CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2022-058 Bijlage t_NL.IMRO.1960.TUIAmmanswal2-ONT1.pdf

Gemeenteraad 31 mei 2022, gemeente West BetuweBij agendapunt: 7: Voorstel tot vaststelling Bestemmingsplan Ammanswal 2 te Tuil13.525 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Toelichting voor Ammanswal 2 te 25

Onderstaande kaart betreft een uitsnede van de regionale EV-signaleringskaart. Hierop is het invloedsgebied van de Bevi-inrichting weergegeven door middel van de paarse contour.

Figuur 4.4 Uitsnede regionale EV-signaleringskaart (bron: Omgevingsdienst).

Bij een oppervlakte van 400 m2 zijn tussen de 160 en 55 personen per hectare toelaatbaar in het gebied tussen het invloedsgebied en de PR 10-6: ongeveer 100 personen. Met een invloedsgebied van 770 meter is er een oppervlak van π.r2 = 3,14 x (770)2= 186 ha. Voor de bepaling personendichtheid mag het PR 10-6-gebied (ca. 0,3 m2) worden afgetrokken van het berekende oppervlak van het invloedsgebied, maar dat verandert niet zo veel aan de aan te houden oppervlakte. Ruwe indicatie aantal personen binnen het IG van 770 meter: 240 personen: 100 woningen in Waardenburg x 2,4 personen per woning 70 personen: 30 woningen in buitengebied x 2,4 personen per woning 1784 personen: Industrie 44,6 ha x 40 personen/ha Totaal: 2200 personen binnen het invloedsgebied. Verspreid over 186 ha is dat ca. 12 personen per ha, dus ruim onder de “maximale” 100. Dus geen QRA nodig. Op basis van het bovenstaande (worst-case) kan geconcludeerd worden dat de GR-berekening achterwege gelaten kan worden. Het groepsrisico is laag (ruim onder de oriëntatiewaarde) en zal door de ontwikkeling niet (noemenswaardig) worden vergroot. Maatgevende scenario Het maatgevende scenario voor een PGS 15 opslag met gevaarlijke stoffen is in het document ‘Scenarioboek Externe Veiligheid’ nader beschreven.

Dit document omschrijft een scenario waarbij een toxisch effectgebied ontstaat als gevolg van brand in de opslag met gevaarlijke stoffen. Wanneer een dergelijk scenario optreedt kunnen personen die in het plangebied verblijven gewond raken of overlijden. Daarnaast kunnen externe factoren, zoals de weersomstandigheden een rol spelen tijdens het optreden van het scenario.

NL.IMRO.1960TuiAmmanswal2-ONT1 Tuil

Toelichting voor Ammanswal 2 te 26

Bestrijdbaarheid Bij een brand in een PGS 15 opslag wordt normaliter opgetreden vanaf bovenwinds gebied. Een benedenwinds effectgebied kan slechts beperkt betreden worden. De Ammanswal kan vanuit twee windrichtingen benaderd worden. De benodigde inzetcapaciteit is afhankelijk van de aard en omvang van de brand en de effecten op de omgeving. Inzettactieken zijn het bestrijden van de brand of de PGS 15 opslag laten uitbranden waardoor door de pluimstijging een verdunning van de toxische concentratie ontstaat. Er is geen primaire bluswatervoorziening aan de Ammanswal aanwezig. Zelfredzaamheid De personen in het plangebied kunnen zich in eerste instantie tegen een optredend scenario beschermen door in het agrarisch bedrijfsgebouw te schuilen. Bij het toxische scenario kan bij het langdurig optreden de concentratie van deze stof in het gebouw toenemen. Het is afhankelijk van de exacte locatie en het exacte verloop van het scenario of vluchten mogelijk is. Door nooduitgangen die van de bron af gericht zijn, neemt het handelingsperspectief toe. Ook het handmatig regelen van ventilatie in het gebouw kan zorgen dat het schuilen langer mogelijk blijft.

Voor het toxische scenario, als gevolg van brand in de PGS 15 opslag bij AGE Rijnvallei, zijn volgens de VRGZ onderstaande bouwkundige, installatietechnische en organisatorische maatregelen te treffen die de zelfredzaamheid van de personen binnen het plangebied kan vergroten: Het gebouw voorzien van nooduitgangen die van de bron af zijn gericht; Met de indeling van het bouwvlak rekening houden met de personendichtheid. Koelruimtes en opslag dichter bij de bron (= AGE Rijnvallei) positioneren, ruimtes bestemd voor het verblijf van personen zoals de sorteerruimte van de bron af positioneren; Het aanbrengen van een centraal afschakelbaar mechanisch ventilatiesysteem in het bedrijfsgebouw. Dit kan de overlevingskans in het gebouw, bij een optredende brand in de PGS 15 opslag, vergroten; Het door de initiatiefnemer in het bedrijfsnoodplan beschrijven van organisatorische maatregelen die nodig zijn bij een toxische incidentscenario bij AGE Rijnvallei. Bovenstaande maatregelen worden opgenomen in het bouwplan en tevens in de voorschriften van de Omgevingsvergunning, bouwen en de planregels. Bereikbaarheid en opkomsttijden De opkomsttijd vanuit de dichtstbijzijnde brandweerpost Waardenburg naar de Ammanswal te Tuil is circa 7 minuten. De opkomsttijd is de tijd tussen aanname van de melding door de meldkamer en de aankomst van de eerste brandweereenheid op de plaats van het incident.

Volgens het besluit veiligheidsregio’s §2 opkomsttijden, artikel 3.2.1. (d) is de tijdnorm voor een industriegebouw maximaal 10 minuten. Het agrarisch bedrijfsgebouw is binnen de zorgnormtijd te bereiken. Vervoer gevaarlijke stoffen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en de A2. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroutes, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 m zones). NL.IMRO.1960TuiAmmanswal2-ONT1 Tuil

Toelichting voor Ammanswal 2 te 27

Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroutes en de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 1 juli 2019 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Conclusie vervoer gevaarlijke stoffen Het aspect externe veiligheid is relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en de A2. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voor het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid. Buisleidingen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen . Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen.

Conclusie Het aspect externe veiligheid is relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A2, de Betuweroute en het spoor Meteren-Utrecht. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voor het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld in het kader van het aspect externe veiligheid. Daarnaast is het aspect EV relevant vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van een Beviinrichting. Bij een worstcase-scenario als gevolg van een brand in de PGS 15 opslag zijn personen in het te realiseren bedrijfsgebouw aan de Ammanswal 1 mogelijk niet voldoende beschermd tegen een NL.IMRO.1960TuiAmmanswal2-ONT1 Tuil

Toelichting voor Ammanswal 2 te 28

toxische wolk en zijn de mogelijkheden van de brandweer voor het bestrijden van dit scenario beperkt. Argumenten om dit restrisico te accepteren zijn: De kans op een worstcasescenario, waarbij personen in het bedrijfsgebouw niet voldoende zijn beschermd, is zeer klein. Het gaat dan om het scenario, waarbij een te hoge concentratie giftige rook in het bedrijfsgebouw kan ontstaan bij een brand in de nabijgelegen PGS 15 loods, waarbij het automatisch blussysteem in de loods faalt én er sprake is van specifieke weersomstandigheden; Er worden bouwkundige, installatietechnische en organisatorische maatregelen getroffen die de zelfredzaamheid van de personen binnen het plangebied kan vergroten. Daarbij zal worden voldaan aan de eisen die het Bouwbesluit hier aan stelt. 4.3.4 Geluid Het aspect geluid is onderdeel van het behoud van de omgevingskwaliteit en wordt op verschillende manieren vastgelegd in wetten. De belangrijkste toetsing van geluidhinder door inrichtingen is via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal type inrichtingen algemene regels opgenomen. De handreiking industrielawaai en vergunningverlening is het wettelijk kader voor de vergunningverlening voor het stellen van geluidsniveaus vanuit de inrichting, om geluidshinder te voorkomen en te beperken.

Daarnaast worden geluidsgevoelige objecten beschreven met voorschriften die bescherming bieden. Een ander spoor dat kaders geeft voor geluidsproductie is de Wet geluidhinder (Wgh), welke is vastgesteld op d.d. 16 februari 1979. Deze richt zich met name op de ruimtelijke inpassing van geluidsgevoelige bestemmingen in relatie tot belangrijke geluidsbronnen. Indien binnen geluidzone nieuwe inrichtingen worden gerealiseerd, moet door middel van een akoestisch onderzoek worden vastgesteld of aan de grenswaarden uit de Wet Geluidhinder wordt voldaan. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (hierna: VNG-publicatie) uit 2009 blijkt dat voor bedrijven met fruitteelt, de (maximale) richtafstand voor geluid 30 meter bedraagt. De afstand van de het te realiseren bedrijfspand tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelig object bedraagt ten minste 50 meter. Dit is meer dan de richtafstand van 30 meter zoals vermeld in de VNG-publicatie. Omdat de afstand tot het dichtstbijzijnde geluidsgevoelige object boven de aan de orde zijnde richtafstand uit de VNG-publicatie ligt en de activiteiten binnen de inrichting niet leiden tot een onacceptabele geluidshinder, kan een goed woon- en leefklimaat voor het milieuaspect geluid worden gegarandeerd.

In de huidige situatie wordt het fruit vanaf de boomgaarden naar een locatie aan de Sint Antoniestraat te Tuil getransporteerd. Hier wordt het fruit opgehaald door vrachtwagens welke het naar de koellocatie in Est brengen. Vervolgens worden de fusten weer teruggebracht naar de Sint Antoniestraat in Tuil. Dit zorgt voor veel (onnodige) verkeersbewegingen. In de beoogde situatie wordt het fruit rechtstreeks van het veld naar het te realiseren pand gebracht om daar gekoeld te worden opgeslagen. Inpandig vinden activiteiten plaats om het fruit te sorteren en te verpakken. Vervolgens wordt het fruit door middel van vrachtwagens opgehaald om te transporteren naar de afnemers. De transportbewegingen in de omgeving zullen hierdoor afnemen ten opzichte van de huidige situatie. Bovendien wordt het beoogde bouwvlak in de beoogde situatie rechtstreeks ontsloten op industrieterrein Slimwei. Immers, de infrastructuur op dit industrieterrein is hier reeds op toegerust, daarnaast is het voor niemand wenselijk alle transportbewegingen via de Ammanswal te leiden. Geconcludeerd kan gesteld worden dat de hoeveelheid transportbewegingen in de omgeving zullen afnemen doordat alle activiteiten op het bedrijf plaatsvinden en niet op locaties elders. Tevens zullen de NL.IMRO.1960TuiAmmanswal2-ONT1 Tuil

Toelichting voor Ammanswal 2 te 29

transportbewegingen met vrachtwagens via het industrieterrein Slimwei lopen. Hierdoor neemt de geluidshinder af en is geen akoestisch onderzoek nodig. 4.3.5 Luchtkwaliteit Onderhavig plan moet voldoen aan hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Dit wordt ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Hierin staat beschreven dat initiatieven die ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd mogen worden. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 μg/m3 verslechtering leidt. Voor kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft VROM in samenwerking met InfoMil de nibm-tool (juni 2011) ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO 2 en PM10 bepaald op basis van de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwe ontwikkeling. Verkeersaantrekkende werking De emissie van PM10 door transportbewegingen van- en naar de inrichting is berekend a.d.h.v. rekeninstrument NIBM-tool.

Door het gebruik van deze tool is aannemelijk te maken dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Transportbewegingen van- en naar de inrichting vinden plaats t.b.v. de aanvoer van fruit vanaf het veld. Het fruit wordt in het bedrijfspand gekoeld opgeslagen, gesorteerd en verpakt. Vervolgens wordt het fruit door middel van vrachtwagens opgehaald om te transporteren naar de afnemers. Omdat het exacte aantal verkeersbewegingen onbekend is, is in de berekening met de nibm-tool een worstcase berekening gemaakt. In de NIBM-tool wordt voor licht wegverkeer (personen- en bestelauto) als weekdaggemiddelde 30 voertuigen meegenomen. Voor zwaar wegverkeer (vrachtwagen ± 20 ton en trekkers) wordt als extra weekdaggemiddelde tevens 15 voertuigen meegenomen.

Figuur 4.5 Worst case-scenario nibm-tool, planlocatie i.r.t. verkeersbewegingen

NL.IMRO.1960TuiAmmanswal2-ONT1 Tuil

Toelichting voor Ammanswal 2 te 30

In figuur 4.5 is de berekening met de nibm-tool weergegeven. Uit bovenstaande motivatie blijkt dat de PM10 en NO2 emissie, afkomstig van de extra verkeersbewegingen van- en naar de inrichting, in de aangevraagde situatie met een maximale bijdrage van 0,15 μg/m3 stikstofdioxide en 0,02 μg/m3 fijnstof niet in betekende mate van invloed is op de luchtkwaliteit.

NL.IMRO.1960TuiAmmanswal2-ONT1 Tuil

Toelichting voor Ammanswal 2 te 31

4.4 4.4.1

Natuur Gebieden

Natura 2000 In 1992 is door de lidstaten van de Europese Unie (EU) een netwerk van beschermde natuurgebieden opgezet. Dit is het ‘Natura 2000 netwerk’. Het netwerk is bedoeld om zowel de vitaliteit als de biodiversiteit op Europees grondgebied te beschermen en te behouden. Hiervoor vormen de Europese Vogelrichtlijn uit 1979 en de habitatrichtlijn uit 1992 de basis. De gebiedsbescherming was voorheen opgenomen in de Natuurbeschermingswet 1998, welke per 1 januari 2017 is vervangen door hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. In artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming is opgenomen dat het verboden is om zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het gebied ‘Rijntakken’. Dit gebied is gelegen op een afstand van circa 1,1 km van de planlocatie. Met de voorgenomen planvorming zal het aantal verkeersbewegingen afnemen omdat er ruimte wordt gecreëerd ten behoeve van opslag.

Gelet op de aard en omvang van het voornemen zijn derhalve geen significant negatieve effecten op het Natura 2000-gebied te verwachten. Voor de bouwfase zijn alle mogelijke stikstofbronnen nader doorgerekend met Aerius Calculator, welke als bijlage 6 is toegevoegd. Hieruit blijkt dat er geen ontoelaatbare stikstofdepositie wordt veroorzaakt als gevolgd van de bouwfase. Gelders Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande gebieden en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Voorheen werd dit de ecologische hoofdstructuur genoemd. Het concept is vastgelegd in het Natuurbeleidsplan en nader ingevuld in de Nota ruimte. De begrenzing van het NNN is door de verschillende provincies bepaald en vastgelegd. Ruimtelijke ontwikkelingen in of nabij het NNN zijn mogelijk als het de werking van deze niet bedreigd. Bij het NNN is de saldo benadering van toepassing. Een eventuele aantasting hoeft niet te leiden tot een verbod als de werking van het NNN op een andere wijze gegarandeerd wordt. De provincie Gelderland heeft de Ecologische hoofdstructuur opnieuw gedefinieerd in het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Intensieve samenwerking tussen Gelderse partners heeft geleid tot een samenhangend omgevingsbeleid voor natuur- en landschap aan de hand van verschillende ruimtelijke categorieën en andere instrumenten.

Om de nieuwe verantwoordelijkheid van de provincie te benadrukken spreekt de provincie niet meer van een Ecologische Hoofdstructuur, maar van het Gelders Natuurnetwerk. In figuur 4.6 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het GNN weergegeven. Het dichtstbijzijnde gebied is gelegen op een afstand van circa 870 meter van het plangebied. De uitbreiding van het bouwvlak vindt plaats uit de richting van het GNN. Vanwege deze afstand en vanwege de uitbreidingsrichting kan met zekerheid worden gesteld dat het projectbedrijf geen nadelige effecten heeft op het GNN.

NL.IMRO.1960TuiAmmanswal2-ONT1 Tuil

Toelichting voor Ammanswal 2 te 32

Figuur 4.6 Ligging planlocatie ten opzichte van Gelders Natuurnetwerk 4.4.2 Soorten Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming vormt het wettelijk kader voor de bescherming van een groot aantal inheemse bedreigde dier- en plantsoorten. Hierin is opgenomen dat het verboden is om beschermde vogels en dieren te vangen, te doden, te verontrusten en om plantensoorten te plukken, verzamelen, af te snijden, ontwortelen of te vernielen. Bij nieuwe ruimtelijke ingrepen en activiteiten dient te worden nagegaan of deze ingrepen en/of activiteiten eventueel negatieve gevolgen hebben voor aanwezige dier- en plantensoorten in de omgeving. Ten behoeve van de ontwikkeling op de planlocatie is een ecologisch onderzoek verricht. Het ecologisch onderzoek, inclusief de bevindingen, is als bijlage 3 toegevoegd aan dit rapport. Geconcludeerd is dat mits er geen beschermde dieren verwond of gedood worden en bezette vogelnesten niet negatief beïnvloed worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Om te voorkomen dat grondgebonden zoogdieren verwond of gedood worden, mogen ze weggevangen of verjaagd worden. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten beschadigd of verstoord worden, dienen de essen gerooid te worden buiten de broedtijd.

Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren verwond of gedood worden, dient een ontheffing verkregen te worden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten.

4.5

Verkeer en parkeren

Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen door de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. Verkeer Het huidige bouwvlak wordt ontsloten op de Ammanswal. Dit blijft onveranderd. De uitbreiding van het bouwvlak is gelegen op de hoek van de Ammanswal en de Zandweistraat (industrieterrein Slimwei). In de beoogde situatie zal deze uitbreiding van twee ontsluitingswegen worden voorzien.

NL.IMRO.1960TuiAmmanswal2-ONT1 Tuil

Toelichting voor Ammanswal 2 te 33

De westzijde van het bedrijfspand zal gebruikt worden ten behoeve van landbouwkundig gerelateerde processen. Dit betreffen de opslag van fruitkisten en de aanvoer van het fruit vanuit het veld. Het fruit wordt aangevoerd door middel van kleine fruittractoren. Deze zijde van het perceel zal worden ontsloten op de Ammanswal, zie figuur 4.7. De zuidzijde van het bedrijfspand wordt gebruikt voor product gerelateerde processen, zoals het koelen, sorteren en verpakken van fruit. Aan de oostzijde van het bedrijfspand worden twee laaddocks in/aan het bedrijfspand gerealiseerd zodat vrachtwagens gemakkelijk producten kunnen laden. Om te voorkomen dat het vrachtverkeer over de smalle Ammanswal moet rijden, wordt het perceel voor grootverkeer tevens ontsloten op de Zandweistraat. Dit is weergegeven in figuur 4.7. Deze ontsluiting gaat over een A-watergang van het Waterschap Rivierenland. Het Waterschap stelt eisen aan deze overkluizing in verband met het onderhoud aan de watergang. De overkluizing mag in de vorm van een brug of rechthoekige duiker. Het Waterschap heeft aangegeven dat de doorvaarthoogte hiervan moet minimaal 1,25 meter boven het zomerpeil zijn. De breedte van de doorvaart moet minimaal 2 meter zijn. Deze minimale afmetingen zijn ook vastgelegd in artikel 3.3.2 van de Beleidsregels behorende bij de Keur Waterschap Rivierenland 2014.

Als deze minimale afmetingen gehanteerd worden kan het waterschap de watergang ongehinderd onderhouden, ook met een boot.

Figuur 4.7 Plaats bedrijfspand en ontsluiting

NL.IMRO.1960TuiAmmanswal2-ONT1 Tuil

Toelichting voor Ammanswal 2 te 34

In de startfase zal het bedrijf bezocht worden door 10 á 15 vrachtwagens per week. Wanneer het bedrijf volop in productie is zal dit toenemen tot circa 30 vrachtwagens per week. In de huidige situatie wordt het fruit vanaf de boomgaarden naar een locatie aan de Sint Antoniestraat te Tuil getransporteerd. Hier wordt het fruit opgehaald door vrachtwagens die het naar de koellocatie in Velddriel brengen. Vervolgens worden de fusten weer teruggebracht naar de Sint Antoniestraat in Tuil. Dit zorgt voor veel (onnodige) verkeersbewegingen. Op de Sint Antoniestraat staan bovendien vaak enkele vrachtwagens op elkaar te wachten voordat ze geladen kunnen worden. De vervoersbewegingen zijn weergegeven in figuur 4.8.

Figuur 4.8 Vervoersbeweging vanaf Sint Antoniestraat

In figuur 4.9 zijn de verschillende locaties weergegeven waartussen vervoersbewegingen plaatsvinden in de huidige situatie.

NL.IMRO.1960TuiAmmanswal2-ONT1 Tuil

Toelichting voor Ammanswal 2 te 35

Sint Antoniestraat

Koellocatie Velddriel

Figuur 4.9 Verschillende locaties waartussen vervoersbewegingen plaatsvinden

In de beoogde situatie wordt het fruit vanaf de boomgaarden direct naar het nieuwe bedrijfspand getransporteerd waar het fruit gekoeld, gesorteerd en verpakt wordt. Vervolgens wordt het fruit door vrachtwagens opgehaald. Doordat in het te realiseren bedrijfspand meerdere activiteiten worden gecombineerd zijn er minder vervoersbewegingen noodzakelijk voor dezelfde werkzaamheden. Bovendien staan de vrachtwagens in de beoogde situatie niet op de weg te wachten. Parkeren De kencijfers van het kennisorgaan CROW worden gehanteerd voor het bepalen van parkeereisen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Deze kencijfers worden landelijk geaccepteerd als leidende adviesnormen voor parkeersituaties. De CROW-kencijfers bieden adviesnormen voor verschillende functies en met verschillende bandbreedtes. Ook is hierbij getoetst aan het Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019 Gemeente West-Betuwe. In de CROW-kencijfers is opgenomen dat voor een arbeidsintensief en bezoeker extensief bedrijf 2,6 parkeerplaatsen per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlak aanwezig dienen te zijn. Dit is de maximale norm die door de gemeente West-Betuwe wordt gehanteerd. Het bedrijfspand heeft een oppervlakte van circa 7.900 m2. Echter, hiervan wordt circa 4.500 m2 gebruikt ten behoeve van opslag. Derhalve wordt circa 3.400 m2 gebruikt ten behoeve van sorteren en verpakken.

Conform de CROW-kencijfers zijn hier 88 parkeerplaatsen voor benodigd. Op de locatie is tevens het Paraplubestemmingsplan “Parkeren 2019” van toepassing. Daarin zijn regels met betrekking tot parkeren opgenomen. Deze zijn overgenomen in dit bestemmingsplan.

NL.IMRO.1960TuiAmmanswal2-ONT1 Tuil

Toelichting voor Ammanswal 2 te 36

Echter, op het bedrijf werken dagelijks 6 man personeel. Op dagen van drukte is er sprake van een piek van 70 man personeel. Dit betreffen veelal seizoenarbeiders. Deze arbeiders komen met busjes. De parkeerplaatsen voor deze personen kunnen worden voorzien op het eigen perceel. Het bestaande gedeelte van het bedrijf blijft onveranderd. Hier zijn derhalve geen extra parkeerplaatsen benodigd. Uit bovenstaande onderbouwing blijkt dat de uitbreiding van het bouwvlak voorzien zal worden van twee ontsluitingswegen. Voor het parkeren is voldoende gelegenheid op het eigen terrein. Derhalve heeft onderhavig initiatief geen negatieve effecten op het aspect verkeer en parkeren. Ten behoeve van de ontsluiting is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels.

4.6

Waterhuishouding

Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. Beschrijving huidige situatie Het hemelwater ter plaatse van het te realiseren bedrijfspand infiltreert momenteel nog vrij in de bodem omdat het terrein op dit moment onverhard is. Aan de noord- en oostzijde van het plangebied loopt een A-watergang. Op onderstaande figuur is een uitsnede van de legger Wateren van Waterschap Rivierenland weergegeven. Het plangebied is rood omcirkeld.

Figuur 4.10 Uitsnede Legger Wateren, waterschap Rivierenland Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het GNN en is niet gelegen in een hydrologische beschermingszone voor natte natuur.

NL.IMRO.1960TuiAmmanswal2-ONT1 Tuil

Toelichting voor Ammanswal 2 te 37

Beschrijving gewenste situatie Het initiatief betreft de uitbreiding van een agrarisch bouwperceel ten behoeve van de realisatie van een bedrijfspand. Om het bedrijfspand wordt erfverharding gerealiseerd. In totaal zal het agrarische bouwperceel, en daarmee de mogelijkheid tot aanleg van verharding, worden vergroot met circa 10.000 m2. Hiervan bedraagt 7.900 m2 dakoppervlak en 2.100 m2 erfverharding. De toename van verhard oppervlak heeft gevolgen voor de waterhuishouding en daarmee is het plan waterhuishoudkundig relevant. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Indien de toename van het verhard oppervlak meer dan 1.500 m2 bedraagt (in het landelijk gebied) dan is het plan op grond van het waterschapsbeleid compensatieplichtig. Dit betekent dat de aanleg van extra waterberging van belang is. Op deze manier wordt het verlies van berging in de bodem gecompenseerd. De benodigde ruimte voor waterberging wordt berekend op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak en de maximaal toelaatbare peilstijging in de watergangen. Voor plannen met een toename aan verharding kan de vuistregel van 436 m3 per hectare verharding worden gebruikt bij bui T=10+10% en 664 m3 bij bui T=100+10%, mits er geen complicerende zaken als kwel aan de orde zijn.

De maximaal toelaatbare peilstijging bij bui T=10+10% bedraagt 0,30 meter in het beheergebied van Waterschap Rivierenland. De maatgevende afvoer is 1,5 l/s/ha. In onderhavig initiatief neemt het verhard oppervlak toe met circa 10.000 m2. Voor een verhard oppervlak van 1.500 m2 geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht. De initiatiefnemer heeft nog geen gebruik gemaakt van deze vrijstelling. Voor dit initiatief kan hier gebruik van gemaakt worden. Derhalve dient voor de toename van 8.500 m2 verhard oppervlak een bergingsvoorziening gerealiseerd worden. De minimale omvang van deze bergingsvoorziening dient op basis van bovenstaande minimaal 360 m3 te bedragen (8.500 m2 x 436 m3 per hectare). Vanuit het Waterschap Rivierenland bestaat een voorkeur voor het realiseren van waterberging in de vorm van open water, zoals verbreding van bestaande Bwatergangen of aanleggen van een nieuwe B-watergang (liever geen A-watergangen) en daarna pas in de vorm van kunstmatige voorzieningen. Grenzend aan het plangebied liggen twee A-watergangen. Eén daarvan (aan de noordoost zijde) is voorzien van een natuurvriendelijke oever. Nabij het plangebied ligt aan de zuidoost zijde een B-watergang. Door deze B-watergang te verbreden kan worden voorzien in de benodigde waterberging.

Als dit niet mogelijk blijkt te zijn zal de waterberging in de vorm van een poel of kunstmatige voorzieningen gerealiseerd worden. De minimale omvang van deze bergingsvoorziening is 8.500m2*664 m3/ha. Met de nieuwe ontsluiting op de Slimwei wordt een natuurvriendelijke oever doorkruist. Deze wordt elders gecompenseerd. Er wordt enkel schoon hemelwater afgevoerd op het omliggende oppervlaktewater. Verontreiniging van hemelwater afkomstig van daken dient primair te worden voorkomen door toepassing van nietuitlogende materialen (zoals bijvoorbeeld lood, koper en zink). Het bedrijf dient te voldoen aan het Activiteitenbesluit en daarmee is het vervuilingsrisico voor grond- en oppervlaktewater voldoende verzekerd. Vervuiling van grondwater is derhalve niet aan de orde. Voor uitvoering van onderhavig initiatief is een watervergunning bij het waterschap vereist. Deze wordt in een later stadium aangevraagd bij waterschap Rivierenland.

4.7

Vormvrije m.e.r. beoordeling

Ingevolge de MER-richtlijn1 moet voor bepaalde activiteiten een milieueffectrapportage (MER) uitgevoerd worden. Het doel van een milieueffectrapportage is om het milieubelang, naast andere belangen, een volwaardige plaats te geven in het besluitvormingsproces. Naast de milieueffectrapportage bestaat ook het milieueffectrapport (MER). Het MER is een onderdeel van de Richtlijn 97/11/EEG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. 1

NL.IMRO.1960TuiAmmanswal2-ONT1 Tuil

Toelichting voor Ammanswal 2 te 38

m.e.r.-procedure. Het MER wordt gekoppeld aan een besluit op een aanvraag omgevingsvergunning, activiteit milieu. De m.e.r. is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage 2. In het Besluit milieueffectrapportage is vermeld wanneer een MER uitgevoerd moet worden. In onderdeel C van de bijlage is een overzicht van activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage verplicht is. In onderdeel D van de bijlage worden de activiteiten opgesomd waarvoor het bevoegd gezag moet beoordelen of een milieueffectrapportage verplicht c.q. noodzakelijk is. De aangevraagde activiteit komt niet voor in bijlage C en/of D van het Besluit m.e.r. Derhalve hoeft geen (vormvrije) m.e.r.-beoordeling te worden gedaan, danwel een MER te worden opgesteld.

2

Inwerkingtredingsdatum 1 september 1994, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2011, 102.

NL.IMRO.1960TuiAmmanswal2-ONT1 Tuil

Toelichting voor Ammanswal 2 te 39

5

JURIDISCHE REGELING

In dit hoofdstuk wordt de juridische regeling plansystematiek uiteengezet.

5.1

Juridische achtergrond

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding en de regels van het bestemmingsplan ‘Ammanswal 2 te Tuil’ sluiten inhoudelijk aan op het bestemmingsplan ‘Buitengebied Neerijnen, veegplan 2017’.

5.2

Toelichting verbeelding

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: Enkelbestemming o Agrarisch Dubbelbestemmingen o Waarde – Archeologie 3 o Waarde – Archeologie 4 Bouwvlak Gebiedsaanduiding o Overige zone – oeverwal-stroomrug Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan vinden de volgende veranderingen plaats: Uitbreiding bouwvlak op afstand van huidig bouwvlak (oppervlakte 0,5 en 1,0 hectare); Bouwvlakken verbinden middels een koppelteken. Voor de bestaande agrarische bedrijfslocatie wordt – conform de geldende regeling – een agrarisch bouwvlak opgenomen, binnen de bestaande bestemming ‘Agrarisch’, waarbij het op enige afstand van het bestaande bouwvlak een uitbreiding van het bouwvlak wordt gerealiseerd waarbinnen een bedrijfspand zal worden gebouwd.

5.3

Toelichting regels

Door middel van dit bestemmingsplan wordt het agrarische bouwperceel uitgebreid ten behoeve van de realisatie van een bedrijfspand voor het koelen, sorteren en verpakken van eigen geteeld fruit. De uitbreiding van het bouwvlak wordt gerealiseerd op enige afstand van het huidige bouwvlak. De bouwvlakken worden middels een koppelteken verbonden zodat feitelijk sprake blijft van één bouwvlak.

NL.IMRO.1960TuiAmmanswal2-ONT1 Tuil

Toelichting voor Ammanswal 2 te 40

6

ECONOMISCHE EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

6.1

Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). De grex-wet uit de Wro is van toepassing. Er zal met de initiatiefnemer een overeenkomst worden afgesloten, waarin het kostenverhaal van de gemeente is geregeld en ook planschade wordt geregeld. Hiermee is het plan economisch uitvoerbaar. Het opstellen van een exploitatieplan is daarom niet nodig. Het plan heeft verder geen consequenties voor de gemeentelijke kas.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. Vooroverleg In het kader van artikel 3.1.1 Bro wordt overleg gevoerd met de gebruikelijke vooroverlegpartners, provincie Gelderland en Waterschap Rivierenland. Zienswijzen en beroep De vaststellingsprocedure van de partiële herziening van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.6, lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening. Op de voorbereiding van het bestemmingsplan is de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Het bestemmingsplan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. Met inachtneming van de zienswijzen wordt het bestemmingsplan door het college vastgesteld en voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

NL.IMRO.1960TuiAmmanswal2-ONT1 Tuil

Toelichting voor Ammanswal 2 te 41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/457/documents/10129