale, en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.
6
2 Initiatief
2.1 Huidige situatie Voorheen bevond zich aan de oostkant van het plangebied Huis Tuil (zie onderstaande prent uit 1828). Van de vroegere bebouwing is niets meer zichtbaar (bovengronds).
Een prent van "Het huis Klingelenburg bij Thuijl", 1828 (Bron: Gelders Archief)
Op dit moment is het voormalige kasteelterrein van Huis Tuil grotendeels in gebruik als weide voor schapen en paarden. Op dit moment (medio 2021) worden er maximaal vijf paarden gehouden. De voormalige slotgracht is nog zichtbaar; dit zijn de overblijfselen van de vroegere –veel bredere– grachten. Het voormalige kasteelterrein van Huis Tuil is begroeid met een verwilderde boomgaard. In de boomgaard zijn behoorlijke hoogteverschillen herkenbaar. De locatie waar het voormalige Huis Tuil lag, is een stuk hoger gelegen dan de rest van het plangebied.
Foto's bestaande situatie, met links de toegangspijlers en rechts het voormalige kasteelterrein
7
De entree van het terrein is bestaande uit een openslaand smeedijzeren hekwerk, gedecoreerd met "ezelsrug" en goudkleurig beschilderde bladmotieven aan boven- en onderzijde. Aan weerszijden zijn nietoorspronkelijke, in baksteen opgetrokken vierkante pijlers waarop een niet-authentieke, als diamantkoppen vormgegeven beëindiging. Op de pijlers de opschriften "Nieuw" en "Klingelenberg" (kasteel Neerijnen is het oorspronkelijke Klingelenburg). Op het landgoed van Huis Tuil heeft recent onderhoud plaatsgevonden, waarbij de onderbegroeiing is verwijderd en er een open landschap is ontstaan. De hoge bomen op het landgoed zijn bewaard gebleven. Ten westen van het plangebied ligt het voormalige gebouw van de basisschool Klingelenburg. De school heeft het verouderde gebouw verruild voor een pand in de ten noordoosten gelegen nieuwbouwwijk Klingelenberg. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan de doorgaande Graaf Reinaldweg. Langs de Haarstraat, waaraan het perceel ligt, bepalen vrijstaande woningen het straatbeeld.
2.2 Toekomstige situatie Het onderhavige perceel vormt een bijzondere locatie aan de rand van de kern Tuil. Voorheen heeft hier Huis Tuil gestaan, een versterkt woonhuis met voorburg. Eind 19e eeuw is de bebouwing verwijderd en is de gracht grotendeels gedempt. Momenteel is de historie van het terrein amper zichtbaar. Het voorliggende initiatief zorgt er voor dat het ondergrondse erfgoed op het oostelijke deel van het perceel weer beleefbaar wordt. Dat gebeurt in samenhang met het herontwikkelen van het landgoed en het realiseren van een markant, robuust woonhuis. De cultuurhistorie is de basis voor de ontwikkeling en sluit daarmee aan op het beleid van de gemeente. Inrichtingsstudie 2016-2017 Ten behoeve van de planvorming is een inrichtingsstudie verricht. In november 2016 zijn twee modellen vervaardigd. Daarin stonden het beleefbaar maken van de restanten van Huis Tuil, het aansluiten op de omgeving en de inpassing van een woonhuis centraal. De modellen zijn nader uitgewerkt in een inrichtingsvoorstel (Buro SRO, mei 2017). Dat voorstel gaat uit van de aanleg van grasland met incidentele bomen, wat in samenhang met de aanwezige hoogteverschillen, het voormalige Huis Tuil zichtbaar maakt. Ook de rest van het perceel wordt herontwikkeld, waarbij elementen van een landgoed terugkeren; een boomgaard, hagen etc.
Inrichtingsvoorstel (Buro SRO, mei 2017)
8
Wandelpad Het inrichtingsvoorstel uit 2017 gaat uit van een openbaar wandelpad over het perceel met twee aansluitingen op de Haarstraat, met zicht op de herstelde slotgracht. Met de toenmalige wethouder van de voormalige gemeente Neerrijnen is in 2016 besproken dat nauwgezet in de gaten zal worden gehouden of de openbaarheid tot ongewenste effecten of overlast leidt, waarna zonodig maatregelen worden getroffen. In het inrichtingsvoorstel uit 2017 is sprake van een doorsnijding van het onderhavige perceel met een openbaar toegankelijk wandelpad, wat tot allerlei mogelijke problemen leidt ten aanzien van aansprakelijkheid en veiligheid. Voor de initiatiefnemer speelt voorts de praktische bruikbaarheid van het westelijke perceelsgedeelte een rol: dat zou fors worden belemmerd als er een openbaar pad dwars over het perceel loopt. Juist omdat het een openbaar toegankelijk pad is, moet worden voorkomen dat wandelaars of honden zomaar het perceel en de eigendommen van initiatiefnemer kunnen betreden. Dat geldt overigens ook ter plaatse van de slotgracht, waar sprake is van kwetsbare flora en fauna. In het nu voorliggende voorstel is sprake van een openbaar toegankelijk wandelpad vanaf de Haarstraat, aan de oostkant binnen het plangebied.
Het pad sluit aan op een aan te leggen wandelpad in het dijklichaam van de Waaldijk (beheerstrook van Waterschap Rivierenland), met een aansluiting op de Kortestraat. Daarmee ontstaat een aantrekkelijk ommetje in het dorp. Het pad in het dijklichaam ligt bovendien wat verhoogd, waardoor het een goed zicht biedt op de slotgracht e.d. Dit is nader afgestemd met Waterschap Rivierenland. Initiatiefnemers zijn voornemens om aan het wandelpad een informatiebord te plaatsen met daarop bijvoorbeeld een afbeelding van het historische gebouw, een schets van de archeologische restanten van de boerderij en het kasteel, maar ook de indicatie van de Romeinse artefacten. Beeldkwaliteitplan Het bouwen van een woonhuis op de oorspronkelijke plek van Huis Tuil is overwogen, maar dat zou ten koste gaan van het ondergrondse erfgoed. Om die reden is er voor gekozen om het woonhuis elders op het perceel te situeren, met de sfeer van een kasteelboerderij ensemble (zie ook het bij de regels gevoegde Beeldkwaliteitplan Haartraat 8 Tuil, bijlagen bij de regels, bijlage 1). Dit is afgestemd met het Gelders Genootschap. In hun advies van 1 december 2017 wordt specifiek ingegaan op de beoogde bouwmogelijkheden. Bij de uitwerkingen is het initiatief nog diverse keren besproken met het Gelders Genootschap.
Bebouwingsvoorstel De inrichtingsstudie uit 2017 is nader uit gewerkt in een bebouwingsvoorstel voor een herenhuis en een bijgebouw door Spanjer Architect. De woning is gepositioneerd op het verlengde van de as van de Appelenburg, zodat deze een prominente plek op het perceel heeft. Het bijgebouw met paardenverblijven en bergruimten heeft een L-vorm en is gepositioneerd op de zuidwestelijke hoek van het bouwvlak. Hierdoor ‘omarmt’ dit gebouw samen met de woning het centrale deel van het perceel. De positie van de bebouwing is in overleg met de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit zo bepaald en door hen akkoord bevonden. In verband met de hoge archeologische verwachting (zie toelichting paragraaf 4.8.1) wordt het terrein ter plaatse van het bouwvlak enigszins opgehoogd en wordt geen kelderverdieping toegepast. Er wordt een robuust hoofdgebouw voorgesteld in twee lagen met een kap. Het ontwerp is gebaseerd op de typologie van een kasteelboerderij. De woning heeft een samengestelde vorm met subtiel getrapte gevels welke verwijzen naar de oorspronkelijke kasteelboerderij. De materialisering alsook de detaillering van de woning is sober doch doeltreffend en kenmerkt zich door een natuurlijk kleurenpalet. Het ontwerp van het bijgebouw sluit qua materialisering en detaillering aan bij de woning, waardoor een architectonische eenheid ontstaat.
Bebouwingsvoorstel woonhuis (bron: Spanjer Architect, 9 september 2021)
9
Bebouwingsvoorstel bijgebouw (bron: Spanjer Architect, 9 september 2021)
Het bebouwingsvoorstel is enkele keren beoordeeld door het Gelders Genootschap. Zij geven aan dat het aangepaste plan aansluit op de uitgangspunten welke zijn vastgelegd in het Beeldkwaliteitsplan. Het aangepaste ontwerp is eenduidig in hoofdvorm en materialisatie. Welstandshalve en vanuit het oogpunt van cultuurhistorie kan dan ook op hoofdlijnen ingestemd worden met het ontwerp met in acht name van enkele bemerkingen. Het bebouwingsvoorstel is aangepast op de opmerkingen van het Gelders Genootschap (advies nr. 2102076 d.d. 14-04-2021, met aanvulling 22-07-2021). In dat advies wordt ook ingegaan op de bijbehorende landschappelijke inpassing. Landschappelijke inpassing Het bebouwingsvoorstel is nader uitgewerkt met een voorstel voor de landschappelijke inpassing door Michel van Loon architectuur voor tuinen en buitenplaatsen (september 2021). In het plangebied wordt de locatie van het voormalige kasteel, een archeologisch monument, zichtbaar gemaakt. De begroeiing rond de slotgracht zal zodanig zijn dat de contouren van het voormalige kasteel zichtbaar blijven. De oever van de slotgracht zal natuurlijk blijven met de bestaande flora en fauna. Verder worden de bomengroep en bosschages in het noordoostelijke deel van het plangebied gehandhaafd. Verder wordt voorzien in een groente- en/of kruidentuin, een vogelbosje, enkele solitaire bomen en een streekeigen hoogstamboomgaard.
De boomgaard zal tevens als weide voor schapen gebruikt worden en wordt voorzien van weidemengselgras en een bloemenakker. In verband met de archeologische waarden van het gebied, wordt het terrein enigszins opgehoogd ter plaatse van het bouwvlak. Dat sluit aan op het huidige geaccidenteerde terrein, zodat er een natuurlijke situatie ontstaat. Mede in verband met de benodigde afscherming ten opzichte van een openbaar toegankelijk wandelpad, wordt tevens een laag hekwerk beoogd in combinatie met een vlechtheg en een elzensingel. In overleg met het Waterschap Rivierenland zal gekeken worden dat langs het door het Waterschap aan te leggen deel van het wandelpad eventueel de knotwilgen worden verplaatst dan wel een nieuwe oorspronkelijke beplanting zal komen. De entree tot het nieuwe woonhuis heeft plaats vanaf de bestaande toegangspoort aan de Haarstraat, die al vele jaren in gebruik is. De verharding binnen het plangebied zal bestaan uit een uit klinkers bestaande entree tot het bijgebouw en een tuinpad/terras tot aan het woonhuis. Voor de parkeerplaats, voor 3 auto’s, wordt gedacht aan het gebruik van grind.
10
Landschappelijke inpassing (bron: Michel van Loon architectuur voor tuinen en buitenplaatsen, september 2021)
In de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met de benodigde watercompensatie (zie toelichting paragraaf 4.6.3 sub 2). Hiertoe wordt de sloot aan de noordzijde van het plangebied over een lengte van 33,4 m verbreed. Dit wordt voorafgaand aan de realisatie van de woning uitgevoerd. Tevens is rekening gehouden met de dijkversterking Gorinchem - Waardenburg, aan de zuidzijde van het plangebied. In dat verband wordt de afwatering zodanig gerealiseerd dat het water via een drainagesysteem naar het westen wordt afgevoerd en er geen belemmeringen ontstaan bij de bouw binnen het plangebied. Hierbij worden sloten aan de zuid- en westzijde van het plangebied gedempt. Uit onderzoeken is gebleken dat er geen nadelige situaties zullen ontstaan zoals 'piping'. Wel dient er een 'drempel' voor de afvoer naar de sloot te komen, die zorgt voor een voldoende hoge waterstand bij hoogwater, waardoor voldoende tegendruk ontstaat. Dit is meegenomen in de landschappelijke inpassing.
11
3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal, voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Het plan is dusdanig kleinschalig dat het geen directe relatie heeft met de Nationale Omgevingsvisie.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de NOVI zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Voorliggend initiatief raakt niet aan één van de 14 in het Barro geformuleerde rijksbelangen.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel,
12
woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Onderhavige ontwikkeling betreft de toevoeging van slechts één woning en is daarmee niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet noodzakelijk.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Gelderland De Omgevingsvisie Gaaf Nederland is vastgesteld op 19 december 2018. In de Omgevingsvisie staat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. De provincie Gelderland legt bij de uitoefening van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities – op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economisch vestigingsklimaat en op het woon- en leefklimaat – wordt daaraan richting gegeven. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland bevat thematische visieschetsen. De schetsen zijn een grove schets van in het oog springende bestaande en nieuwe initiatieven, kansen, mogelijkheden en ontwikkelingen. De ambities die hieruit volgen zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer. Circulaire economie: sluiten van kringlopen. Biodiversiteit: werken met de natuur. Bereikbaarheid: duurzaam verbonden. Vestigingsklimaat: Een krachtige, duurzame topregio! Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam.
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling sluit met name aan bij de ambitie voor woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. De provincie streeft naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. De volgende ambities zijn hierbij van belang:
• • •
Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. We benutten de bestaande bebouwde omgeving optimaal met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. In 2035 zijn alle (bestaande) wijken van het aardgas. Woningen in Gelderland zijn in 2050 klimaatneutraal.
Met de beoogde ontwikkeling wordt een goed duurzame, geïsoleerde en aardgasloze woning gebouwd. Tevens worden voormalige cultuurhistorische kenmerken van het terrein in ere hersteld. Door de beoogde woning op een andere plaats dan het oorspronkelijke Huis Tuil te bouwen blijft het ondergronds erfgoed bewaard. De beoogde ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast. Het voorstel gaat uit van de aanleg van grasland met incidentele bomen, wat in samenhang met de aanwezige hoogteverschillen, de slotgracht en het voormalige Huis Tuil zichtbaar maken. Er wordt voorzien in een openbaar pad vanaf de Haarstraat dat ook langs de herstelde slotgracht leidt. Ook de rest van het perceel wordt herontwikkeld, waarbij elementen van een landgoed terugkeren; een boomgaard, hagen etc. De beoogde ontwikkeling zorgt voor een kwaliteitsimpuls van het plangebied. Er is sprake van een dynamische, diverse en duurzame woon- en leefomgeving.
13
3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland Met een omgevingsverordening stelt de provincie regels aan bestemmingsplannen van gemeenten. De provincie Gelderland heeft op 24 september 2014 de omgevingsverordening vastgesteld, die vervolgens op 18 oktober 2014 in werking is getreden. Deze omgevingsverordening is vervolgens meerdere keren partieel gewijzigd. Voor de beoordeling van het onderhavige bestemmingsplan is getoetst aan de geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland van december 2018. De provincie beschikt over een palet van instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De omgevingsverordening is er een van. De verordening voorziet ten opzichte van de omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De omgevingsverordening richt zich net zo breed als de omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de omgevingsverordening.
Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. De verwachting is dat de omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Planspecifiek In artikel 2.2.1.1 van de omgevingsverordening wordt gesteld dat in een bestemmingsplan nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts worden toegestaan wanneer dit past in het geldende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma (KWP) successievelijk de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio. Het aantal geprojecteerde woningen is zeer gering (1 woning). Het KWP stelt ten aanzien van onderhavige locatie en onderhavige ontwikkeling geen specifieke eisen waarmee rekening gehouden dient te worden. Daarnaast is het plangebied aangewezen als intrekgebied. Deze gebieden krijgen in een bestemmingsplan geen bestemming die de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maakt. Van voornoemde bestemmingen is met onderhavig bestemmingsplan geen sprake. De ontwikkeling is niet in strijd met de omgevingsverordening Gelderland.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Neerijnen 2020 De gemeente West Betuwe heeft nog geen structuurvisie opgesteld. Er wordt daarom getoetst aan de Structuurvisie Neerijnen 2020, opgesteld door de voormalige gemeente Neerijnen. De structuurvisie is zowel omwille van de gewijzigde wetgeving als beleidsinhoudelijke motieven opgesteld. Bij het opstellen van de structuurvisie is invulling gegeven aan twee opgaven:
•
een evaluatie van de samenhang en actualiteit van de verschillende beleidsuitgangspunten binnen de gemeente. Wanneer nodig zijn de beleidsuitgangspunten bijgesteld;
•
het nader concretiseren van de zoekzones voor landschapsversterking uit de Omgevingsvisie.
In de structuurvisie wordt het ingezette beleid uit de Visie Wonen en Werken waar nodig aangevuld, aangescherpt en bijgesteld. Iedere kern binnen de gemeente wordt specifiek beschreven. Hierbij wordt het bestaande beleid ten aanzien van de verschillende sectorale aspecten weergegeven. Planspecifiek In de structuurvisie is het plangebied aangeduid als bestaand stedelijk gebied. Er worden geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied. De structuurvisie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
14
3.3.2 Woonvisie Neerrijnen 2012-2020 Bij aanvang van het proces voor de onderhavige woning was de Woonvisie 2012-2020 van de voormalige gemeente Neerijnen (vastgesteld juni 2012) van toepassing. In die visie staat de afstemming van het aanbod op de vraag centraal. In dit verband is relevant dat het college van Burgemeester en wethouders op 13 mei 2016, in reactie op het 'Principeverzoek medewerking herontwikkeling landgoed Huis Klingelenburg te Tuil', aangegeven heeft dat het de gemeenteraad geadviseerd heeft om voor de woningtoename gebruik te maken van de hardheidsclausule, waarmee in dit specifieke geval, afgeweken kan worden van de Woonvisie.
3.3.3 Woonvisie West Betuwe 2020-2030 De Woonvisie West Betuwe 2020-2030 'Wonen naar behoefte' betreft de koers tot 2030 waarbij samengewerkt wordt aan een woningmarkt die klaar is voor de toekomst en aansluit op de behoeften van inwoners. Het moet zorgen voor kernen waar jong en oud naar tevredenheid wonen. Om die reden streeft de gemeente een gezonde mix tussen koop- en sociale huurwoningen, rekening houdend met verschillende doelgroepen, zoals ouderen, starters of huurders. Tevens biedt het ruimte voor de inwoners in de verschillende kernen van de gemeente. Nieuwe woningen in iedere kern. In totaal worden er tot 2030 ongeveer 2200 woningen gebouwd verdeeld over de 26 dorpen en stadjes. Daarnaast streeft de gemeente naar huizen die passen bij het landschap en het karakter van de Betuwe. Planspecifiek De onderhavige woning voorziet in de behoefte en past binnen de in de Woonvisie vermelde plancapaciteit (nieuwe vrije ruimte). Bovendien zijn het bebouwings- en inrichtingsvoorstel zorgvuldig afgestemd op de bijzondere plaatselijke omstandigheden, waarmee sprake is van een plan dat past bij het landschap en het karakter van west Betuwe. Het voorliggende initiatief sluit dan ook aan bij de uitgangspunten van de gemeentelijke Woonvisie.
15
4 Onderzoek Een bestemmingsplan dient voorzien te zijn van een goede ruimtelijke onderbouwing. Dit houdt in dat verschillende ruimtelijke en milieutechnische aspecten onderzocht moeten worden. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening op de verschillende aspecten ingegaan. Daarbij moet gedacht worden aan de aspecten bedrijven en milieuzonering, lucht, ecologie, externe veiligheid, geluid en water.
4.1 Bodem In het kader van een bestemmingsplan moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij herinrichtingssituaties is doorgaans een bodemonderzoek noodzakelijk in het kader van de Woningwet. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. In het kader van de zorgplicht kan bij gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik een bodemonderzoek echter ook noodzakelijk zijn. Planspecifiek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1, Bakker Milieuadviezen, BM/23126-2017). Op basis van dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:
•
De bovengrond van 0,30 cm-mv is in 2 mengmonsters onderzocht. In beide mengmonsters is kwik licht verhoogd aangetroffen en in 1 van de 2 mengmonsters is lood ook licht verhoogd aanwezig. Beide verhogingen vormen geen enkele belemmering voor de bestemming wonen. De extra onderzochte bestrijdingsmiddelen (OCB) zijn niet verhoogd aangetroffen. Dit bevestigt hetgeen de opdrachtgever heeft medegedeeld, namelijk dat op het terrein waarschijnlijk nooit fruitbomen hebben gestaan;
•
In de kleiige ondergrond zijn de gehalten van alle parameters uit het standaardpakket beneden de AW2000 aangetroffen; In het grondwater is het gehalte aan barium boven de streefwaarde aangetroffen. Dit is een gangbare, niet relevante verhoging.
•
Op grond van de verkregen resultaten vormt de kwaliteit van de bodem geen enkele belemmering voor de bestemming wonen. Er is geen reden om aan te nemen dat de bodemkwaliteit op het overige perceel afwijkt van de kwaliteit op het onderzochte terreindeel.
4.2 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten
16
die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Ten tweede moet bekeken worden of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt slechts 1 woning gerealiseerd.
De voorgenomen ontwikkeling kan, gelet op de omvang van de ontwikkeling (<1.500 woningen), gezien worden als een NIBM-project; de ontwikkeling heeft niet in betekenende mate invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het uitvoeren van de plannen op deze locatie. Tevens blijkt uit raadpleging van de NSL-monitoringstool (2016) dat de luchtkwaliteit wat betreft NO2 en PM10 in en om het plangebied in het jaar 2015 met resp. 23 µg/m³ en 20 µg/m³ ruimschoots aan de norm van 40 µg/m³ voldoet. Wat betreft de concentratie PM2,5 wordt met een waarde van 13 µg/m³ ook ruimschoots aan de betreffende norm van 25 µg/m³ voldaan. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (een bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2). Graaf Reinaldweg In het akoestisch onderzoek is de optredende geluidsbelasting ten gevolge van de Graaf Reinaldweg bepaald. Uit het onderzoek volgt dat de hoogste berekende Lden-waarden voor wegverkeerslawaai in de uitgangssituatie 57 dB is, inclusief de aftrek volgens artikel 110 g Wgh. Dit betekent dat er niet wordt
17
voldaan aan de voorkeursgrenswaarde maar dat de maximaal toelaatbare waarde niet wordt overschreden. Het is niet mogelijk om op deze locatie aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Daarbij zijn maatregelen aan de bron en in het overdrachtsgebied niet doelmatig en stedenbouwkundig, verkeerstechnisch en financieel niet haalbaar. A2 De A2 ligt buiten de wettelijke zone conform de Wet geluidhinder. Uit nader onderzoek door de Omgevingsdienst Rivierenland blijkt de geluidbelasting op het plan ten gevolge van de A2 hoger te zijn dan de voorkeursgrenswaarde. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet deze geluidbelasting worden meegewogen. Aangezien het plan buiten de wettelijke zone conform de Wet geluidhinder ligt, is het aanvragen van een hogere waarde niet noodzakelijk. Uit de berekeningen van de omgevingsdienst blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van de A2 maximaal 52 dB bedraagt op de oostgevel. Dit is lager dan de maximaal toelaatbare grenswaarde van 53 dB. De geluidbelasting is ook lager dan de geluidbelasting ten gevolge van de Graaf Reinaldweg. Op basis van de geluidbelasting ten gevolge van de Graaf Reinaldweg zullen maatregelen worden getroffen om de binnenwaarde te beperken. Daarmee wordt automatische ook de geluidbelasting ten gevolge van de A2 beperkt.
Aangezien overeenkomstig de methodiek van de Wet geluidhinder een toelaatbare situatie kan worden gecreëerd, kan worden gesteld dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie In verband met de geluidsbelasting ten gevolge van de Graaf Reinaldweg is het noodzakelijk om voor de ontwikkeling een hogere waarde aan te vragen. Deze procedure dient parallel te lopen aan het bestemmingsplantraject.
4.4 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek Wonen wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige functie. Derhalve is gekeken naar de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van het plangebied. Vanwege de diversiteit aan bestemmingen rond het plangebied kan de omgeving worden aangemerkt als 'gemengd gebied'.
18
Zoals in de VNG publicatie staat vermeld, kan bij het type gemengd gebied de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. De dichtstbijzijnde bedrijven/inrichtingen zijn: Adres
Inrichting
SBI2008
Milieu categorisering
Haarstraat 2
kringloopwinkel (detailhandel) Heeren van Tuil (bed & breakfast) Hervormde kerk Tuil
471
St. Antoniestraat 2 Langstraat 12
Afstand tot plangebied
1
Richtafstand gemengd gebied 0m
5510
1
0m
50 m
9491
2
10 m
130 m
15 m
Voorgaande bedrijven bevinden zich op voldoende afstand tot het plangebied. Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast bevindt zich ten zuiden van de Graaf Reinaldweg een loswal. In het geldende bestemmingsplan Buitengebied heeft dat terrein een bedrijfsbestemming, waarbij ten hoogste bedrijven in categorie 2 zijn toegelaten met een richtafstand van 30 meter. De afstand tot dat bedrijf is veel groter, dus ook dit bedrijf vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid.
4.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
19
Planspecifiek Navolgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart externe veiligheid.
Fragment risicokaart externe veiligheid met globale ligging plangebied (rode omcirkeling)
Uit die afbeelding blijkt dat in de directe omgeving (straal van 500 meter) van het plangebied geen risicovolle inrichtingen of transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde risicobron betreft een transportroute voor gevaarlijke stoffen over water, de Waal. De afstand tot de rivier is circa 600 m. Gezien de afstand vormt deze transportroute geen belemmering. Volgens de Risicokaart ligt er op een afstand van circa 1.000 meter een buisleiding. Het betreft een Defensie Pijpleiding. Voor de buisleiding geldt een PR-contour 10-6 van 0 meter. De projectlocatie ligt dus niet binnen een risicovolle contour. De planlocatie ligt tevens op een afstand van 1.000 meter van de snelweg A2. Uit bijlage I van de Regeling basisnet blijkt dat op het weggedeelte van de A2 een PR 10-6-risicocontour geldt van 0 meter. De PR 10-6risicocontour reikt derhalve niet tot aan het plangebied. Over deze weg vinden wel transporten plaats van brandbare vloeistoffen (LF1, LF2), brandbare gassen (GF2 en GF3) en toxische stoffen (LT1, LT2 en GT3). Gezien de afstand vormt deze transportroute geen belemmering. Daarnaast worden in het plangebied ook geen nieuwe risicovolle activiteiten mogelijk gemaakt en vormen de bestaande woningen de kwetsbare objecten. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
20
4.6.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
4.6.2 Beleid Waterschap Rivierenland Het waterbeheer voor de gemeente West Betuwe is in handen van het Waterschap Rivierenland. Het speerpunt van het beleid van het Waterschap Rivierenland is 'duurzaam en klimaatbewust'. Om een duurzaam en klimaatbewust waterbeheer te kunnen realiseren, beschikt het waterschap over een klimaatneutraal kantoor, koopt men duurzaam materiaal in, levert het duurzaam terreinbeheer en duurzame energiemaatregelen. Het Waterschap Rivierenland is het eerste waterschap in Nederland dat is toegetreden tot het klimaatverbond. Dit instituut verenigt Nederlandse overheidsorganisaties die daadkrachtig werken aan het verankeren van een beter klimaatbeleid en de uitvoering ervan op lokaal niveau. Het lidmaatschap moet zorgen voor nieuwe inspiratie voor de ingeslagen weg van duurzaamheid. In het kader van de speerpunten van het beleid is het waterschap verantwoordelijk voor, en werkt het voortvarend aan, een duurzaam waterbeheer voor een veilig en leefbaar Rivierenland. Hierbij heeft het een visie die bestaat uit een missie, een aantal kernwaarden en een toekomstbeeld. De kerntaak is het waterbeheer in Rivierenland. Wederom is het aspect veiligheid een belangrijk onderdeel. Het uitvoeren van de taken doet het waterschap door middel van het inzetten van technische middelen en bijzondere
21
capaciteiten, te weten: dijkbeheer, muskusrattenbestrijding, beheer van watersystemen, waterzuivering, vaarwegenbeheer en grondwaterbeheer. Het waterschap draagt de verantwoordelijkheid bij het inzetten van de middelen en beschikt over de noodzakelijke kennis om tot een juiste inzet te komen. Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden, kansen benutten' Het waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden, kansen benutten'. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode wil bereiken en hoe men dat wil doen. Voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen in het stedelijk gebied streeft het Waterschap minimaal naar het stand-still beginsel. Dit houdt in dat door bouwplannen de waterhuishouding niet mag verslechteren, bij eventuele verhardingen dient hiervoor dan ook gecompenseerd te worden in de vorm van open water. Als vuistregel kan gehanteerd worden dat voor 1 ha verharding ter compensatie 2.180 m² = 436 m³ open water moet worden gerealiseerd.
Er is eenmalig een vrijstelling van 500 m² (stedelijk gebied) en 1.500 m² (landelijk gebied) toename van verhard oppervlak mogelijk bij kleinschalige particuliere initiatieven. 4.6.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Watergangen Aan de noord- en zuidzijde van het plangebied is een A-watergang aanwezig. Rondom deze watergang is een beschermingszone aanwezig. In een dergelijke zone is het verboden om zonder vergunning bepaalde werkzaamheden uit te voeren. De volgende afbeelding toont een fragment van de legger van het Waterschap Rivierenland.
Fragment legger Waterschap Rivierenland
Waterkering Het bouwvlak ligt buiten de contouren van het profiel van de vrije ruimte (PVVR). In het op 26 januari 2021 vastgestelde bestemmingsplan 'Dijkversterking Gorinchem - Waardenburg' is het meest zuidelijke deel van
22
het plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Dat betreffende gebied is thans grotendeels buiten het plangebied gelaten (is ook geen eigendom meer van initiatiefnemer).I Verder zijn de gebiedsaanduidingen 'vrijwaringszone - dijk 1', voor de bescherming, onderhoud en instandhouding van de primaire waterkering en 'vrijwaringszone - dijk 2' voor de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering overgenomen in het voorliggende bestemmingsplan, Waterafvoer Het afvalwatersysteem van de ontwikkeling wordt zodanig vormgegeven dat het regenwater kan worden afgekoppeld. Het overige vuilwater wordt afgevoerd middels de riolering. Watercompensatie Een toename aan verharding van meer dan 500 m² in stedelijk gebied dient volgens de regels van het Waterschap Rivierenland in de vorm van nieuw open water te worden gerealiseerd. Een toename aan verharding zorgt er namelijk voor dat het regenwater sneller op het oppervlaktewater zal afstromen. Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat er geen verslechtering van de huidige situatie mag optreden. Om te voorkomen dat het regenwater dat door de realisatie van de woning en verharding nauwelijks in de boden dringt, zal het regenwater direct afstromen naar het slotenstelsel rondom het perceel, met name naar het noorden gezien het aflopende grondoppervlak.
Om te voorkomen dat er wateroverlast ontstaat is de aanleg van extra waterberging van belang. Dit is inmiddels gerealiseerd via de sloot aan de noordzijde. Het Waterschap Rivierenland heeft berekend dat er via deze sloot voldoende capaciteit is om het water te kunnen afvoeren. In de huidige situatie is het plangebied nergens verhard. De realisatie van de woning in het bouwoppervlak resulteert in een nieuw verhard oppervlak bestaande uit dakoppervlak en bestrating. Ter plaatse van het nieuwe verharde oppervlak kan het regenwater niet of nauwelijks in de bodem dringen. Dit impliceert dat bij een flinke regenbui het oppervlaktewatersysteem een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen. De 'extra' afvoer van hemelwater wordt in deze situatie geneutraliseerd door de bergingscapaciteit van het watersysteem te vergroten. De compensatiemaatregel kan in hetzelfde peilgebied worden gerealiseerd. Hiervoor komt de sloot aan de noordzijde van het perceel in aanmerking. Dit oppervlaktewaterlichaam kan worden verbreed waarbij de weggegraven grond op het perceel kan worden verwerkt. Daar deze sloot grenst aan de bebouwde kom kan worden gesproken van “stedelijk gebied”. Dit is relevant voor de bepaling van de hoogte van de compensatiemaatregel. In de situatie van de Haarstraat 8 is dus sprake van een stedelijk gebied. De voorgenomen ontwikkeling gaat gepaard met de volgende toename van verharding:
• • • •
dakoppervlak 175 m²; bijgebouw 250 m²; oprit 100 m²; erfverharding (60%) 90 m².
De toename van verhard oppervlak bedraagt in totaal 615 m². De vrijstelling voor de compensatie voor dit gebied is 500 m². Derhalve is watercompensatie noodzakelijk van 115 m². Dit resulteert in een compensatieberekening die er als volgt uitziet: 115*0,0436 m³= 5,014 m³ benodigde waterberging. Dit komt overeen met een wateroppervlak van circa 16,7 m² op zomerpeil (43,6 m³/0,3 m peilstijging). Hiertoe zal de sloot aan de noordzijde van het plangebied, aan de Haarstraat, over een lengte van 33,4 m tot een maximale bodembreedte van 2 m worden verbreed. De verbreding is uitvoerbaar aan beide zijden van de historische toegangspoort. Deze werkzaamheden zijn inmiddels uitgevoerd. De verbreding van de sloot ligt binnen de Buitenbeschermingszone Binnendijks. In de buitenbeschermingszone zijn (diepe) ontgrondingen alleen toegestaan, als door het hydrologisch en geotechnisch onderzoek is aangetoond dat er geen negatief effect is op de algehele stand zekerheid van de waterkering en dat de verbreding geen effect heeft op de 'piping' en de stabiliteit van de dijk. Hiertoe is een check uitgevoerd door de Graaf Reinaldalliantie in relatie tot het nieuwe dijkontwerp: 1.
Hydrologische toets: De verbreding van deze sloot kan voor een verhoogde kans op 'piping' onder de dijk zorgen. Daar de locatie van de verbreding niet in verbinding staat met de rivier door een in
23
2.
de ondergrond gelegen zandbaan, is er, al uitgaande van het nieuwe dijkontwerp (zie hieronder), geen verhoogde kans op 'piping'. Geotechnische toets: Een verbreding van deze sloot kan voor een verhoogde kans op instabiliteit van de dijk zorgen. De sloot wordt niet dieper en wordt niet meer dan maximaal circa 1m verbreed. Derhalve is deze ingreep niet significant en is er geen negatief effect op de stabiliteit van de dijk, al uitgaande van het nieuwe dijkontwerp.
Er zijn geen verdere belemmeringen want de maximaal toegestane breedte van 7 meter wordt hierdoor zeker niet overschreden; de huidige bestaande sloot is momenteel 150 cm breed. Toetsing hydraulische afvoer De watercompensatie is bij betreffende sloot geen probleem, deze sloot wordt bij de dijkversterking gedeeltelijk gedempt. Er is geen beschoeiing die belemmerend zou werken voor verbreding. Het perceel blijft mede hierdoor droog. Recent is door het Waterschap Rivierenland berekend dat een dergelijke situatie het ontvangende systeem van de kern van het dorp Tuil aankan. Vanuit de dijkversterking wordt nog steeds voor de optie (B) gegaan betreft de afvoer van het gebied ten westen van Tuil. Relatie met dijkversterking Aan de zuidzijde van het plangebied wordt de dijkversterking Gorinchem-Waardenburg gerealiseerd. Het geprojecteerde bouwvlak bevindt zich buiten de contouren van het profiel van de vrije ruimte (PVVR), wat van belang is in verband met toekomstige dijkversterkingen (zie oranje lijn aan landzijde dijk op onderstaande afbeelding van het Ontwerp projectplan Waterwet voor de dijkversterking GorinchemWaardenburg). Het bouwvlak ligt buiten het gebied van de activiteiten om de dijkversterking te realiseren. Vanuit de versterkingswerkzaamheden zijn er geen belemmeringen.
Ontwerp projectplan Waterwet voor de dijkversterking Gorinchem-Waardenburg
De afwatering bij de dijkversterking wordt bij de aanleg zodanig gerealiseerd dat het water via een drainagesysteem naar het westen wordt afgevoerd en er geen belemmeringen ontstaan bij de bouw binnen het plangebied. Hierbij zal de sloot aan de landzijde van de dijk ter hoogte van het voorliggende plangebied geheel gedempt worden. Uit onderzoeken is gebleken dat er geen nadelige situaties zullen ontstaan zoals 'piping', bij zowel de bouw als bij de bestaande slotgracht. Wel dient er een 'drempel' voor de afvoer naar de sloot te komen, die zorgt voor een voldoende hoge waterstand bij hoogwater, waardoor voldoende tegendruk ontstaat. Tevens wordt in het kader van de dijkversterking aan de westzijde van het perceel de aanwezige sloot deels gedempt ter voorkoming van 'piping'.
24
Conclusie Er heeft een toename van verhard oppervlakte plaats, waardoor watercompensatie is vereist. Hiertoe is de bestaande watergang aan de noordzijde van het plangebied reeds verbreed. Deze verbreding heeft geen effect op de piping en de stabiliteit van de dijk. Voor de toename van het verhard oppervlak en voor de verbreding van de watergang wordt een watervergunning aangevraagd. Tevens wordt in verband met de dijkversterking sloten aan de zuid- en westzijde van het plangebied gedempt. Uit onderzoeken is gebleken dat er geen nadelige situaties zullen ontstaan zoals 'piping'. Er zijn dan ook geen belemmeringen vanuit het aspect water.