CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2021-105 Bijlage t_NL.IMRO.1960.BpSpkSpkweldk66-ONT1.pdf

Gemeenteraad 26 oktober 2021, gemeente West BetuweBij agendapunt: 8: Voorstel tot gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Spijkse Kweldijk 66 te Spijk16.072 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De waarde is vooral gelegen in de combinatie tussen de oorspronkelijke structuurelementen als dijken, overblijfselen van de Hollandse Waterlinie, polderwegen en de afwisselende lintbebouwing. In het gebied komen diverse cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en objecten voor. Gebiedsgerichte criteria ‘Buitengebied’ Ligging: • De hoofdbebouwing staat aan de straatzijde, bedrijfsgebouwen en bijgebouwen hebben een ondergeschikte positie; • De rooilijnen van de hoofdmassa’s verspringen ten opzichte van elkaar; • Bebouwing met de voorgevel op de weg richten. Massa: • Gebouwen zijn individueel en afwisselend en hebben bij voorkeur een eenvoudige, eenduidige opbouw met een eenvoudige rechthoekige plattegrond; • Per erf is er één hoofdmassa; • Woningen hebben bij voorkeur een onderbouw van één of twee lagen met een eenduidige en nadrukkelijke kap; • Bedrijfsgebouwen hebben één laag met eenvoudige kap, zoals een zadeldak; • De nok is in beginsel evenwijdig aan de verkavelingsrichting; • Uitbreidingen zoals aanbouwen en dakkapellen vormgeven als toegevoegd ondergeschikt element of opnemen in de hoofdmassa; • Bijgebouwen zijn ondergeschikt aan hoofdmassa en eenvoudig van vorm. Architectonische uitwerking: • De architectonische uitwerking en detaillering zijn verzorgd en evenwichtig; • Wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op hoofdvolume.

Materiaal en kleur: • Materialen en kleuren zijn traditioneel en terughoudend; • Grote vlakken bestaan uit kleine elementen of hebben een duidelijke textuur; • Kleuren afstemmen op de omliggende bebouwing; • Daken van bedrijfsgebouwen zijn in beginsel grijs. Het plan sluit aan bij de specifieke gebiedsgerichte criteria van het criteriagebied ‘Buitengebied’. Het plan is hiermee in overeenstemming met de Nota Ruimtelijke kwaliteit Lingewaal.

25

4.4.4 Wonen naar behoefte, woonvisie West Betuwe 2020 – 2030 Op 15 december 2020 heeft de gemeente West-Betuwe de visie “Wonen naar behoefte, woonvisie West Betuwe 2020 – 2030” vastgesteld. Met deze woonvisie wordt het woonbeleid van de drie voormalige gemeenten Geldermalsen, Lingewaal en Neerijnen geharmoniseerd. De woonvisie gaat uit van vier leidende principes: •

We beschermen de unieke landschappelijke kwaliteiten en het karakter van West Betuwe en haar kernen: Dit principe geeft aan dat bescherming van het unieke karakter van het gebied en de kernen altijd voorop staat. De beleidskeuzes die hier bij horen zijn: - Nieuwbouw heeft een dorps karakter: veel grondgebonden woningen, groene en ruime planopzet en voldoende parkeerruimte. - We beschermen het open landschap in en buiten de kernen. - We zetten flankerende maatregelen in om voorzieningen bereikbaar te houden.

•

Voor elke inwoner is een passende woning haalbaar en betaalbaar: Dit betekent dat de gemeente zich inzet om voor alle groepen woningen te bieden die passen bij de persoonlijke situatie. De beleidskeuzes die hier bij horen zijn: - Nieuwbouwplannen krijgen een goede mix van duur, middelduur en goedkoop (sociale huur en goedkope koop). In nieuwe plannen in de woningbouwprogrammering nemen we tenminste 30% goedkoop (koop tot € 230.000,-- en huur tot € 737,14) en 30% in het middensegment op (duurdere huur en koopwoningen tussen € 230.000,-- en € 400.000,--). - In de sociale woningmarkt is sprake van een transitieopgave. We bouwen sociale huurwoningen voor ouderen en kleine huishoudens. T.b.v. de transitie wordt bestaand bezit beperkt verkocht, waarbij in plaats van deze woningen nieuwe worden gerealiseerd die passen bij de vraag. De verkoop op beperkte schaal van bestaand bezit biedt kansen voor koopstarters. - We stimuleren doorstroming van ouderen en faciliteren koopstarters bij het kopen van een goedkope woning. - We bieden ruimte voor huisvesting van overlast veroorzakende inwoners.

•

Ieder kan gezond en veilig wonen: De beleidskeuzes die hier bij horen zijn: - Ouderen kunnen zo lang mogelijk gezond thuis wonen. - Nieuwbouw van seniorenwoningen plannen we nabij voorzieningen. De woningen zijn zorggeschikt en met voldoende buitenruimte. We bevorderen de doorstroming van ouderen in de huur- en koopmarkt. - We blijven de stimuleringsregeling toekomstbestendig wonen inzetten. - We stimuleren meer “zorg nabij”. - Grijs, groen en gelukkig. We stimuleren kleinschalige zorginitiatieven. - We maken de plaatsing van mantelzorgunits gemakkelijker en staan zorgunits toe. - We zetten sterk in op de verduurzaming van woningen. - We bouwen klimaatadaptief en duurzaam.

•

Woningbouw is mogelijk in elke kern, passend bij de aard en schaal van de kern. Extra groei krijgt de ruimte in de A2-corridor. De beleidskeuzes die hier bij passen zijn: - We kiezen voor het versnellingsscenario waarbij tot 2030 2.200 woningen worden gerealiseerd. - Flankerend: we zetten ons in voor een intercity-status voor station Geldermalsen. - We versnellen de ontwikkeling van De Plantage. De wijk wordt niet in 2036, maar al voor 2030 geheel gerealiseerd. - Woningbouw in elke kern, passend bij de aard en schaal. - Beesd is aan de beurt. De ontwikkeling van ca.150 woningen in Beesd krijgt prioriteit. - Dorpen aan zet: bij lokaal draagvlak is er in elke kern ruimte voor kleinschalige ontwikkeling. - We stimuleren collectieve wooninitiatieven. - We faciliteren tijdelijke flexibele woonvormen.

26

-

We zorgen voor een evenwichtige verdeling van woningen over projecten, kernen en prijsklassen.

Het plan betreft de nieuwbouw van vier woningen. Het plan betreft een organische ontwikkeling in de lintbebouwing welke passend is bij de aard en schaal van de kern Spijk. Het plan betreft een kwalitatieve toevoeging aan de woningvoorraad van de gemeente West-Betuwe. De woningen gelegen in de cultuurhistorische lintbebouwing betreffen woningen in het midden dan wel hogere prijssegment, waarmee doorstroming in de bestaande bouw wordt gestimuleerd. De woningen worden gasloos en geïsoleerd conform de huidige eisen van het Bouwbesluit. Wat betreft de architectonische uitstraling van de nieuwe woningen wordt aangesloten bij het landelijke dorpse karakter en de huidige bebouwing in de omgeving. De nieuwbouw wordt gasloos opgeleverd. Het plan is in overeenstemming met het gemeentelijk woningbouwbeleid.

4.5 Conclusie Op basis van hoofdstuk 4 ‘Beleidskaders’ kan worden geconcludeerd dat: • •

• •

Er is géén sprake van een ‘stedelijke ontwikkeling’, waardoor toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk is; Het plan heeft geen nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Bij de uitwerking van het plan is aandacht besteed aan de kernkwaliteit en ontwerprichtlijnen als genoemd in het document ‘Kernkwaliteiten Nieuwe Hollandse Waterlinie – DEEL I Nationaal Landschap en DEEL II inundatiekom Tielerwaard. Het plan resulteert een aanzienlijke verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving; Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders.

27

5 Milieuaspecten 5.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek De activiteit, het realiseren van woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 11.2 van het besluit m.e.r. (grenswaarde van 2.000 woningen). Dit plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling bestaande uit vier woningen. Er is geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Bij dit aantal van 4 woningen, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een direct m.e.r-plicht geldt, geldt wel de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden.

Kenmerken van het plan Het plan betreft een woningbouwontwikkeling in het bestaande lint langs de Spijkse Kweldijk/ Zuiderlingedijk te Spijk. Middels het plan wordt een voormalige agrarische bedrijfslocatie wegbestemd. Hiermee is nieuwvestging van een agrarisch bedrijf op deze locatie uitgesloten. Er vinden op de locatie geen productiewerkzaamheden plaats. Er is geen sprake van de productie van afvalstoffen, anders dan regulier huisafval. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen/ bedrijven zullen er geen bedrijfsactiviteiten meer plaatsvinden. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of Natuurnetwerk Nederland (Gelders Natuurnetwerk). Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet toenemen ten opzichte van de huidige juridisch-planologische situatie (agrarisch bedrijf). Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. Conclusie Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een onderbouwing van de diverse milieuaspecten in de voorliggende toelichting van het bestemmingsplan.

Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer. In het kader van een goede ordening dient het (vormvrije) m.e.r. beoordelingsbesluit bij de stukken van het ontwerp-bestemmingsplan te worden gevoegd en ter inzage worden gelegd.

28

5.2 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Onderzoek Spoorwegverkeerslawaai In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen spoorlijnen. Het aspect spoorweglawaai hoeft derhalve niet nader onderzocht te worden. Industrielawaai Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een (gezoneerd) bedrijventerrein.

Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van de Spijkse Kweldijk, Zuiderlingedijk en de Julianaweg. Het plan voorziet in de nieuwbouw van een woongebouw en een dijkwoning. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van een toevoeging van geluidgevoelige objecten. Voor het plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai. Uit het onderzoek blijkt dat: •

• •

‘De berekende maatgevende geluidbelasting op de woningen ten gevolge van de Spijkse Kweldijk, Zuiderlingedijk en de Julianaweg ten hoogste respectievelijk 43, 48 en 32 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt en niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai; De berekende gecumuleerde geluidbelasting L CUM* ten gevolge van alle wegen ten hoogste 48 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; Alle gevels van de woningen zijn geluidluw waarmee zonder meer aan het gemeentelijk geluidbeleid ten aanzien van de geluidluwe gevel en buitenruimte wordt voldaan.

Voor deze woningen hoeven geen hogere grenswaarden te worden aangevraagd.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluidhinder geen belemmeringen. Er hoeven geen hogere geluidgrenswaarden te worden vastgesteld.

29

5.3 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven) en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruikgemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.

Tabel 1: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan betreft de nieuwbouw van een woongebouw en een dijkwoning en de functiewijziging vaneen bestaande agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Hiermee is sprake van toevoeging van milieugevoelige functies. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is gekeken naar de wederzijdse beïnvloeding van de nieuwe vrijstaande woningen en de omliggende bestaande bedrijven. Het plan is getoetst aan de richtafstanden in het VNG-Handboek Bedrijven- en milieuzonering (editie 2009). Op basis van deze toetsing wordt aangetoond of dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat de betreffende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. In de omgeving van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de omgeving van het plangebied zijn onderstaande milieubelastende activiteiten gelegen: Tabel 2: Omliggende bedrijven Adres Functie (SBI 1993)

Milieu cat.

Spijkse Kweldijk 68* Spijkse Kweldijk 39 Julianaweg 1 Haarweg 3

Metaalhandel Veehandelsbedrijf Agrarisch bedrijf Golfbaan

Afstand

3.1 3.2

Richtafstand conform VNG (zwaarste) 50 meter 100 meter

3.2

100 meter

213 meter

1.0

10 meter

172 meter

33 meter 185 meter

* Het bedrijf kan gezien de aard en schaal worden geschaard in de categorie ‘Overige metaalwarenfabrieken n.e.g.; inpandig, p.o. <200 m2’ (milieucategorie 3.1) van VNG-Handboek Bedrijven- en milieuzonering (editie 2009).

30

Nieuwe woningen

Spijkse Kweldijk 68

Spijkse Kweldijk 39 Golfbaan ‘The Dutch’

Bestaande woning Julianaweg 1

Afbeelding 11: Omliggende milieubelastende activiteiten

Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat wat betreft de metaalhandel (Spijkse Kweldijk 68) niet wordt voldaan aan de gestelde richtafstand. Voor de overige bedrijven wordt wél voldaan aan de richtafstand en kan worden geconcludeerd dat deze bedrijven niet in de bedrijfsvoering worden beperkt als gevolg van dit plan. Indien niet wordt voldaan aan de gestelde richtafstand dient gekeken te worden naar de daadwerkelijke situatie ter plaatse. De in tabel 2 aangegeven afstand van 33 meter is gemeten vanaf de grens van het bedrijfsbestemmingsvlak van de metaalhandel tot aan de gevel van de dichtstbijzijnde woning. Dit betreft de bestaande woning Spijkse Kweldijk 66. Het plan voorziet in de functiewijziging van deze woning naar een burgerwoning. In het kader van bedrijf- en milieuhinder is voor de metaalhandel Spijkse Kweldijk 68 met de functiewijziging van de woning Spijkse Kweldijk 66 sprake van een gelijkblijvende situatie. De afstand van het bedrijfsbestemmingvlak van de metaalhandel tot aan de gevels van de nieuwe woningen bedraagt > 50 meter. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de metaalhandel niet verder in de bedrijfsvoering wordt beperkt als gevolg van dit plan. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen.

31

5.4 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem voor het toekomstige gebruik ‘wonen’ in kaart te brengen is een verkennend bodem- en asbestbodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘De bodem ter plaatst bestaat uit licht humeuze en donkere klei, overgaand in lichtgekleurde en siltige klei op 0.5 á 1.0 m-mv. De bovengrond rond de opstallen is plaatselijk zandig. In meerdere boringen is puin waargenomen tot een diepte van 0.6 m-mv. Dit bestaat uit steenachtig materiaal zoals baksteen en metselwerk. In de vijf boringen in het grasveld op het midden van de locatie is naast steenpuin ook asbest aangetroffen. Grond De boven- en ondergrond van het terrein aan de Spijkse Kweldijk is maximaal licht verontreinigd.

Van de bestrijdingsmiddelen is er niet één boven de Achtergrondwaarde verhoogd. Het gehalte aan PFOA is met 2.0 μg/kg ds niet boven het criterium voor hergebruik in zone A (buiten de pluim, 2.5 μg/kg ds) verhoogd. Asbest De bovengrond van het grasveldje op het midden van de locatie is sterk verontreinigd met asbest. Deze grond is zandig en sterk puinhoudend. Bij een interventiewaarde van 100 mg/kg ds is een gewogen asbestgehalte voor de grond vastgesteld van 293 mg/kg ds. Het volume van de verontreinigd grond is geschat op 110 m³ (losse kuubs). Het asbest vormt een Ernstig geval van Verontreiniging en bestaat geheel uit hecht-gebonden chrysotiel-plaatmateriaal. Het grasveld met het asbest maakt geen deel uit van het ontwikkeling terrein. Er zijn derhalve ook geen wijzigingen of graafwerkzaamheden gepland. Het asbesthoudende puin bevindt zich onder een graszodenlaag, waardoor er geen sprake is van blootstelling of risico op verspreiden of verwaaien. In de licht puinhoudende grond van het overige terrein is visueel geen asbest waargenomen. In het mengmonster van de deze grond heeft het lab één stukje hecht-gebonden plaatmateriaal gevonden met een grootte van 6 mm. Het resulteert in een gewogen asbestgehalte van 18 mg/kg ds. Het stukje bestaat uit hechtgebonden chrysotiel en crocidoliet.

In de onverharde toplaag langs de stal ten oosten van de woning is asbest zowel visueel als analytisch niet aantoonbaar. Grondwater Het grondwater is niet verontreinigd; voor geen van de stoffen uit het NEN 5740-pakket wordt een streefwaarde overschreden, zelfs niet voor barium. Verder is geconcludeerd dat de voormalige dieseltank in de schuur achter de woning en het gebruik er van geen verontreiniging in het grondwater heeft veroorzaakt. Conclusie De bodem ter plaatse van de twee bouwlocaties is niet boven de tussenwaarde verontreinigd. Lichte verontreiniging is gangbaar ter plaatse van de lintbebouwing langs de Spijkse Kweldijk. Volgens de bodemkwaliteitskaart is de bovengrond ter plaatse van de lintbebouwing gemiddeld wonen-kwaliteit, de ondergrond is schoon.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen.

32

5.5 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Gemeentelijk archeologiebeleid In opdracht van de voormalige gemeente Lingewaal (nu West-Betuwe) heeft in 2008 RAAP Archeologisch adviesbureau uit Amsterdam een archeologische waarden- en verwachtingskaart in combinatie met een archeologische beleids- kaart opgesteld. De archeologische waarden- en verwachtingskaart en de archeologische beleidskaart zijn in 2011 door Vestigia Archeologie en Cultuurhistorie geactualiseerd. De archeologische waarden- en verwachtingskaart geeft een overzicht van de archeologische vondsten, verwachtingen en vindplaatsen in de gemeente. De archeologische waarden- en verwachtingskaart vormt de basis voor de archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft het gemeentelijk beleid weer. Op deze beleidskaart en in de begeleidende tekst staat verwoord hoe in het planproces moet worden omgegaan met de verschillende bekende archeologische terreinen en met de verwachtingszones, in het bijzonder in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen.

In de beleidsregels zijn vrijstellingsgrenzen opgenomen voor de oppervlakte en diepte van de voorgenomen ingreep. Indien een plangebied groter is dan de gestelde oppervlakte-ondergrens en de ingreep dieper gaat dan de diepte-ondergrens dient archeologisch onderzoek conform de Archeologische Monumentenzorgcyclus (AMZ-cyclus) te worden uitgevoerd. Onderzoek Op de archeologische beleidskaart is te zien dat het plangebied valt in de verwachtingsgebieden: • AWV categorie 8 (middelmatige archeologische verwachting). Streven naar behoud in huidige staat. Archeologisch inventariserend veldonderzoek verplicht als oppervlakte van de ingreep groter is dan 500 m2 én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm -Mv. (geel, linker onderzijde plangebied) • AWV categorie 6 (hoge archeologische verwachting). Streven naar behoud in huidige staat. Archeologisch inventariserend veldonderzoek verplicht als oppervlakte van de ingreep groter is dan 100 m2 én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm -Mv. (roodbruin) • AWV categorie 4 (historische dorpskernen). Streven naar behoud in huidige staat. Bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv is een archeologisch bureauonderzoek met eventueel karterend veldonderzoek verplicht. (paars)

33

Afbeelding 12: Uitsnede archeologische beleidskaart

Voor het plan is door ADC ArcheoProjecten een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘ADC ArcheoProjecten adviseert om in het uiterste noorden van het plangebied, op de locatie van de Zuiderlingedijk, de hoge archeologische verwachtingswaarde te handhaven. De maximale verstoringsdiepte voor deze locatie dient met inbegrip van een veiligheidsmarge van circa 20 cm te worden verruimd van 30 naar 100 cm –mv. Dit betekent dat indien de grondroerende werkzaamheden, behoudens het aanbrengen van heipalen, dieper reiken dan 100 cm –mv, aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk is. De invulling van dit onderzoek is afhankelijk van de aard, omvang en diepte van de bodemingrepen. In het overige deel dient de archeologische verwachting naar laag te worden bijgesteld. Dit deel kan worden vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter nooit volledig uit te sluiten dat binnen dit gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet.’

34

Cultuurhistorische waarden Het plangebied is gelegen in een gebied met onderkende cultuurhistorische waarden (Nieuwe Hollandse Waterlinie). De specifieke kernkwaliteiten van de Tielerwaard West en de ontwerprichtlijnen voor nieuwe ontwikkelingen in dit gebied zijn beschreven in het document ‘Kernkwaliteiten Nieuwe Hollandse Waterlinie – DEEL I Nationaal Landschap en DEEL II inundatiekom Tielerwaard. De specifieke kernkwaliteiten van de Tielerwaard West en de ontwerp-richtlijnen voor nieuwe ontwikkelingen in dit gebied zijn opgesomd in paragraaf 4.2.2 van deze toelichting. Het plan is kleinschalig van aard. In het plangebied of de directe omgeving van het plangebied zijn geen verdedigingswerken, voormalige schootsvelden, waterwerken en/of overige elementen als beschutte wegen, (resten van) loopgraven en tankgrachten gelegen. Het plan zorgt voor een afname aan bebouwing en daarmee een positieve impuls voor de openheid en het groene en rustige karakter van het gebied. De te slopen agrarische bebouwing heeft geen cultuurhistorische waarde. De historische polderstructuur blijft ongewijzigd. Vanuit historisch-geografisch oogpunt, vormen de Spijkse Kwelkade en de Zuiderlingedijk een cultuurhistorisch waardevol dubbel bebouwingslint. Daartussen en rondom bevindt zich het open slagenlandschap, waarbij het behoud van die openheid en doorzichten van doorslaggevend belang is.

Bij de uitwerking van het plan is aandacht besteed aan openheid en zichtlijnen over de polder. Om het doorzicht over het oostelijke deel van het plangebied te behouden blijft op deze gronden de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuuren landschapswaarden’ ongewijzigd (zonder bouwvlak). De woningen worden op een in het cultuurhistorische lint passende wijze architectonisch vormgegeven (zie paragraaf 3.3). Middels het plan wordt langdurige leegstand en verpaupering van een voormalige agrarische bedrijfslocatie en daarmee aantasting van de cultuurhistorische waarden van het lint en het landschap uitgesloten. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van aantasting van de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Ter bescherming van de cultuurhistorische waarden van het gebied is de dubbelbestemming ‘Waarde – Nieuwe Hollandse Waterlinie’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – verdichtingsvelden’ overgenomen in dit bestemmingsplan. Het document ‘Kernkwaliteiten Nieuwe Hollandse Waterlinie – DEEL I Nationaal Landschap en DEEL II inundatiekom Tielerwaard is aan deze regels gekoppeld. Conclusie In het uiterste noorden van het plangebied, op de locatie van de Zuiderlingedijk, is nader aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk indien de grondroerende werkzaamheden, behoudens het aanbrengen van heipalen, dieper reiken dan 100 cm –mv.

De invulling van dit aanvullend onderzoek is afhankelijk van de aard, omvang en diepte van de bodemingrepen. Indien het maaiveld ten behoeve van de aanleg van de woning direct aan de Zuiderlingedijk wordt opgehoogd en op deze locatie, met inbegrip van een veiligheidsmarge van 20 cm, niet dieper gegraven gaat worden dan 100 cm –mv, is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Het overige deel van het plangebied ondervindt voor wat archeologie geen belemmeringen. Conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag. De meldingsplicht omtrent archeologische toevalsvondsten wordt als voorwaarde opgenomen in de omgevingsvergunning.

35

5.6 Waterparagraaf Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen. Een robuust ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.

Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. Naast het beschermen van de waterstaatswerken is de Keur ook bedoeld voor het instandhouden van de waterstaatswerken. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en Bwaterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een Bwatergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd.

Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Watergangen In de directe omgeving van het plangebied zijn een aantal watergangen gelegen. Ten noorden van het plangebied is de A-watergang 205561, gelegen. Ten zuiden van het plangebied zijn een tweetal Bwatergangen gelegen (024037 & 111496). Verder zijn in de omgeving van het plangebied vijf Cwatergangen gelegen (075652, 075653, 075686, 077183 & 077184). De geplande werkzaamheden vallen buiten de beschermingzones van de A- en B-watergangen. Er worden geen wijzigingen gedaan aan de watergangen. Het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland is niet noodzakelijk.

36

A-watergang: 205561

C-watergang: 077184

B-watergang: 024037

C-watergang: 075652 C-watergang: 077183

C-watergang: 075686

C-watergang: 075653 B-watergang: 111496

Afbeelding 13: Uitsnede Legger Wateren

Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (Dossiercode 20181016-19004). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in deze paragraaf uitgewerkt. Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied TLW053. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -0,9 m NAP en een winterpeil van -1,0 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Een bouwpeil van 1,3 meter is wenselijk vanuit het oogpunt van klimaatbestendig bouwen. Vanuit het oogpunt van klimaatbestendig bouwen wordt geadviseerd de aanleg van terreinverharding zoveel mogelijk te beperken en waar mogelijk gebruik te maken van halfverharding zodat regenwater in de bodem kan infiltreren.

Plangebied

Afbeelding 14: Uitsnede peilgebieden Tielerwaard

37

Waterberging en compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m 3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1500 m2. Voor het plan is een verhardingsbalans opgesteld (zie tabel 3).

Tabel 3: Verhardingsbalans Bestaande situatie Woning Spijkse Kweldijk 66 Voormalige agrarische bebouwing Terreinverharding Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Woning Spijkse Kweldijk 66 Nieuwe dijkwoning Nieuw woongebouw Bijgebouwen bij woningen Toegangsweg Overige erfverharding rondom woningen Totaal nieuwe situatie Verschil

Oppervlakte (m2) 90 m2 1.401 m2 3.500 m2 4.991 m2

90 m2 120 m2 220 m2 500 m2 750 m2 450 m2 2.130 m2 2.861 m2 afname

Het plan resulteert in een afname aan verharding, waardoor watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk zijn.

38

Primaire waterkering Het plangebied is gelegen in de kern- en beschermingszone van een primaire waterkering. De primaire waterkering en de zogeheten beschermingszones aan weerzijden van de kade zijn door de verordening de Keur beschermd. In principe geldt dat er geen bebouwing op de waterkering aanwezig mag zijn. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. Binnen de beschermingszone van de primaire waterkering geldt een bouwprincipe van ‘ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering.

Afbeelding 15: Uitsnede Legger Waterkeringen

Ter bescherming van de primaire waterkering en de ruimtereservering voor de toekomstige dijkverbetering heeft het Waterschap Rivierenland een profiel van vrije ruimte (Pvvr) vastgesteld. Bebouwing mag uitsluitend worden gerealiseerd boven dit Pvvr (heipalen uitgezonderd). Hiermee wordt instabiliteit van de waterkering voorkomen en kunnen toekomstige dijkversterkingen mogelijk worden gemaakt. De nieuwe dijkwoning wordt gerealiseerd boven het Pvvr. Dit wordt nader uitgewerkt in het kader van de watervergunningsaanvraag. Bij de vergunningsaanvraag wordt middels een doorsnedetekening aangegeven hoe de dijkwoning zich verhoudt tot het Pvvr en de beschermings- en kernzone van de waterkering. Ter bescherming van de waterkering is de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ overgenomen in het bestemmingsplan.

39

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • • • • • •

Het gebruiken van het hemelwater; Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Rondom het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om hemelwater naar af te voeren. Vuil water zal worden afgevoerd via het bestaande gescheiden rioleringsstelsel van de gemeente West-Betuwe. De nieuwe woningen worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Het rioolstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente West-Betuwe. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland de wegbeheerder, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. Het perceel Spijkse Kweldijk 66 te Spijk heeft in de huidige situatie een in- en uitrit op de Spijkse Kweldijk. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Deze in- en uitrit zal in de nieuwe situatie ook worden gebruikt door de bewoners van het woongebouw. Voor de dijkwoning aan de Zuiderlingedijk wordt een nieuwe in- en uitrit gerealiseerd op de Zuiderlingedijk. Hiervoor dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. In het kader van de watervergunning dient de in-/uitrit van de dijkwoning op de tekeningen te worden ingetekend. Dit geldt zowel voor de situatietekening(en) als voor de dwarsprofiel(en) van de dijkwoning waarbij ook het leggerprofiel van de naastgelegen primaire waterkering is ingetekend met onderscheid van de oude en nieuwe situatie.

Natuur Het plangebied ligt (deels) in een gebied met specifieke natuurdoelen. Als algemeen criterium geldt in deze gebieden het stand-stillbeginsel. Dit beginsel houdt in dat ontwikkelingen niet mogen leiden tot achteruitgang van de huidige situatie, tenzij de negatieve effecten (op bijvoorbeeld ecologie of waterkwantiteit) volledig worden gecompenseerd. Het plan is kleinschalig van aard en heeft geen negatieve effecten voor flora en fauna en beschermde natuurgebieden tot gevolg (zie hoofdstuk 5.7) Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor de realisatie van de dijkwoning, inclusief ontsluiting, dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.

40

5.7 Flora en fauna Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Gelders Natuurnetwerk (GNN) De provincie Gelderland heeft om haar biodiversiteit veilig te stellen het Gelders Natuurnetwerk (GNN) in haar beleid opgenomen. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Dit Gelders Natuurnetwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS en bevat tevens een zoekgebied van 7.300 ha voor de te realiseren 5.300 ha nieuwe natuur. Onderzoek 5.7.1 Soortenbescherming Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologisch onderzoek uitgevoerd.

De resultaten uit dit onderzoek luiden: ‘In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. Het plangebied is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. Tijdens de uitvoering dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen (tijdens schemerperiode) en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit).’ Te treffen maatregelen: • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.

• Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De werkzaamheden dienen uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden of een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden teneinde verstoring van vleermuizen in de directe omgeving te voorkomen. Hieronder kan onder andere worden verstaan: beperkte hoogte van lichtmasten, verlichting naar beneden richten en convergeren, toepassen van UV-vrije verlichting, gebruik van sterk bundellicht vermijden et cetera. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

41

5.7.2 Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of Natuurnetwerk Nederland (Gelders Natuurnetwerk). Op een afstand van circa 10 meter is het Natura2000-gebied Lingegebied & DiefdijkZuid en het Natuur- netwerk Nederland (Gelders Natuurnetwerk) gelegen. In het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt. Voor de externe effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Gelders Netwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

Afbeelding 16: Ontwikkelingsgebied t.o.v. Natura2000-gebieden

Afbeelding 17: Ontwikkelingsgebied t.o.v. Gelders Natuurnetwerk

42

5.7.3 Stikstofdepositieonderzoek Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. In dit stikstofdepositieonderzoek is de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000gebieden, voor het plan aan de Spijkse Kweldijk 66 te Spijk, berekend. Uit de berekening blijkt dat er een rekenresultaat van maximaal 0,03 en 0,01 mol/ha/j, voor respectievelijk de aanleg- en gebruiksfase ter hoogte van Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’. Vervolgens is het verschil tussen de referentiesituatie en de beoogde situatie (aanlegfase en gebruiksfase) berekend. De verschilberekeningen laten geen verschillen zien boven de 0,00 mol/ha/j. Voor alle gebieden is de uitkomst 0,00 mol/ha/j of lager. Er zijn dan ook geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden te verwachten vanwege stikstofdepositie als gevolg van het planeffect. Conclusie Het plan ondervindt, mits de in het ecologisch rapport gestelde maatregelen worden getroffen, wat betreft ecologie geen belemmeringen.

43

5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 4: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 μg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 μg/m

Vanaf 11 juni 2011

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m3 25 μg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2019) het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 18,3 μg NO2/m3 • Een fijnstofconcentratie van 18,2 μg PM10/m3 • Een fijnstofconcentratie van 11,4 μg PM2,5/m3 Voor het plangebied kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM) en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard.

Hiermee valt het plan in het Besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.

44

5.9 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Stationaire risicobronnen Binnen de beoogde bestemming “Wonen” passen geen risicovolle activiteiten, zoals Bevi-activiteiten. De vestiging van een Bevi-inrichting binnen het plangebied is daarmee uitgesloten. Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen.

Plangebied

Afbeelding 18: Uitsnede regionale signaleringskaart

45

Vervoer gevaarlijke stoffen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid wel relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroute, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones). Conform artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: • De bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute(s), en; • De zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de Veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. De ODR zal het plan voorleggen aan de Veiligheidsregio. In een separaat advies zal de gemeente hierover worden geïnformeerd.

Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 24 april 2019 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatie- openingen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen.

Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid. Buisleidingen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geenverantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen. Conclusie Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er in het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.

46

5.10 Technische infrastructuur (kabels en leidingen) Beleidskader Planologische relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekeningen te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Binnen de grenzen van het plangebied of in de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er is een gemeentelijk rioolstelsel aanwezig. Daarnaast zijn in of nabij het plangebied de gebruikelijke kabels en leidingen van de nutsbedrijven, zoals KPN, elektriciteit, gas etc. aanwezig. De uitvoering van het plan levert om die reden geen bijzondere aandachtspunten op ten gevolge van aanwezige kabels en leidingen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

47

6 Juridische planopzet 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Spijk, Spijkse Kweldijk 66’ bestaat uit drie delen, de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplanen bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Spijk, Spijkse Kweldijk 66’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Spijk, Spijkse Kweldijk 66’ is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Reparatieplan Bestemmingsplan Buitengebied 2014’, het bestemmingsplan ‘Buitengebied Parapluplan Nieuwe Hollandse Waterlinie’ en Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

6.3 Bestemmingen Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden Het oostelijk deel van het plangebied behoudt de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ (zonder bouwvlak). Wonen - 1 Ter plaatse van de bestaande woning en nieuwe dijkwoning (incl. bijbehorend erf) wordt de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ gewijzigd naar ‘Wonen – 1’. Wonen - 2 Ter plaatse van het woongebouw (incl. bijbehorend erf) wordt de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ gewijzigd naar ‘Wonen – 2’. In de regels van het bestemmingsplan is vastgelegd dat de inhoud van het woongebouw maximaal 1320 m3 (1.200 m3 + de standaard 10%regeling) mag bedragen. Waarde – Nieuwe Hollandse Waterlinie De dubbelbestemming ‘Waarde – Nieuwe Hollandse Waterlinie’ is mede bestemd voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van het erfgoed van uitzonderlijke universele waarde van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Waarde – Archeologische verwachting 1, 3 en Archeologische waardevolle gebieden 1 De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1, 3 en Archeologische waardevolle gebieden 1’ zijn mede bestemd voor de bescherming van (te verwachten) archeologische waarden.

Waterstaat – Waterkering Voor het onderhoud en instandhouding van de waterkering en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering wordt de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ toegevoegd.

6.4 Aanduidingen • •

Bouwvlak; Gebiedsaanduiding ‘overige zone – verdichtingsvelden’;

48

7 Economische uitvoerbaarheid 7.1 Exploitatie Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is er een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

8.1 Vooroverleg ex. art. 3.1.1 Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het wettelijke vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerp-bestemmingsplan opgestuurd naar de overlegpartners. Het waterschap Rivierenland heeft gereageerd op het bestemmingsplan. Het waterschap Rivierenland heeft een aantal opmerkingen gemaakt op de toelichting van het bestemmingsplan en enkele aandachtspunten meegegeven vanuit de doelstelling voor klimaat adaptief bouwen. De opmerkingen en aandachtspunten zijn verwerkt in hoofdstuk 5.6 ‘Waterparagraaf’. De opmerkingen en aandachtspunten hebben niet geleid tot aanpassingen van de regels en verbeelding van het bestemmingsplan. De provincie Gelderland heeft aangegeven dat het provinciaal belang (in dit geval de `Nieuwe Hollandse Waterlinie') goed is meegewogen in het plan en derhalve akkoord te zijn met het plan.

8.2 Inspraak Het college van de gemeente West-Betuwe hebben op 21 april 2021 bekend gemaakt (Staatscourant 2021, 20076) dat het voorontwerp-bestemmingsplan ‘Spijk, Spijkse Kweldijk 66’ (imro-codering: NL.IMRO.1960.BpSpkSpkweldk66-VO01) vanaf 22 april 2021 voor zes weken ter inzage heeft gelegen, t/m 2 juni 2021. Er zijn géén inspraakreacties ingediend.

8.3 Zienswijzen Het ontwerp-bestemmingsplan en de bijbehorende stukken worden gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid word gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Desgevraagd zal ook een mondelinge zienswijze gegeven kunnen worden.

49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/335/documents/8243