RV2021-106 Bijlage Toelichting Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt.pdf
Tekst van het document
C-watergang 079069
C-watergang 079095 C-watergang 079070
Afbeelding 56: Uitsnede legger Wateren
Waterkeringen Het plangebied is gelegen binnen de beschermings- en buitenbeschermingszone van een primaire waterkering. De Waalbandijk en de zogeheten beschermingszones aan weerszijden van de dijk zijn door de verordening Keur beschermd In het plan is sprake van bouw- en sloopwerkzaamheden binnen de buitenbeschermingszone en beschermingszone van de waterkering. Het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland is vereist. Op basis van het Barro (2012) wordt de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ en de gebiedsaanduidingen ‘vrijwaringszone – dijk – 1 en 2’ opgenomen. Deze worden overgenomen uit het meest recente legger van het Waterschap.
Bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt’
64
Afbeelding 57: Uitsnede legger Waterkeringen
Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor sloop- en/of bouwwerkzaamheden binnen de beschermingszone van watergangen en/of waterkeringen dient een watervergunning aangevraagd te worden bij het waterschap Rivierenland.
Bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt’
65
5.7 Flora en fauna Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Bij de uitvoering van het plan is sprake van werkzaamheden welke nadelige gevolgen kunnen hebben voor beschermde flora en fauna (bouw- en sloopwerkzaamheden). In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Blom Ecologie een ecologische quickscan voor de vier deelgebieden uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden per deellocatie: Karnheuvelsestraat 16, Est ‘Soortenbescherming De planlocatie heeft aannemelijk geen relevante functie voor beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De planlocatie en de directe omgeving hebben (mogelijk) een functie voor algemeen voorkomende planten, zoogdieren, amfibieën, insecten en vogels.
De bebouwing en hogere vaatplanten zijn geschikt als broedlocatie voor algemene broedvogels. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van algemene zoogdieren, amfibieën en broedvogels. Voor deze soortgroepen dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De werkzaamheden dienen opgestart/uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.
• De aansluitingen van de nieuwe watergangen op de bestaande (A) watergangen worden bij voorkeur gerealiseerd in de periode september/oktober en na het graven van alle te realiseren watergangen. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 of Gelders Natuurnetwerk. Natura2000-gebied de Rijntakken ligt op circa 2,7 km van het plangebied. Op een afstand van circa 0,5 km ligt het Gelders Natuurnetwerk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden mogelijk sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt. Bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt’
66
Afbeelding 58: Deelgebied Karnheuvelsestraat 16 in relatie tot NNN-gebieden
Afbeelding 59: Deelgebied Karnheuvelsestraat 16 in relatie tot Natura2000-gebieden
Conclusie De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging (vrijstellingsbesluit). Het saneren van een opslagloods ten behoeve van een 9-tal woningen aan de Karnheuvelsestraat 16 te Est is uitvoerbaar conform het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).’ Buitenweg 48, Haaften ‘Soortenbescherming In het plangebied of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De planlocatie heeft aannemelijk geen relevante functie voor beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De planlocatie en de directe omgeving hebben (mogelijk) een functie voor algemeen voorkomende planten, zoogdieren, amfibieën, insecten en vogels. De kassen en hogere vaatplanten zijn geschikt als broedlocatie voor algemene broedvogels. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van algemene zoogdieren, amfibieën en broedvogels. Voor deze soortgroepen dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Te treffen maatregelen: • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht).
Bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt’
67
• • • •
•
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De werkzaamheden dienen uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden of er dient een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden teneinde verstoring van vleermuizen in de directe omgeving te voorkomen. Hieronder kan onder andere worden verstaan: beperkte hoogte van lichtmasten, verlichting naar beneden richten en convergeren, toepassen van UV-vrije verlichting, gebruik van sterk bundellicht vermijden et cetera. De werkzaamheden dienen opgestart/uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland of Belangrijk Weidevogelgebied. Gelet op de aard en de omvang van de werkzaamheden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt.
Afbeelding 60: Deelgebied Buitenweg 48 in relatie tot NNN-gebieden
Bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt’
68
Afbeelding 61: Deelgebied Buitenweg 48 in relatie tot Natura2000-gebieden
Conclusie De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging (vrijstellingsbesluit). Het saneren van kassen ten behoeve van 2 woningen aan de Buitenweg 48 te Haaften is uitvoerbaar conform het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).’ Gerestraat 3, Heesselt ‘Soortenbescherming De planlocatie heeft aannemelijk geen relevante functie voor beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Mogelijk bevolkt rugstreeppad de planlocatie gedurende de werkzaamheden indien geen maatregelen getroffen worden. Vleermuizen passeren de locatie of foerageren er sporadisch op. De planlocatie en de directe omgeving hebben (mogelijk) een functie voor algemeen voorkomende planten, zoogdieren, amfibieën, insecten en vogels. De schuren en hogere vaatplanten zijn geschikt als broedlocatie voor algemene broedvogels. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van rugstreeppad, vleermuizen en algemene zoogdieren, amfibieën en broedvogels. Voor deze soortgroepen dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht).
• Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De werkzaamheden dienen uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden of er dient een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden teneinde verstoring van vleermuizen in de directe omgeving te voorkomen. Hieronder kan onder andere worden verstaan: beperkte hoogte van lichtmasten, verlichting naar beneden richten en convergeren, toepassen van UV-vrije verlichting, gebruik van sterk bundellicht vermijden et cetera.
Bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt’
69
•
•
Ten aanzien van rugstreeppad dient het terrein ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. De werkzaamheden dienen opgestart/uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 of Gelders Natuurnetwerk. Natura2000-gebied de Rijntakken ligt op circa 0,6 km van het plangebied. Op een afstand van circa 0,5 km ligt het Gelders Natuurnetwerk. Gelet op de aard en de omvang van de werkzaamheden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt.
Afbeelding 62: Deelgebied Gerestraat 3 in relatie tot NNN-gebieden
Afbeelding 63: Deelgebied Gerestraat 3 in relatie tot Natura2000-gebieden
Conclusie De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging (vrijstellingsbesluit). Het saneren van 2 schuren ten behoeve van 1 kleinere schuur aan de Gerestraat 3 te Heesselt is uitvoerbaar conform het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).’ Bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt’
70
Bouwing 1, Tuil ‘Soortenbescherming Het plangebied heeft aannemelijk geen essentiële betekenis voor de overleving van soorten die behoren tot het beschermingsregime habitatrichtlijnsoorten, vogelrichtlijnsoorten of overige soorten. De planlocatie heeft geen potentie voor de gierzwaluw, huismus en vleermuizen. Geschikt leefgebied van de rugstreeppad is niet aangetroffen op de planlocatie. Door de afwezigheid van schuilplaatsen, structuur- en nectarrijke vegetatie en overige structuurrijke groenelementen heeft de planlocatie aannemelijk geen betekenis voor de beschermde amfibieën. Mogelijk vormt het plangebied wel het leefgebied van algemene grondgebonden zoogdieren, amfibieën en ongewervelde. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodem bewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
• De werkzaamheden dienen uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden of een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden teneinde verstoring van vleermuizen in de directe omgeving te voorkomen. Hieronder kan onder andere worden verstaan: beperkte hoogte van lichtmasten, verlichting naar beneden richten en convergeren, toepassen van UV-vrije verlichting, gebruik van sterk bundellicht vermijden et cetera. • Ten aanzien van algemene broedvogels dienen de werkzaamheden opgestart/uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). De nesten van de kauw dienen buiten het broedseizoen verwijderd te worden. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 of Gelders Natuurnetwerk. Natura2000-gebied de Rijntakken ligt op circa 1,0km ten oosten van het plangebied. Op een afstand van circa 90 m ligt het Gelders Natuurnetwerk. Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden.
Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is..
Bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt’
71
Afbeelding 64: Deelgebied Bouwing 1 in relatie tot NNN-gebieden
Afbeelding 65: Deelgebied Bouwing 1 in relatie tot Natura2000-gebieden
Conclusie De aanwezigheid van beschermde soorten (Wnb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkeling (vrijstellingsbesluit). De ruimtelijke ontwikkeling van de planlocatie aan Bouwing 1 te Tuil is uitvoerbaar conform het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).’ Stikstofdepositie Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Bij mogelijke negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan voordat een ontheffing verleend kan worden. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Hierom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten welke voorzien in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats. Voorheen was toestemming hiervoor gebaseerd op het PAS, waarbij de drempelwaarde van 0,05 mol per hectare per jaar werd gehanteerd om effecten van ontwikkelingen te toetsen.
De Raad van State heeft op 29 mei 2019 beoordeeld dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Op basis van het PAS werd namelijk vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Een dergelijke toestemming ‘vooraf’ Bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt’
72
mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunningplichtig en dient aangetoond te worden dat een ontwikkeling niet voorziet in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe rekentool kan de depositie op stikstofgevoelige habitats berekend worden. Door Adromi is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd voor de plannen op de vier locaties. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘Uit de berekeningen volgt, zowel vanwege de aanlegfase alsmede vanwege de gebruiksfase van het plan, dat er geen natuurgebieden zijn met rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Hiermee is aangetoond dat er geen mogelijke significante effecten vanwege de stikstofemissies van het plan op een natuurgebied zullen zijn.’ Conclusie Het plan ondervindt, mits de gestelde voorzorgsmaatregelen worden getroffen voor elk deelgebied, geen belemmeringen voor wat betreft het aspect ecologie.
Bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt’
73
5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijn stof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 6: Grenswaarden Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide Jaargemiddelde 40 μg/m3 (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde 40 μg/m3 concentratie 24-uurgemiddelde Max 35 keer p.j. concentratie meer dan 50 μg/m3 Fijnstof (PM2,5) 24-uurgemiddelde Max. 35 keer p.j. concentratie meer dan 50 μg/m3 Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.
Geldig Vanaf 2015 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011
Onderzoek Voor de omgeving van de deelgebieden geeft de NSL-monitoring 2018 het volgende overzicht: Karnheuvelsestraat 16, Est • Een roetconcentratie tussen 0,6 – 0,8 μg EC/m3; • Een stikstofconcentratie tussen 18 – 20 μg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 19 – 20 μg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 11 – 12 μg PM2,5/m3; Buitenweg 48, Haaften • Een roetconcentratie tussen 0,7 – 0,8 μg EC/m3; • Een stikstofconcentratie tussen 18 – 20 μg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 19 – 20 μg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 11 – 12 μg PM2,5/m3; Gerestraat 13, Heesselt • Een roetconcentratie tussen 0,7 – 0,8 μg EC/m3; • Een stikstofconcentratie tussen 16 – 18 μg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 19 – 20 μg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 11 – 12 μg PM2,5/m3; Bouwing 1, Tuil • Een roetconcentratie tussen 0,7 – 0,9 μg EC/m3; • Een stikstofconcentratie tussen 20 – 25 μg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 19 – 20 μg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 11 – 13 μg PM2,5/m3;
Bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt’
74
Voor de deelgebieden kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit niet in betekende mate vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM) en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht.
Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit het stikstofdepositieonderzoek blijkt dat de stikstofdepositie de realisatie van het bouwplan niet in de weg staat. Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen.
Bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt’
75
5.9 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Beleidskader Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet in eerste instantie worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).
Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Ook zijn in de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid ambities opgenomen over het toelaten van nieuwe risicobronnen en "bijzonder kwetsbare objecten". Onderzoek
Deelgebied Est Deelgebied Tuil
Deelgebied Haaften
Deelgebied Heesselt
Afbeelding 66: Uitsnede Risicokaart
Risicovolle bedrijven Binnen de beoogde bestemming “wonen” passen geen risicovolle activiteiten, zoals Bevi-activiteiten en vuurwerkverkooppunten. Uit de Risicokaart blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen. Vervoer van gevaarlijke stoffen Uit de Risicokaart blijkt dat het aspect externe veiligheid relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waal en de Betuweroute. Drie deelgebieden (Buitenweg 48 Haaften, Karnheuvelsestraat 16 Est en Bouwing 1 Tuil) liggen namelijk binnen het invloedsgebied van de Betuweroute. Daarnaast liggen drie deelgebieden (Buitenweg 48 Haaften, Bouwing 1 Tuil en Gerestraat 3 Bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt’
76
Heesselt) (ook) binnen het invloedsgebied van de Waal. Door deze ligging, binnen de invloedsgebieden van de genoemde transportroutes, kunnen personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. De plangebieden liggen echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones). Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: - de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroutes en - de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 7 augustus 2018 aangegeven dat met de vier deellocaties sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten.
Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij de vier deel-plangebieden. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In de vier deel-plangebieden zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Buisleidingen Uit de Risicokaart blijkt dat alleen het deelgebied Bouwing 1 te Tuil is gelegen binnen het invloedsgebied van een relevante buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het plangebied ligt op circa 11 meter afstand van deze leiding, terwijl de woning zelf op circa 22 meter van de kerosineleiding ligt. 22 meter
Leiding P11_2
Afbeelding 67: Uitsnede Risicokaart
Bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt’
77
Het deelgebied ligt daarmee buiten de aan te houden belemmeringenstrook (tot 5 meter aan weerszijden van de leiding), waarbinnen geen activiteiten mogen plaatsvinden die de buisleiding kunnen beschadigen. Daardoor hoeft geen strook met dubbelbestemming te worden opgenomen op de verbeelding. Ook heeft de leiding geen PR 10-6/jaar contour, waardoor wordt voldaan de grensen richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. De woning Bouwing 1 ligt echter wel binnen de zone, waarbinnen personen in de woning (mogelijk) niet voldoende zijn beschermd tegen de hittestraling van een plasbrand die kan ontstaan na een breuk van de leiding ter hoogte van de woning. Op grond van art. 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) moet in dit geval worden ingegaan op: - de personendichtheid binnen het invloedsgebied; - de hoogte van het groepsrisico; - de bestrijdbaarheid van het maatgevende ongevalscenario (een plasbrand na een breuk of lekkage van de leiding), en - de zelfredzaamheid met betrekking tot (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Daarnaast stelt het Bevb dat de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld moet worden om advies uit te brengen over de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 28 augustus 2018 aangegeven dat de hieronder opgenomen verantwoordingstekst gebruikt kan worden.
Relevant hierbij is dat geen zeer kwetsbaar object wordt toegelaten en de personen binnen het plangebied doorgaans in een stenen gebouw verblijven. Personendichtheid en hoogte groepsrisico Volgens een eerder uitgevoerde risicoberekening bij de betreffende leiding ligt de PR 10-8/jaar contour en de grens van het invloedsgebied op respectievelijk circa 12 en circa 35 meter van deze leiding. De hoogte van het groepsrisico wordt met name bepaald door de personendichtheid binnen de PR 10-8/jaar contour over een lengte van 1 km aan weerszijden van het plangebied. Het aantal personen binnen deze zone is in de situatie zeer laag. Ook de woning Bouwing 1 ligt grotendeels buiten de PR 10-8/jaar contour. Daarnaast wijzigt de afstand tot de leiding en het aantal personen in de woning niet. Daardoor zal de personendichtheid binnen het invloedsgebied en het groepsrisico ter plaatse van het deelgebied niet toenemen. Op basis van het bovenstaande concluderen wij dat door de hier beoogde ontwikkeling het groepsrisico ter plaatse van het plangebied niet met meer dan 10% zal toenemen en het groepsrisico zeker lager zal zijn dan 10 procent van de oriëntatiewaarde. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een vloeistofbrand ter hoogte van de woning is vrijwel geen mogelijkheid om op te treden. Dit omdat de stralingsbelasting te hoog is.
De brandweer zal zich in eerste instantie richten op het afschermen van gebouwen en het blussen van secundaire branden. Hoe lang het duurt voordat de brandweer de vloeistofbrand kan bestrijden hangt af van een aantal factoren dat de brandweer zelf niet in de hand heeft. Onder andere de tijd dat de vloeistof door de leiding kan stromen voordat de toevoer wordt afgesloten speelt een rol. De leidingeigenaar en/of beheerder beheert het technische systeem van dichtsturen van de afsluiters. Om een plasbrand te blussen en herontsteking te voorkomen zal de brandweer schuim moeten inzetten. Het aanvoeren van schuim kost circa 30 tot 45 minuten.
Bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt’
78
Mogelijkheden voor zelfredzaamheid De personen nabij de woning kunnen zich mogelijk tegen hittestraling beschermen door in de woning te schuilen. Echter bij een breuk en plasbrand op korte afstand van de woning is het waarschijnlijk dat er brandoverslag naar de woning plaatsvindt, waardoor men de woning moet ontvluchten. Er kunnen bouwkundige maatregelen genomen worden om de blootstellingsduur van hittestraling zo veel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door het realiseren van een (extra) uitgang in de juiste richting bij verbouw of vervangende nieuwbouw van de woning. Overeenkomstig het advies van de veiligheidsregio wordt de volgende maatregel getroffen om de zelfredzaamheden te bevorderen: - In de planregels is een nadere eis bepaling opgenomen, waardoor bij verbouw of nieuwbouw van de woning (Bouwing 1) extra bouweisen ten aanzien van het realiseren van een (extra) uitgang vanuit die woning (in een richting die is afgekeerd van de nabijgelegen kerosineleiding) kunnen worden opgelegd. In geval van een calamiteit dient tijdig te worden gewaarschuwd. Dit gebeurt normaliter door het in werking stellen van het waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Een plasbrand is echter voor aanwezigen door de hittestraling duidelijk voelbaar voor aanwezigen, waardoor de effectieve strategie voor zelfredzaamheid door aanwezigen juist kan worden ingeschat.
Conclusie Het aspect externe veiligheid is relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waal en de Betuweroute en door de kerosineleiding. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er in de 4 deelgebieden voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Bij een worstcase-scenario als gevolg van een breuk van de kerosineleiding zijn personen in de woning Bouwing 1 mogelijk niet voldoende beschermd tegen hittestraling en zijn de mogelijkheden van de brandweer voor het bestrijden van dit scenario beperkt. Argumenten om dit restrisico te accepteren zijn: - Het gaat om een bestaande woning, waarbij het aantal personen middels het plan in de woning Bouwing 1 niet onevenredig toeneemt, de zelfredzaamheid van de bewoners niet wijzigt en ook de afstand tot de buisleiding niet kleiner wordt; - De afstand tot de leiding is zodanig dat de kans op het worstcase-scenario zeer klein is; - Er is een nadere eis bepaling opgenomen, waardoor, bij verbouw of nieuwbouw van de woning Bouwing 1, de ontvluchtingsmogelijkheden vanuit de woning kunnen worden verbeterd, in overleg met de veiligheidsregio.
Bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt’
79
6 JURIDISCHE PLANOPZET 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt’ bestaat uit drie delen: de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan EstTuil-Haaften-Heesselt’ is aansluiting gezocht bij het geldend bestemmingsplan ‘Buitengebied Neerijnen, veegplan 2017’ van de voormalige gemeente Neerijnen, behoudens voor de locatie in Est. Voor de locatie in Est is, gezien de ligging van dit deelgebied bij de kern, aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘BP kern Est’. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangsen slotregels aan de orde komen.
6.3 Bestemmingen Agrarisch De gronden buiten de woonpercelen behoudt de bestemming ‘Agrarisch’. Hier zijn geen gebouwen toegestaan. Verkeer Ter plaatse van de ontsluitingsweg op de locatie Est wordt de bestemming ‘Verkeer’ gelegd. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan ten behoeve van de bestemming. Wonen Ter plaatse van de bestaande woningen en woningbouwlocaties in Haaften, Heesselt, en Tuil wordt de bestemming ‘Agrarisch’ gewijzigd naar ‘Wonen’. Woningen gelegen binnen deze bestemming krijgen de functie als burgerwoning. Als onderdeel van de woningen mag tevens een aan-huis-verbonden beroep uitgevoerd worden. Nieuwe woningen mogen gebouwd worden met een maximale goot- en bouwhoogte van 6 en 10 meter. Bij de woning mogen bijgebouwen gerealiseerd worden met een oppervlak van 150 m², tenzij middels een bouwaanduiding anders aangegeven. Wonen – 1 Voor de woningen aan de locatie Karnheuvelsestraat wordt een aparte bestemming toegevoegd, zodat aangesloten kan worden bij de woonbestemming van het geldend bestemmingsplan ‘BP kern Est’. Binnen deze bestemming mogen nieuwe woningen gerealiseerd worden met een maximale goot- en bouwhoogte van 6 en 10 meter. Ter plaatse van de aanduiding ‘zorgwoning’ zijn uitsluitend zorgwoningen toegestaan. Bij de woningen zijn aan- en uitbouwen en bijgebouwen toegestaan.
Er kan afgeweken worden van de bouwregels voor wat betreft
Bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt’
80
de positie, de goothoogte en oppervlak van aanbouwen, bijgebouwen of overkappingen. Als onderdeel van de woningen mag tevens een aan-huisverbonden beroep uitgevoerd worden. Water Ten behoeve van het te realiseren water op de locatie Est wordt de bestemming ‘Water’ toegevoegd. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gerealiseerd. Waarde – Archeologie 3 en 4 Voor de bescherming van archeologische waarden blijven de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3 en 4’ gehandhaafd. Waterstaat – Waterkering O.a. ten behoeve van de aanleg, instandhouding en/of bescherming van de waterkering wordt de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ op de kernzone van de waterkering gelegd.
6.4 Aanduidingen • • • • • • • • • • • • • • •
Bouwaanduiding ‘aaneengebouwd’; Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’; Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – gemeentelijk monument’; Bouwvlak; Functieaanduiding ‘nutsvoorziening’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – wandelpad’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van water – wandelpad’; Functieaanduiding ‘zorgwoning’ Gebiedsaanduiding ‘overige zone – oeverwal-stroomrug’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk-1’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk-2’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte (m)’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum volume (m3)’.
Bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt’
81
7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente wordt er een planschadeovereenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt.
8 OVERLEG EN ZIENSWIJZEN 8.1 Vooroverleg/inspraak Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente West Betuwe bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg wordt het plan voorgelegd aan de Provincie Gelderland en het Waterschap Rivierenland. Het voorontwerpbestemmingsplan is gebruikt ten behoeve van vooroverleg met de wettelijke verplichte instanties (de provincie en het waterschap) aan wie het voorontwerp is toegezonden. Daarnaast is het voorontwerp gebruikt ten behoeve van een inspraakronde voor belanghebbenden en geïnteresseerden. Het document heeft ter inzage gelegen van 16 november 2018 tot 27 december 2018. Over de ter inzagelegging en de informatieavond is gepubliceerd in het Nieuwsblad Geldermalsen van 15 november 2019 en op de gemeentelijke website; daarnaast is een publicatie geplaatst in de Staatscourant. Tijdens de inspraakperiode zijn geen inspraakreacties en twee overlegreactie ingediend. De overlegreacties zijn samengevat en beantwoord in het Inspraakdocument Bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est – Tuil – Haaften – Heesselt’. Dit document is toegevoegd in de bijlage.
8.2 Zienswijzen Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Vanaf donderdag 6 februari 2020 tot en met woensdag 18 maart 2020 heeft het ontwerpbestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est – Tuil – Haaften – Heesselt’ ter inzage gelegen in het kader van de ontwerpfase ex artikel 3.8 Wro. De terinzagelegging is gepubliceerd in het Weekblad West Betuwe, het Gemeenteblad en de Staatscourant op woensdag. Het ontwerpplan was digitaal te zien via www.ruimtelijkeplannen.nl. Daarnaast was het bestemmingsplan op verzoek in te zien bij het gemeentelijk klantencontactcentrum. Tijdens de terinzagelegging is een ieder in de gelegenheid gesteld om zijn of haar zienswijze omtrent het ontwerpbestemmingsplan aan de raad kenbaar te maken. Hiervan hebben vier belanghebbenden gebruik gemaakt. Deze zienswijzen en de ontvankelijkheidbeoordeling zijn opgenomen in de Nota van Zienswijzen en Ambtshalve aanpassingen bij bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est – Tuil – Haaften – Heesselt’. Dit document is toegevoegd in de bijlage van deze toelichting.
Bestemmingsplan ‘Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt’
82