RV2022-013 Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Haarweg 2.pdf
Tekst van het document
Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling aan de Haarweg 2 voorziet in het realiseren van in totaal vier nieuwe woningen, waarvan de bestaande bedrijfswoning omgezet wordt naar een burgerwoning. Het betreft daarmee een toevoeging van kwetsbare objecten. Op de risicokaart kan er worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, transportroutes en/of belangrijke buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van
28
de externe veiligheid van belang zijn. De navolgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart met het plangebied aan de Haarweg 2 zwart omcirkeld:
Uitsnede risicokaart (plangebied Haarweg 2 zwart omcirkeld)
Zoals zichtbaar op voorgaande afbeelding is in de nabijheid van het plangebied een Bevi-inrichting gelegen. Het betreft een opslagplaats voor vuurwerk met een maximale toegestane hoeveelheid vuurwerk van 10.000 kg. Tevens bevinden er zich twee bufferbewaarplaatsen voor vuurwerk met een maximale toegestane hoeveelheid van 3500 - 5000 kg per bufferbewaarplaats. Hiervoor geldt een veiligheidsafstand voorwaarts, zijwaarts en achterwaarts van respectievelijk 48 m, 36 m en 9 m gemeten vanaf de deuropening van het betreffende gebouw. In onderhavig geval is de afstand van de inrichting tot de bestemming wonen circa 200 m. Hiermee wordt er ruimschoots voldaan aan de risicoafstand. Op een afstand van circa 550 m ter hoogte van de A15 is een aardgasleiding gelegen. Door de geruime afstand vormt deze buisleiding geen problemen voor de beoogde ontwikkeling van de woningen. Voor de A15 die tevens op een afstand van circa 550 m is gelegen van de planlocatie geldt een invloedsgebied van 200 m, volgens Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. De A15 vormt derhalve ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Tot slot bevindt er zich in de nabije omgeving van de planlocatie een propaantank met een risicoafstand van 10 m. Deze vormt ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling gezien deze zich op een geruime afstand van 750 m bevindt.
Voor het plangebied aan de Waaldijk 151 geldt dat er in de huidige situatie al woningen zijn toegestaan. Met onderhavig plan wordt enkel het maximaal aantal woningen op deze locatie verminderd. Daarbij komt dat het plangebied zich niet bevindt binnen de risicocontouren van risicovolle inrichtingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en/of buisleidingen. De navolgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart met het plangebied aan de Waaldijk 151 zwart omcirkeld.
29
Uitsnede risicokaart (plangebied Waaldijk 151 zwart omcirkeld)
Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de externe veiligheid en het plan in dit kader uitvoerbaar is.
4.3 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hooggehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten
30
voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 – 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Beleid Waterschap Rivierenland Het speerpunt van het beleid van het Waterschap Rivierenland is 'duurzaam en klimaatbewust'.
Om een duurzaam en klimaatbewust waterbeheer te kunnen realiseren, beschikt het waterschap over een klimaatneutraal kantoor, koopt men duurzaam materiaal in, levert het duurzaam terreinbeheer en duurzame energiemaatregelen. Het Waterschap Rivierenland is het eerste waterschap in Nederland dat is toe getreden tot het klimaatverbond. Dit instituut verenigt Nederlandse overheidsorganisaties die daadkrachtig werken aan het verankeren van een beter klimaatbeleid en de uitvoering ervan op lokaal niveau. Het lidmaatschap moet zorgen voor nieuwe inspiratie voor de ingeslagen weg van duurzaamheid. In het kader van de speerpunten van het beleid is het waterschap verantwoordelijk voor, en werkt het voortvarend aan, een duurzaam waterbeheer voor een veilig en leefbaar Rivierenland. Hierbij heeft het een visie die bestaat uit een missie, een aantal kernwaarden en een toekomstbeeld. De kerntaak is het waterbeheer in Rivierenland. Wederom is het aspect veiligheid een belangrijk onderdeel. Het uitvoeren van de taken doet het waterschap door middel van het inzetten van technische middelen en bijzondere capaciteiten, te weten: dijkbeheer, muskusrattenbestrijding, beheer van watersystemen, waterzuivering, vaarwegenbeheer en grondwaterbeheer. Het waterschap draagt de verantwoordelijkheid bij het inzetten van de middelen en beschikt over de noodzakelijke kennis om tot een juiste inzet te komen.
Waterbeheerplan 2016-2021 Vanaf 22 december 2015 is het Waterbeheerplan 2016-2021 van kracht. Het beheerplan gaat in op het waterbeheer in het hele plangebied en omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. Het nieuwe plan bouwt voort op het bestaande beleid uit de voorgaande waterbeheerplannen. In het plan staan drie doelen centraal, te weten:
• • •
waterveiligheid watersysteem waterketen
De nieuwe doelstellingen sluiten aan bij de opgave waar het waterschap de komende planperiode voor staat. Wat betreft waterveiligheid heeft bescherming tegen hoogwater de hoogste prioriteit. Middels maatregelen op het gebied van primaire keringen, regionale keringen en het beperken van de gevolgen van overstromingen wil het waterschap zorgen dat men veilig kan wonen en werken in het rivierengebied. Wat betreft het watersysteem is het waterschap verantwoordelijk voor schoon en voldoende water. Door aan- en afvoer van water zorgt het waterschap voor een goed waterpeil en goede grondwatercondities. Bij de waterketen staat afvalwater centraal. Middels duurzaam en doelmatig zuiveren en door samen te werken in de waterketen, draagt het waterschap bij aan de kwaliteit van het (oppervlakte)water. Het waterschap streeft naar oplossingen die meerdere doelen dienen. Om de doelen te dienen richt het waterschap zich op beheer en onderhoud, innovatie en duurzaamheid, werken aan waterbewustzijn en sturing op effecten en uitvoering.
31
Waterplan Lingewaal 2009 – 2015 Door de gemeente Lingewaal is, in samenwerking met het Waterschap Rivierenland, het waterplan Lingewaal opgesteld en vastgesteld (2009). De visie uit het waterplan is gericht op het oplossen van knelpunten en het verzilveren van kansen die zich voordoen ten aanzien van het waterbeheer. In het waterplan wordt beschreven hoe binnen de gemeentegrenzen moet worden omgegaan met water en wat belanghebbenden mogen verwachten. In het waterplan is aangegeven wat er nodig is om het watersysteem op orde te brengen, denk daarbij aan verbetering van de water aan- en afvoer, maar ook aan het realiseren van voldoende waterberging. Waterplan Lingewaal bestaat uit 2 delen. Deel 1 bevat de visie en oplossingsrichtingen. Het gemeentelijk beleid stimuleert initiatiefnemers en belanghebbenden passende maatregelen te treffen om wateroverlast te voorkomen en klimaatneutraal te ontwikkelen. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt water als ordenend principe gehanteerd. Deel 2 maatregelenplan omschrijft de activiteiten van de gemeente op watergebied. Hierbij worden maatregelen getroffen om de waterkwaliteit te verbeteren, het watersysteem te optimaliseren, waterbergingslocaties aangelegd om water met langdurige en extreme buien tijdelijk te bergen en de aanpak van wateroverlastlocaties.
4.3.1 Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Planspecifiek Watercompensatie In de huidige situatie is er op het perceel aan de Haarweg 2 2.950 m² aan erfverharding aanwezig. Daarnaast is er 2.607 m² aan bebouwing aanwezig. Het Waterschap Rivierenland geeft aan dat een toename van meer dan 1.500 m² dient te worden gecompenseerd in landelijk gebied in de vorm van open water binnen het peilgebied waarin de toename van verharding plaatsvindt. Voorliggend bestemmingplan maakt de bouw van drie extra vrijstaande woningen en het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning planologisch mogelijk. In totaal zullen in de eindsituatie vier woningen (incl. de bestaande bedrijfswoning) aanwezig zijn.
Uitgaande van een reguliere woning omvang (circa 200 m²), de vergunningsvrije bebouwingsmogelijkheden (150 m²) en enige verharding in de tuin behorende bij de woning is er sprake van een afname aan verharding. Aan de noordzijde van het plangebied, parallel aan de Haarweg is een watergang gelegen. En zijn reeds twee duikers aanwezig waardoor het plangebied op twee plaatsen voorzien is van een oprit/ verbinding met de Haarweg. Voor een van de nieuwe woningen dient een extra oprit aangelegd te worden waarbij een nieuwe duiker geplaatst dient te worden. Voor werkzaamheden aan of nabij deze watergang dient er overleg plaats te vinden met het Waterschap Rivierenland. In de huidige situatie aan de Waaldijk 151 is ca. 670 m² aan bebouwing aanwezig. Met het slopen van deze bebouwing en de ontwikkeling van twee nieuwe woningen zal de toename van het verhard oppervlak niet meer dan 1.500 m² bedragen. Daarnaast is het in de huidige situatie toegestaan om in totaal vijf woningen te realiseren. Ten opzichte van het geldende bestemmingsplan zal de mogelijkheid om verhard oppervlak toe te voegen dan ook afnemen. Verordening afvoer hemel- en grondwater Met de vaststelling van deze verordening op 29 april 2021 door de raad van de gemeente Westbetuwe is geborgd dat voor nieuwbouwlocaties in een waterbergingseis geldt op eigen terrein.
Het regenwater bergen is in de meeste gevallen haalbaar en kan veelal in de bouw worden meegenomen. Berging van hemelwater kan bijvoorbeeld in een krattensysteem, zandpakket, regenwaterschutting, regenwaterkelder (voor hergebruik), groen dak, et cetera. Bij de realisatie van de nieuwbouw zal rekening gehouden worden
32
Geconcludeerd wordt dat de bestemmingswijziging in het kader van het aspect water uitvoerbaar is. Bij meer concrete bouwplannen dient rekening te worden gehouden met aanwezige watergangen, de waterafvoer en eventuele watercompensatie.
4.4 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
• • •
bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.
Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en het Gelders Natuurnetwerk (GN) van belang. Het NNN en GN vormen een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN en GN dragen bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
• • •
vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
• •
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Ten opzichte van de oude Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd. Planspecifiek Voorliggend bestemmingsplan maakt de bouw van drie vrijstaande woningen, het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning en het stoppen van de agrarische bedrijfsvoering planologisch aan de Haarweg 2 mogelijk. Om de uitvoerbaarheid van het plan aan de Haarweg 2 te toetsen is op 12 april 2016 een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd door
33
BügelHajema Adviseurs bv (bijlagen bij toelichting bijlage 2). Hieronder wordt ingegaan op eventuele aantasting van beschermde soorten en natuurgebieden. Soortenbescherming Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkelingen kunnen verblijfplaatsen van enkele licht beschermde soorten amfibieën en/of zoogdieren en standplaatsen van enkele licht beschermde plantensoorten worden verstoord of vernietigd. Ook is het mogelijk dat enkele exemplaren hierbij gedood worden. De aanwezige licht beschermde soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen onder de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing te worden aangevraagd. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht van de Flora- en faunawet. Als gevolg van de ontwikkelingen verandert het plangebied niet van waarde als foerageergebied voor vleermuizen. Gebiedsbescherming Langs de oevers van de rivier de Linge, ligt het als Natura 2000 gebied aangewezen 'Lingegebied en Diefdijk'. De beschermde status van deze oevers is tevens vastgelegd op provinciaal niveau als GN-gebied 'Rivierenland'. Het plangebied zelf ligt ruim 800 meter vanaf het dichtstbijzijnde natuurgebied met een beschermde status. Gezien deze afstand en de beperkte omvang van de ontwikkeling wordt het betreffende Natura 2000 gebied niet negatief beïnvloed.
Het plangebied heeft daarnaast geen belangrijke ecologische relaties met beschermde gebieden. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden en de aard van het plan, worden negatieve effecten van het plan op Natura 2000-gebieden op voorhand niet verwacht. In het kader van de Nbw 1998 heeft het plan geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Daarnaast is de beoogde ontwikkeling niet in strijd met het provinciaal ruimtelijke natuurbeleid. Voor het plangebied aan de Waaldijk 151 geldt dat er in de huidige situatie al woningen zijn toegestaan. Een ecologisch onderzoek is voor deze locatie dan ook niet noodzakelijk. Bij de sloop van de bestaande bebouwing moet echter wel rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht. Actualiserend onderzoek Op verzoek van het bevoegd gezag is, vooruitlopend op de vaststelling van het bestemmingsplan, door IJzerman advies een actualiserend flora en fauna onderzoek uitgevoerd. Op 5 oktober 2021 is de locatie door de ecoloog bezocht. Hierbij werd de ecologische potentie van de locaties in relatie met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten onderzocht. Er is gezocht naar sporen van zoogdieren en vogels. Alle te slopen bebouwing is uitvoerig aan binnen- en buitenzijde onderzocht. Op locatie zijn geen beschermde vogels of nesten daarvan aangetroffen.
Ook zijn er geen sporen zoals prooiresten, pootafdrukken, wissels, uitwerpselen of nestmateriaal aangetroffen van vleermuizen. Conclusie Op basis van de uitgevoerde ecologische inventarisatie is gezien de aangetroffen terreinomstandigheden en de aard van het plan een voldoende beeld van de natuurwaarde ontstaan. Uit de ecologische inventarisatie kan geconcludeerd worden dat een vooronderzoek in het kader van de Ffw, een Voortoets in het kader van de Nbw 1998 of een analyse in het kader van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid niet noodzakelijk. Met inachtneming van het broedseizoen van vogels is een ontheffing van de Ffw of een vergunning op grond van de Nbw 1998 voor de beoogde activiteiten op voorhand niet nodig. Het plan is daarnaast op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de Provinciale Omgevingsverordening. Redelijkerwijs kan er worden gesteld dat natuurwet en -regelgeving de uitvoerbaarheid van het ruimtelijke plan niet in de weg staat.
34
4.5 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Voor de gronden van het plangebied aan de Haarweg 2 geldt een dubbelbestemming archeologie, variërend tussen 'Waarde - Archeologische verwachting 3' en 'Waarde - Archeologische verwachting 4'. Voor het gebied waar gebouwd gaat worden bevatten de gronden 'Waarde - Archeologische verwachting 4'.
Voor deze gronden dient archeologisch onderzoek plaats te vinden wanneer werkzaamheden dieper dan 100 cm onder het bestaande maaiveld worden verricht of wanneer het een oppervlakte beslaat groter dan 5.000 m². Met de beoogde ontwikkeling worden deze grenzen niet overschreden, derhalve is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Het plangebied aan de Waaldijk 151 beschikt over de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische waardevolle gebieden 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3'. Voor deze gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische waardevolle gebieden 1' geldt dat bouwwerkzaamheden enkel binnen 2,5 m van de bestaande fundering mogen plaatsvinden. Voor de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3' geldt dat bij grondwerkzaamheden met een oppervlakte groter dan 500 m² en een diepte van 30 cm het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Echter is het in de huidige situatie al toegestaan om woningen te ontwikkelen binnen het plangebied. De ontwikkeling van de twee nieuwe woningen zal plaatsvinden binnen de in het geldende bestemmingsplan al aanwezige bouwvlakken. Hiermee kan gesteld worden dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.6 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek De plangebieden zijn gelegen in het landschap de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW). De NHW is een historische verdedigingslinie die heden ten dage weer beleefbaar wordt gemaakt in het landschap. Langs de gehele NHW (ruwweg van het IJsselmeer tot aan de Biesbosch) wordt ingezet op recreatieve benutting van het historische landschap dat bij deze verdedigingslinie behoort. De provincie en haar partners streven er samen naar om de NHW als erfgoed te behouden en ontwikkelen. Ontwikkeling is gericht op passende nieuwe functies, het vergroten van het economisch potentieel en de verankering in de
35
maatschappij. Het beschermen gebeurt met ruimtelijke regelgeving waarmee ontwikkelingen zorgvuldig worden afgewogen tegen de kernkwaliteiten. De volgende kernkwaliteiten behoren tot het deelgebied Tielerwaard waar het plangebied onderdeel van uit maakt:
•
gebied van grootschalige kommen met forse stroomrug langs de Waal en kleinschalige stroomrug langs de Linge
• • •
deels onderdeel van Nationaal Landschap Nieuwe Hollandse Waterlinie
• • • • •
weidevogelgebied Leuvense Veld
• • • •
rust, ruimte en donkerte (op afstand van A15 en Betuwelijn)
ecologische verbinding Linge Parel Komgrondenreservaat Deil: bloemrijke, schrale hooilanden; in de sloten planten die op kwel wijzen: holpijp, waterviolier; ganzen als wintergasten; ook eendenkooien, kooibossen en grienden leefgebied steenuil leefgebied kamsalamander Hollandse Waterlinie: cultuurhistorisch landschap, afleesbaar door forten en inundatievelden oude polderstructuur met zijtwendes, achterkades en boezems nog op veel plaatsen herkenbaar; eendenkooien en andere bosjes (o.a. uit de ruilverkaveling) abiotiek: aardkundige waarden, kwel, bodem, waterreservoir ecosysteemdiensten: recreatie, waterwinning, waterberging alle door de Flora- en faunawet of Natuurbeschermingswet beschermde soorten en hun leefgebieden in dit deelgebied
Deze kernkwaliteiten mogen bij ontwikkelingen niet aangetast worden. Met de ontwikkeling wordt rekening gehouden met bovenstaande kernkwaliteiten die van toepassing zijn op de ontwikkeling. Doordat het een kleinschalige ontwikkeling betreft van in totaal vijf extra woningen en het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning op twee verschillende locaties, zal er weinig impact zijn op de omgeving. Bovendien verdwijnt de agrarische bebouwing aan de Haarweg en vervalt de mogelijkheid om vier woningen te bouwen aan de Waaldijk 151. Met het voorliggende plan wordt er gezorgd voor een goede landschappelijke inpassing van de betreffende gronden, waarbij ruimte en openheid zoveel mogelijk bewaard blijft. In de toelichting paragraaf 4.4, is nader in gegaan op het aspect ecologie. Er bevinden zich verder geen cultuurhistorische monumenten in of om het plangebied. Geconcludeerd wordt dat de beoogde inrichting van het terrein niet leidt tot een aantasting van cultuurhistorische waarden in en rondom het plangebied.
4.7 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.7.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis
36
van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Haarweg 2 De ontsluiting van het plangebied aan de Haarweg 2 zal worden uitgebreid met opritten aan de Haarweg voor de beoogde woningen. Conform de CROW-publicatie 381 zullen de drie extra woningen en de om te zetten bedrijfswoning in totaal ca. 32,8 voertuigbewegingen per etmaal genereren. Dit is een beperkte toename van het aantal voertuigbewegingen. De verwachting is dat deze verkeersgeneratie voldoende kan worden opgevangen binnen het bestaande verkeersnetwerk. Waaldijk 151 Op de planlocatie aan de Waaldijk 151 worden twee vrijstaande woningen ontwikkeld. Conform de CROWpublicatie 381 worden er 16,4 voertuigbewegingen per etmaal gegenereerd. In de huidige situatie zijn vier rijwoningen en één vrijstaande woning toegestaan, wat een verkeersgeneratie van 37,8 voertuigbewegingen per etmaal met zich meebrengt. Voor de Waaldijk 151 geldt dat er een afname van het aantal voertuigbewegingen is. Gesteld wordt dat het aspect verkeer geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. 4.7.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen.
Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Op 30 juni 2020 heeft de gemeente West Betuwe het parapluplan parkeren vastgesteld. Met dit bestemmingsplan worden de normen, die gehanteerd worden binnen de gemeente, juridisch verankerd. Voor de te hanteren parkeernormen is door de gemeente aangesloten bij de meest recente parkeerkencijfers van het CROW, publicatie 381, Toekomstbestendig parkeren (december 2018). Voor het parkeren van vrachtauto’s wordt aangesloten op de CROW publicatie 327 ‘Handreiking vrachtautoparkeren’. De normen zijn op een dynamische wijze vastgelegd. Dat wil zeggen dat indien er een nieuwe uitgave komt van het CROW deze ook direct van toepassing is voor het grondgebied van de gemeente West Betuwe. Planspecifiek Haarweg 2 Het voorliggende bestemmingsplan maakt aan de Haarweg 2 drie nieuwe vrijstaande woningen en het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning mogelijk. Uit de CROW-publicatie blijkt dat voor een vrijstaande koopwoning in het buitengebied 2,4 parkeerplaatsen nodig zijn.
Op de locatie aan de Haarweg 2 worden met de ontwikkeling en het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning in totaal vier vrijstaande woningen mogelijk gemaakt. In totaal dienen er binnen het plangebied aan de Haarweg 2 afgerond tien parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Op eigen terrein is voldoende ruimte om te voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen. Waaldijk 151 Aan de Waaldijk 151 worden twee vrijstaande woningen mogelijk gemaakt. Ook hier geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per vrijstaande woning. Op het perceel van de Waaldijk 151 is voldoende ruimte voor het realiseren van vijf parkeerplaatsen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect parkeren geen belemmeringen vormt voor de beoogde ontwikkeling.
37
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
38
5.4 Wijze van bestemmen Bij het opstellen van de regels is aangesloten op de methodiek van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld in 2012. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Agrarisch De bestemming 'Agrarisch' is opgenomen voor de gronden waar de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Binnen deze bestemming zijn geen bouwvlakken aanwezig, waardoor gebouwen niet zijn toegestaan. Bestaande bebouwing is wel toegestaan, mits deze op een legale wijze tot stand is gekomen. Wonen - 1 De voor 'Wonen - 1' aangewezen gronden zijn opgenomen voor de beoogde vrijstaande woningen. Woningen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd worden. Per bouwvlak is één woning toegestaan. Binnen deze woonbestemming zijn tevens tuinen, erven, water en parkeervoorzieningen toegestaan. Waarde - Archeologische verwachting 1 Het meest zuidwestelijke gedeelte van het plangebied aan de Haarweg heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming van (te verwachten) archeologische waarden. Bij grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm en met een oppervlakte groter dan 100 m² is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Waarde - Archeologische verwachting 3 Een deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3'. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming van (te verwachten) archeologische waarden. Bij grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm en met een oppervlakte groter dan 500 m² is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Waarde - Archeologische verwachting 4 Een groot gedeelte van het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 4'. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming van (te verwachten) archeologische waarden. Bij grondwerkzaamheden dieper dan 100 cm en met een oppervlakte groter dan 5000 m² is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Waarde - Archeologische waardevolle gebieden 1 De voor 'Waarde - Archeologische waardevolle gebieden 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Waarde - Nieuwe Hollandse Waterlinie De voor 'Waarde - Nieuwe Hollandse Waterlinie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud en herstel van de ter plaatse voorkomende cultuurhistorische waarden.
Waterstaat - Waterkering De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het onderhoud en instandhouding van dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering.
39
6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
• • •
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst met planschade-overeenkomst gesloten, als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd.
De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
40
6.2.2 Verslag vooroverleg In het kader van het vooroverleg zijn geen inhoudelijke reacties ontvangen op het plan. 6.2.3 Verslag zienswijzen Van 15 juli 2021 heeft het ontwerp bestemmingsplan gedurende een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ontvangen.
41