CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2022-088 Bijlage 1 Toelichting ontwerpbestemmingsplan.pdf

Gemeenteraad 28 juni 2022, gemeente West BetuweBij agendapunt: 10: Voorstel tot vaststelling Bestemmingsplan “Hoevenseweg 5 en 6, Enspijk”16.767 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Daarvan bestaat tenminste 15 m³ uit slakken en sintels. De metalen vormen een geval van ernstige verontreiniging. III. Het criterium daarvoor is een volume aan sterk verontreinigde grond van tenminste 25 m³. IV. De schuur en het bassin zijn gebouwd in 1975. Aannemelijk is dat ook de toplaag van zand en sintels is aangebracht. De metalen zijn op basis daarvan daarmee een zogenaamd Oud Geval van verontreiniging. De voorwaarde daarvoor is ontstaan voor 1987. V. In de huidige situatie zijn de verhoogde metalen geen risico voor de volksgezondheid. De strook is begroeid met stuiken, weinig toegankelijk en ligt buiten het deel van het terrein dat gebruikt voor horeca en recreatie. Van de drie metalen is lood relatief met meest schadelijk, voor kinderen tot een jaar of 5. De verontreiniging is een belemmering als op deze locatie gebouwd of gegraven moet worden. Asbest Op het maaiveld achter de schuur op het oostelijk deel van het terrein zijn plaatjes met een ribbelachtige structuur aangetroffen. De plaatjes zijn naar het lab gestuurd en blijken geen asbest te bevatten. Er zijn van de grond achter de schuur drie mengmonsters samengesteld. Analytisch is door het lab in één daarvan asbest kleiner dan 20 mm aangetoond. Dit is het mengmonster van de gaten 1, 2 en 3. Het monster bevat vier stukjes, bestaande uit hechtgebonden en niet-hechtgebonden chrysotiel.

De stukjes resulteren in een gewogen asbestgehalte van 3.2 mg/kg ds. Doel van het onderzoek is het afperken van de verontreiniging die door Lankelma en Inventerra BV is vastgesteld. Het hoogste, gewogen asbestgehalte op de hoek van de schuur is 6.100 mg/kg ds (Inventerra BV, oktober 2019). De spot is met de vier inspectiegaten van Linge Milieu BV afgeperkt tot een oppervlak van 18 m². Uitgaande van een diepte van het asbest van 0.7 m-mv komt het volume van de asbesthoudende grond op 12.5 m³.

NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|33 Voor asbest in grond is een hergebruiksnorm of interventiewaarde van toepassing van 100 mg/kg ds. De verontreiniging is Ernstig. Voor asbest is voor een dergelijke kwalificatie geen volumecriterium van toepassing, een overschrijding van de interventiewaarde is voldoende. Op het maaiveld is geen asbest aanwezig. Van risico's voor de volksgezondheid is dus in de huidige situatie geen sprake. Vermoedelijke oorzaak asbest Waarschijnlijk is op de hoek achter de schuur asbesthoudend afval begraven. De locatie ligt uit het zicht en op een locatie waar in het verleden uiteenlopende materialen en materieel werden opgeslagen. De verontreiniging wordt op basis daarvan beschouwd als asbest-nest, een puntbron. Conclusie, aanbevelingen De verontreiniging met metalen en asbest resulteert in de huidige situatie niet tot actuele risico's voor de volksgezondheid. Mocht op de twee deellocaties gebouwd gaan worden of als er graafwerk nodig is om welke reden dan ook, dan is sanering nodig. Sanering kan uitgevoerd worden op basis van een BUSmelding. De zandige toplaag met metalen zou gezeefd kunnen worden. Daarbij komt een stroom grond (zand) en een stroom sintels en slakken vrij, van respectievelijk 45 en 15 m³. Het zand zal sterk verontreinigd zijn. De sintels en slakken kunnen afgevoerd worden als ongesorteerd puin. Het zeven moet worden uitgevoerd onder saneringscondities.

De grond met asbest zal direct geladen en afgevoerd moeten worden. Uitkeurig van deze verontreiniging kan op zintuiglijke basis. Klei-grond zonder noemenswaardig bijmenging blijkt uit het onderzoek ook analytisch geen asbest te bevatten. Conclusie Vanuit het aspect bodem zijn geen belemmeringen voor het planvoornemen.

5.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op het beheersen van risico’s die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Het gaat hierbij om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en water en door buisleidingen. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG-tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".

NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|34 Het groepsrisico is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10 -6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties (PR-contour). Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vanaf 1 april 2015 vastgelegd in de Wet Basisnet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS).

Voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer (Wm). Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijk besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van het groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt, is een verantwoording van het groepsrisico niet verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel.

Aalskamperweg 2, opslag in tanks

A2

A15 Betuweroute Afbeelding 14 Uitsnede risicokaart Nederland (Nederland.risicokaart.nl, februari 2019), rode cirkel is globale ligging plangebied

NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|35 Inventarisatie Voor de inventarisatie van de risicobronnen is gebruik gemaakt van de risicokaart van Nederland. Transport over de weg Uit de risicoatlas voor wegtransport van gevaarlijke stoffen blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied de snelwegen relevant A2 en A15 relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroutes, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische en brandbare stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones). Op grond van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportrotes (Bevt) moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: • de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroutes en • de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 1 augustus 2018 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd.

Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit ten gevolge van het vrijkomen van toxische en/of brandbare stoffen zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van adequate bluswatervoorzieningen (conform het Bouwbesluit) door de brandweer worden bestreden. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische en/of brandbare stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WASpalen) of NL-alert. Bij een toxisch scenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten.

Bij een scenario, waarbij brandbare stoffen (kunnen) vrijkomen, is het advies om te vluchten van de risicobron af, maar ook schuilen in een gebouw biedt in eerste instantie voldoende bescherming voor personen in het plangebied. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om relevante adviezen tijdig op te volgen.

NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|36 Transport over Water Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen vaarwegen die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Transport over spoor Uit de risicoatlas voor vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor blijkt dat in de directe omgeving de Betuweroute aanwezig is die relevant is in het kader van externe veiligheid. De Betuweroute ligt op circa 50 meter ten zuiden van het plangebied. Over deze spoorlijn vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de brandbare en toxische gassen, zodat de ontwikkelingen aan het groepsrisico bij kunnen dragen. Plaatsgebonden risico Het plangebied ligt buiten het plaatsgebonden risicocontour van 30 meter vanaf het hart van de spoorbaan. Groepsrisico De voormalige gemeente Geldermalsen heeft in het document ‘Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Geldermalsen 2015 – 2019’ kaders gesteld voor wanneer een volledige verantwoording van het groepsrisico bestemmingsplan noodzakelijk is. Voor deze risicobron is in een vergelijkbare situatie voor het bedrijventerrein Medel een QRA (Kwantitatieve risicoanalyse) door Anteagroup op 5 januari 2017 uitgevoerd. In dit onderzoek lag de Betuweroute op circa 35 meter ten zuiden van het plangebied. Uit dit onderzoek komt naar voren dat op basis van het Bevt een uitgebreide verantwoordingsplicht niet noodzakelijk is.

Het groepsrisico ligt namelijk onder 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Er kan worden volstaan met alleen een beschouwing van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Aangezien de afstand van het plangebied tot de Betuweroute bij dit onderzoek (circa 35 meter) kleiner is dan de 50 meter in onderhavige situatie, is een beschouwing van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid ook hier voldoende. Maatgevende scenario’s De maatgevende scenario’s voor het spoor zijn in het document ‘Scenarioboek Externe Veiligheid’ nader beschreven. Deze omschrijft scenario’s waarbij als gevolg van een ongeval op het spoor: • Een giftige wolk ontstaat; • Een plasbrand ontstaat; • Een fakkelbrand ontstaat; • Een BLEVE optreedt (koud/warm); • Een gaswolkexplosie optreedt. De kans dat een dergelijk scenario nabij de Hoevenseweg optreedt, is uiterst klein, maar niet geheel uit te sluiten. Wanneer een dergelijk scenario optreedt, zullen personen die in het plangebied verblijven gewond raken of overlijden. Daarnaast kunnen externe factoren, zoals de weersomstandigheden een rol spelen tijdens het optreden van een dergelijk scenario.

NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|37 Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid van de hierboven genoemde scenario’s is divers. Diverse factoren maken een incident op de Betuweroute ter hoogte van het plangebied complex. Onder ander de moeilijkere bereikbaarheid door de ligging nabij knooppunt Dell, de windrichting en de aanvoer van specialistisch brandweermateriaal (zoals een schuimblusvoertuig) zorgen ervoor dat relatief lang duurt voordat er ingezet kan worden. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat de bluswatervoorziening en bereikbaarheid van de Betuweroute afdoende zijn. Voor de A15 kan de beschikbaarheid van bluswater een knelpunt zijn. Zelfredzaamheid De personen kunnen zich in eerste instantie tegen een optredend scenario beschermen door in een van de gebouwen te schuilen. Bij het toxische scenario ‘giftige wolk’ kan bij het langdurig optreden de concentratie van deze stof in het gebouw toenemen. Waar nieuwe gebouwen een redelijke mate van bescherming bieden, kennen oude gebouwen over het algemeen hogere ventilatiegraad. De bescherming tegen toxische stoffen is hier dus lager. Bij de scenario’s waarbij brand ontstaat en met name bij een explosie van brandbare gas is het eveneens denkbaar dat de bestaande gebouwen onvoldoende bescherming bieden tegen hittestraling en/of de drukgolf. Het is afhankelijk van de exacte locatie en het exacte verloop van het scenario of vluchten nog mogelijk is.

Door nooduitgangen die van de bron af gericht zijn, neemt het handelingsperspectief toe. Ook het handmatig regelen van ventilatie in de gebouwen kan zorgen dat het schuilen in het gebouw) in het geval van toxische scenario’s) langer mogelijk blijft. Men moet in het ongunstigste geval er vanuit gaan dat er een groot aantal doden kan vallen en de hulpverleningscapaciteit het aantal gewonden niet kan verwerken. Bereikbaarheid en opkomsttijden De opkomsttijd vanuit de dichtstbijzijnde brandweerpost Beesd naar de Hoevenseweg is circa 13 minuten. De opkomsttijd is de tijd tussen aanname van de melding door de meldkamer en de aankomst van de eerste brandweereenheid op de plaats van het incident. Volgens het besluit veiligheidsregio paragraaf 2 opkomsttijden, Artikel 3.2.1. (c) is de tijdsnorm voor een logiesgebouw maximaal 8 minuten. De gebouwen aan de Hoevenseweg zijn niet binnen de gehanteerde zorgnormtijd te bereiken. Conclusie transport over Betuweroute Een ongeval op de Betuweroute kan tot veel slachtoffers leiden. Door bouwkundige, installatietechnische en organisatorische maatregelen te nemen kunnen de zelfredzaamheid van de personen binnen het plangebied vergroot worden.

De veiligheidsregio Gelderland-Zuid adviseert de volgende maatregelen: • Het gebouw dient over nooduitgangen te beschikken die van de bron afgericht zijn (ontsluiting aan noord en/of oostzijde); • Een centrale bedienbare ventilatie en verbeterde isolatie van de panden kan de overlevingskans bij toxische scenario’s vergroten; • Initiatiefnemer kan organisatorische maatregelen nemen door dergelijke scenario’s te beschrijven in het bedrijfsnoodplan.

NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|38 Transport per buisleidingen In het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig die een beperking vormen in het kader van externe veiligheid. Wel liggen er enkele buisleidingen in de directe omgeving. Inrichtingen De risicokaart geeft aan dat binnen het plangebied en in de directe omgeving geen risicovolle bedrijven aanwezig zijn die de externe veiligheid beperken of risico’s met zich meebrengen. De meest dichtstbijzijnde inrichting ligt op circa 1,2 km van het plangebied (Aalskamperweg 2, opslag in tanks). Het plangebied valt echter niet binnen het invloedsgebied van deze inrichting. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Het advies van veiligheidsregio Gelderland-Zuid zal worden uitgevoerd.

5.6

Geluid

Bij het opstellen of herzien van een bestemmingsplan worden de regels van de Wet geluidhinder (Wgh) toegepast. De Wgh kent drie soorten geluidsbronnen: industrie, wegverkeer en spoorwegen. De wet bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van deze bronnen. Indien het bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van deze bronnen, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan. Plangebied Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Rijkswegen A2 en A15 en de spoorlijn van de Betuweroute. Met het planvoornemen wordt buiten het terugbouwen van de bedrijfswoning aan de Hoevenseweg 6 op dezelfde locatie, volgens artikel 1.1 van Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 1 van de Wet geluidhinder, geen ‘geluidsgevoelige ruimte’ (woning) of ‘ander geluidsgevoelig gebouw’ mogelijk gemaakt. Artikel 1.2 van het besluit geluidhinder (Bgh) wijst onderstaande gebouwen aan als ‘ander geluidsgevoelig gebouw’: • Onderwijsgebouwen; • Ziekenhuizen en verpleegtehuizen; • Psychiatrische inrichtingen; • Kinderdagverblijven. Verblijfsaccommodaties worden op basis van voorafgaande wetgeving niet gezien als ‘geluidgevoelige ruimtes’ of ‘ander geluidsgevoelige gebouwen’.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk. De bedrijfswoning aan de Hoevenseweg 6 wordt teruggebouwd op dezelfde locatie en komt niet dichter bij de weg te liggen. Voor de bedrijfswoning is een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Maar in het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de bedrijfswoning meegenomen in het akoestisch onderzoek.

NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|39 Akoestisch onderzoek Geluid beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de leefomgeving. In de wet geluidhinder worden daarom eisen gesteld aan de toelaatbare geluidbelasting op de gevels van geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone langs bestaande infrastructuren. Ten behoeve van onderliggend planvoornemen heeft Sain Milieuadvies in juni 2019 een akoestisch onderzoek7 uitgevoerd naar de te verwachten optredende geluidsbelastingen ter plaatse van het bouwplan. Het plangebied ligt binnen de geluidszones van de Rijkswegen A2 en A15 en de spoorlijn (Betuweroute). Op akoestisch relevante plaatsen in het plangebied zijn waarneempunten gelegd (zie afbeelding 15). Deze punten liggen bij de nieuwe bedrijfswoning (die de oude bedrijfswoning vervangt) en de groepsaccommodatie die in het plangebied gesitueerd worden. Hierbij is rekening gehouden met de geluidsbelasting van de Rijkswegen A2 en A15 en de spoorlijn van de Betuweroute.

Nieuwe bedrijfswoning

Groepsaccommodatie

Afbeelding 15 Waarneempunten plangebied, Sain Milieuadvies

In navolgende tabel staat een overzicht van de hoogste geluidsbelastingen Lden op de nieuwe bedrijfswoning en op de groepsaccommodatie. Overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde zijn vetgedrukt weergegeven. In de bijlage van het akoestisch onderzoek zijn de geluidsbelastingen op alle gevels en bouwlagen opgenomen.

7 Akoestisch onderzoek Hoevenseweg 5/6 te Enspijk, Sain Milieuadvies, 20 juni 2019

NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|40

Tabel 3 Geluidsbelasting Lden in dB (Sain Milieuadvies)

Uit het akoestisch onderzoek blijkt voor wegverkeer dat: • De geluidsbelasting op de nieuwe woning ten gevolge van de Rijksweg A2 voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, behalve op de oostgevel ter hoogte van de verdieping. Wel wordt ruim voldaan aan de maximale grenswaarde van 58 dB. • De geluidsbelasting op de nieuwe woning ten gevolge van de A15 overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op twee gevels. Wel wordt voldaan aan de maximale grenswaarde van 58 dB. • Bij de groepsaccommodatie overschrijdt de geluidsbelasting ten gevolge van de A2 de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op een aantal gevels, vrijwel alleen op verdiepingshoogte. Wel wordt voldaan aan de maximale grenswaarde van 53 dB. • De geluidsbelasting op de groepsaccommodatie ten gevolge van de A15 voldoet ter hoogte van de begane grond aan de voorkeurswaarde van 48 dB. Ter hoogte van de verdieping wordt de voorkeursgrenswaarde op een aantal gevels overschreden. Wel wordt voldaan aan de maximale grenswaarde van 53 dB. • Maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting door de A2 en/of A15 zijn financieel niet haalbaar dan wel landschappelijk ongewenst. De Wet geluidhinder biedt voor dit soort situaties voor woningen de mogelijkheid om hogere waarden vast te stellen.

Voor het Spoorwegverkeer blijkt uit het akoestisch onderzoek dat: • De geluidsbelasting ten gevolge van de Betuweroute voldoet zowel op de nieuwe woning als op de nieuwe groepsaccommodatie (tabel 3) aan de voorkeursgrenswaarde voor spoorwegverkeer van 55 dB. Voor de gecumuleerde geluidsbelasting blijkt dat: • De gecumuleerde geluidsbelasting op de nieuwe woning bedraagt, uitgedrukt als wegverkeer, maximaal 57 dB, zonder het toepassen van de aftrek ex art. 110g Wgh. Dit is minder dan de maximale grenswaarde van 58 dB inclusief aftrek zoals die per weg geldt. De geluidsbelasting wordt daarom aanvaardbaar geacht en kan gesteld worden, dat er vanuit akoestisch oogpunt gezien sprake is van een goede ruimtelijke ordening. • De gecumuleerde geluidsbelasting op de nieuwe groepsaccommodatie bedraagt, uitgedrukt als wegverkeer, maximaal 57 dB, zonder toepassing van de aftrek ex art. 110g Wgh. Omdat bij een groepsaccommodatie geen sprake is van (langdurige) bewoning, wordt deze geluidsbelasting ook voor groepsaccommodatie aanvaardbaar geacht. Er kan zodoende gesteld worden, dat er vanuit akoestisch oogpunt sprake is van een goede ruimtelijke ordening. NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|41 Wel wordt geadviseerd om bij de berekeningen van de geluidswering van de gevel uit te gaan van de eis zoals voor woningen geldt. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. In tabel 3 zijn de vetgedrukte waardes aangegeven waar een aparte hogere waarden procedure voor doorlopen wordt. Deze procedure loopt parallel aan de bestemmingsplanprocedure en het besluit van het bevoegd gezag hierover zal tijdens de vaststellingsfase van dit bestemmingsplan plaatsvinden. Het ontwerpbesluit hogere waarden is als bijlage 11 bij de toelichting opgenomen.

5.7

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd). De Wet luchtkwaliteit bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang.

De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 μg/m³ 40 μg/m³ 25 μg/m³

Tabel 4 Grenswaarde Wet luchtkwaliteit

Luchtkwaliteit ter plaatse binnen het plangebied Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2020 (gegevens 2018) ter plaatse gelegen tussen de 10 en 12 μg/m³, is de concentratie PM10 in 2020 (gegevens 2018) gelegen tussen de 18 en 20 μg/m³ en de concentratie NO2 in 2020 (gegevens 2018) gelegen tussen de 15 en 20 μg/m³.

NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|42 Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit hiermee ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. Luchtkwaliteit t.b.v. toename aantal verkeersbewegingen Voor de ontwikkeling is een worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer op de luchtkwaliteit gemaakt. Bij de berekening is uitgegaan van extra motorvoertuigen per etmaal op basis van het verkeersonderzoek in paragraaf 3.2. De berekende extra voertuigen bedragen 254 mvt/etmaal (604 – 350 mvt/etmaal).

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2020

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer

0,0%

in μg/m3

0,18

NO2

PM10 in μg/m3 Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

254

0,04 1,2

Tabel 5 Berekening voornemen NIBM-tool (ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2017)

Uit de berekening blijkt dat het extra verkeer niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Verder onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.8

Natuurwetgeving

Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt de drie wetten: De Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Deze nieuwe wet bestaat uit minder regels en is overzichtelijker dan de drie vervangen wetten. De uitvoering van de Wet natuurbescherming ligt grotendeels bij de provincie. Het doel van de wet is om de biodiversiteit in Nederland te beschermen. Onder de Wet natuurbescherming geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht houdt in dat tegen de werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, zo veel mogelijk worden voorkomen. Indien toch schadelijke werkzaamheden worden uitgevoerd, moeten maatregelen worden genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Dit betekent in de praktijk dat het gaat om het effect van activiteiten en ontwikkelingen op beschermde soorten. Vaak gaan activiteiten en de bescherming van soorten goed samen. Onder de Wet natuurbescherming geldt dat door de provincie onderzocht moet worden of ruimtelijke ingrepen effect hebben op de beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde bosopstanden en dat het project of plan de natuurlijke kenmerken en/of soorten van het betrokken gebied niet significant aantast.

NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|43 Natura 2000 De Natura 2000 richtlijn is een Europese richtlijn die sinds oktober 2005 de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn vervangt. Het doel van deze richtlijn is het bieden van bescherming en ontwikkelingsperspectief voor leefgebieden van zeldzame en bedreigde soorten en habitattypen. De gebiedsbescherming is door middel van beide richtlijnen vastgelegd in aangewezen speciale beschermingszones, die het meest geschikt zijn als leefgebied voor beschermde vogelsoorten. Deze zijn van belang voor de instandhouding van bepaalde natuurlijke habitats en bepaalde flora en fauna. Voor ieder project of plan in of nabij een speciale beschermingszone kunnen de bevoegde overheden, pas toestemming geven voor uitvoering nadat zij op basis van een passende beoordeling de zekerheid hebben gekregen dat het project of plan de natuurlijke kenmerken en/of soorten van het betrokken gebied niet significant aantast. Ook bestaand grondgebruik is aan deze onderzoeksplicht onderworpen. Ecologische quick scan De dichtstbijzijnde Natura- 2000 gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid ligt op ruime afstand van het plangebied (circa 6,3 kilometer) en het plangebied ligt niet in of tegen het Gelders natuurnetwerk. Vanuit Natura-2000 en het Natuurnetwerk zijn geen bezwaren op de voorgenomen ruimtelijke ingrepen.

Ten behoeve van onderliggend planvoornemen heeft Adviesbureau Mertens een ecologische quick scan8 uitgevoerd (toegevoegd als separate bijlage). Om te toetsen of er sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming is op 10 augustus 2018 een veldbezoek afgelegd waarbij gekeken is naar het mogelijk voorkomen van beschermde planten- en diersoorten. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om groen te rooien en gebouwen te slopen buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden voor algemene broedvogels. Mogelijk vliegen en foerageren er vliegen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven foerageren er vliegen. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in provincie Gelderland. Verder kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen (verblijfplaatsen) en broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen (huismus, gierzwaluw, steen- en kerkuil) niet worden uitgesloten, effecten op deze soort(groep)en kunnen dan ook niet worden uitgesloten.

Op grond hiervan is een gerichte veldinventarisatie van belang naar vleermuizen (verblijfplaatsen) en broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen (huismus, gierzwaluw, steen- en kerkuil) om eventuele effecten en maatregelen op een adequate manier in te kunnen schatten. Pas na afronding van deze inventarisatie kan worden bepaald of verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden en of ontheffing van de Wet natuurbescherming is vereist.

8 Adviesbureau Mertens, Quick scan beschermde planten- en diersoorten Hoevenseweg 5/6 te Enspijk, juni 2019

NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|44 Aanvullend onderzoek Op basis van het oriënterende onderzoek kon de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfsplaatsen, nestplaatsen of een essentieel leefgebied van de huismus, gierzwaluw, kerkuil, steenuil en vleermuizen niet worden uitgesloten. Een aanvullend onderzoek 9 was noodzakelijk, omdat daarmee moet worden vastgesteld of de woning daadwerkelijk één van deze functies heeft voor de genoemde soorten. Het veldonderzoek vond plaats in de periode april – mei 2019. Huismus Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de woning aan de Hoevenseweg 5 nesten biedt voor de huismus. In totaal zijn in de woning 7 nesten van huismussen waargenomen en de planlocatie maakt tevens (in beperkte mate) onderdeel uit van het functioneel habitat. In het planvoornemen blijft de woning echter behouden, waardoor er geen sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Hierbij is het wel noodzakelijk dat het functionele leefgebied (groenstructuren rondom de woning) behouden blijft. Gierzwaluw In de woningen aan het plangebied zijn tijdens het onderzoek geen nesten van de gierzwaluw vastgesteld. Het beoogde planvoornemen leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Kerkuil Gedurende het onderzoek zijn geen kerkuilen, verse sporen of nesten van de kerkuil vastgesteld. De aangetroffen sporen betroffen allen oude sporten.

Op basis van dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat de planlocatie geen onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van de kerkuil. De beoogde renovatie leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Steenuil Tijdens het onderzoek zijn geen steenuilen, verse sporen of nesten van de steenuil vastgesteld. Op basis van dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat de planlocatie geen onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van de kerkuil. De beoogde renovatie leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Bij het onderzoek zijn geen verblijfsplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Als gevolg van de beoogde werkzaamheden gaan geen vaste rust- en/of verblijfsplaatsen verloren. De beoogde renovatie leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming.

9 Blom Ecologie B.V., Huismus-. gierzwaluw-, steenuil-, kerkuil- en vleermuisonderzoek aan de Hoevenseweg 5 en 6 te Enspijk,

december 2019 NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|45 Overige soorten Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot het vaststellen van de aan- dan wel afwezigheid van de hierboven genoemde diersoorten. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op nesten en/of verblijfslocaties van andere soorten op de planlocatie. In totaal zijn er 2 nesten van vogelsoorten aangetroffen binnen het plangebied. Beiden nesten blijven echter behouden, waardoor er geen sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Hierbij is het wel noodzakelijk dat het functionele leefgebied (groenstructuren rondom de woning) blijft behouden. Hiertoe is in het landschappelijke inpassingsplan opgenomen dat de haag nabij de woning Hoevenseweg 5 behouden dient te worden. De landschappelijke inpassing is juridisch gewaarborgd in de planregels, waarmee gewaarborgd wordt dat een belangrijk onderdeel van het functionele leefgebied van de huismus behouden blijft. Stikstofdepositie Voor het planvoornemen omtrent de beoogde ontwikkelingen is een berekening gemaakt met behulp van de AERIUS calculator 10 (toegevoegd als separate bijlage). Deze berekening met bijbehorende memo beschrijft de eventuele stikstofdepositie die bij de planontwikkeling kan optreden. Hierbij zijn met name Natura 2000-gebied Rijntakken en Lingegebied en Diefdijk, welke zijn gelegen op 4,5 km respectievelijk 6,5 km van het plangebied, van belang.

Uit de rekenresultaten blijkt dat bij de in te vullen gegevens geen rekenresultaat hoger is dan 0,00 mol/ha/j. De ontwikkelingen in het plangebied hebben dus geen invloed op de omliggende Natura 2000-gebieden. Conclusie Het aspect Natuurwetgeving vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.9

Water

Beleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Water Programma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen.

10 Hans Rietveld Agrarisch Advies, Stikstofdepositie AERIUS Calculator Hoevenseweg 5/6 te Enspijk, 7 oktober 2019/update 8

maart 2022 NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|46 Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doet het Rijk voor de periode 2022 – 2027, maar men kijkt ook verder vooruit. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Dit ontwikkelen zij samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Bestuursakkoord Water Het Bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: • heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; • beheersbaar programma voor de waterkeringen; • doelmatig beheer van de waterketen; • werkzaamheden slim combineren; • het waterschapsbestuur. De doelstellingen van het ‘oude’ Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht.

Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ Het waterbeheerprogramma 2022-2027 beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerplan zijn de kaders voor het waterbeheer gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: • bescherming tegen overstromingen; • water eerlijk verdelen; • voorbereiden op extreem weer; • streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; • bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; • kwaliteitsverbetering zwemwater; • toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; • toewerken naar circulariteit. Keur 2014 Enspijk valt binnen het werkingsgebied van waterschap Rivierenland. Binnen dit waterschap is de Keur 2014 van kracht, dit is de opvolger van de Keur 2011. De Keur is één van de instrumenten van beheer die de waterbeheerder ter beschikking staat om de doelstellingen van waterbeheer te behalen. De drie hoofddoelstellingen die vanuit de Waterwet zijn aangegeven zijn: • voorkomen van overstroming, wateroverlast en waterschaarste; • beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van watersystemen; • vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.

NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|47 Watertoets De watertoets is wettelijk verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding’. Hemelwater De wijziging in bebouwing en verharding betreft enkel Hoevenseweg 6 en de uitbreiding van de parkeerplaats. Voor Hoevenseweg 5 is er geen sprake van veranderingen in bebouwing en verharding. Conform het vooroverleg met het Waterschap Rivierenland is voor de uitbreiding van de parkeerplaats welke uitgevoerd wordt met ‘netlon’ vergeleken met een gedraineerd sportveld waarvoor 20% compensatie geldt.

Bebouwing exclusief woning Voor + mestopslag Parkeerplaats ‘grind’ Parkeerplaats ‘netlon’ Verharding Verharding groepsaccommodatie Totaal

Huidig (in m2) 1.484 1.267 4.000 0 1.000 -

Beoogd (in m2) 900 0 4.000 1.200 (20% van 6.000) 650 +/- 500

7.748

7.250

Tabel 6 Aandeel verharding in huidige en beoogde situatie

Per saldo neemt het aandeel verhard oppervlak na realisatie van het planvoornemen af (zie bovenstaand tabel). Het hemelwater loopt van de verharding naar de omliggende sloten waar het verder wordt afgevoerd of trekt rechtstreeks de bodem in. Afvalwater In de huidige situatie wordt het afvalwater van de woning op een IBA geloosd. Het afvalwater van de horeca wordt geloosd op de voormalige mestkelder en afgevoerd door de velden. Voor de groepsaccommodatie is het plan het afvalwater op te vangen in een IBA. Daartoe is advies ingewonnen bij het waterschap. Daaruit volgt het advies om te lozen op de mestkelder en vervolgens het afvalwater per as te vervoeren. Dit advies zal ter harte worden genomen. Grondwater Uit het verkennend bodemonderzoek, uitgevoerd door Lankelma ingenieursbureau (zie separate bijlage), blijkt dat de grondwaterstand in het plangebied ligt op circa 1,7 m –mv. Voor het buitengebied gelden geen grondwaternormen. Waterkwaliteit Om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater en grondwater te voorkomen wordt geadviseerd duurzaam te bouwen. Dit houdt in dat het gebruik van uitlogende materialen zoals lood, zink, koper, bitumineuze materialen en geïmpregneerd hout voorkomen dienen te worden.

NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|48 Toe te passen duurzame materialen: • Hellende daken: dakpannen van beton of keramisch materiaal; •

Platte daken: beton of bekleed met EPDM rubber; APP en/of SBS gemodificeerd bitumen;

•

Dakgoten en afvoerpijpen: PVC/PP/PE/ staal, aluminium of zink, alle gecoat;

•

Ontsluitingspaden, wegen, terrassen: voorzien van niet uitloogbare materialen zoals beton of keramische producten.

Digitale watertoets Voor dit plan is de digitale watertoets11 uitgevoerd (http://www.dewatertoets.nl/), zie separate bijlage. Per mail heeft het Waterschap Rivierenland gereageerd op het voorontwerpbestemmingsplan. Deze opmerkingen zijn verwerkt in onderhavige waterparagraaf. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

11 Waterschap Rivierenland, Digitale watertoets Hoevenseweg 5 en 6, 7 februari 2019

NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|49

6

JURIDISCHE ASPECTEN

6.1

Verbeelding

Op de verbeelding is met behulp van de in de SVBP2012 bepaalde methode de bestemming van de gronden aangegeven. De bijbehorende bepalingen zijn vervolgens opgenomen in de planregels. De verbeelding visualiseert de planregels.

6.2

Planregels

De planregels bestaan uit de volgende vier hoofdstukken: 1.

2.

3.

4.

6.3

Inleidende regels, dit hoofdstuk bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft het artikel ‘begrippen’ waarin wordt toegelicht wat onder bepaalde begrippen wordt verstaan. Het tweede artikel is ‘Wijze van meten’ waarin wordt toegelicht hoe de benoemde maatvoering moet worden gemeten. Bestemmingsregels, in dit hoofdstuk worden de op de kaart aangegeven bestemmingen nader verklaard. Hierin wordt onder andere bepaald de maximale bebouwingshoogte. De gehanteerde bestemmingen worden in de paragraaf 6.3 van dit hoofdstuk verder uitgewerkt. Algemene regels, in dit hoofdstuk worden regelingen opgenomen die zijn bedoeld voor meer dan één bestemming. De gehanteerde algemene regels worden nader toegelicht in paragraaf 6.3 van dit hoofdstuk. Overgangs- en slotregels, binnen de overgangsbepalingen wordt geregeld dat met het bestemmingsplan strijdige bouwwerken en plannen welke bestaan ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan mogen worden uitgevoerd, mits er geen veranderingen plaatsvinden in aard en omvang. De slotregel benoemd de officiële naam van het bestemmingplan, welke moet worden gebruikt om te verwijzen naar het plan.

Toelichting op de bestemmingen

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel wordt een aantal in het plan gebruikte begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van de begrippen beperkt en daarmee de duidelijkheid en rechtszekerheid van het plan vergroot. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.

NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|50 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch Bestemmingsomschrijving De voor ‘Agrarisch’ aangewezen zijn bestemd voor regulier grondgebonden bedrijfsmatig agrarisch gebruik, hobbymatig agrarisch gebruik, het behoud en herstel van de landschappelijke en natuurwaarden, het behoud en herstel van waardevolle landschapselementen, extensieve dagrecreatie met de daarbij behorende groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Onder het doel 'behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de landschappelijke en natuurwaarden' is de instandhouding begrepen van de landschappelijke - en natuurwaarden behorend tot de landbouwgronden in het grootschalige komgebied met de openheid, de vochtige graslandgebieden ter bescherming van het waardevolle leefgebied voor weidevogels en de beplantingselementen zoals houtwallen, houtsingels, hagen, bosjes, boomgroepen, solitaire monumentale en waardevolle bomen, weg- en erfbeplanting. Algemeen Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Artikel 4 Gemengd Bestemmingsomschrijving De voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ uitsluitend één bedrijfswoning. Ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch’ uitsluitend de oefening van één grondgebonden veehouderij.

Ter plaatse van de aanduiding 'dagrecreatie' uitsluitend feest- en vergaderzalen met ondersteunende horeca met een maximale oppervlakte van 450 m², een restaurant (inclusief keuken) met een maximale oppervlakte van 425 m², educatiecentrum voor duurzame energie, speel- en opslagruimtes en terrassen. Ter plaatse van de aanduiding ‘verblijfsrecreatie’ uitsluitend een logiesgebouw ten behoeve van verblijfsrecreatie met maximaal 40 slaapplekken, met een maximale totale oppervlakte van 900 m2 en terrassen. Ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' uitsluitend een parkeerterrein met minimaal 300 parkeerplaatsen ten behoeve van de inrichting, waarvan maximaal 6.000 m2 (nieuw) met Netlon wordt uitgevoerd en 4.000 m2 (bestaand) in overige straatverhardingen. Met de daarbij behorende nutsvoorzieningen, toegangswegen, -paden, onverharde paden en overig verblijfsgebied, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, bijgebouwen bij bedrijfswoningen voor zover gelegen binnen de aanduidingen ‘dagrecreatie’ en ‘verblijfsrecreatie’, voorzieningen voor sport en spel voor zover gelegen binnen de aanduidingen ‘dagrecreatie’ en ‘verblijfsrecreatie’, erven en tuinen voor zover gelegen binnen de aanduidingen ‘dagrecreatie’ en ‘verblijfsrecreatie’ en voorzieningen voor opslag van voer en mest voor zover gelegen binnen de aanduiding ‘agrarisch`.

Algemeen Ter plaatse van de aanduiding 'dagrecreatie' mogen uitsluitend bedrijfsgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gerealiseerd.

NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|51 Bouwregels bedrijfsgebouwen Ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch' mag de totale maximale bebouwd oppervlakte aan bedrijfsgebouwen inclusief overkappingen niet meer bedragen dan 650 m 2, mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 10 m, dan wel niet meer dan de bestaande bouwhoogte indien deze meer bedraagt, worden bedrijfsgebouwen voorzien van een kap met een dakhelling van ten minste 10°, dan wel de bestaande dakhelling indien deze minder bedraagt en zijn kassen niet toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie' mag de goothoogte niet meer bedragen dan 6 meter en de bouwhoogte niet meer bedragen dan 10 meter, dan wel niet meer dan de bestaande bouwhoogte indien deze niet meer bedraagt. Ter plaatse van de aanduiding ‘dagrecreatie’ mag de totale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen (exclusief de bedrijfswoning en bijhorende bijgebouwen zoals bedoeld in artikel 4.2.3) inclusief overkappingen niet meer bedragen dan 1475 m2, de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 meter en de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 meter, dan wel niet meer dan de bestaande bouwhoogte indien deze niet meer bedraagt. Ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’ zijn geen gebouwen toegestaan.

Bouwregels bedrijfswoningen en daarbij behorende bijgebouwen De bouwhoogte van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 10 m, dan wel niet meer dan de bestaande bouwhoogte indien deze meer bedraagt, de inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer dan 750 m3 bedragen, dan wel niet meer dan de bestaande inhoud indien deze meer bedraagt en voor het bouwen van bijgebouwen bij de bedrijfswoning geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 6 m dan wel niet meer dan de bestaande bouwhoogte indien deze meer bedraagt, de goothoogte niet meer mag bedragen dan 3 m dan wel niet meer dan de bestaande goothoogte indien deze meer bedraagt en de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 75 m2. Artikel 5 Groen De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen met de daarbij behorende water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waterberging en wandelpaden. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd. Artikel 6 Waarde – Archeologie 3 (Dubbelbestemming) Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming van archeologische waarden. Artikel 7 Waarde – Archeologie 5 (Dubbelbestemming) Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming van archeologische waarden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 8 Anti-dubbeltelregel In dit artikel is een regel opgenomen die voorkomt dat een al verleende omgevingsvergunning meegenomen wordt bij de beoordeling van latere bouwplannen.

NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|52 Artikel 9 Algemene bouwregels In de algemene bouwregels wordt geregeld in welke gevallen sprake is van strijdig gebruik. Artikel 10 Algemene aanduidingsregels Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - intrekgebied' zijn de gronden mede aangewezen ter bescherming van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwaterwinning en is de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas niet toegestaan. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels Op grond van de algemene afwijkingsregels kan afgeweken worden van de regels voor het toestaan van kleine nutsgebouwen en –bouwwerken, goot- en bouwhoogte overschrijdingen, antennes en schuurbergen bij woningen. Artikel 12 Overige regels In dit artikel zijn regels opgenomen met betrekking tot de aanduidingswijziging van ‘agrarisch’ naar de aanduiding ‘verblijfsrecreatie’ of ‘dagrecreatie’. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsregels Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Artikel 14 Slotregel Het laatste artikel ’Slotregel’ geeft de officiële naam van het plan aan, wanneer naar het plan wordt verwezen.

De planregels kunnen worden aangehaald onder de naam: Bestemmingsplan “Hoevenseweg 5 en 6”.

NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|53

7

UITVOERBAARHEID

7.1

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder f Bro dient de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen te worden aangetoond. De ontwikkelingen betreffen een particulier initiatief en bevinden zich op particulier terrein. Inmiddels is een overeenkomst opgesteld tussen de initiatiefnemer en de gemeente ten behoeve van de kosten. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd. Daarom hoeft geen exploitatieplan conform Wro te worden opgesteld.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voorontwerp Het voorontwerpbestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6 te Enspijk, gemeente West Betuwe heeft in het kader van artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening met de bijbehorende stukken vanaf donderdag 17 oktober 2019 zes weken ter inzage gelegen. De kennisgeving van de terinzagelegging is op 14 november gepubliceerd in het Gemeenteblad van West Betuwe. Tijdens de terinzagelegging was er voor een ieder de gelegenheid om een mondelinge of schriftelijke reactie op het voorontwerpbestemmingsplan in te dienen. In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de overlegpartners. Inspraakreacties Op het voorontwerp zijn geen inspraakreacties ingediend. Reactie provincie De provincie heeft een vooroverlegreactie ingediend. Zij geven in de brief van 21 november 2019 aan dat er geen provinciaal belang in het geding is. Wel zijn er twee ambtelijke wijzigingen doorgevoerd, namelijk over de motivering van de ladder voor duurzame verstelijking en de toetsing van het planvoornemen aan de regionale Handreiking hergebruik vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied (VAB). Reactie waterschap Het Waterschap Rivierenland heeft per mail op 3 januari 2020 een reactie op het voorontwerpbestemmingsplan gegeven.

Daarbij gaven zij aan dat er naar aanleiding van het inrichtingsvoorstel (afbeelding 8) nog een aantal zaken onduidelijk waren c.q. nader uitgewerkt dienen te worden met betrekking tot de extra parkeerplaatsen, de extra inrit bij de Hoevenseweg over de B-watergang, de C-watergang aan de noordzijde en de beschermingszone/onderhoudszone langs de B-watergang. Het inrichtingsvoorstel is hierop aangepast en nader onderbouwd in de toelichting (paragraaf 3.1). Ten aanzien van de watercompensatie werd aangegeven dat nader onderbouwd moest worden dat het aandeel verhard oppervlakte afneemt. Middels een tabel (tabel 6, paragraaf 5.9) is dit nader onderbouwd. Daarbij is voor de parkeerplaatsen met Netlon gefundeerd gras gerekend met 20% compensatie.

NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

|54 Verder zette het waterschap vraagtekens bij het afvalwater-verhaal. Hiertoe is in paragraaf 5.9 nader onderbouwd hoe het afvalwater in de toekomstige situatie wordt verwerkt. Ontwerp Dit ontwerpbestemmingsplan wordt 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode heeft een ieder de mogelijkheid zienswijze in te dienen bij het college van burgemeester en wethouders. De ingekomen zienswijzen worden vervolgens betrokken bij hun besluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. De gemeenteraad is het bevoegd gezag om het bestemmingsplan vast te stellen. Vaststelling Na vaststelling wordt het bestemmingsplan, samen met het besluit tot vaststelling hiervan, opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen dit besluit beroep aantekenen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

NL.IMRO.1960.BPHoevenseweg5en6-OW01

Bestemmingsplan Hoevenseweg 5 en 6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/459/documents/10341