CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2022-087 Bijlage 1 Toelichting ontwerpbestemmingsplan.pdf

Gemeenteraad 28 juni 2022, gemeente West BetuweBij agendapunt: 9: Voorstel tot vaststelling Bestemmingsplan “Herwijnen, Waaldijk 83”16.087 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De omliggende bedrijven zijn op voldoende afstand gelegen; er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar uit het VNGHandboek bedrijven en milieuzonering. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Geurhinder Aanvullend of er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat dient getoetst te worden aan de Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv). In de Wgv staan standaard, landelijk geldende, afstanden en normen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven getoetst moeten worden, in het geval van een aanvraag om milieuvergunning. De Wgv is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De normen gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) en de afstanden gelden tot deze geurgevoelige objecten. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks Gebieden. Dit verspreidingsmodel geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Rgv. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Op 1 januari 2013 is een grote wijziging van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling in werking getreden. Met de wijziging zijn meer veehouderijen onder de regels van het Activiteitenbesluit komen te vallen.

Daarbij is onder meer de beoordeling van geur conform de Wgv meegenomen. De toetsing aan middels geurverordeningen aangepaste geurnormen en afstanden geldt ook voor veehouderijen die onder de regels van het Activiteitenbesluit vallen. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daartoe getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan wordt aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. Voor het aspect geur van veehouderijen moet een toets op grond van de Wgv worden uitgevoerd. De geplande geurgevoelige objecten moeten zijn gelegen buiten de wettelijk geldende geur- en afstandscontouren van de aanwezige veehouderijen. De afstand tot veehouderijen met dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderijen (Rgv) een geuremissiefactor is vastgesteld, dient te voldoen aan bepaalde geurnormen. De geurnormen zijn opgenomen in artikel 3

Herwijnen, Waaldijk 83

27

van de Wgv. Voor het onderhavige plangebied (buiten een concentratiegebied en binnen de bebouwde kom) geldt een maximale geurnorm van 2 odour units per m³. De initiatiefnemer is voornemens om de bedrijfsactiviteiten te staken en de huidige bedrijfsbestemming in het vigerend bestemmingsplan op te zetten in een woonbestemming. De kerk en de consistorie zullen als bijgebouw functioneren bij de bestaande woning Waaldijk 83. Verder is de initiatiefnemer voornemens om een vrijstaande woning te realiseren ten zuiden van de woning Waaldijk 83. In de directe omgeving van het plangebied liggen binnen een afstand van 500 meter de volgende veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling een emissiefactor is vastgesteld. Het gaat om de agrarische bedrijven aan de Rij- en uitweg 4, Achterweg 4, Molenstraat 7 en Molenstraat 9. Tussen deze veehouderijen en het plan liggen reeds andere maatgevende woningen waardoor deze bedrijven niet (extra) worden beperkt in hun uitbreidingsmogelijkheden. Het plan zal daardoor niet beperkend werken voor deze veehouderijen. Voorgrondbelasting Met behulp van het programma V-Stacks Gebieden is de voorgrondbelasting op de woningen berekend. De voorgrondbelasting is de geurbelasting ten gevolge van een veehouderij.

Met betrekking tot de veehouderijen in de omgeving is uitgegaan van de gegevens uit tabel 3, gebaseerd op de milieuvergunningen die zijn verstrekt door de Omgevingsdienst Rivierenlanden. Tabel 3: Gegevens agrarische bedrijven in de omgeving Adres Veestapel Aantal Geuremissiefactor Achterweg 4 Vrouwelijk 36 jongvee Geiten 250 18,8 Totaal: Molenstraat 7 Vleeskalveren 40 35,6 Kalfkoeien 6 ouder dan 2 jaar Zoogkoeien 27 en overig rundvee ouder dan 3 jaar Paarden 3 Schapen 270 7,8 Totaal: Molenstraat 9 Vleeskalveren 150 35,6 Zoogkoeien 10 Jongvee tot 2 20 jaar Totaal: Rij- en Uitweg Melk-/ 30 4 zoogkoeien Jongvee 20 Kalveren 15 Stieren 2 Schapen 85 7,8 Totaal:

Herwijnen, Waaldijk 83

Totale geuremissie 4.700 OU/m³ 4.700 OU/m³ 1.424 OU/m³ -

-

2.106 OU/m³ 3.530 OU/m³ 5.340 OU/m³ 5.340 ou/m³ 663 OU/m³ 663 OU/m³

28

De receptorpunten (de punten waar de geurbelasting is berekend) zijn op de randen van het plangebied gelegd, zoals weergegeven in onderstaande afbeelding.

NW NO

ZW

ZO Afbeelding 14: Overzicht opgenomen receptorpunten

Uit de resultaten komen de volgende voorgrondbelastingen per agrarisch bedrijf. Tabel 4: Voorgrondbelasting omliggende veehouderijen op plangebied Geurbron NW NO ZO ZW Voorgrondbelasting Achterweg 4 0,449 0,463 0,348 0,366 0,463 OU/m³ Molenstraat 7 0,128 0,140 0,160 0,128 0,160 OU/m³ Molenstraat 9 0,471 0,545 0,440 0,416 0,545 OU/m³ Rij- en Uitweg 4 0,036 0,033 0,030 0,032 0,036 OU/m³ Uit de resultaten blijkt dat de veehouderij met de hoogste voorgrondbelasting een rekenresultaat geeft van 0,545 OU/m³. Daarmee wordt voldaan aan de wettelijke grens van 2,00 OU/m³ voor woningen binnen de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied. Achtergrondbelasting Het woon- en leefklimaat in een gebied wordt behalve door de geurbelasting per veehouderij (voorgrondbelasting) ook bepaald door de achtergrondbelasting, de geurbelasting ten gevolge van alle veehouderijen samen. Met behulp van het programma V-Stacks Gebieden is de achtergrondbelasting berekend. Tabel 5: Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor Geurnorm Achtergrondbelasting NW 136728 425824 2.000 0,851 NO 136760 425814 2.000 0,915 ZO 136734 425751 2.000 0,726 ZW 136704 425773 2.000 0,717 Uit de berekening blijkt dat de achtergrondbelasting 0,915 OU/m³ is.

De belasting valt onder de wettelijke grenswaarde van 2 OU/m³, waarmee gesteld wordt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Herwijnen, Waaldijk 83

29

Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder en geurhinder geen belemmeringen. De im- en exports van V-Stacks Gebieden zijn opgenomen in de bijlage van deze toelichting.

Herwijnen, Waaldijk 83

30

5.4 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem ter plaatse van de bouwlocatie in kaart te brengen is door Inventerra Milieuadviesbureau een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is toegevoegd in de bijlage van de toelichting. De conclusie van dit rapport luidt: ‘Als op de locatie graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden kunnen, afhankelijk van de aangetoonde gehalten in de grond en/of de samenstelling, beperkingen worden gesteld aan het hergebruik van de vrijkomende grond. Bij toepassingsmogelijkheden elders of bij afvoer naar een erkend verwerker dient de vrijkomende grond mogelijk nog conform het Besluit Bodemkwaliteit te worden gekeurd. Vrijkomende sterk verontreinigde grond is in geen geval elders herbruikbaar.

Bij werkzaamheden in de grond dient rekening gehouden te worden met eventueel te treffen veiligheidsmaatregelen conform de CROW-publicatie 132.’ Naar aanleiding van bovenstaande conclusie is door Adromi een verkennend en nader onderzoek en asbest-in-grond onderzoek uitgevoerd. De conclusie van dit rapport luidt: ‘Deellocatie 1: de gehele onderzoekslocatie - De zwak puinhoudende bovengrond, ter plaatse van de geplande nieuwbouwwoning alsmede de locatie van de afgebrande woning, is licht verontreinigd met zware metalen, PAK en PCB. Het gehalte som PFOA is 1,0 μg/kg ds en het gehalte som PFOS is 0,48 μg/kg ds; - De zwak puinhoudende ondergrond, ter plaatse van de geplande nieuwbouwwoning alsmede de locatie van de afgebrande woning, is licht verontreinigd met enkele zware metalen en PCB; - De bovengrond, ten westen van de voormalige bovengrondse dieseltank, is licht verontreinigd met enkele zware metalen; - Het grondwater, ter plaatse van de geplande nieuwbouwwoning alsmede de afgebrande woning, is licht verontreinigd met barium, molybdeen, zink en naftaleen.

Het gehalte som PFOA is 2,6 ng/l en het gehalte som PFOS is <0,2 ng/l; - Op het maaiveld en in de bodem is geen asbestverdacht materiaal waargenomen; - In het analysemonster ABMM01 van de bovengrond, ter plaatse van de geplande nieuwe woning, is geen asbest aangetoond; - In de analysemonsters ABMM02 en ABMM03 van respectievelijk de bovengrond en ondergrond, onder de beton- en klinkerverharding ter plaatse van deellocatie 2 en 4, is asbest in de vorm van hechtgebonden plaatmateriaal en bundels chrysotiel aangetoond. De hypothese verdacht wordt bevestigd vanwege het aantreffen van lichte verontreinigingen in de grond en het grondwater. Tevens wordt op een aantal plaatsen, onder de betonverharding en klinkerverharding, asbest aangetoond in de vorm van hechtgebonden plaatmateriaal en bundels chrysotiel.

Herwijnen, Waaldijk 83

31

De bodemkwaliteitsklasse PFAS (PFOA en PFOS) voor toepassing op landbodem voor ‘Wonen of Industrie’ is voor som PFOA een toepassingswaarde van 7 μg/kg ds en voor som PFOS een toepassingswaarde van 3 μg/kg ds. De geanalyseerde gehalten uit het onderzoek zijn voor som PFOA een gehalte van 1,0 μg/kg ds en voor som PFOS een gehalte van 0,48 μg/kg ds. De geanalyseerde gehalten PFAS (PFOA en PFOS) vallen onder de toepassingswaarden voor Wonen. Het asbestmateriaal, bundels en platen chrysotiel, is onder de huidige beton- en klinkerverharding aangetroffen. De asbest is geïsoleerd door de aanwezige verharding. Deellocatie 2: boring 103 (afperking sterke loodverontreiniging) - In de zandlaag zonder bodemvreemde bijmengingen, boring 201 van 1,001,50 m-mv, voor de verticale afperking, is een lichte verontreiniging met lood aangetroffen; - In de sterk puinhoudende grond, boringen 202 en 203 van 0,50-1,00 mmv, voor de horizontale afperking, is alleen een lichte verontreiniging met lood aangetroffen. Uit de resultaten van het nader onderzoek blijkt dat de sterke verontreiniging met lood alleen ter plaatse van boring 103, van 0,50-1,00 m-mv, is aangetroffen (onderzoek 2017). Voor de horizontale- en verticale afperking is ten hoogste een lichte verontreiniging met lood aangetroffen. Ter plaatse van deellocatie 2 is geen geval van ernstige bodemverontreiniging (< 25 m3) aanwezig.

Deellocatie 3: boring 104 (afperking matige loodverontreiniging) - In de zandlaag zonder bodemvreemde bijmengingen, boring 301 van 0,501,00 m-mv, voor de verticale afperking, is een matige verontreiniging met lood aangetroffen; - In de zwak puinhoudende grond, boringen 302, 303 en 304 van 0,00-0,50 m-mv, voor de horizontale afperking, is tevens een matige verontreiniging met lood aangetroffen. Ter plaatse van deellocatie 3 is een matige verontreiniging met lood aangetroffen. Deze verontreiniging met lood is voldoende afgeperkt en betreft géén geval van ernstige bodemverontreiniging (gehalten kleiner dan de interventiewaarde).

Deellocatie 4: boring 106, 108 en 110 (afperking sterke zware metalen verontreiniging, met name koper, nikkel en zink) - In de zwak puinhoudende zandlaag, boring 402 van 1,00-1,50 m-mv, voor de verticale afperking, is een sterke verontreiniging met koper, lood en zink aangetroffen; - In de (zwak puinhoudende) zandlaag, boringen 405 en 410 van 0,50-1,50 m-mv, voor de verticale afperking, is een lichte verontreiniging met koper, lood en zink aangetroffen; - In de zwak puinhoudende grond, boringen 404 en 407 van 0,50-1,00 mmv, voor de horizontale afperking, is een sterke verontreiniging met koper, lood en/of zink aangetroffen; - In de zwak puinhoudende grond, boringen 411 en 412 van 0,00-1,50 mmv, voor de horizontale afperking, is een matige verontreiniging met koper en zink aangetroffen; - In de overige zwak puinhoudende grond, boringen 401, 403, 405, 406, 408 en 409 van 0,50-1,00 mmv, is een lichte verontreiniging met koper, lood en/of zink aangetroffen. Ter plaatse van deellocatie 4 is een sterke tot matige verontreiniging met koper, lood en zink aangetroffen. Deze sterke tot matige verontreiniging is te relateren aan de waargenomen puinlagen in de grond. Tijdens het nader onderzoek is het puin met name in de grondlagen 0,50-1,50 m-mv waargenomen. Tijdens het verkennend bodemonderzoek (2017) is het puin ook in de toplaag waargenomen.

Herwijnen, Waaldijk 83

32

Uitgegaan wordt dat de puinhoudende grond aanwezig is van 0,00 tot 1,50 m-mv, dikte 1,50 meter. De oppervlakte van de sterke verontreiniging met koper, lood en zink is circa 25 m2 en de diepte is circa 1,50 meter. De geschatte omvang van de verontreiniging is circa 37 m3. Het betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging (> 25 m3). De sterke verontreiniging is geïsoleerd onder de aanwezige klinkerverharding. Herinrichting is hier, volgens de opdrachtgever, vooralsnog niet gepland. De resultaten van het verkennend bodemonderzoek vormen geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging naar wonen alsmede de nieuwbouw van een woning ter plaatse van perceel 569. Indien bij herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt welke niet ter plaatse kan worden hergebruikt, gelden hiervoor restricties ten aanzien van het hergebruik.’ Conclusie Op de locatie is asbestmateriaal onder de huidige beton- en klinkerverharding aangetroffen. De asbest is geïsoleerd door de aanwezige verharding. Gebleken is dat op deellocaties 2 en 3 is géén sprake van een geval van ernstige verontreiniging. Op deellocatie 4 is een geval van ernstige bodemverontreiniging (>25 m³) waargenomen. De sterke verontreiniging is geïsoleerd onder de aanwezige klinkerverharding. Herinrichting is hier, volgens de opdrachtgever, vooralsnog niet gepland.

Vooralsnog ondervindt het plan voor wat betreft het aspect bodem verder geen belemmeringen voor de bouw van een nieuwe vrijstaande burgerwoning. Als op de locatie graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden kunnen, afhankelijk van de aangetoonde gehalten in de grond en/of de samenstelling, beperkingen worden gesteld aan het hergebruik van de vrijkomende grond.

Herwijnen, Waaldijk 83

33

5.5 Archeologische en cultuurhistorische waarden Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de komende Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Gemeentelijk archeologiebeleid In opdracht van de gemeente heeft in 2008 RAAP Archeologisch adviesbureau uit Amsterdam een archeologische waarden- en verwachtingskaart in combinatie met een archeologische beleidskaart opgesteld. De archeologische waarden- en verwachtingskaart en de archeologische beleidskaart zijn in 2011 door Vestigia Archeologie en Cultuurhistorie geactualiseerd. De archeologische waarden- en verwachtingskaart geeft een overzicht van de archeologische vondsten, verwachtingen en vindplaatsen in de gemeente Lingewaal. De archeologische waarden- en verwachtingskaart vormt de basis voor de archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft het gemeentelijk beleid weer. Op deze beleidskaart en in de begeleidende tekst staat verwoord hoe in het planproces moet worden omgegaan met de verschillende bekende archeologische terreinen en met de verwachtingszones, in het bijzonder in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen.

In de beleidsregels zijn vrijstellingsgrenzen opgenomen voor de oppervlakte en diepte van de voorgenomen ingreep. Indien een plangebied groter is dan de gestelde oppervlakte-ondergrens en de ingreep dieper gaat dan de diepte-ondergrens dient archeologisch onderzoek conform de Archeologische Monumentenzorgcyclus (AMZ-cyclus) te worden uitgevoerd. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente is te zien dat het plangebied valt op gronden: • AWG categorie 4 (historische dorpskernen) (paars). Streven naar behoud in huidige staat. Bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv is een archeologisch bureauonderzoek met eventueel karterend veldonderzoek verplicht. • AWV categorie 8 (middelmatige archeologische verwachting) (geel). Streven naar behoud in huidige staat. Archeologisch inventariserend veldonderzoek verplicht als oppervlakte van de ingreep groter is dan 500 m2 én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm -mv); • AWV categorie 9 (lage archeologische verwachting). Streven naar behoud in huidige staat. Archeologisch inventariserend veldonderzoek verplicht als oppervlakte van de ingreep groter is dan 5000 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 100 cm -mv.

Herwijnen, Waaldijk 83

34

Afbeelding 15: Uitsnede archeologische beleidskaart

Beleidsnota Erfgoed West Betuwe In september 2021 is de Beleidsnota Erfgoed door de gemeente West Betuwe vastgesteld. De nota is bedoeld om de keuzes vast te leggen die de gemeente over haar erfgoed wil maken, het ‘oude’ beleid van de voormalige gemeenten Lingewaal, Geldermalsen en Neerijnen te harmoniseren en het erfgoedbeleid geschikt te maken voor de invoering van de Omgevingswet. Cultuurhistorische waarden Het plangebied maakt deel uit van het cultuurhistorische lintbebouwing langs de Waaldijk. Middels het onderhavige plan wordt het beeld en het karakter van het cultuurhistorisch lint versterkt door de bedrijfsbestemming te verwijderen, op het perceel een passende woning te realiseren en het perceel op een representatieve wijze terug te brengen. De nieuw te bouwen woning maakt deel uit van een cultuurhistorisch bijzonder waardevol oud bebouwingslint, waar veel panden en objecten beschermd zijn als gemeentelijk of rijksmonument. Door de bouw van de woning wordt de afwisseling tussen bebouwing en open doorzichten niet geschaad. Het plan draagt bij aan het behoud van de cultuurhistorische waarden van de lintbebouwing langs de Waaldijk. Verder zijn op het perceel geen monumenten of overige cultuurhistorische objecten aanwezig. Onderzoek Het plan voorziet in bodemingrepen dieper dan 30 cm-mv op gronden die zijn opgenomen als archeologisch waardevol gebied categorie 4 (AWG 4).

Als gevolg hiervan is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. ADC ArcheoProjecten voerde een bureau- en inventariserend onderzoek door middel van grondboringen uit. Tijdens het onderzoek is op een ondoordringbaar puinpakket gestuit afkomstig van de bebouwing die tot circa 1960 langs de Waaldijk stond. De exacte ouderdom van deze woning kon niet worden vastgesteld. Het puinpakket is aanwezig in het hele plangebied. IN het westen aan de Waaldijkzijde op een diepte van ca. 4,4 m +NAP (ca. 1,5 m -mv) tot ca. 3,8 m +NAP in het oosten (0,8 m -mv). De aangetroffen archeologische indicatoren in de boringen zijn uitsluitend puinresten welke dateren uit de nieuwe tijd (1500 AD tot heden). Het onderzoeksbureau adviseert om in het plangebied een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uit te laten voeren. Namens gemeente West Betuwe heeft regioarcheoloog Rivierenland het onderzoeksrapport met dit advies getoetst aan geldende wet- en regelgeving en het gemeentelijk archeologiebeleid. Het advies om nader onderzoek in de vorm van proefsleuven uit te laten voeren is niet overgenomen. Het plangebied is formeel vrijgesteld van

Herwijnen, Waaldijk 83

35

archeologisch onderzoek. De wettelijke meldingsplicht archeologisch toevalsvondst (art. 5.10 Erfgoedwet) blijft te allen tijde van kracht en geldt derhalve ook voor vrijstelde plangebieden. Bij het grondverzet in het dijklichaam en het overige deel van het plangebied zal door de Omgevingsdienst Rivierenland een archeologische waarneming worden gedaan. De archeologische dubbelbestemming is na het onderzoek en na vrijgave van het plangebied niet meer van toepassing en wordt derhalve niet overgenomen in dit plan. Conclusie Het plangebied is formeel vrijgesteld van archeologisch onderzoek. De wettelijke meldingsplicht archeologisch toevalsvondst (art. 5.10 Erfgoedwet) blijft te allen tijde van kracht. Bij het grondverzet in het dijklichaam en het overige deel van het plangebied zal door de Omgevingsdienst Rivierenland een archeologische waarneming worden gedaan. De archeologische dubbelbestemming is na het onderzoek en na vrijgave van het plangebied niet meer van toepassing en wordt derhalve niet overgenomen in dit plan.

Herwijnen, Waaldijk 83

36

5.6 Waterparagraaf In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Beleidskader Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerplan zijn de kaders voor het waterbeheer gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging.

In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt een beschermingszone van 4 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water-aanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele watergangen gelegen. De geplande werkzaamheden vallen buiten de beschermingszones van de watergangen, waardoor het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland niet is vereist dan wel noodzakelijk is.

Herwijnen, Waaldijk 83

37

C-watergang 076795 B-watergang 024998 C-watergang 076796

C-watergang 076797 Afbeelding 16: Uitsnede legger wateren

Onderzoek Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20191023-9-21636). De digitale toets is toegevoegd in de bijlage van de toelichting. De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Waterberging en -compensatie Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied TLW072. Het peilgebied heeft een zomerpeil van 0,5 m NAP en een winterpeil van 0,3 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter.

Plangebied

Afbeelding 17: Uitsnede peilgebiedenkaart

Herwijnen, Waaldijk 83

38

Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2. De nieuwe woning wordt gerealiseerd op een onverhard deel van het plangebied en krijgt een oppervlak van circa 140 m2, waarmee de toename aan verharding onder de eenmalige vrijstelling van 500 m2 blijft.

Indien de initiatiefnemer niet eerder gebruik heeft gemaakt van de eenmalige particuliere vrijstelling en hier gebruik van maakt, zijn watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk. Wanneer geen gebruik wordt gemaakt van de eenmalige particuliere vrijstelling en er geen verharding wordt opgeruimd, dient op basis van de stelregel van het waterschap 6,11 m3 (140 ÷ 10.000 × 436) aan water gerealiseerd worden. Rekening houdend met een peilstijging van 0,2 m betekent dit een wateroppervlak van 30,6 m2. Voor het realiseren van water is een watervergunning noodzakelijk. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK'shoudende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. Hemelwater van verhardingen stroomt rechtstreeks af op het aanliggend maaiveld. Vuil water wordt afgevoerd via het bestaande gescheiden rioleringsstelsel (DWA). De nieuwe woning wordt aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Het rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente West Betuwe. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland.

Herwijnen, Waaldijk 83

39

Verordening afvoer hemel -en grondwater West Betuwe Op 29 april 2021 is door de gemeente West Betuwe de verordening afvoer hemelen grondwater vastgesteld. De verordening betreft een actualisatie en harmonisatie van beleid uit de voormalige gemeenten van West Betuwe. Voor nieuwbouwlocaties in heel de gemeente geldt een waterbergingseis op eigen terrein. Het lozen van grondwater op het openbaar vuilwaterriool is verboden. Het grondwater loost op een watergang of het hemelwaterriool. Primaire waterkering Het plangebied is gelegen in de kern- en beschermingszone van een primaire waterkering, de Waaldijk. De waterkering en de zogeheten beschermingszones aan weerszijden van de kade zijn door de verordening Keur beschermd. In principe geldt dat er geen bebouwing op de waterkering aanwezig mag zijn. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. Conform de regelgeving van het waterschap Rivierenland, de verordening ‘de Keur’, is het in het kader van de instandhouding van de stabiliteit van waterkering en daarmee de veiligheid niet toegestaan om binnen de kernzone van een waterkering nieuwe bebouwing te realiseren. De nieuwe woning wordt buiten de kernzone gerealiseerd, maar wel binnen de beschermingszone.

Voor de bouw van de woning dient hierom een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.

Afbeelding 18: Uitsnede legger waterkering

De nieuwe woning dient buiten het profiel van vrije ruimte (pvvr) van de waterkering te worden gerealiseerd. Het terrein wordt derhalve opgehoogd, zodat de volledige woning buiten het pvvr wordt gerealiseerd. Hoe hoog moet worden opgehoogd kan afgeleid worden van de legger waterkeringen. Op 1 juli 2022 stelt het waterschap een nieuwe legger vast, waarbij ook het profiel van vrije ruimte wijzigt. Welke legger gehanteerd wordt, hangt samen met tijdstip van indienen van de omgevingsvergunning voor de bouw van de woning.

Herwijnen, Waaldijk 83

40

Afbeelding 19: Profielen waterkering tot 1 juli 2022

Afbeelding 20: Gewijzigde profielen waterkering per 1 juli 2022

Ter bescherming van de primaire waterkering is in het bestemmingsplan ‘Dijkversterking Gorinchem – Waardenburg’ (vastgesteld op 26 januari 2021) de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ ter plaatse van de kernzone opgenomen. Daarnaast is ter plaatse van de beschermingszone de aanduiding ‘vrijwaringszone – dijk 1’ en ter plaatse van de buitenbeschermingszone de aanduiding ‘vrijwaringszone – dijk 2’ opgenomen. Het plangebied is gelegen in de kernzone en beschermingszone van de waterkering. De dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ en de aanduiding ‘vrijwaringszone – dijk 1’ met bijbehorende bepalingen zijn overgenomen in het voorliggend bestemmingsplan. Ontsluiting Binnen de bebouwde kom is de gemeente de wegbeheerder. De bestaande woning in het plangebied wordt thans ontsloten via de Waaldijk. De achterliggende gronden zijn bereikbaar via een inrit op de Waaldijk. Het parkeren wordt op het achtererf opgelost. Deze situatie zal in de nieuwe situatie ongewijzigd blijven. De nieuwe woning zal ontsloten worden middels de bestaande zuidelijke in- en uitrit.

Herwijnen, Waaldijk 83

41

Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor de uitvoering van het onderhavige plan dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.

Herwijnen, Waaldijk 83

42

5.7 Flora en fauna Beleidskader Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. Deze wet vervangt de 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De soortenbescherming binnen de Wnb is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Het doel van de nieuwe Wnb is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende plant- en diersoorten, Natura2000gebieden en bossen. Onder de Wnb geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten in redelijkheid zo veel mogelijk nagelaten worden of maatregelen worden genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. In de Wnb geldt tevens dat onderzocht moet worden of ruimtelijke ingrepen effect hebben op beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde bosopstanden (ecologische quickscan). Onderzoek Het onderhavige plan betreft de nieuwbouw van een vrijstaande woning. Hiermee is sprake van werkzaamheden welke nadelige gevolgen kunnen hebben voor beschermde flora en fauna. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De quickscan is toegevoegd in de bijlage van de toelichting.

De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming Het plangebied, de consistorie, heeft mogelijk een essentiële betekenis (nestlocaties) voor de huismus. Echter doordat er geen werkzaamheden zijn beoogd op het perceel van de Waaldijk 85 te Herwijnen kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Aanvullend onderzoek betreft de huismus is derhalve niet nodig. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Vervolgstappen Indien er geen nestlocaties worden verwijderd of andere werkzaamheden aan de woning, kerk of consistorie plaatsvinden is aanvullend onderzoek naar de huismus niet noodzakelijk. Indien er wel werkzaamheden zijn beoogd aan deze voorgenoemde structuren dient er aanvullend onderzoek plaats te vinden middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni (met een tussenperiode van 10 dagen tussen de veldbezoeken), conform het Kennisdocument Huismus. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht).

• Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een

Herwijnen, Waaldijk 83

43

•

•

vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Mogelijke overwinteringslocaties van (algemene) amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio september (huismus)). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Gelderland. Op een afstand van circa 3 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Loevenstein, pompveld & Kornsche Boezem’. Op een afstand van circa 100 m ligt het Natuurnetwerk Gelderland.

Afbeelding 21: Afstand plangebied t.o.v. Natura 2000-gebied

Herwijnen, Waaldijk 83

44

Afbeelding 22: Afstand plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland

Houtopstanden Op het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Stikstofdepositie ‘Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van de uitstoot van stikstofoxiden of ammoniak te beoordelen met de nieuwe versie van de AERIUS Calculator (2019). Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten.’ Naar aanleiding van de ecologische quickscan is een stikstofonderzoek opgesteld. De conclusie van dit rapport luidt: ‘In de voortoets stikstofdepositie is voor het plan de stikstofdepositie vanwege de ontwikkeling ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden voor het jaar 2022 berekend met behulp van de AERIUS Calculator 2020. Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling niet voorzien in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.’ Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot strijdigheid met de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Waaldijk 83-85 te Herwijnen uitvoerbaar is ten aanzien van ecologie.

Herwijnen, Waaldijk 83

45

5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van het onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt bedragen: Tabel 6: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) 24-uurgemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 μg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 μg/m3

Vanaf 11 juni 2011

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m3

Vanaf 11 juni 2011

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2018 het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 19,7 μg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 18,5 μg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11,5 μg PM2,5/m3; Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de Grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het onderhavige plan is kleinschalig van aard.

Hiermee valt het plan in het besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht.

Herwijnen, Waaldijk 83

46

5.9 Externe veiligheid Beleidskader Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de Wet milieubeheer. Invloed van stationaire bronnen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken en LPG-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij huizen, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden.

Het besluit is - op enkele onderdelen na - op 27 oktober 2004 in werking getreden. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet worden gerealiseerd in gebieden waar sprake is van een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar. Voor het PR geldt als norm dat dit kleiner dan 10-6 per jaar moet zijn. De kans per jaar dat één persoon, die op een bepaalde plaats verblijft, komt te overlijden door een ongeval van het vervoer van gevaarlijke stoffen moet kleiner zijn dan 1 op 1 miljoen. Ook het vaststellen van een bestemmingsplan geldt als een nieuwe situatie, waarbij voldaan moet worden aan de eisen uit het Bevi. Concreet betekent dit dat kwetsbare objecten binnen de 10-6 per jaar contour niet zijn toegestaan. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden toegestaan. Wanneer zich binnen de 10-6 per jaar contour kwetsbare objecten kan een bestemmingsplan worden vastgesteld mits er zodanige voorschriften aan het besluit zijn verbonden dan wel er een traject van wijziging van de milieuvergunning is ingezet, zodat binnen 3 jaar na vaststelling van het besluit voldaan wordt aan de grenswaarde (artikel 8 lid 3 Bevi). Wel dient in de tussentijd voldaan te worden aan de grenswaarde van 10-5 per jaar. Naast Bevi-inrichtingen zijn er ook inrichting die niet onder het Bevi vallen, maar waar wel opslag van risicovolle stoffen plaatsvindt.

Regulering van de risicoaspecten die samenhangen met de opslag van deze stoffen vindt plaats middels het Activiteitenbesluit dan wel de WM vergunning. Een belangrijke richtlijn voor opslag en gebruik vormen de zogenaamde PGS richtlijnen. De PGS richtlijnen beschrijven de eisen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu kan worden bereikt. Onderzoek Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en/of wegen waarover bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen worden vervoerd die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan.

Herwijnen, Waaldijk 83

47

Afbeelding 23: Uitsnede Risicokaart

Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. In en om het plangebied zijn geen van dergelijke buisleidingen aanwezig. Invloed transport gevaarlijke stoffen - transportroutes Wegverkeer Per 1 april 2015 is de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ van kracht. Basisnet Weg moet de bereikbaarheid van de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het aangrenzende buitenland garanderen voor wat betreft vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Met Basisnet Weg is een duurzaam evenwicht gecreëerd tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid. Het Basisnet Weg richt zich uitsluitend op het hoofdwegennet (rijkswegen en verbindende wegen die van belang worden geacht voor het vervoer van gevaarlijke stoffen). In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats.

Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Spoorverkeer en vaarwegen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid wel relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waal en de Betuweroute. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroutes, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en (deels) buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones). Het plangebied ligt wel binnen de 200 meter zone van de Waal. De kortste afstand tot het bouwvlak is hier ongeveer 130 meter. Omdat het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan tien procent toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden kan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico worden volstaan.

Herwijnen, Waaldijk 83

48

Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: - de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroutes en - de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 20 mei 2020 aangegeven dat in dit geval de onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Conclusie Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waal en de Betuweroute. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er gezien vanuit het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld in het kader van het aspect externe veiligheid.

Herwijnen, Waaldijk 83

49

5.10 Technische infrastructuur (kabels en leidingen) Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Voor zover bekend liggen er binnen de grenzen van het plangebied of in de directe omgeving geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden. Er is een gemeentelijk rioolstelsel aanwezig. Daarnaast zijn er in of nabij het plangebied de gebruikelijke kabels en leidingen van de nutsbedrijven, zoals KPN, elektriciteit, gas etc. aanwezig. De uitvoering van het onderhavige plan levert om die reden geen bijzondere aandachtspunten op ten gevolge van aanwezige kabels en leidingen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Herwijnen, Waaldijk 83

50

6 JURIDISCHE PLANOPZET 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Herwijnen, Waaldijk 83’ bestaat uit drie delen: de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan ‘Herwijnen, Waaldijk 83’is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Herwijnen, Waaldijk 83’ is aansluiting gezocht bij het geldend ‘Bestemmingsplan Kern Herwijnen’ van de voormalige gemeente Lingewaal. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

6.3 Bestemmingen Wonen – 1 Het gehele plangebied wordt bestemd met een woonbestemming. Binnen deze bestemming zijn burgerwoningen met bijbehorende bouwwerken toegestaan. Waterstaat – Waterkering Ten behoeve van het onderhoud en instandhouding van de waterkering wordt de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ op de kernzone gelegd.

6.4 Aanduidingen • • • • • •

Bouwvlakken; Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’; Functieaanduiding ‘erf’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk 1’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m): 4.5, 8.5’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m): 4.5, 9.0’.

Herwijnen, Waaldijk 83

51

6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Exploitatie Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente wordt er een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

7 OVERLEG EN ZIENSWIJZEN 7.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente West Betuwe bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg wordt het plan voorgelegd aan de Provincie Gelderland en het Waterschap Rivierenland. De provincie heeft middels een informele adviesreactie aangegeven dat er geen provinciale belangen worden geraakt. Het waterschap heeft niet gereageerd, waardoor wordt aangenomen dat ook het waterschap geen bezwaren heeft op het plan. Op 25 januari 2022 heeft het college van de gemeente West Betuwe besloten om het voorontwerp-bestemmingsplan met ingang van 26 januari 2022 voor zes weken ter inzage te leggen (Gemeenteblad 2022, 26135). Tijdens deze periode zijn er geen reacties binnengekomen.

7.2 Zienswijzen Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken worden gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid wordt gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Desgevraagd zal ook een mondelinge zienswijze gegeven kunnen worden.

Herwijnen, Waaldijk 83

52

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/459/documents/10337