RV2022-128-bijlage-gids-voor-ruimtelijke-kwaliteit-WB-2022.pdf
Tekst van het document
PLANMATIGE
TUINDORPEN Tuindorpen zijn ontstaan aan het begin van de negentiende eeuw. Als alternatief voor de overvolle stad en diens ongezonde woonomstandigheden werden woonwijken gebouwd waarin de menselijke maat en de individuele woning weer een grote rol spelen. In Nederland was het gedachtegoed van architect Granpré Moliér bepalend voor de tuinwijkgedachte. Omdat de tuin een belangrijk onderdeel vormde in de tuinwijkgedachte heeft elke woning zijn eigen tuintje. Bovenwoningen werden dus vermeden. Kenmerkend is de uniformiteit van de stedenbouwkundige indeling en de architectuur en het oog voor detail en individualiteit. Ook is de overgang van privé ruimte naar de openbare weg zorgvuldig vormgegeven. De huizen zijn opgetrokken uit baksteen, soms gestukadoord in lichte kleuren, en afgedekt met forse doorgaande daken voorzien van rode pannen, dakoverstekken en brede goten. De gevels zijn voorzien van ornamenten, houten kozijnen, rechthoekig van vorm en regelmatig onderverdeeld met stijlen en roeden. De detaillering is ambachtelijk. Alleen in Geldermalsen kan een klein gebied worden getypeerd als tuindorp.
48 49
2
50 51
De gids voor Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente West Betuwe
51
50
Deel III deelgebieden & niveaus
TRADITIONELE STROKEN- EN BLOKVERKAVELING De verkaveling van uitleggebieden vlak na de Tweede Wereldoorlog (de jaren ’50 en ’70) wordt gekenmerkt door een eenvoudig patroon van rechte straten, vaak gerelateerd aan de oorspronkelijke landschappelijke structuur, en met een symmetrisch straatprofiel en straatgericht wonen. De bouwblokken bestaan veelal uit twee bouwlagen, afgedekt door een zadeldak. De blokken hebben wisselende lengtes, variërend van vrijstaande, twee-onder-één-kapwoningen en rijtjeswoningen. De herhaling en gelijkvormigheid van de woonblokken, met eenvoudige hoofdmassa’s en kapvormen en de doorlopende gootlijn, zorgen voor rust en samenhang. Van oorsprong hebben de straten een open straathoek. Er is een duidelijk onderscheid tussen voor- en zijgevel. De indeling van de woningen is duidelijk afleesbaar in de gevel. In het begin van de Wederopbouwperiode, vlak na de Tweede Wereldoorlog, is de architectuur traditioneel en ambachtelijk en is metselwerk de hoofddrager van de gevelindeling. Later is deze, onder invloed van nieuwe bouwmethodieken, eenvoudiger en meer rationalistisch en wordt het gebruik van de eerste geprefabriceerde elementen zichtbaar. De woning scheidende wanden geven de ritmiek aan in de gevel en daartussen zijn geprefabriceerde puien gemonteerd als voor- en achtergevel.
Deze gevels zijn horizontaal verdeeld in borstweringen en gevelopeningen en het ambachtelijke metselwerk is beperkt tot de kopgevels.
/
De Degids gidsvoor voorRuimtelijke RuimtelijkeKwaliteit Kwaliteit Gemeente West Betuwe
WOONERVEN Als reactie op de traditionele stroken- en blokverkaveling, die als zakelijk en monotoon werden ervaren, is in de jaren ’70 meer gebouwd in relatie tot de ‘menselijke’ schaal. Intimiteit en ruimte voor de kinderen om op straat te spelen werden het uitgangspunt van het woonerfconcept. Kenmerkend voor de stedenbouwkundige opzet van deze wijken is het grillige stratenpatroon met weinig doorgaande wegen. De woonerven zijn sterk naar binnen gericht en informeel ingericht. De stoep ontbreekt en de auto is te gast. Bij de woningen die zijn geclusterd rondom de woonerven ontbreekt een duidelijk onderscheid tussen voor- en achterkanten. Deze wijken bestaan hoofdzakelijk uit ééngezinswoningen. Geledingen in de dakvlakken en verspringingen in de rooilijn, onder andere doordat de bergingen vaak voor de woningen zijn geplaatst, zorgen voor diversiteit en kleinschaligheid in de openbare ruimte. De diversiteit aan architectuurstijlen is groot maar altijd ingetogen en introvert. De detaillering is eenvoudig.
52 53
De gids voor Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente West Betuwe
53
52
Deel III deelgebieden & niveaus
THEMATISCHE WONINGBOUW In de jaren tachtig ontstaat een veelvormige postmoderne stedenbouw en architectuur. Er is veel aandacht besteed aan de architectonische en stedenbouwkundige uitstraling. De wijken kennen verschillende architectuurthema’s, gerelateerd aan de stedenbouwkundige situatie waarmee de individualiteit van een wijk of buurt tot uitdrukking kan worden gebracht. In tegenstelling tot de woonerven is weer gestreefd naar een helder onderscheid tussen openbaar en privé. Architectuur en openbare ruimte zijn in samenhang ontworpen. De voorzijde is gericht naar de straat en de achtertuinen zijn aan binnengebieden gelegen. De samenhang wordt bepaald door de ritmische herhaling van massa’s, vormen en het specifieke architectuurbeeld. De complexwaarde is hierbij belangrijk. De vormgeving varieert van eigentijdse architectuurstijlen met opvallende vormen, materialen en kleuren tot historiserende woonbebouwing in landelijke of klassieke stijlen. Het kleur en materiaalgebruik is niet meer onder één noemer te brengen en erg verschillend per wijk of complex.
/
De Degids gidsvoor voorRuimtelijke RuimtelijkeKwaliteit Kwaliteit Gemeente West Betuwe
INDIVIDUELE WONINGBOUW Deze buurten en gebieden bestaan uit vrijstaande en twee- onderéén- kapwoningen in één of twee bouwlagen met kap, die onderling een grote variatie vertonen. Er is meestal sprake van woningen uit verschillende tijdsperioden. Projectmatige woningbouw komt in deze buurten niet of nauwelijks voor. De straten hebben veelal een dorps en groen karakter. Dit wordt bepaald door de dorpse uitstraling van de architectuur van de woningen en de maat en inrichting van de bijbehorende tuinen. De variatie ontstaat door verschillen in situering, stijl, vorm, kleur, materiaal en detaillering. De bebouwing is overwegend op de openbare ruimte georiënteerd en het straatbeeld wordt gevormd door de woningen gezamenlijk. De inrichting van de openbare ruimte bestaat daarbij vaak uit een straat die begeleid wordt door een trottoir en bomen. Een te grote verscheidenheid in verschijningsvorm tussen de woningen onderling werkt meestal negatief omdat hierdoor een onsamenhangend straatbeeld kan ontstaan. Dit hangt af van de grote van de kavels c.q. de afstand tussen de woningen onderling. Met name na de jaren ’90 zijn de kavels kleiner geworden en de woningen groter, waardoor meer samenhang in architectuur nodig is. Bij recente plannen is soms zelfs beeldregie toegepast om een zekere samenhang te verkrijgen.
–
–
54
Deel III deelgebieden & niveaus
–
BELEIDSNIVEAU
KEUZE
> Verandering en handhaving van het (bebouwings)beeld zijn beide mogelijk, zowel naar structuur als naar architectuur, maar altijd met behoud van stedenbouwkundige
–
> Bij herontwikkelingen worden erfafscheidingen langs achtererven, grenzend
–
aan de openbare ruimte, mee ontworpen.
–
> De aanwezige groenstructuren vormen een
–
belangrijke kwaliteit in de woonbuurten.
–
De ambitie is om deze te behouden.
–
> Nieuwbouw is bij voorkeur natuurinclusief ontworpen, dat wil zeggen dat in het ontwerp maatregelen zijn geïntegreerd om de lokale biodiversiteit te versterken.
BOUWPLAN EN OMGEVING HET BOUWPLAN: tast de waarde en kernkwaliteiten van het deelgebied en de stedenbouwkundige of landschappelijke structuur niet aan; versterkt de kwaliteit van de omgeving en de openbare ruimte en levert een positieve bijdrage aan de leefbaarheid en sociale veiligheid van de omgeving; vormt een versterking van markante stedenbouwkundige en landschappelijke ruimten en locaties; richt zich op de openbare ruimte en de toegang vanaf het openbaar gebied is duidelijk herkenbaar; markeert het onderscheid tussen openbaar en privégebied duidelijk; heeft op zichzelf een evenwichtige opzet, die tot uitdrukking komt in samenhangende maatverhoudingen van buitenruimten, bouwvolumes, massa-opbouw, kapvorm en vlakverdelingen;
BOUWPLAN OP ZICH HET BOUWPLAN: – tast de kernkwaliteiten van het ensemble en/of de gebouwtypologie niet aan; – sluit aan op de omgeving voor wat betreft positie, hoofdvorm, maat en schaal; – heeft een herkenbaar en consequent uitgewerkt ontwerpconcept met esthetische kwaliteiten en de architectuur- en bouwstijl is afgestemd op de omgeving. GEVEL, MATERIAAL, DETAILLERING & KLEUR HET BOUWPLAN: – heeft een samenhangende gevelindeling en kleurgebruik en een materialisering waarvan de kwaliteit ook op langere termijn behouden blijft; – integreert installaties voor energieopwekking in het ontwerp; – maakt bij voorkeur gebruik van duurzame materialen en materialen die beschikbaar zijn om zo afvalstromen te beperken en meer in te zetten op hergebruik.
Planmatige woonbuurten
maat en schaal van de kern.
/
De Degids gidsvoor voorRuimtelijke RuimtelijkeKwaliteit Kwaliteit Gemeente West Betuwe
–
KERNKWALITEITEN De stedenbouwkundige structuur wordt bepaald door de specifieke gebiedskenmerken, de planmatig ontworpen stedenbouwkundige opzet en de samenhang per bouwblok en tussen de bouwblokken onderling. De openbare ruimte is veelal in samenhang met de bebouwing ontworpen en wordt bepaald door het profiel van de straat en de compositie van de begeleidende woningbouw. Het onderscheid tussen openbaar- en privégebied is afhankelijk van het bebouwingsthema en niet altijd duidelijk aanwezig. De typologie en architectuur van de bebouwing is afhankelijk van het bebouwingsthema maar kent een grote samenhang per bouwblok, straat en/of buurt. Er is wel een grote diversiteit tussen de architectuur van de verschillende bebouwingsthema’s onderling. De bebouwing bestaat overwegend uit twee lagen met kap. Een afwijkend maat en schaal komt voor. Gevelindeling, materiaal, detaillering en kleur is bepaald per bouwblok en afhankelijk van de bebouwingstypologie of het architectuurthema. De gevarieerdheid wordt bepaald door diversiteit van de bouwblokken onderling.
K
> Nieuwbouw past bij het dorpse karakter en de
De gids voor Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente West Betuwe
WAARDE Tuindorp-woningbouw wordt gewaardeerd vanwege de ambachtelijk architectonische uitstraling die vrijwel iedereen aanspreekt. De traditionele blokverkaveling wordt gewaardeerd vanwege de heldere opzet, de eenheid binnen de bebouwing en de groene buitenruimten. De woonerven zijn aantrekkelijk door het kleinschalige, knusse karakter en de informele sfeer. De thematische woningbouw is met aandacht voor individuele woonwensen tot stand gekomen en vertoont meer variatie in vormgeving en expressie. Het openbaar gebied in deze buurten is zorgvuldig mee-ontworpen. Van waarde voor deze woongebieden is de samenhang op het niveau van het bouwblok in het straatbeeld, onafhankelijk van de typologie. Bij de individuele woningbouw wordt juist het gevarieerde bebouwingsbeeld, de verschillende architectuurstijlen en het open en groene karakter van de wijken gewaardeerd.
RICHTLIJNEN
en/of landschappelijke waarden. > Bouwmassa’s voegen zich binnen uitersten van de omgeving.
55
KERNKWALITEITEN
AMBITIES
54 55
Planmatige woonbuurten
WAARDE &
3 GEBIEDEN MET EEN BIJZONDERE
57
56
Deel III deelgebieden & niveaus
De gids voor Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente West Betuwe
56 57
MAATSCHAPPELIJKE VOORZIENINGEN EN INSTELLINGEN EN INSTITUTEN VOOR O.A. ONDERWIJS EN ZORG Dit zijn grootschalige gebouwen of bebouwingscomplexen die een zelfstandige positie innemen in een woonbuurt, een dorpskern of in het landelijk gebied en die, door hun specifieke functie, een eigen individueel karakter hebben. Binnen de kernen zijn deze gebouwen door hun onderscheidene karakter vaak goed herkenbaar en dragen daardoor bij aan de oriëntatie binnen een dorp. De bebouwing kan op de openbare ruimte georiënteerd zijn, maar ook, bij complexen op een relatief groot eigen terrein, alleen gericht zijn op het eigen gebied. Voor deze complexen geldt dat ze een eigen gezicht mogen hebben. De eigen stedenbouwkundige opzet en architectonische uitstraling kan belangrijker zijn dan een afstemming van beide op de buurt waarin ze staan. De architectuurstijl is verschillend per gebouw/complex en afhankelijk van de periode waarin gebouwd is en de functie die er gehuisvest.
/
De Degids gidsvoor voorRuimtelijke RuimtelijkeKwaliteit Kwaliteit Gemeente West Betuwe
FUNCTIE
59
58
Deel III deelgebieden & niveaus
De gids voor Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente West Betuwe
RECREATIEGEBIEDEN In het buitengebied zijn een aantal gebieden te onderscheiden als groot recreatiegebied. Dit zijn Lingebos gelegen nabij de A15 aan de zuidoostzijde van Spijk, De Rotonde, gelegen langs de A2 bij de afslag naar Enspijk, en Betuwestrand, gelegen ten noorden van Beesd eveneens nabij de A2. Deze parken zijn gesitueerd naast een waterplas. De parken voorzien in chalets, trekkershutten en staanplaatsen voor caravans en tenten. Daarnaast staan er enkele gebouwen met algemene voorzieningen. Typerend is de naar binnen gekeerde opzet van de recreatieparken. Bebouwing is gericht op de interne wegenstructuur of op de waterplas.
58 59
SPORTCOMPLEXEN De sportcomplexen zijn meestal gelegen aan de rand van de bebouwde kom. Het zijn grote open ruimtes van sportvelden en parkeergelegenheden omringd door hoog opgaand groen. Onder de sportcomplexen valt ook het omvangrijke, in het buitengebied gelegen golfterrein onder Spijk. De bebouwing op deze complexen bestaat uit clubgebouwen met sanitaire voorzieningen, kleedkamers en kantinefuncties. Ook tribunes en sporthallen komen voor. De bebouwing speelt meestal een ondergeschikte, maar niet onbelangrijke rol in het ruimtelijke beeld van sportterreinen. Ze zijn als solitaire objecten in de ruimte geplaatst en afhankelijk van de achterliggende functie voorzien van zeer gesloten of juist open gevels.
WOONWAGENKAMPEN In het buitengebied ligt ten zuiden van Rumpt een woonwagenkamp bestaande uit min of meer mobiele woningen en enkele bedrijfsloodsen behorende bij een handelsonderneming. Ook binnen de bebouwde kom komen op enkele locaties woonwagenkampen voor. De woonwagens bestaan uit rechthoekige hoofdvormen van één bouwlaag afgedekt met een schildkap of een zadelkap voorzien van wolfseinden. De gevels zijn meestal opgebouwd uit steenstrips en/of kunststof in een lichte kleurstelling.
/
De Degids gidsvoor voorRuimtelijke RuimtelijkeKwaliteit Kwaliteit Gemeente West Betuwe
PARKEN, GROENGEBIEDEN EN BEGRAAFPLAATSEN Parken, groengebieden en begraafplaatsen komen verspreid in de kernen voor. Ze vinden hun oorsprong op diverse wijze. Oude vormen van groen in dorpskernen zijn brinken, begraafplaatsen kerk- en marktpleinen. Soms zijn het ingesloten gebieden met een agrarische bestemming. Naoorlogse groengebieden zijn meestal mee ontworpen als plantsoenen, groene lobben in de stedenbouwkundige structuur tussen verschillende wijken, als restgroen of als buffer voor verkeerslawaai.
KEUZE
> Verandering en handhaving van het (bebouwings)beeld zijn beide mogelijk, zowel naar structuur als naar architectuur, maar altijd met behoud van stedenbouwkundige
is architectonische kwaliteit bij dit soort complexen daardoor moeilijker haalbaar. Het
–
nastreven van een verzorgde uitstraling met
–
sobere materialen zal wel haalbaar moeten
–
zijn.
–
> Een woonwagen mag zijn eigen karakteristieke verschijningvorm hebben, mits deze verzorgd is. Bij de inpassing van een woonwagen in een bestaande omgeving wordt gezocht naar samenhang met de overige bebouwing op de locatie en wordt de aanwezige ruimtelijke (basis)kwaliteit gehandhaafd.
> Nieuwbouw is bij voorkeur natuurinclusief ontworpen, dat wil zeggen dat in het ontwerp maatregelen zijn geïntegreerd om de lokale biodiversiteit te versterken.
–
BOUWPLAN OP ZICH HET BOUWPLAN: – tast de kernkwaliteiten van het ensemble en/of de gebouwtypologie niet aan; – sluit aan op de omgeving voor wat betreft positie, hoofdvorm, maat en schaal; – heeft een herkenbaar en consequent uitgewerkt ontwerpconcept met esthetische kwaliteiten en de architectuur- en bouwstijl is afgestemd op de omgeving. GEVEL, MATERIAAL, DETAILLERING & KLEUR HET BOUWPLAN: – heeft een samenhangende gevelindeling en kleurgebruik en een materialisering waarvan de kwaliteit ook op langere termijn behouden blijft; – integreert installaties voor energieopwekking in het ontwerp; – maakt bij voorkeur gebruik van duurzame materialen en materialen die beschikbaar zijn om zo afvalstromen te beperken en meer in te zetten op hergebruik.
Gebieden met een bijzondere functie
BELEIDSNIVEAU
–
De gids voor Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente West Betuwe
KERNKWALITEITEN – De stedenbouwkundige of landschappelijke structuur wordt bepaald door de solitaire ligging van de terreinen in relatie tot de omgeving, de wijze waarop de terreinen aanhechten en ontsloten worden op hun omgeving en het individuele, soms utilitaire karakter van de bebouwing. – De openbare ruimte wordt bepaald door de aanwezigheid van groen, de benodigde verharde terreinen voor parkeren en dergelijke, de hekwerken en de eventuele naamaanduidingen of reclame-uitingen. De positie van de bebouwing ten opzichte van de openbare weg verschilt. Het onderscheid tussen openbaar- en privégebied is meestal duidelijk aanwezig. – De typologie en architectuur van de bebouwing is divers, individueel en soms utilitair van karakter, afhankelijk van de functie. De bebouwing kent een grote mate van diversiteit in massaopzet, schaal, materialisering, detaillering en kleurgebruik. De samenhang is beperkt tot de onderlinge samenhang van de bebouwing per locatie. De bouwmassa’s zijn op zichzelf staand of per complex onderling geschakeld. Kapvormen en plat afgedekt komen beide voor. – Gevelindeling, materiaal, detaillering en kleur is gevarieerd en afhankelijk van de typologie, de functie en de gekozen architectuurstijl.
K
beheerd. Door beperkte financiële middelen
BOUWPLAN EN OMGEVING HET BOUWPLAN: tast de waarde en kernkwaliteiten van het deelgebied en de stedenbouwkundige of landschappelijke structuur niet aan; versterkt de kwaliteit van de omgeving en de openbare ruimte en levert een positieve bijdrage aan de leefbaarheid en sociale veiligheid van de omgeving; vormt een versterking van markante stedenbouwkundige en landschappelijke ruimten en locaties; richt zich op de openbare ruimte en de toegang vanaf het openbaar gebied is duidelijk herkenbaar; markeert het onderscheid tussen openbaar en privégebied duidelijk; heeft op zichzelf een evenwichtige opzet, die tot uitdrukking komt in samenhangende maatverhoudingen van buitenruimten, bouwvolumes, massa-opbouw, kapvorm en vlakverdelingen;
en/of landschappelijke waarden. > Bouwmassa’s voegen zich binnen uitersten van de omgeving.
61
60
WAARDE Recreatieterreinen, sportcomplexen, begraafplaatsen, parken en overige groengebieden kenmerken zich door de bepekte bebouwing in relatie tot het omringende groen. De waarde betreft de bestaande samenhang in de bebouwing per locatie en de relatie van de bebouwing met de groene karakteristiek van de omgeving. De waarde van grootschalige gebouwen of bebouwingscomplexen betreft de eigen onderscheidende architectonische uitstraling in relatie tot hun omgeving en het belang dat ze daarmee vormen voor de oriëntatie binnen een dorp. Voor deze bebouwing geldt dat het individuele karakter centraal staat.
RICHTLIJNEN
> Sportparken worden vaak door vrijwilligers
60 61
Gebieden met een bijzondere functie De Degids gidsvoor voorRuimtelijke RuimtelijkeKwaliteit Kwaliteit Gemeente West Betuwe
KERNKWALITEITEN
AMBITIES
/
Deel III deelgebieden & niveaus
WAARDE &
De gids voor Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente West Betuwe
BEDRIJVENTERREINEN De grootste bedrijventerrein liggen in Geldermalsen en in Waardenburg. Zeiving is een groot bedrijventerrein in het buitengebied tussen Vuren en Herwijnen. In een groot aantal dorpskernen liggen daarnaast bedrijventerreinen van diverse omvang. Van oudsher waren bedrijventerrein langs het spoor of langs het water gelegen. Typisch voor het rivierengebied zijn de steenfabrieken in de uiterwaarden zoals bij Heukelum, Vuren en Haaften. Tegenwoordig zijn de locaties in de nabijheid van snelwegen het meest aantrekkelijk voor ondernemers. Ook de zichtbaarheid van het bedrijf vanaf de weg is vaak bepalend voor de situering van bedrijfslocaties. Langs wegen zijn daarom zogenaamde zichtlocaties voor bedrijven ontstaan, zoals de bedrijventerreinen langs de A2, Slimwei in Waardenburg en Homburg in Beesd en het in ontwikkeling zijnde bedrijventerrein Hondsgemet langs de A15. Bedrijventerreinen zijn opgezet met het doel om bedrijfsactiviteiten uit te oefenen. Ze worden gekenmerkt door een rationele verkaveling en individuele bedrijfsgebouwen met een wisselende schaal, een functioneel karakter en een sobere uitstraling. Het terrein is veelal verhard. Hekwerken, buitenopslag en reclame-uitingen bepalen mede het beeld. Bebouwing op zichtlocaties heeft vaker een opvallende architectonische uitstraling met als doel de aandacht te trekken van de voorbijganger.
Bebouwing op plaatselijke bedrijventerreinen bestaat daarentegen uit eenvoudige hallen of loodsen met eventueel een klein kantoor-, kantinegedeelte of een woning aan de straatzijde. Er is over het algemeen weinig samenhang in materialisering, detaillering en kleurgebruik tussen de bedrijven onderling.
63
62
Deel III deelgebieden & niveaus
TERREINEN
62 63
De Degids gidsvoor voorRuimtelijke RuimtelijkeKwaliteit Kwaliteit Gemeente West Betuwe
BEDRIJVEN
/
4
BELEIDSNIVEAU
KEUZE
> Herontwikkelingen op bestaande en verouderde bedrijfslocaties dragen bij
–
aan de revitalisering van het betreffende
–
bedrijventerrein.
–
> Buitenopslag bevindt zich uit zicht vanaf de openbare weg. > Er is een duidelijk onderscheid in bouwmassa en materialisatie tussen hal en kantoorgedeelte.
gekeerd.
> Nieuwbouw is bij voorkeur natuurinclusief
het (bebouwings)beeld zijn beide mogelijk, zowel naar structuur als naar architectuur, maar altijd met behoud van stedenbouwkundige
–
ontworpen, dat wil zeggen dat in het ontwerp maatregelen zijn geïntegreerd om de lokale biodiversiteit te versterken.
–
BOUWPLAN OP ZICH HET BOUWPLAN: – tast de kernkwaliteiten van het ensemble en/of de gebouwtypologie niet aan; – sluit aan op de omgeving voor wat betreft positie, hoofdvorm, maat en schaal; – heeft een herkenbaar en consequent uitgewerkt ontwerpconcept met esthetische kwaliteiten en de architectuur- en bouwstijl is afgestemd op de omgeving. GEVEL, MATERIAAL, DETAILLERING & KLEUR HET BOUWPLAN: – heeft een samenhangende gevelindeling en kleurgebruik en een materialisering waarvan de kwaliteit ook op langere termijn behouden blijft; – integreert installaties voor energieopwekking in het ontwerp; – maakt bij voorkeur gebruik van duurzame materialen en materialen die beschikbaar zijn om zo afvalstromen te beperken en meer in te zetten op hergebruik.
Bedrijventerreinen
doorgaande wegen en langs dorpsranden.
> De representatieve gevel is naar de weg
> Verandering en handhaving van
–
De gids voor Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente West Betuwe
KERNKWALITEITEN – De stedenbouwkundige structuur wordt bepaald door de functionele opzet en inrichting van de terreinen, de sober ingerichte openbare ruimte en het industriële en individuele karakter van de bedrijfsbebouwing. De relatief grootschalige bebouwing staat vrij op het kavel en op enige afstand van de ontsluitingswegen. De bedrijfsterreinen zijn overwegend verhard. – De openbare ruimte is sober ingericht en wordt bepaald door het veelal brede profiel van de straat met de begeleidende grasbermen, bomen of hagen en verzorgde hekwerken. Buitenopslag bevind zich zoveel mogelijk uit het zicht vanaf de openbare weg. Het onderscheid tussen openbaar- en privégebied is duidelijk aanwezig. – De typologie en architectuur van de bebouwing is industrieel en individueel van karakter. Bebouwing is sterk functioneel vormgegeven en kent een grote mate van diversiteit in schaal, materialisering, detaillering en kleurgebruik. De bouwmassa’s zijn eenvoudig van opzet, op zichzelf staand, plat afgedekt of voorzien van een zadelkap. De bebouwing varieert van bedrijfshallen en showrooms tot kantoren. Er is in massa en architectuur een onderscheid zichtbaar tussen de sober uitgevoerde bedrijfshal en het meer representatief vormgegeven kantoor- en /of kantinegedeelte. Moderne bebouwing op zichtlocaties hebben een representatief uiterlijk.
– Gevelindeling, materiaal, detaillering en kleur is gevarieerd en bepaald per bouwmassa. Het kantoorgedeelte onderscheidt zich van de bedrijfshal en is aan de straat gelegen. De kantoorbebouwing is veelal opgetrokken in baksteen. Voor de bedrijfsbebouwing geldt dat hooguit voor de plint, waarboven een opbouw van damwanden volgt. Showrooms bestaan hoofdzakelijk uit transparante puien. De detaillering van de bebouwing is in het algemeen zeer sober. Moderne bebouwing met een representatief uiterlijk kan een afwijkend kleur- en materiaalgebruik hebben.
K
uitstraling van bebouwing langs de
BOUWPLAN EN OMGEVING HET BOUWPLAN: tast de waarde en kernkwaliteiten van het deelgebied en de stedenbouwkundige of landschappelijke structuur niet aan; versterkt de kwaliteit van de omgeving en de openbare ruimte en levert een positieve bijdrage aan de leefbaarheid en sociale veiligheid van de omgeving; vormt een versterking van markante stedenbouwkundige en landschappelijke ruimten en locaties; richt zich op de openbare ruimte en de toegang vanaf het openbaar gebied is duidelijk herkenbaar; markeert het onderscheid tussen openbaar en privégebied duidelijk; heeft op zichzelf een evenwichtige opzet, die tot uitdrukking komt in samenhangende maatverhoudingen van buitenruimten, bouwvolumes, massa-opbouw, kapvorm en vlakverdelingen;
en/of landschappelijke waarden. > Bouwmassa’s voegen zich binnen uitersten van de omgeving.
65
64
WAARDE De waarde is vooral van economisch aard. Bedrijventerreinen zijn belangrijk voor de economie. Ze bieden ruimte voor een groot deel van de werkgelegenheid in de gemeente West Betuwe. De gebruiksaspecten bepalen de omgeving en de beeldkwaliteit van de bebouwing is daardoor vaak ondergeschikt aan de functionaliteit. De ontwikkeling van de laatste jaren laat echter zien dat de representativiteit van de panden een steeds grotere rol gaat spelen hetgeen de beeldkwaliteit ten goede komt. Hoewel de waardering als verblijfsgebied beperkt is, is een zekere ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied van belang voor zowel gebruikers (werknemers) als bezoeker.
RICHTLIJNEN
> Er is aandacht voor een meer representatieve
64 65
Bedrijventerreinen De Degids gidsvoor voorRuimtelijke RuimtelijkeKwaliteit Kwaliteit Gemeente West Betuwe
KERNKWALITEITEN
AMBITIES
/
Deel III deelgebieden & niveaus
WAARDE &
66
Deel III deelgebieden & niveaus
DIJKLINTEN De gemeente West Betuwe behoort tot het rivierengebied en de rivieren zijn bepalend voor de (huidige) identiteit van de gemeente. De landschappelijke en ruimtelijke structuur hangt namelijk geheel samen met de wijze waarop de Waal en de Linge in dit gebied gronden hebben afgezet. Voordat de bedijkingen tot stand kwamen, vlochten de rivieren zich door het gebied, met zijtakken, aftakkingen, afgesneden geulen en dergelijke. Vanaf het jaar 1000 werden de eerste dijken aangelegd. Het betrof eenvoudige dijken die delen
De Waal is de grootste rivier in Nederland en een belangrijke transportas voor grote vrachtschepen. De betekenis van de Linge als transportas is nauwelijks meer aanwezig. Tot de 14e eeuw was de Linge een slingerende, grotendeels dichtgeslibde Waaltak. In de 14e eeuw werd de rivier nieuw leven ingeblazen door menselijk ingrijpen en zorgde de Linge voor de afvoer van het overtollige water van vrijwel de gehele Betuwe. Tegenwoordig heeft de Linge ook een belangrijke recreatieve functie.
De uiterwaarden langs de kronkelige Linge zijn vanouds veel kleinschaliger dan langs de Waal. Er is een grote afwisseling van kleine weides, boomgaardjes, grienden en andere natte percelen. Veel van deze historische bosjes zijn nog steeds aanwezig en hebben een hoge ouderdom. De lage delen zijn vooral in gebruik als weide en grienden en rietlanden, de hogere delen als van oudsher als bouwland. Na 1950 zijn enkele hoger gelegen delen omgezet in fruitteelt waardoor het open karakter verloren is gegaan. De smalle oevers en uiterwaarden hebben afwisselend een natuurlijke, agrarische of recreatieve bestemming. Er is nauwelijks bebouwing in de uiterwaarden, met uitzondering van buitendijks gelegen dijkhuizen. Sommige dijkhuizen hebben een ‘overtuin’ tot aan de Linge. Andere delen van de uiterwaarden, de Lingelandjes, worden gebruikt door particulieren die geen huis aan de dijk hebben. Er mag niet permanent gewoond worden op de Lingelandjes maar er staan soms wel prieeltjes en andere bouwsels. De Lingelandjes worden recreatief gebruikt.
/
De Degids gidsvoor voorRuimtelijke RuimtelijkeKwaliteit Kwaliteit Gemeente West Betuwe
UITERWAARDEN
VEERSTOEPEN EN AANLEGPLAATSEN Langs de waal maakten de schepen gebruik van vaste aanlegplaatsen in Herwijnen en Vuren. Vóór de komst van de bruggen over de Waal werden in Tuil goederen en passagiers met een veer overgezet naar Zaltbommel en er waren meerdere voetveren over de Waal in dienst. Die zijn inmiddels uit de vaart genomen. Alleen het Brakelse Veer is nog in gebruik. Een voetveer tussen slot Loevestein en fort Vuren vaart tegenwoordig nog een deel van het jaar. Ook aan de Linge waren meerdere voerveren in dienst. Tot in de 19e eeuw had aan de Linge elk dorp één of meerdere veerstoepen. Veel veerstoepen zijn verdwenen door de komst van bruggen. Op een enkele plaats is een voetveer behouden voor toerisme. Bij Enspijk en bij de Veerdam tussen Gellicum en Rhenoy zijn de veerstoepen behouden gebleven.
De gids voor Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente West Betuwe
- DIJKLINTEN EN
UITERWAARDEN De uiterwaarden worden gekenmerkt door hun directe ruimtelijke relatie met de rivieren. De uiterwaarden langs de Waal zijn hoofdzakelijk in gebruik als grasland voor het weiden van vee en hebben gediend voor klei- en zandwinning door steenfabrieken. Er is, op een enkele steenfabriek na, geen bebouwing aanwezig. De natuurwaarden zijn hoog. De uiterwaarden langs de Waal zijn breed en in combinatie met de Waal is het landschap daardoor grootschalig. Het gebied heeft een onregelmatige verkaveling gescheiden door sloten en beplanting. Ook zijn er enkele restanten van oude strangen en oude hakhout- en ooibossen. De klei- en zandwinning en de omvorming van de uiterwaarden naar natuur en recreatief medegebruik zorgen voor een nieuwe dynamiek.
67
BUITENGEBIED
van het dorpsgebied voor overstroming behoedden. Vanaf de dertiende eeuw werden die eenvoudige dorpsdijken samengevoegd tot doorgaande bedijkingen langs de rivieren (1259 langs de Linge en 1270 langs de Waal). Eenmaal uitgegroeid tot een stelsel van doorgaande dijken vormen de dijken ook een ideaal netwerk van doorgaande droogblijvende wegen waarlangs gebouwd kon worden. Vanwege het hoogteverschil en buitendijks de noodzaak om hoog te bouwen concentreert de bebouwing zich dicht om de dijk. De nederzettingenstructuur wordt daarom voornamelijk bepaald door de lintbebouwing langs de Waal- en Lingedijken. Zo ontstaat het grote schaalverschil tussen het ‘knusse’ dijkprofiel en het open, onbebouwde polderof uiterwaardelandschap. De afstanden tussen de bebouwing onderling varieert evenals de plaats aan de dijk. Afhankelijk van de eigendomsverhoudingen, de bestuurlijke situatie en de terreinomstandigheden ligt bebouwing binnendijks of buitendijks, hoog aan de dijk, halverwege of aan de voet. In de dorpskernen worden de dijklinten vaak ‘begeleid’ door een onderstraat of achterpad, ontstaan als ontsluiting van de aan de dijk gelegen erven.
66 67
5
RESPECT
mogelijk gemaakt. > Een belangrijk aspect van dijkbebouwing
aanwezige bebouwings- en omgevingskarakteristiek op het gebied van stedenbouw/landschap en architectuur worden gerespecteerd. > Bouwmassa’s voegen zich binnen
> Installaties voor energieopwekking zijn geïntegreerd in het ontwerp of in het landschap
is dat de zichtbaarheid vanaf het openbaar
en vormen zo een vanzelfsprekend onderdeel van
gebied vaak tot ver op het achtererf reikt.
bebouwing, erf en landelijke omgeving.
Bouwplannen houden hier rekening mee. > De uiterwaarden behouden hun natuurlijke en open uitstraling. > Uitbreiding van erfbebouwing, schaalvergroting en teelt-ondersteunende voorzieningen zijn in balans met een versterking van het landschap, de aanwezige cultuurhistorische waarden en de natuur.
> Ontwikkelingen na beëindiging van
> Essentiële kenmerken van de
biodiversiteit te versterken.
Buitengebied / dijklinten en uiterwaarden
BELEIDSNIVEAU
Waal blijven behouden, worden versterkt of
maatregelen zijn geïntegreerd om de lokale
het agrarische bedrijf sluiten aan op de karakteristieke opbouw, erfopzet en uitstraling
De gids voor Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente West Betuwe
KERNKWALITEITEN – De landschappelijke structuur van dijklinten en uiterwaarden wordt bepaald door het verloop van de rivieren en een open en perceelsgewijze bebouwing met een divers karakter mede bepaald door de variatie in de situering tot de weg, het hoogteverschil tussen de dijk en het omringende land en het (mogelijke) zicht op de rivieren. – De openbare ruimte wordt bepaald door het relatief smalle, karakteristieke en doorgaande profiel van de dijk met (bij voorkeur) begeleidende bomen, rabatstroken en gras- of grindbermen en de aanstrating of variërende diepte van de voortuinen voor de woningen. Overgangen tussen openbaaren privégebied zijn herkenbaar en gemarkeerd door groene hagen of transparante hekwerken. – De typologie en architectuur van de dijkbebouwing is afgestemd op de verlopende peilmaat en voor een groot deel historisch van karakter. De gebouwen zijn individueel ontworpen en dateren uit verschillende tijdsperioden. Het bebouwingsbeeld is daardoor divers. Dijkbebouwing bestaat overwegend uit één tot twee lagen + kap waarvan de nok veelal evenwijdig aan de dijk is gelegen. De samenhang wordt bepaald door de overeenkomsten in maat en schaal van de bebouwing, de eenvoudige hoofd- en kapvormen en de onderlinge positie van de bebouwing ten opzichte van de weg. – Gevelindeling, materiaal, detaillering en kleur is gevarieerd en afhankelijk van de bouwstijl.
De gevels zijn vaak traditioneel geordend; naar boven toe worden gevelopeningen kleiner en/of minder hoog. De overeenkomsten bestaan uit de toepassing van gatengevels en de toepassing van natuurlijk materiaalgebruik als rode of bruine baksteen, pleisterwerk, hout, keramische rode of antracietkleurige pan of riet. Het kleurgebruik is ingetogen en voegt zich naar de kenmerken van de betreffende bouwstijl.
R
> Ruimtelijke (zicht)relaties met de Linge en
van boerenerven en versterken het WestBetuwse landschap en de kleinschalige dijklinten in het bijzonder.
> De Zonneladder wordt gehanteerd bij het
uitersten van de omgeving én nemen
ontwikkelen van zonnevelden om zo mooie
ook de beeldbepalende elementen
landschappen, natuur, landbouwgrond en
over.
dorpsranden zoveel mogelijk te ontzien. > Het kleinschalig landschap wordt ontzien van grootschalige ingrepen. > Verharding wordt zoveel mogelijk beperkt tot hetgeen noodzakelijk is voor de ontsluiting van erven.
69
68
WAARDE De dijklinten hebben een zeer karakteristiek profiel en vormen waardevolle elementen in het huidige beeld van de gemeente. Ze vormen de historische context van veel objecten van cultuurhistorische waarde. Het zijn tevens belangrijke schakels binnen het wegennetwerk en ondersteunen de oriëntatie binnen de gemeente. Het schaalverschil tussen het weide open land en de relatief besloten en/of knusse profiel, het bochtige verloop en het gevarieerde karakter van de begeleidende bebouwing wordt met name in het landelijk gebied zeer gewaardeerd en nodigt uit om te recreëren. Bebouwing tegen de dijk gelegen bezit daarnaast een bijzondere typologie die is afgestemd op de verlopende peilmaat. De uiterwaarden zijn belangrijk als natuurontwikkelingsgebied en vanwege hun recreatieve waarde. Ook bieden de uiterwaarden ruimte voor extensieve landbouw. De landschappelijke waarde is groot, het is een afwisselend landschap van akkers, weides, grienden, boomgaarden en Lingelandjes. De veerstoepen geven daarnaast de verbondenheid van de dorpen met de Linge weer.
> Nieuwbouw is bij voorkeur natuurinclusief ontworpen, dat wil zeggen dat in het ontwerp
68 69
Buitengebied / dijklinten en uiterwaarden De Degids gidsvoor voorRuimtelijke RuimtelijkeKwaliteit Kwaliteit Gemeente West Betuwe
KERNKWALITEITEN
AMBITIES
/
Deel III deelgebieden & niveaus
WAARDE &
– – –
– – –
–
BOUWPLAN OP ZICH HET BOUWPLAN: – past bij de kernkwaliteiten van het ensemble en/of de gebouwtypologie; – is afgestemd op de omgeving voor wat betreft positie, hoofdvorm, maat en schaal; – heeft een herkenbaar en consequent uitgewerkt ontwerpconcept met esthetische kwaliteiten en de architectuur- en bouwstijl is afgestemd op de omgeving.
/
De gids voor Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente West Betuwe
–
Erven in het kleinschalige landschap van de Dijklinten en Oeverwallen.
–
Deel III deelgebieden & niveaus
–
–
– – –
GEVEL, MATERIAAL, DETAILLERING & KLEUR HET BOUWPLAN: heeft een samenhangende gevelindeling en kleurgebruik en een materialisering waarvan de kwaliteit ook op langere termijn behouden blijft; heeft een detaillering die ondersteunend is aan de architectuur; integreert installaties voor energieopwekking in het ontwerp; maakt bij voorkeur gebruik van duurzame materialen en materialen die beschikbaar zijn om zo afvalstromen te beperken en meer in te zetten op hergebruik.
–
– –
– –
– –
70
EEN HISTORISCHE BOERDERIJ: – behoud de hoofdvorm en overwegend gesloten forse kap. Bij sloop en nieuwbouw uitgaan van de oorspronkelijke plaatsing op het erf en eenzelfde hoofdvolume met forse kap; – heeft ter plaatse van het woongedeelte een plint in een donkere of grijze kleur; – heeft een gevelindeling waarbij de oorspronkelijke woonen werkgedeelte herkenbaar is; – is opgetrokken uit roodbruine baksteen of voorzien van stucwerk in de kleuren gebroken wit, lichtgrijs of lichtgeel; – heeft geen gevel- of dakbekleding bestaande uit dakpanprofielplaten, sandwichpanelen of geprofileerde staalplaten; – heeft geen kunststof kozijnen.
ERF OP ZICH HET ERF: heeft een karakteristieke ordening dat te herleiden is naar de (voormalige) agrarische functie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan bij deze ordening; onderscheid hoofd- en bijgebouwen. Het hoofdgebouw is van oorsprong de boerderij (de woning) en staat voor op het erf. Bijgebouwen staan daar achter. heeft in de inrichting een herkenbaar onderscheid in ‘voor’ en ‘achter’. De voorkant is de representatieve zijde met het hoofdgebouw (de boerderij) en de achterkant de functionele zijde met de bijgebouwen; heeft één hoofdtoegang op het erf. Ook bij meerdere woningen; heeft beperkt verharding. Er wordt gekozen voor materialen die aansluiten bij het landelijke karakter. Parkeren vindt plaats op het achtererf, uit het zicht.
KLEINSCHALIGE ZONNEVELDEN VOOR EIGEN GEBRUIK DE ZONNEPANELEN: – staan niet aan de dijk of weg, maar op het achtererf op enige afstand van bebouwing, ruim achter de voorgevel; – zijn alleen voor eigen gebruik; – zijn maximaal 1,5 meter hoog maar bij voorkeur lager; – worden landschappelijk in gepast. Maak gebruik van streekeigen elementen die bij het landschap passen, zoals een haag van beuk, haagbeuk of veldesdoorn, elzensingel, een talud of juist verdiept aanleggen om de zonnepanelen aan het zicht te onttrekken; – maken op een logische wijze onderdeel uit van het ontwerp van de tuin of erf. De kenmerken van het landschap zijn uitgangspunt, zoals verkaveling, beplanting, sloten en uitzicht vanaf de dijk; – houden afstand tot de slootkant, er worden geen sloten gedempt; – zijn gerangschikt in een regelmatig patroon; – tasten geen cultuurhistorische en archeologische waarden aan.
Buitengebied / dijklinten en uiterwaarden
–
OVERIGE BEBOUWING: – op een bestaand erf waar zich al een hoofdgebouw (boerderij) bevindt heeft, overeenkomstig een bijgebouw, een enkelvoudige hoofdvorm met een eenduidige zadelkap met lage goot en natuurlijke materialen (de typologie van een schuur); – in de Verboden Kringen rondom de forten wordt bij voorkeur uitgevoerd in hout. Van oorsprong mocht alleen met hout gebouwd worden. Deze gebouwen konden snel worden afgebroken indien de vijand naderde. Bij nieuwbouw op erven binnen de Verboden Kringen draagt houtbouw bij aan versterking van de identiteit van de Waterlinie.
De gids voor Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente West Betuwe
–
ERF IN HET LANDSCHAP HET ERF: – is een herkenbaar compact ensemble in het landschap met een informele uitstraling. Het bestaat uit een geheel van gebouwen, erfinrichting en beplanting; – is verankerd in het landschap door erfbeplanting en sloten. Bij de dijklinten gaat het hierbij om gevarieerde streekeigen erfbeplanting van knotwilgen, elzenhagen en boomgaarden. Met de plaatsing wordt aangesloten bij het kleinschalige landschap.
ERFBEBOUWING AGRARISCHE BEDRIJFSBEBOUWING: ligt terug ten opzichte van het (historisch) hoofdgebouw op het erf en heeft een eenvoudige hoofdvorm met kap; mag doelmatig zijn gematerialiseerd (geprofileerde beplating) mits het bouwplan geen industrieel uiterlijk heeft en passend is in de landelijke omgeving; heeft bij voorkeur een gemetselde plint; heeft een sobere detaillering en donkere gedekte kleuren die afgestemd zijn op de landelijke omgeving.
71
–
BOUWPLAN EN OMGEVING HET BOUWPLAN: past bij de waarde en kernkwaliteiten van het deelgebied en is afgestemd op de stedenbouwkundige en landschappelijke structuur; waarborgt en versterkt de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van monumenten in de omgeving en gebruikt deze waar mogelijk als uitgangspunt bij het ontwerp; laat het zicht (vanaf openbaar toegankelijk gebied) op monumenten en ander erfgoed vrij; ontsiert of beschadigd geen monument; is ondergeschikt in relatie tot het aanzicht van monumenten en is hier zorgvuldig op afgestemd; versterkt de kwaliteit van de omgeving en de openbare ruimte en levert een positieve bijdrage aan de leefbaarheid en sociale veiligheid van de omgeving; vormt een versterking van markante stedenbouwkundige en landschappelijke ruimten en locaties; richt zich op de openbare ruimte en de toegang vanaf het openbaar gebied is duidelijk herkenbaar; markeert het onderscheid tussen openbaar en privégebied duidelijk; heeft op zichzelf een evenwichtige opzet, die tot uitdrukking komt in samenhangende maatverhoudingen van buitenruimten, bouwvolumes, massa-opbouw, kapvorm en vlakverdelingen; is afgestemd op de historische bebouwing in de omgeving voor wat betreft positie, hoofdvorm, maat en schaal;
RICHTLIJNEN SPECIFIEK
70 71
Buitengebied / dijklinten en uiterwaarden
RICHTLIJNEN
OEVERWALLEN Oeverwallen zijn de zandige rivierafzettingen parallel aan de stroomgeul van de rivieren. Door de relatief hoge ligging zijn hier de eerste nederzettingen ontstaan en liggen hier de beste gronden voor akkerbouw en fruitteelt. Vooral langs de Waal was veel fruitteelt. Tussen Geldermalsen en Meteren en bij Est liggen oude stroomruggen. Dat is een oeverwal langs een verdwenen rivier. De middeleeuwse ontwikkeling van de oeverwallen is nog herkenbaar aan de ligging van de dorpen, de (voormalige) kasteelterreinen, het nederzettingspatroon en plaatselijk aan het verkavelingspatroon van kromakkers. De oeverwallen van de Linge zijn daarbij vaak smaller en kleinschaliger dan de oeverwallen van de Waal. Langs de Linge is de bebouwing
Op de erven zijn soms ook nog historische bijgebouwen te vinden zoals de veeschuren, kleine bakhuizen, wagenschuren en hooibergen. Een hooiberg betreft een bergplaats met een in hoogte verstelbaar dak voor opslag van hooi en koren. Afhankelijk van het aantal ‘palen’ waaraan het verstelbare dak is opgehangen, spreekt men van een één- vier- vijf- of zes- roedige hooiberg. Het materiaal bestaat uit hout en riet voor het dak. Later komen ook andere materialen voor als staal voor de roeden of tralieliggers in plaats van hout. Verder komen er met hout afgedichte exemplaren voor. Een streekgebonden variant is de ‘berg’ met verhoogde tasvloer. Bij enkele boerderijen bevinden zich wat hoger gelegen vloedschuren, die boden vee en gewas in tijden van hoog water bescherming. Waarschijnlijk zijn met name na de zware overstroming van 1809 veel vloedschuren gebouwd. Ze kennen van oudsher eenzelfde constructief principe, als boerderijen namelijk het houten ankerbalk gebint. Voor de bekleding van gevels komt zowel metselwerk als hout voor, en voor het dak riet en pannen.
LANDGOED MARIËNWAERDT Een bijzonder en waardevol ensemble op de Oeverwallen van de Linge is landgoed Mariënwaerdt. De geschiedenis van het landgoed gaat terug tot 1129, toen er een abdij werd gesticht, op de plaats waar nu het huis Mariënwaerdt staat. De stroomrug waarop het huis staat lag als een eiland te midden van laag gelegen gronden die een groot deel van het jaar onder water stonden. Op Mariënwaerdt in haar huidige vorm staan drie landhuizen en zeventien boerderijen waaronder veel monumenten zoals hofsteden, hooibergen en vloedschuren. Het landgoed is een fraai landschappelijk ensemble op de overgang van oeverwal naar rivierkom en aangewezen als een Rijksbeschermde buitenplaats. Op de oeverwal ligt een complex met oude bouwlanden met onder andere een prachtige notenlaan en een concentratie van landgoedgebouwen langs de Linge. Meer noordelijk richting de komgebieden is het landschap blokvorming verkaveld. Het is een afwisseling van waardevolle bospercelen, grienden en graslanden. Hier liggen verspreid enkele boerenerven waarvan enkele op woerden.
BESCHERMD DORPSGEZICHT NEERIJNEN – WAARDENBURG Dit gebied bevat de historische dorpskern Neerijnen en de op de oeverwal van de Waal gelegen kastelen Waardenburg en Neerijnen. Kasteel Neerijnen is een door een gracht omgeven bakstenen kasteel uit ca. 1600, gebouwd op een oudere bouwplaats op de oeverwal van de Waal net buiten de bebouwde kom van Neerijnen. Het is een blokvormige gebouw bestaande uit een souterrain en twee bouwlagen onder met leien gedekte, hoge schilddaken. Kasteel Waardenburg is een van de weinige veelhoekige kastelen van Nederland bestaande uit een veelhoekige ringmuur met poorttoren en zowel aan de noord-
als zuidzijde een halfronde toren. Het kasteel stamt uit 1265 en is in de middeleeuwen meerdere keren uitgebreid. Het kasteel is ook meerdere malen door oorlogsgeweld getroffen en weer hersteld. Van de oorspronkelijke veelhoekige vorm is alleen de huidige hoefijzervorm over. Het gebied behoorde van oudsher aan de adellijke families die het Huis Neerijnen en kasteel Waardenburg bewoonden. De bescherming is erop gericht om de historische eenheid tussen de kastelen zoveel mogelijk te bewaren en omvat daarnaast een deel van het uiterwaardengebied terwille van de herkenbaarheid van de oorspronkelijke afronding van dorp en kasteelgebied naar buiten toe.
De gids voor Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente West Betuwe
meer geconcentreerd in de dorpen, langs de Waal is er meer lintbebouwing buiten de dorpen te vinden. In grote lijnen is het landschap nauwelijks veranderd. Kenmerkend voor het landschap van de oeverwallen is de afwisseling van dorpen, agrarische bebouwing, akkers en boomgaarden waardoor een kleinschalig landschap is ontstaan. Veel akkers zijn tegenwoordig boomgaarden. Buiten de dorpen, in het landelijk gebied, komt historisch agrarische bebouwing, jonge agrarische bebouwing en burgerwoningen voor. Het beeld van de bebouwing varieert, maar de historische boerderijen nemen een prominente plek in. Veel van deze boerderijen maken nu deel uit van de dorpskernen.
KASTEEL HEUKELUM Kasteel Heukelum of Merkenburgh op de oeverwallen van de Linge, dateert uit de eerste helft van de 14e eeuw. Het kasteel is, na in brand te zijn gestoken, in 1734 weer opnieuw opgebouwd, met behoud van de vierkante middeleeuwse toren. Rond het kasteel ligt een dubbel grachtenstelsel. De lanen rondom zijn van middeleeuwse oorsprong. Achter het kasteel ligt een park in landschapsstijl met waterpartij dat omstreeks 1815 is aangelegd. KASTEEL OPHEMERT Dit kasteel ligt op de oeverwallen van de Waal en aan de rand van het dorp Ophemert en wordt ook wel ’t Hoge Huis genoemd. Het historische kasteelterrein met opstallen, tuinen en laanstructuren is aangewezen als Rijksbeschermde buitenplaats. De huidige bebouwing stamt grotendeels uit de 17e eeuw. Het kasteel met omliggende bebouwing en groenstructuren vertoont nog grote samenhang en is een waardevol onderdeel in de historische nederzettingsstructuur van het dorp.
73
72
Deel III deelgebieden & niveaus
OEVERWALLEN
72 73
De Degids gidsvoor voorRuimtelijke RuimtelijkeKwaliteit Kwaliteit Gemeente West Betuwe
BUITENGEBIED -
/
6
KERNKWALITEITEN – De landschappelijke structuur wordt bepaald door een kleinschalig en afwisselend landschap, kronkelende wegen en verspreid staande vaak historische bebouwing op erven met een informele uitstraling, die als duidelijk herkenbare ensembles een logische plek in het landschap hebben. – De openbare ruimte wordt bepaald door het profiel van de straat of het lint, en de verschillende afstanden van de bebouwing tot aan de weg en tot elkaar. De open ruimte tussen de bebouwing heeft overwegend een landschappelijke uitstraling. – Typologie en architectuur van bebouwing is divers van karakter. De authentieke boerderijen behoren meestal tot het hallehuis-type, bestaande uit één bouwlaag met een hoge forse kap en een lage daklijst, of het T-boerderij-type, waarbij het woonhuis van twee bouwlagen het voorhuis vormt met daarachter de lagere schuur met forse kap. Andere gebouwen zijn eveneens individueel ontworpen en dateren uit verschillende tijdsperioden. De bebouwing bestaat overwegend uit één tot twee lagen afgedekt met een forse kap met een gesloten uitstraling. De samenhang wordt bepaald door de overeenkomsten in maat en schaal van de bebouwing, de eenvoudige hoofdvormen en de overwegend voorkomende kapvormen. – Gevelindeling, materiaal, detaillering en kleur is gevarieerd en afhankelijk van de bouwstijl. De gevels zijn vaak traditioneel geordend.
Naar boven toe worden gevelopeningen meestal kleiner. De overeenkomsten bestaan uit de toepassing van gatengevels en de toepassing van natuurlijk materiaalgebruik als rode of bruine baksteen, pleisterwerk, keramische rode of antracietkleurige pan of riet en hout. Het kleurgebruik is ingetogen en voegt zich naar de kenmerken van de betreffende bouwstijl.
RESPECT
Waal en open komgronden blijven behouden,
hetgeen noodzakelijk is voor de ontsluiting
worden versterkt of mogelijk gemaakt.
van erven.
> Beplanting benadrukt de kleinschaligheid
ontworpen, dat wil zeggen dat in het ontwerp
wegen blijven afwisselend beplant met grote
maatregelen zijn geïntegreerd om de lokale
bomen als kastanje, es of plantaan. Langs
biodiversiteit te versterken.
fruitboomgaarden.
aanwezige bebouwings- en omgevingskarakteristiek op het gebied van stedenbouw/landschap en architectuur worden gerespecteerd. > Bouwmassa’s voegen zich binnen
> Installaties voor energieopwekking zijn geïntegreerd in het ontwerp of in het
> De overgangen tussen erf en landschap krijgt
landschap en vormen zo een vanzelfsprekend
aandacht. Erfbeplanting volgt en versterkt de
onderdeel van bebouwing, erf en landelijke
structuur van de kleinschalige oeverwal en
omgeving.
draagt bij aan een aantrekkelijker landschap.
> Het kleinschalig landschap wordt ontzien van
> Essentiële kenmerken van de
> Nieuwbouw is bij voorkeur natuurinclusief
van het oeverwallenlandschap. Kronkelende
dijken staat karakteristieke beplanting van
BELEIDSNIVEAU
> Verharding wordt zoveel mogelijk beperkt tot
grootschalige ingrepen.
> Uitbreiding van erfbebouwing, schaalvergroting en teelt-ondersteunende
Buitengebied / oeverwallen
R
> Ruimtelijke (zicht)relaties met de Linge en
De gids voor Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente West Betuwe
WAARDE De rivieren met uiterwaarden en oeverwallen zijn waardevolle ensembles. De oeverwallen vormden door hun hogere ligging een veilige vestigingsplaats in het dynamische rivierengebied. Hier zijn de dorpen ontstaan met veel gebouwen van agrarische oorsprong. Het buitengebied op de oeverwallen wordt gekenmerkt door een aantrekkelijk kleinschalig landschap met (laagstam) fruitteelt en cultuurhistorische elementen zoals (voormalige) oude kasteelterreinen, kromakkers, oude boerderijen, erfensembles en landgoed Mariënwaerdt.
> Het kleinschalig landschap wordt ontzien van grootschalige ingrepen.
74 75
Buitengebied / oeverwallen De Degids gidsvoor voorRuimtelijke RuimtelijkeKwaliteit Kwaliteit Gemeente West Betuwe
KERNKWALITEITEN
AMBITIES
/
Deel III deelgebieden & niveaus
WAARDE &
voorzieningen zijn in balans met een versterking van het landschap, de aanwezige cultuurhistorische waarden en de natuur.
> Ontwikkelingen na beëindiging van
uitersten van de omgeving én nemen ook
het agrarische bedrijf sluiten aan op de
de beeldbepalende elementen over.
karakteristieke opbouw, erfopzet en uitstraling van boerenerven en versterken het West-Betuwse landschap en de kleinschalige oeverwallen in het bijzonder. > De Zonneladder wordt gehanteerd bij het ontwikkelen van zonnevelden om zo mooie landschappen, natuur, landbouwgrond en
75
74
dorpsranden zoveel mogelijk te ontzien.
– – –
– – –
Deel III deelgebieden & niveaus
–
BOUWPLAN OP ZICH HET BOUWPLAN: – past bij de kernkwaliteiten van het ensemble en/of de gebouwtypologie; – is afgestemd op de omgeving voor wat betreft positie, hoofdvorm, maat en schaal; – heeft een herkenbaar en consequent uitgewerkt ontwerpconcept met esthetische kwaliteiten en de architectuur- en bouwstijl is afgestemd op de omgeving.
–
– – –
GEVEL, MATERIAAL, DETAILLERING & KLEUR HET BOUWPLAN: heeft een samenhangende gevelindeling en kleurgebruik en een materialisering waarvan de kwaliteit ook op langere termijn behouden blijft; heeft een detaillering die ondersteunend is aan de architectuur; integreert installaties voor energieopwekking in het ontwerp; maakt bij voorkeur gebruik van duurzame materialen en materialen die beschikbaar zijn om zo afvalstromen te beperken en meer in te zetten op hergebruik.
/
De gids voor Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente West Betuwe
–
Erven in het kleinschalige landschap van de Dijklinten en Oeverwallen.
–
–
–
– –
ERF OP ZICH HET ERF: heeft een karakteristieke ordening dat te herleiden is naar de (voormalige) agrarische functie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan bij deze ordening; onderscheid hoofd- en bijgebouwen. Het hoofdgebouw is van oorsprong de boerderij (de woning) en staat voor op het erf. Bijgebouwen staan daar achter. heeft in de inrichting een herkenbaar onderscheid in ‘voor’ en ‘achter’. De voorkant is de representatieve zijde met het hoofdgebouw (de boerderij) en de achterkant de functionele zijde met de bijgebouwen; heeft één hoofdtoegang op het erf. Ook bij meerdere woningen; heeft beperkt verharding. Er wordt gekozen voor materialen die aansluiten bij het landelijke karakter. Parkeren vindt plaats op het achtererf, uit het zicht.
– –
OVERIGE BEBOUWING: – op een bestaand erf waar zich al een hoofdgebouw (boerderij) bevindt heeft, overeenkomstig een bijgebouw, een enkelvoudige hoofdvorm met een eenduidige zadelkap met lage goot en natuurlijke materialen (de typologie van een schuur). – in de Verboden Kringen rondom de forten wordt bij voorkeur uitgevoerd in hout. Van oorsprong mocht alleen met hout gebouwd worden. Deze gebouwen konden snel worden afgebroken indien de vijand naderde. Bij nieuwbouw op erven binnen de Verboden Kringen draagt houtbouw bij aan versterking van de identiteit van de Waterlinie. EEN HISTORISCHE BOERDERIJ: – behoud de hoofdvorm en overwegend gesloten forse kap. Bij sloop en nieuwbouw uitgaan van de oorspronkelijke plaatsing op het erf en eenzelfde hoofdvolume met forse kap; – heeft ter plaatse van het woongedeelte een plint in een donkere of grijze kleur; – heeft een gevelindeling waarbij de oorspronkelijke woon- en werkgedeelte herkenbaar is; – is opgetrokken uit roodbruine baksteen of voorzien van stucwerk in de kleuren gebroken wit, lichtgrijs of lichtgeel; – heeft geen gevel- of dakbekleding bestaande uit dakpanprofielplaten, sandwichpanelen of geprofileerde staalplaten; – heeft geen kunststof kozijnen.
–
– – –
–
–
76
– –
Buitengebied / oeverwallen
–
–
De gids voor Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente West Betuwe
–
ERF IN HET LANDSCHAP HET ERF: – is een herkenbaar compact ensemble in het landschap met een informele uitstraling. Het bestaat uit een geheel van gebouwen, erfinrichting en beplanting; – is verankerd in het landschap door erfbeplanting en sloten. Bij de oeverwallen gaat het hierbij om gevarieerde streekeigen erfbeplanting van knotwilgen, elzenhagen en boomgaarden. Met de plaatsing wordt aangesloten bij het kleinschalige landschap.
–
ERFBEBOUWING AGRARISCHE BEDRIJFSBEBOUWING: ligt terug ten opzichte van het (historisch) hoofdgebouw op het erf en heeft een eenvoudige hoofdvorm met kap; mag doelmatig zijn gematerialiseerd (geprofileerde beplating) mits het bouwplan geen industrieel uiterlijk heeft en passend is in de landelijke omgeving; heeft bij voorkeur een gemetselde plint; heeft een sobere detaillering en donkere gedekte kleuren die afgestemd zijn op de landelijke omgeving.
KLEINSCHALIGE ZONNEVELDEN VOOR EIGEN GEBRUIK DE ZONNEPANELEN: staan op het zij- of achtererf op enige afstand van bebouwing, ruim achter de voorgevel en niet aan de weg of dijk; zijn alleen voor eigen gebruik; zijn maximaal 1,5 meter hoog maar bij voorkeur lager; worden landschappelijk in gepast. Maak gebruik van streekeigen elementen die bij het landschap passen, zoals een haag van beuk, haagbeuk of veldesdoorn, elzensingel, een talud of juist verdiept aanleggen om de zonnepanelen aan het zicht te onttrekken; maken op een logische wijze onderdeel uit van het ontwerp van de tuin of erf. De kenmerken van het landschap zijn uitgangspunt, zoals verkaveling, beplanting, sloten en uitzicht vanaf de dijk; houden afstand tot de slootkant, er worden geen sloten gedempt; zijn gerangschikt in een regelmatig patroon; tasten geen cultuurhistorische en archeologische waarden aan.
77
–
BOUWPLAN EN OMGEVING HET BOUWPLAN: past bij de waarde en kernkwaliteiten van het deelgebied en is afgestemd op de stedenbouwkundige en landschappelijke structuur; waarborgt en versterkt de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van monumenten in de omgeving en gebruikt deze waar mogelijk als uitgangspunt bij het ontwerp; laat het zicht (vanaf openbaar toegankelijk gebied) op monumenten en ander erfgoed vrij; ontsiert of beschadigd geen monument; is ondergeschikt in relatie tot het aanzicht van monumenten en is hier zorgvuldig op afgestemd; versterkt de kwaliteit van de omgeving en de openbare ruimte en levert een positieve bijdrage aan de leefbaarheid en sociale veiligheid van de omgeving; vormt een versterking van markante stedenbouwkundige en landschappelijke ruimten en locaties; richt zich op de openbare ruimte en de toegang vanaf het openbaar gebied is duidelijk herkenbaar; markeert het onderscheid tussen openbaar en privégebied duidelijk; heeft op zichzelf een evenwichtige opzet, die tot uitdrukking komt in samenhangende maatverhoudingen van buitenruimten, bouwvolumes, massa-opbouw, kapvorm en vlakverdelingen; is afgestemd op de historische bebouwing in de omgeving voor wat betreft positie, hoofdvorm, maat en schaal;
RICHTLIJNEN SPECIFIEK
76 77
Buitengebied / oeverwallen
RICHTLIJNEN
Deel III deelgebieden & niveaus
– Hellouw, ruilverkavelingslint Meikampgraaf: een boerderijenlint met een vooral gestandaardiseerde kop-halsromp boerderijtype op grote, soms nog groen omzoomde erven. Het lint is verbonden met een lange weg met enkelzijdige laanbeplanting. – Herwijnen, ruilverkavelingslint Mert: een boerderijenlint van een gestandaardiseerd boerderijtype op grote, soms nog groen omzoomde erven. Het lint is verbonden met een lange weg met laanbeplanting. – Herwijnen, ruilverkavelingslint Laarweg: een boerderijenlint met een vooral gestandaardiseerde kop-halsromp boerderijtype op grote, soms nog groen omzoomde erven. Het lint is verbonden met een lange weg met enkelzijdige laanbeplanting. – Herwijnen, ruilverkavelingslint Bloklandweg: een boerderijenlint met een vooral gestandaardiseerde kop-halsromp boerderijtype op grote, soms nog groen omzoomde erven. Het lint is verbonden met een lange weg met enkelzijdige laanbeplanting. – Rumpt – Gellicum, ruilverkavelingsgebied: een getransformeerd landschap met losse linten met markante ruilverkavelingsboerderijen van het kop-half-romptype. – Vuren, ruilverkavelingslint Landscheiding: een boerderijenlint van een gestandaardiseerd boerderijtype op grote, soms nog groen omzoomde erven. Het lint is verbonden met een lange weg met laanbeplanting.