CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2021-090 Bijlage 5_rapportage_deel1-2-3.pdf

Gemeenteraad 28 september 2021, gemeente West BetuweBij agendapunt: 16: Vaststellen beleidsnota erfgoedbeleid West Betuwe32.942 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

3.4 Vroege Middeleeuwen (450-1050) 3.4.1

Volksverhuizingstijd en Merovingische tijd (450 – 725 na Chr.)

Met het uiteenvallen van het Romeinse rijk aan het begin van de 5e eeuw begon de uittocht van Germaanse stammen. De Franken die zich in de periode hiervoor in het riviergebied hadden gevestigd trokken naar het zuiden. Daar verenigde de Saliër Clovis, afkomstig u it Doornik in het huidige België, de Franken en veroverde uiteindelijk Gallië. Hoewel het rivierengebied buiten het directe Frankische of Merovingische machtsbereik zal hebben gelegen, hadden zij waarschijnlijk wel invloed via allianties. Toen de Merovingen gedurende de 6e eeuw in een interne machtsstrijd waren verwikkeld namen Friese edelen bezit van het rivierengebied. Pas rond 695 heroverden de Franken onder leiding van Pepijn II het gebied, waarbij gelijktijdig werd gepoogd de Friezen te bekeren. Na de dood van Pepijn in 714 poogden de Friezen nog eenmaal het rivierengebied te heroveren, maar werden in 718 verslagen door Karel Martel. 104 De bevolkingsdichtheid was in de Merovingische tijd drastisch teruggelopen. Woonplaatsen uit deze periode zijn tot nu toe aangetroffen bij Ophemert en Waardenburg. 105 Ook zijn vondsten bekend uit Tuil. 106 Nederzettingen uit de Merovingische tijd treffen we vooral op enige afstand van de rivier aan . De dorpen waarvan de ouderdom teruggaat op deze periode hadden vaak een radiale vorm en worden esdorpen met ronde hoofdvorm genoemd.

107 In het onderzoeksgebied liggen hiervan geen voorbeelden. 108 Op basis van oppervlaktevondsten wordt aangenomen dat de Merovingische bewoning westelijk van het huidige Ophemert heeft gelegen, op de plek van het historische perceel Schuddegaffel en het erf Veelust. 109 Palynologisch onderzoek in een restgeul bij Est heeft juist aangetoond dat de bewoning daar al in de 6e eeuw weer is gaan toenemen. 110

103

Henderikx 1987; ARCHIS, 2016; Van Bavel 1999: 56 Van der Tuuk 2016 105 ARCHIS, 2016 106 Van Bavel 1999: 55 107 Den Uyl 1958 108 Van Bavel 1999: 56 109 Verhelst 2002 110 Van Bavel 1999: 55 104

RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021

[81]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

3.4.2

Karolingische en Ottoonse tijd (725 – 1050 na Chr.)

In de Karolingische tijd verplaatsten deze nederzettingen zich naar de plaats van de huidige dorpen . Mogelijk heeft de vestiging van de Karolingische heerschappij in de 8e eeuw hier mee te maken. In deze periode veranderde er veel op het gebied van staatsinrichting , landbouw en bezit. Het klassieke domaniale hofstelsel speelde in de Tielerwaard ogenschijnlijk een beperkte rol. Er lagen vooral verspreide hoeven, zoals van de abdij Prüm. 111 Het hofstelsel hield in dat een domein werd georganiseerd vanuit een centrale hof (curtis). Hier omheen lagen doorgaans boerderijen van horige boeren, die een deel van hun opbrengst afstonden aan de domeinheer. Zo’n hof lag wel in Varik, van het St. Adelbertkapittel in Aken. Na de 13e eeuw nam de invloed van het kapittel snel af. 112 Iets substantiëler waren de bezittingen van de Utrechtse kerk. Zij gaf in 850 enkel bezittingen in onder meer Heesselt en Ophemert aan Balderik. Van later datum zijn de kerkelijke dotatie s aan haar kapittels, zoals te Ophemert aan de Paulusabdij, te Heesselt en Varik aan het kapittel van Sint -Marie, etc. Uiteindelijk was daar in de 14e eeuw niet veel meer van over. 113 De dorpen met Karolingische oorsprong hebben vaak een langgerekte vorm, be grensd door twee parallelle wegen: een voor- en achterweg, Dit type wordt een esdorp met gestrekte hoofdvorm genoemd (figuur 44).

114 Deze gestrekte vorm werd waarschijnlijk mede bepaald door de langgerekte stroomruggen met regelmatig reliëf waar deze nederzettingen op ontstonden. 115 Haaks op de richting van de stroomgordel werd een verkaveling opge zet, waardoor de afstand naar het bouw- en weideland voor elke boerderij gelijk was. Esdorpen met gestrekte hoofdvorm die haaks op de rivier liggen in plaats evenwijdig eraan, zijn deels door de steeds breder wordende Waal verzwolgen. Voorbeelden van gestrekte esdorpen zijn Est, Tuil, Neerijnen, Opijnen, Varik, Waardenburg, Heesselt, Ophemert 116 en wellicht ook Haaften. Een deel van Tuil is nog in de 19e eeuw opgegeven en buitengedijkt. Merk op dat er westelijk van Haaften en wellicht dus Tuil dus geen gestr ekte esdorpen aanwijsbaar zijn.

111

Van Bavel 1999: 157 Van Bavel 1999: 158 113 Van Bavel 1999: 159 114 Den Uyl 1958 115 Harten 1986 116 Van Bavel 1999: 56 112

RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021

[82]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

Figuur 43. Graf S14 uit het Karolingische rijengrafveld dat in 2017 in Waardenburg werd aangetroffen . De lichamen waren allemaal met het hoofd naar het westen begraven (foto: RAAP).

De laaggelegen gebieden binnen de overgangszone tussen kom en oeverwal waren in gebruik als gemeenschappelijk hooi- en weidegronden. De meest laaggelegen delen werden vóór de bedijking gebruikt voor waterberging. Dorpspolders zoals Ophemert die op een bred e oeverwal lagen strekten zich daarom ver uit naar het westen. Kenmerkend hiervoor is de perceelsnaam 'den Schaer', gelegen in het westelijke blok 'Westerbroeck'. Dit zou een onverkaveld gemeenschappelijk grasland kunnen zijn, waarvan de geërfden in de meent een aandeel of schaar hadden. Archeologische vondsten uit de Karolingische -Ottoonse tijd (ca. 750-1050) beperken zich vrijwel uitsluitend tot de gestrekte esdorpen. Het gaat om fragmenten van Mayen -bolpotten, Badorfer waar en reliëfbandamforen, zgn. Huneschanskeramiek, Duisburger waar, kogelpotten met schelpgruismagering

RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021

[83]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

en ronde schijffibulae met een maltezerkruis-motief. Opvallend is verder een karolingisch, christelijk grafveld zonder bijgiften in Waardenburg waarvan de bijbehorende nederzetting (nog ) niet bekend is. 117 De plaatsnamen Ophemert, Tuil en Haaften moeten van vóór de 7e eeuw dateren en zijn dus in ieder geval vroegmiddeleeuws. 118

Figuur 44. De gestrekte vorm van Waardenburg met voor - en achterstraat was in 1832 nog goed herkenbaar, en wordt nu doorsneden door de A2 en de spoorlijn.

3.5 Late Middeleeuwen (1050-1500) 3.5.1

Algemeen

Rond het jaar 1000 nam het bevolkingsaantal in Noordwest -Europa in een zeer hoog tempo toe. 119 Door de toename van de bevolking steeg de vraag naar landbouwgrond, wat weer de vraag naar arbeidskrachten versterkte. Bestaande nederzettingen groeiden, grote stukken woest land werden ontgonnen en nieuwe gebieden raakten bewoond. Om het land te ontginnen, moesten sloten en watergangen worden gegraven. In eerste instantie kon men deze nog op de natuurlijke afwateringssystemen aantakken. Door onder andere maaivelddaling, klimaatverandering en het steeds verder afnemende natuurlijke afwateringssysteem moest men nieuwe oplossingen vinden om droge voeten te houden. Het uitvoeren van de grootschalige ontginningen en de waterstaatkundige problemen die de bevolking tegenkwam, noopten hen tot nieuwe organisatiestructuren. De dorpspolders met hun weteringen en kaden die hierbij werden gevormd, zijn land schappelijk de meest herkenbare eenheden die met deze organisatie samenhingen. In het onderstaande wordt ingegaan op de ontginningen, het landgebruik en de waterstaatkundige ingrepen die hierbij kwamen kijken.

117

Hesseling 2019 Van Bavel 1999: 56 119 Van Bavel 2010: 35, 36 118

RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021

[84]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

3.5.2

Landbouw op de oeverwallen

Aanvankelijk werden alleen de hoge oeverwallen, stroomruggen en hogere delen van kronkelwaarden gebruikt voor akkerbouw. Op de oeverwallen en stroomruggen werd een strookvormige verkaveling haaks op de hoogtelijnen aangelegd, waardoor een goede afwatering tot stand kwam en iedere eigenaar een hoog en laag deel bezat. De gronden binnen de kronkelwaarden kenden een onregelmatig reliëf en een wisselende bodemkwaliteit. Om de verschillen in bodemkwaliteit gelijk te verdelen, werden ze waarschijnlijk in blokken ontgonnen, waarbin nen de ontginner enkele stroken kreeg. Ook landbouwtechnieken (en dan met name de wijze van ploegen) hadden invloed op de perceelsvorm. Om het draaien van de ploeg te vergemakkelijken, zouden percelen in S -vorm zijn aangelegd. Deze akkercomplexen worden kromakkers genoemd. Deze kromakkers kwamen tot het midden van de 20e eeuw vooral in het gebied tussen Opijnen en Heesselt voor. Bij de ruilverkaveling van de Tielerwaard in de jaren '60 van de vorige eeuw zijn ze deels verdwenen. Direct ten noorden van de Heesseltse Uiterwaarden komen nog zeer gave en fraaie exemplaren voor. Door de verdergaande ontginningen ontstonden op den duur grotere akkercomplexen die vaak ‘eng’ of ‘akker’ werden genoemd. De onontgonnen komgebieden stonden door het ontbreken van dijken en kades een groot deel van het jaar onder water.

In de volle middeleeuwen werd vermoedelijk het cultuurlandareaal in westelijke richting uitgebreid, westelijk van Haaften. Dat gebied was in de vroege middeleeuwen schaars bewoond. 120

3.5.3

Ontginning van de komgronden

Aan het begin van de late middeleeuwen waren de gebieden dicht bij de nederzettingen en de lagere delen van de oeverwallen ontgonnen. De komgebieden waren echter nog grote moerassige laagten. De ontginning en verkaveling daarvan zou plaatsvinden vana f de 10e eeuw tot in de 13e eeuw, vooral om in de behoefte aan cultuurland door de sterk groeiende bevolking te voorzien . De precieze ouderdom van de ontginningen in de streek valt slechts voor bepaalde delen of op indirecte wijze te achterhalen. Het algemene beeld is dat de eerste kades en sluisjes al in de 10e eeuw werden aangelegd. 121 De grootschalige ontginningen vonden plaats in de 11e en 12e eeuw. Naarmate de afwatering in de eeuwen daarna verbeterde, werden de gronden ook beter bruikbaar. De inrichting ervan is in hoge mate planmatig. 122 Rond 1300 was daardoor vrijwel alle grond in de Tielerwaard al in cultuur gebracht , de grote komgebieden westelijk van Waardenburg het laatst.

120

Van Bavel 1999: 61 Van Bavel 1999: 64 122 Van Bavel 1999: 67 121

RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021

[85]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

Figuur 45. De eindeloze komgronden ten noorden van Hellouw (foto: RAAP, 14 november 2019).

3.5.4

Nederzettingsontwikkeling

De gestrekte esdorpen die in de Karolingische tijd waren ontstaan dicht bij de rivier consolideerde n zich in de Late Middeleeuwen. De bevolkingsgroei in de 11e en 12e eeuw moet er voor hebben gezorgd dat de dorpen geleidelijk werden uitgebreid. In Ophemert vond deze uitbreiding plaats op de oeverwallen dicht langs de Waal, zowel naar het noorden als het zuiden, waarschijnlijk samenhangend met bestaande uitvalswegen. Gezien de opbouw van de dorpen in het onderzoeksgebied is het aannemelijk dat ook de andere dorpen zich op de oeverwallen, langs de Waal uitbreidden. In de 14e en 15e eeuw trad een belangrijk verandering in het bewoningspatroon op. Terwijl de dorpskern bewoond bleef, verschenen er nu ook verspreid liggende boerderijen in de gehele dorpspolder. 123 Gaandeweg zal ook de bewoning langs de dijken zijn toegenomen.

3.5.5

Grootgrondbezit en elite

Instellingen We zagen hiervoor al dat de oude kloosters maar weinig bezittingen konden vasthouden. Nieuwe spelers waren de Duitse Orde in Ophemert, die in 1328 bezittingen van het kapittel van Tiel overnam, en de abdij Mariënweerd, gesticht in 1129, inclusief zijn latere afsplitsing Zennewijnen. Het

123

Verhelst 2002

RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021

[86]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

Norbertinessenklooster in Bedburg bij Kleve had vrij omvangrijke bezittingen in Est liggen. Een late speler was het Dominicanessenklooster Westeroyen bij Tiel, met bezit in Varik. Binnen het onderzoeksgebied zelf moet het kapittel te Haaften ook bezittingen hebben gehad. De instellingen in zijn algemeen wisten hun bezittingen vanaf de 14e eeuw nog uit te breiden, tot in totaal 8% van het oppervlak. Daaronder vallen ook de vele jonge kloosters die vanaf de 15e eeuw gesticht werden. 124 Voorname families Een belangrijke familie in de regio was in de vroege 12e eeu w zonder twijfel de familie Van Cuijk. Hun eigen bezittingen lagen vooral geconcentreerd langs de Linge. Deels werden hun goederen na het breken van hun macht in 1133 door verwante families overgenomen, en die vinden we onder meer in Est. De heerlijkheid Meteren en Est was zo’n beetje het laatste steunpunt van de Van Cuijks in de regio. Andere grond ging over naar de jonge kloosters Mariënweerd en Zennewijnen. 125 Ook naar de familie Van Arkel lijkt Cuijks bezit te zijn gegaan, onder meer in Est en Ophemert. 126 In het midden van de 11e eeuw nam de macht van de stamvader van de latere hertogen van Gelre in dit gebied snel toe. Gerard Flamens werd toen door de bisschop van Utrecht met een graafschap in de gouw Teisterbant beleend, iets wat we vooral moeten zien als een pakket aan rechten in dit gebied.

Daarnaast bezat de graaf al enkele hoven in de Tielerwaard, namelijk die te Hier n, Neerijnen en Opijnen, die hij wellicht ook de bisschop had verkregen, die ze op zijn beurt in 996 van een zekere Frethebold had verworven. Het ging vermoedelijk om ongeveer 450 morgen aan land; de graaf deed het midden van de 13e eeuw van de hand. Nadien nam de basis van de graaf van Gelre in de Tielerwaard snel af. 127 Kastelen In de loop van de volle middeleeuwen ontstond een regionale bovenklasse van lage adel en daarnaast de ministerialiteit, de dienstmannen van de landsheren. Deze manifesteerde zich door het bouwen van kastelen, huizen of torens met in de eerste plaats een militaire defensieve functie. Het verdedigbare karakter, dat zichtbaar wordt in dikke muren, uitkijktorens, kantelen, schietgaten en grachten stond voorop. Met name leden van de familie (De) Cock hebben een grote rol gespeeld bij de oprichting van de adellijke woonhuizen in het oostelijk deel van het onderzoeksgebied: zo richtte ridder Rudolf Cock in 1265 een houten versterking, super montem de Hyere: op de berg van Hiern. 128 Dit is het eerste begin van het latere kasteel Waardenburg, waarnaar het huidige dorp uiteindelijk is genoemd. In het oostelijk deel van het onderzoeksgebied kennen we zes kasteellocaties, waarvan er nog drie bestaande bebouwing kennen: Waardenburg, Neerijnen (Klingelenburg) en Ophemert.

Van de andere drie zijn er twee aan de hand van de gracht nog herkenbaar in het terrein: Huis Opijnen en het eigenlijke Huis Neerijnen. De resten van het 13e-eeuwse Huis Varik zijn niet meer zichtbaar, maar zijn in 2006 terug gevonden en gedeeltelijk onderzocht. 129 Daar stond in ieder geval in de vroege 15e eeuw ook al het Huis Weijenrade, net als Huis Varik in handen van leden van het geslacht Van Varick. 130

124

Van Bavel 1999, 159-165 Van Bavel 1999: 144-145 126 Van Bavel 1999: 148 127 Van Bavel 1999: 152-153 128 Vermeulen 1946, 460 129 Verhelst & Tops 2006; Tops & Verhelst 2007; Jas e.a. 2013 130 Jas e.a. 2013, 367 125

RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021

[87]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

Figuur 46. Het indrukwekkende kasteel Waardenburg binnen zijn oude grachten (foto: RAAP, 14 november 2019).

Het dorp Heesselt was in de 13e eeuw in het bezit van de familie van Rossem, en in de 14e eeuw behoorde het aan het geslacht De Cock van Opijnen. 131 Of deze families in Heesselt een kasteel hebben gehad, is niet bekend. Op het laat 13e- of vroeg-14e-eeuwse Huis Est woonde de familie Van Est, wiens bezittingen in 1400 door een huwelijk in hertogelijk bezit overgingen. 132 In het westelijk deel van het onderzoeksgebied, met veel smallere oeverwallen en grotere komgebieden, was de middeleeuwse bewoning beperkter. Belangrijke kastelen waren het Huis te Haaften van achtereenvolgens de geslachten Van Beest en Van Haeften, het Huis Hellouw van de families Van Hellu en Van Haeften, alsmede Klingelenberg in Tuil van het geslacht Van Tuyl. 133 Naast deze kastelen lag er binnen het plangebied een aantal kleinere omgrachte huisplaatsen. 134 In Waardenburg lag de het huis Schuilkerk (18e eeuw). In Varik lagen Huis Hondswinkel en Boschstein (17e eeuw of ouder). In Ophemert lag het huis Waalzicht (18e eeuw, in 1888 gesloopt), Kapelhof (19e eeuw) en de Beukenhof(19e eeuw).

131

Vermeulen 1946, 447 Jas e.a. 2013 133 Jas e.a. 2013 134 Smit 2010 132

RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021

[88]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

Figuur 47. Detail van een tiendkaart van het Utrechtse kapittel van Sint -Marie te Utrecht, met bovenaan het kasteel van Varik met de windmolen, en zuidelijk daarvan een deel van het dorp met de kerk (bron: Het Utrechts Archief).

Kerken Veel middeleeuwse dorpen in het onderzoeksgebied hadden al vroeg een kerk. Enkele hiervan zijn in eerste instantie gesticht als kapel. Zo waren de gebedshuizen van Neerijnen en Opijnen in 1287 een kapel van de kerk te Hiern (Waardenburg). Van een kerk in Heesselt was in 1250 sprake, toen deze in het bezit is van het kapittel van St. Marie te Utrecht. De kerk van Varik was in deze tijd een kapel van Heesselt. 135 In Ophemert bestonden sinds het einde van de Vroege Middeleeuwen twee kerken. De St. Maartenskerk wordt genoemd in het jaar 1006 en de St. Lambertuskerk in 1007. De St. Maartenskerk werd door de Utrechtse bisschop Ansfried geschonken aan het door hem gestichte klooster De Hohorst

135

Vermeulen 1946

RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021

[89]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

bij Amersfoort. De St. Lambertuskerk werd door bisschop Notger van Luik geschonken aan het klooster van Thorn. 136 De St. Maartenskerk, waarvan de oudste bestaande delen uit de 14e eeuw stammen, is de huidige N.H. parochiekerk aan de Molenstraat. De St. Lambertuskerk is afgebroken in of kort na 1682.

Figuur 48. De kerk van Tuil, 1984 (foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

Funderingen en skeletten die zijn blootgelegd bij de zogenaamde St. Lambertusstoep (kruising Waalbandijk en Goossen Jansensstraat) zijn de archeologische overblijfselen van dit oude godshuis. De bestaande Waalbandijk loopt over de middeleeuwse kerkresten, hetgeen een gevolg moet zijn van het opgeven van een deel van de nederzetting na een dijkdoorbraak in de 13e eeuw. Van een derde gebedshuis in Ophemert, de St. Nicolaaskapel, wordt gewag gemaakt in 1406 en 15 38. Deze hoorde

136

Maris 1971

RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021

[90]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

zeer waarschijnlijk bij de commanderij van de Duitse Orde, 137 die van voor 1260 tot 1328 in Ophemert gevestigd was, en zich bevond bij de kruising van de Kapelstraat en de Waalbandijk. 138 De kerk in Est is van alle dorpskerken qua oorsprong de jongste, deze werd pas gebouwd na de afsplitsing van Meteren, in 1744. 139

Figuur 49. Zicht op de Sint-Maartenskerk van Ophemert vanaf de Waalbandijk (foto: RAAP, 14 november 2019).

De vroegste vermelding van de kerk of capella van Haaften dateert uit 1031, toen deze samen met die van Tuil voorkwam in een schenkingsoorkonde van bisschop Meinwerk aan het klooster Abdinghof. Deze en die van Hellouw werden in een bevestiging van de bezittingen in 1183 nogmaals genoemd als onderhorige kapellen van de moederkerk Tuil. 140 Van de kerk in Tuil staat nu nog de 14e-eeuwse toren. In 1810 werd de huidige zaalkerk ter vervanging van een oudere kerk gebouwd en de toren verhoogd. 141 De kerk van Haaften werd vóór 1399 toch parochiekerk en zelfs een collegiale kerk met kapittel van acht kanunniken verheven. De kerken van Haaften en Hellouw werden in de 19e eeuw door nieuwe gebouwen vervangen.

137

Verhelst 2002 Maris 1971 139 Vermeulen 1974-1975 140 Vermeulen 1974-1975 141 Stenvert e.a. 2000 138

RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021

[91]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

3.5.6

Waterstaat

Zijkaden, achterkaden en de eerste rivierdijken Nadat in een eerdere periode de meeste hoge oeverwallen ontgonnen waren en geschikt waren gemaakt voor de landbouw, volgden vanaf de 10e eeuw de lagere delen van de oeverwallen en de komgronden. De komgronden werden ontgonnen en ontwaterd door evenwijdig aan elkaar sloten te graven. Om te voorkomen dat het land weer onder liep door de toevoer van water uit stroomopwaarts gelegen komgebieden, werden zijkades of zijdwendes aangelegd aan de oostzijde van de dorpspolder (vaak aangeduid als Zeedijk in de betekenis van zijdijk). 142 Ook werden laagten in de oeverwallen afgesloten door middel van dijken of kades. De volgende stap was de aanleg van achterkaden, die voorkwam dat water uit de kom de polder in stroomde. De hooi - en weilanden die op de overgang van oeverwal naar komgebied lagen waren nu vrij van overstromi ngsgevaar en konden worden omgezet in akkerland. 143 Deze ontwikkeling voltrok zich waarschijnlijk in de loop van de 11e en 12e eeuw. De 11e en 12e eeuw was ook de periode waarin ook de eerste rivierdijken werden aangelegd. 144 De noodzaak tot bedijking hing samen met de ontginningen van grote stukken veengebieden in W estNederland in deze periode (buiten het plangebied). Door inklinking van het veen werd hier bedijking noodzakelijk.

Samen met de geleidelijke inpoldering van de komgebieden en de toegenomen stroomsnelheid van de Waal als gevolg van klimaatverandering zorgde dit er voor dat ook in de Tielerwaard rivierdijken moesten worden opgeworpen, al zijn de schriftelijke bewijzen daarvoor beperkt. 145 Hoe oud de meeste stukken van de Waaldijk zijn is tot op heden onduidelijk. Wel is bekend dat er al in 1258 sprake is van een 'Uterdich' bij Ophemert. 146 Moorman van Kappen e.a. gaan op basis van een groot aantal indirecte bewijzen er vanuit, dat er in de t weede helft van de 13e eeuw al sprake van een bedijking van de Tielerwaard geweest lijkt te zijn. In die tijd was weliswaar een goede wering van het rivierwater mogelijk, maar een efficiënte lozing van een teveel aan water was veel complexer. Zijkaden voorkwamen een goede afwateringsmogelijkheid naar lager gelegen dorpspolders. 147 Tot in de 14e eeuw was een gebrek aan een eenduidig landsheerlijk gezag een sta -in-de-weg voor het behartigen van overkoepelende belangen. In de eerste decennia van die eeuw kreeg d e graaf van Gelre steeds meer voet aan de grond om landsheerlijk, en niet alleen grondheerlijk, de zaken naar zijn hand te zetten. In 1327 werd het dijkrecht van de Tielerwaard door graaf Reinoud II uitgevaardigd, vermoedelijk na voorafgaand overleg met de inwoners.

148 Feitelijk betekende dit, dat de van onderaf gegroeide dijkstoelen werden omgezet in de landsheerlijke bestuursstructuur. Daarmee was dit het bovenste van nu drie niveaus geworden: de lokale waterstaatszorg, de interlokale en dus de regionale. Er kan worden aangenomen dat toen de dijkring rondom de Tielerwaard toen reeds was gesloten. Het dijkrecht werd in 1399 vernieuwd en in 1409 aangevuld. Bestuurlijk werden er enkele wijzigingen doorgevoerd. Tevens werden er nieuwe afspraken over het dijkonde rhoud gemaakt, naar aanleiding van de overstromingen van februari 1409. 149

142

Verhelst 2002 Harten 1997: 14 144 Rondags 2019 145 Moorman van Kappen e.a. 1977: 11 146 Van der Velden e.a. 1991: 63 147 Moorman van Kappen e.a. 1977: 15 148 Kuys 1987: 123-129; Moorman van Kappen e.a. 1977: 44 149 Moorman van Kappen e.a. 1977: 53-57 143

RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021

[92]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

Figuur 50. De oude Waalbandijk in Haaften, nu tweezijdig bebouwd (foto: RAAP, 14 november 2019).

Ontwateringszorg Tót de volledige omkading van de dorpspolders waterden grondeigenaren het water af op de kom of de rivier. Dit gebeurde via een stelsel van grote en kleinere weteringen. Het omkaden van de dorpspolders en de afdamming van de Linge bij Tiel tussen 1259 en 1304 brachten hier verandering in. Door dez e ingreep werd de waterstand in de toen al niet meer actieve Waaltak beter beheersbaar. 150 Door de volledige omkading van de dorpspolders kon het water niet meer op de kom worden afgevloeid en werd het noodzakelijk de afwatering collectief te gaan regelen. De samenwerking, die door een toenemend gezag van de graaf van Gelre mogelijk was geworden, leidde er toe dat de meeste dorpen één hoofdwetering kregen die naar een zo laag mogelijk punt in de dorpspolder liep waar deze via een sluis uitwaterde op de rivier. Een belangrijk deel van deze weteringen is tot op heden nog aanwezig in het landschap. Veel zijn echter in de loop der eeuwen verbreed, plaatselijk verlegd en/of samengevoegd. Met name in de tweede helft van de 20e eeuw is dit op grootschalige wijze gebe urd. Door geleidelijke stijging van de rivierstanden werd afwateren op de rivier onmogelijk. Dit leidde in de eerste decennia van de 14e eeuw tot een grootschalige reorganisatie van het afwateringssysteem. De graaf van Gelre vaardigde hiertoe in 1316, 1320 en 1321 zogenaamde waterleidingbrieven uit.

De eerste daarvan gaat over de Tielerwaard, de andere twee over de Bommelerwaard. 151 De afdamming

150 151

Verhoeven & Brinkkemper 2001 Moorman van Kappen e.a. 1977: 25

RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021

[93]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

van de Linge maakte deze rivier geschikt voor de afwatering van de naastgelegen dorpspolders. De bestaande weteringen van de verschillende dorpspolders werden aaneengeknoopt en via een nieuw gegraven weteringen op de Linge uitgewaterd. De meeste dorpen in het zuidoostelijk deel van de Tielerwaard werden aangesloten op de Boutensteinse Wetering die in 1316 werd gegraven. De dorpen Haaften, Tuil, Waardenburg, Neerijnen, Est, Opijnen en Heesselt die voorheen nog afwaterden op de Waal of de kom waterden nu af op de Linge. Voor de aanleg van de Boutensteinse Wetering werd in het oosten de Mark (identiek aan de Heesseltse Wetering en de Meterense en Estse watergang) gegraven, die tussen Enspijk en Rumpt naar het noorden afboog en via de nu nog bestaande Boutensteinse Sluis uitwaterde op de Linge. Hoe het dorp Ophemert zijn afwatering had geregeld is niet geheel duidelijk. Vermoedelijk had dit al voor de 14e eeuw zijn wetering aangesloten op de Linge. 152

Figuur 51. De lappendeken van dorpspolders in de oostelijke Tielerwaard (bron: Wieg van het Waterschap).

In 1474 kwamen verschillende dorpen overeen de Boutensteinse Wetering geschikt te maken voor de scheepvaart. Er moest een scheepvaartverbinding komen tussen Culemborg en Zaltbommel. Daartoe moest de Boutensteinse sluis in de Lingedijk worden aangepast. Tevens moest er een nieuwe wetering vanaf de Mark worden gegraven richting Waardenburg, de nye wetering, die vermoedelijk via de latere Meerwetering tot aan het dorp Hiern liep. 153 Daar werden de goederen op wagens geladen en naar de Waaldijk gebracht. De Nieuwe Vliet werd in 1598 doorgetrokken tot aan de dijk bij het Tuilse Wiel, en het stuk werd wel de Tuilse Vliet genoemd. 154 De totale vaarroute werd de Oude Kuilenburgse Vaart genoemd. Pas in 1558 besloot Culemborg het deel ten noorden van de Linge (de Bisschopsgraaf) geschikt te maken voor scheepvaartverkeer.

152

Harten 1997: 169 Moorman van Kappen e.a. 1977: 150-152 154 Moorman van Kappen e.a. 1977: 152 153

RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021

[94]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

Door de teruglegging van de Waaldijk in de 19e eeuw is de loskade aan het eind van het kanaal verdwenen. Waar de zorg voor de bandijk vooral op het niveau van de dijkstoel lagen, zorgden dorpen, later dorpspolders, vooral voor de ontwatering. 155

155

Moorman van Kappen e.a. 1977: 146-147

RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021

[95]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

Figuur 52. De vroegere dorpspolders in de voormalige gemeente Neerijnen.

RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021

[96]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

3.6 Nieuwe tijd (1500-1850) 3.6.1

Nederzettingsontwikkeling

De nieuwe tijd werd gekenmerkt door tal van economische veranderingen in het agrarisch systeem. De veehouderij werd steeds belangrijker, en werd onderdeel van een internationaal marktsysteem. Ook de fruitteelt nam aan betekenis toe, wat in het landschap direct zichtbaar moet zijn geweest. 156 De dorpskernen behielden echter hun middeleeuwse structuur in hoofdlijnen en ook trad er weinig verdichting op. Wel hebben dijkdoorbraken en de dreiging daarvan invloed gehad op de bewoningskernen. In Opijnen verdween in de eerste helft van de 17e eeuw een groot deel van het dorp, inclusief de kerk, in de Waal. 157 Het stratenpatroon met de voor- en achterstraat eindigt nu dan ook abrupt op de huidige schaardijk. In dezelfde periode verdween ook een deel van Vari k in de Waal. Hier bleef de kerk echter gespaard. Op een tiendkaart uit 1714 is te zien dat er in Varik bebouwing stond aan de binnenzijde en ook buitenzijde van de dijk (figuur 2.6). 158 Daarentegen concentreerde de bebouwing in Heesselt zich meer aan de huidige Kerklaan. De adellijke huizen in het buitengebied kregen vanaf de 16e eeuw steeds meer een woon- en verblijfsfunctie. Grachten en omwallingen werden geslecht en op sommige plaatsen vervangen door vijverpartijen en parken, zoals Kasteel Waardenburg.

Dit kasteel en de kastelen Neerijnen (Klingelenberg) en Ophemert zijn behouden gebleven, inclusief bijgebouwen, omgrachtingen en tuinen. Alle drie hebben zij dan ook de status van rijksbeschermde buitenplaats. Kasteel Opijnen, Kasteel Varik en de voorganger van kasteel Neerijnen werden evenals de kastelen van Tuil, Est, Hellouw en Haaften (op een toren na) gesloopt. Van Neerijnen resteert nog een deel van de gracht.

3.6.2

Landbouw

Aan het eind van de Middeleeuwen, rond 1570, nam de fruitteelt in het westelijk dee l van het Gelderse rivierengebied een hoge vlucht. Instellingen en heren begonnen op grote schaal boomgaarden aan te leggen. Deze werden door middel van een pachtsysteem geëxploiteerd. 159 Vooral rondom grote pachtboerderijen werden deze boomgaarden aangelegd . Deze ontwikkeling vond vrijwel alleen plaats op de oeverwallen en binnen de eigendommen van heren en instellingen. Door deze transformatie werd het midden-Nederlandse rivierengebied het grootste fruitcentrum van de Noordelijke Nederlanden. Tot in de 17e en 18e eeuw werd er op grote schaal haver in de komgebieden verbouwd. De mineralen gingen met de gewassen mee naar de stroomruggen. Kwel zorgde op de oeverwallen voor grote hoeveelheden (akker)onkruiden op de akkers. Op de akkers verbouwde men tarwe, gerst , haver en rogge in wisselbouw met bonen en erwten. Tevens werd er op de beste delen koolzaad, soms ook raapzaad, geteeld. 160

156

Van Bavel 1999: 665 Gelders Archief, archief Hof van Gelre en Zutphen (0012), inventarisnummer 668 158 Het Utrechts Archief, toegang 221, inventarisnummer 899 159 Van Bavel 1999: 607; Bieleman 2008: 189 160 Bieleman 2008: 187-188 157

RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021

[97]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

3.6.3

Oorlog en defensie

Beleg van Zaltbommel Gedurende de Tachtigjarige Oorlog (1568-1548) vormden de grote rivieren een belangrijke stra tegische factor. Ze dienden voor troepenverplaatsing en als natuurlijke defensielijn. Bij de verovering van grondgebied speelden de steden een cruciale rol. Ten zuiden van het onderzoeksgebied ligt Zaltbommel, dat aan het eind van de 16e eeuw een grensvest ing was die in Staatse (Nederlandse) handen was. Als grensvesting was deze stad van strategisch belang voor beide partijen. Daarom werd in 1599 door de Spanjaarden gepoogd de stad te veroveren. 161 Terwijl er door de Staatse troepen nog aan de vestingwerken werd gegraven, verscheen aan de horizon het Spaanse leger. In allerijl werden de belangrijkste onderdelen van de vesting versterkt. Via een pontonbrug over de Waal konden voorraden de belegerde stad worden binnengebracht. De Spanjaarden naderden de stad vanuit het zuiden en namen Rossum het fort Cèvoeur in. Aan de noordoever van de Waal verzamelde zich de Staatse troepenmacht. Deze troepen sloegen hun kampen op in de uiterwaarden van Ophemert, Heesselt, Opijnen en Neerijnen. In de uiterwaarden en op de Waaldijk werden verscheidene militaire werken gebouwd. Bij Ophemert werd een schipbrug gebouwd, tussen Varik en Heesselt werden batterijen op de dijk geplaatst en werd en redoutes (kleine vierkante wachttorens) gebouwd.

In de uiterwaarden van Heesselt werd een serie lunetten en redoutes aangelegd van waaruit de Spanjaarden op de zuidoever werden bestookt. Direct ten oosten van Heesselt, tussen de Donkerstraat en de kerk van Heesselt werd tegen het binnentalud van de dijk een schans met vier bastions en gracht opgetrokken. Door de versterkingen kon de stad niet worden ingenomen en trokken de Spaanse troepen zich terug. Van de belegeringswerken op de noordoever van de Waal zijn geen vondsten bekend. Het valt vooralsnog niet uit te sluiten dat zich resten van deze werken nog in de grond bevinden.

161

Rijksmuseum, objectnr. RP-T-1889-A-1919

RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021

[98]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

Figuur 53. Op een kaart van Nicolaes van Geelkercken uit 1630 staan drie redoutes afgebeeld. Eén redoute is door het water verzwolgen en vervangen door een ‘Nieuwe reduijt’ aan de teruggelegde dijk (bron: Gelders Archief, archief Hof van Gelre en Zutphen (0124), inventarisnummer 5123).

Wachttorens Tot in het midden van de 17e eeuw werd midden-Nederland geregeld bedreigd door Spaanse troepen. Om deze dreiging te verminderen werden aan de oevers van de Waal en IJssel reduits, later redoutes, gebouwd. Door de wachtposten op regelmatige afstand van elka ar te leggen ontstond een keten waarmee bij een dreigende aanval een signaal kon worden verstuurd naar verderop geleerde troepen. In eerste instantie zal gebruik zijn gemaakt van bestaande hoogtes, zoals kerktorens en molens. 162 Vanaf de jaren '30 van de 17e eeuw verschijnt een standaard model redoute op de kaarten: een vierkante wachttoren, met spits dak en twee of vier torentjes op de hoek , vermoedelijk uitgevoerd in baksteen. De benaming redoute doet vermoeden dat ze tevens voorzien waren van een omgrachti ng en wal. Vanuit deze torens kon de overzijde van de rivier worden geïnspecteerd op vijandelijke troepen. Om die reden treffen we deze redoutes dan ook voornamelijk aan op punten die zo dicht mogelijk bij de rivier lagen, zoals op de schaardijken (figuur 53).

162

Van Hemmen 2015

RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021

[99]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

Figuur 54. Op de kaart van Joan Blaeu van het rivierengebied (1662) zijn met kleine blokjes (hier deels in de roze zone) de redoutes aangegeven.

Figuur 55. Op de plek van deze boerderij tussen Opijnen en Heesselt stond een redoute (foto: RAAP, 14 november 2019).

3.6.4

Waterstaat

Door de volledige bedijking van de Waal kon het rivierwater niet meer via de kommen afvloeien en werd het rivierwater in de winter flink opgestu wd. Ook ging de rivier steeds meer materiaal afzetten binnen zijn eigen bedding. Door bodemdaling in met name de kommen werd het verschil in hoogte

RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021

[100]

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/329/documents/8050